Een walgelijk stukje grond in Winschoten

“Op den ingediende req[ueste] van het Plaatselijk Bestuur  van Winschoot, hoe het zelve tot zijn leedwezen moet ondervinden, dat zeekere miskuil of misvaalt leggende bijna in het midden van de plaats ongebruikt blijft leggen, en met allerhande vuiligheden, krengen van gestorven dieren enz. als het ware overladen is, waardoor niet alleen aan de voorbijgaande het walgelijkste gezigt word veroorzaakt, maar zeer nadelig is voor de gezondheid, zoo dat zelfs in tijden van warmte de vuilste evaporatiën daar uit oprijzen en de lucht geïnfecteerd word, dat het zelve bestuur zig bij de eigenaren daar van herhaalde keeren heeft vervoegd en getenteerd met denselven ter wegneming van dat walgelijk en de gezondheid beledigend plekje gronds, een behoorlijke schikking te maken, zijnde de koopman Jacobus Franken en Cons[orten] als voorstanders over de dogter van wijlen den koopman Jan Franken, edoch die telkens tot antwoord geven, dat zij hoe zeer hieromtrend [..?..] niet durven ondernemen, dewijl de erfgenaam minderjarig is, gemerkt nu het belang der maatschappij vordert dat dusdane incomoditeiten wierden weggeruimd, en zulks in dezen zoo veel te gemakkelijker kan geschieden, doordien er meer dan eens de rijkelijke waarde er voor is geboden om tot andere eindens te worden gebruikt, zoo neemt het voors[zeide] Bestuur de vrijheid, dit onder het oog van het Hoog Edele Gerichte te brengen, met zeer gedienstig verzoek teneinde hieromtrent sodanig moge worden gedisponeerd als het Hoog Ed[ele] Gerichte naar de principes van eenen goede policie zal oordelen te behoren.

QF
ter ord[onnantie] van het Plaatslijk Bestuur voor[noemd]
/stond/
J.A. Crebas
secret[aris]

/is geap[ostilleerd]/
Word praevie hierop gerequireerd het berigt van de geremon[streerde]
Actum Zuidbroek den 24 Dec. 1803
Was get[ekend]
A.J. de Sitter
Drost

Na ingekomen berigt waarvan copie word geaccordeerd, commissoriaal om gereguleert te worden.
Actum Zuidbroek den 24 Jan. 1804
/was get[ekend]/
A.J. de Sitter
Drost

/is geap[ostilleerd]/
Na gehoudene Commissie worden geremonstreerden geauthoriseert de plaats ten requeste gemeld publiek tot een huistede te verkopen, of bij onvermoedelijke minder gelding weder aan zig te kunnen trekken, zullende alsdan finaal gedisponeert worden of de plaats tot een missing  zal blijven, dan niet.
Actum Zuidbroek 28 feb. 1804
/Was get[ekend]/
A.J. de Sitter
Drost”

Er lag dus een mestplaats in het centrum van Winschoten, die enorm stonk, omdat er ook kadavers op werden gegooid. Het Plaatselijk Bestuur wilde graag af van deze wantoestand, ook vanwege de gevolgen die het vreesde voor de volksgezondheid. Maar de eigenaars, d.w.z. de voogden over de minderjarige dochter van Jan Franken, durfden dat niet aan, omdat het terrein op de lijst met eigendommen van hun beschermeling stond. Uiteindelijk weet de drost een schikking tussen het Plaatselijk Bestuur en deze voogden te bewerkstelligen, met dien verstande dat die de grond zullen laten veilen als bouwgrond voor een huis. Mocht de plaats minder opbrengen, dan de waarde waarvoor ze getaxeerd was, dan ging de verkoop niet door, en zou de drost alsnog beslissen of het terrein bestemd zou blijven voor de berging van mest, of niet.

Overigens hoefde dat laatste waarschijnlijk niet te gebeuren, gezien de hoge vastgoedprijzen in deze periode.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 6972: samengevatte rekesten met de apostilles of kantbeschikkingen daarop, 1803-1804.


Hoe Veendam een dorpsomroeper kreeg

Begin november 1803 vervoegde Fredrik Boser, een inwoner van Veendam, zich in de Oldambtster drostenborg te Uiterburen. Hij gaf er te kennen dat hij graag omroeper in Veendam wilde worden, zulks “ter voldoening aan het verlangen van verschillende ingezetenen”. Hij meende te beschikken over “de nodige vereischten” voor dit werk, maar zou dit toch niet op zich willen nemen zonder permissie van de drost als hoofd van politie en justitie in het Oldambt. Vandaar Bosers “zeer gedienstig verzoek” om diens toestemming voor het

“opvatten en waarnemen van het ambt als omroeper binnen Veendam, onder zodane bepalingen als het E.E. Gerichte in deszelvs wijsheid zal vermenen te behoren.”

De drost wilde de lokale autoriteiten echter niet passeren en vond dat Boser eerst maar eens naar het Plaatselijk Bestuur van Veendam moest, om zich daar van een “attest” te voorzien, een verklaring dat het Bosers verzoek steunde. Boser keerde er een week later inderdaad mee terug naar de drostenborg. Dit keer vond de drost het daarom goed dat Boser “provisioneel en op een proeve” als omroeper optrad, en als zijn proeftijd voorbij was, zou er nog een reglementje voor zijn functie worden gemaakt.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (archieven plaatselijke gerechten Oldambt) inv.nr. 6972 (samengevatte verzoekschriften met kantbeschikkingen, notities d.d. 8 en 15 november 1803.

Over de stadsuitroeper zie…


Oldambtster boeren best wel geletterd

Fraaie anekdote vertelt Jan Freerks Zijlker daar in zijn boekje De Groninger Landbouwer en zijn vak (1843).

Zijn grootvader van moederszijde, een Rotger Jans, was in 1768 te Zuidbroek bij de terechtstelling van Jochum Jans de Vriese geweest. Deze Veendammer vadermoordenaar werd geradbraakt, dat wil zeggen: al zijn ledematen werden gebroken en daarna kreeg hij een genadeklap op zijn hart met dezelfde akkerhouw, waarmee hij zijn vader had doodgeslagen. Bovendien werd zijn kop er afgehakt, die de beulsdienaaren op de pin van het rad neerzetten.

Enfin, naast de opa van Zijlker waren er “duizenden aanschouwers” bij die executie. Vooraf deed de zeer populaire predikant van Scheemda, Johannes Heringa “een plegtstatig en indrukwekkend gebed”. Toen ds. Heringa daarmee eindelijk klaar was, haastte Zijlkers opa zich naar de dichtstbijzijnde herberg. Niet voor een borrel, maar om het gebed van Heringa uit te schrijven. Dat deed hij zo “naauwkeurig en letterlijk”, dat Heringa zich er naderhand over verbaasde. De beide teksten vergelijkend, bleek dominee dat ze slechts verschilden wat betreft een enkel bijzinnetje.

Met deze familie-overlevering wilde Zijlker niet zozeer pochen op zijn opa’s fenomenale geheugen, “als zijnde slechts aangeboren”. Opa’s tekst was bewaard gebleven en wat Zijlker werkelijk frappeerde, was

“de duidelijke letter van de blijkbaar in overhaasting geschreven kopij, bij welke vele hedendaagsche schrijvers, wier naamteekening men dikwijls niet eens lezen kan, wel ter schole mogten gaan; alsmede de zuiverheid van spelling en taal (die van dien tijd natuurlijk in aanmerking genomen), ’t welk een en ander toch het bewijs oplevert, dat onze voorzaten in letterkundige zaken ten minste niet zoo geheel vreemdelingen zijn geweest.”

Dat zijn grootvader mogelijk niet zo representatief was voor alle Oldambtster boeren, kwam niet bij Zijlker op. Maar de meesten zullen toch rustig naar die executie hebben gekeken, terwijl zijn opa zat te pennen in de kroeg.

Het vonnis van De Vriese is te vinden in RHC Groninger Archieven, Toegang 731 (gerechten Oldambt) inv.nr. 5693 (sententies drost) fo. 262.


Een veiling van strandhout

2014-09-23 251

Nota met Jugendstil-vormgeving van het hulppostkantoor te Finsterwolde in 1916, voor de burgemeester aldaar wegens door hem geplaatste advertenties in kranten. Blijkbaar kon je die hier opgeven en afrekenen. En dat niet voor één krant, maar voor meerdere. In afkorting worden namelijk genoemd de Provinciale Groninger Courant, het Nieuwsblad van het Noorden en de Nieuwe Winschoter Courant. Van deze drie was de Provinciale Groninger per advertentie het duurst en het Nieuwsblad het goedkoopst, maar toch adverteerde de burgemeester het vaakst in de Provinciale.

Overigens ging het in alle gevallen om de aankondiging van een veiling waar aangespoeld hout onder de hamer kwam namens de burgemeester in zijn hoedanigheid van strandvonder:

Nieuwsblad van het Noorden 30 augustus 1916.

Nieuwsblad van het Noorden 30 augustus 1916.

Bron van de nota: Archiefbewaarplaats in het voormalige gemeentehuis van Scheemda, gemeente-archief Finsterwolde 1811-1989, inv.nr. 580 (strandvonderij).


Pekelder smakschip kaalgeplukt door zeerovers

“Den 31 july is tot Rouaan gearriveert Schipper Jurjen Derks Tikker voerende ‘t Smak Schip de oude Noorthooren, en heeft den 22 dezer in ’t Kanaal aan boord gehad twee Engelsche Zeerovers, die hem met geweld hebben afgenomen een partie Geld, zyn draibassen (= geschut HP), Scheeps Victallie een partie Touwerk, en nog ander Goederen meer, en dit ongelukkig noodlot hebben nog twee ander Smakken moeten ondergaan , om van de Zeerovers geplundert te worden.”

Bericht uit de Groninger Courant van 9 augustus 1768. In Rouaan haalden Groninger kustvaarders destijds wijn op. Wat dat betreft hadden de Engelse zeerovers beter even kunnen wachten, dan hadden ze een gratis oorlam gehad. Dat de term zeerovers in plaats van kapers hier volkomen terecht was, moge blijken uit het feit dat er op dat moment al vijf jaar vrede bestond tussen Engeland en Frankrijk, zodat deze Engelsen absoluut niet met officiële kaperbrieven hebben kunnen varen. Ook plunderden ze een schip van een bevriende natie. Ik heb zo’n idee dat ze aan beide kanten van het kanaal opgehangen zouden zijn, als men ze had gevat.

Jurjen Derks Tikker kwam uit Oude Pekela, maar zijn schip, de Oude Noordhoorn, was waarschijnlijk gebouwd door, want genoemd naar een scheepstimmerman en hellingbaas Noordhoorn even buiten ’t Klein Poortje van de stad. Tegenwoordig staat op de plek van diens werf de Oude Graansilo aan het Winschoterdiep.


Drenkeling komt bij dankzij fundamentele inblazing via tabakspijp

“Heden heeft de Maatschappye tot het behoud der Drenkelingen te Amsterdam opgerigt, door Haaren Correspondent, den H[oog] Gel[eerde] Heere Prof. P. CAMPER, de prys van zes Gouden Dukaten doen uitdelen aan Gerardus Cremer, en Hilligjen Alders Vroedvrouwe dezer Steede, te zamen, wegens het behouden van Melle Martens, eenen jongeling van 14 Jaaren, die in de verledene Maand July, zig badende by Bottering Poort in de diepte zonk , eenige minuten onder Water bleef, en door Gerardus Cremer opgehaald en aan de Wal gebragt zynde, geene tekens van Leven gaf, dog na dat hem Hilligje Alders eenigen tyd in het Fondament geblazen hadde door een Tabakspyp, wederom bygekomen is, en nog heden zonder eenig overgehouden ongemak leeft.”

Bron: Groninger Courant 16 december 1768.

Commentaar: Voor verlichte geesten was de redding van drenkelingen een belangrijk project, waar vast een mooi boek over te schrijven valt (zo dat niet gebeurde). In Groningen hield de onvermijdelijke Petrus Camper zich bezig met het belonen van mensenredders. De geschetste-mond-op-kontbeademing gold destijds nog als het eerst aangewezen middel om drenkelingen weer bij bewustzijn  te laten komen.


Friese el zoveel langer dan Groningse, dat je van het verschil de belasting kon betalen

“J. BOSCH, Fabriquer tot Leeuwaarden , maakt en verkoopt, zwart en kouleurde Fluwelen, alle in zyn zoort met gereed geld voor een zeer lage prys, en dewelke boven de 25 gl. koopt, kan voor gerede betalinge korten 4 perc. en 10 Elle gelyk kopende krygt een Elle toe dat is 11 Elle voor 10 Ellen boven de kortinge van ’t perc. Daar worden ook gemaakt Zyden Pluis, zwart en kouleurt, zwart Partezooy , Grodetoer en Gewatert Moor , alles op dezelfde Conditiën. NB. De Elle Maat is in Vriesland zoo veel groter dan in Groningen dat de Pontkamers daar uyt kunnen betaald worden.”

Deze advertentie van een Friese fluweelmaker in een Groninger Courant van eind 1768 wil Groninger klanten met diverse voordeeltjes naar Leeuwarden lokken, zolang ze daar maar contant betalen. Zo ja, dan gold bij aankoop boven de 25 gulden een korting van 4 %. Bovendien was bij aankoop van 10 el  de 11e el gratis.

De man had diverse soorten fluweel in zijn assortiment, die lang vergeten namen droegen. Let speciaal op de laatste zin: de Friese el was volgens hem zoveel groter dan de Groningse, dat de Groninger invoerrechten en/of accijnzen uit het verschil betaald konden worden.

Dit laatste maakt uiteraard nieuwsgierig naar de twee ellematen. De Friese, eigenlijk de Workumer, was destijds 0,709 meter lang, de Groninger 0,669 meter. Dat verschilde dus 4 centimeter of 5,6 à 5,9 % al naar gelang je het van de Friese of de Groningse kant bekeek. Heb zo’n idee dat de Friese fulpenfabrikeur hier de Groningse fiscaliteit wel wat onderschatte, maar welke rechten er precies voor fluweel golden, ga ik niet uitzoeken.


Lijklakens en grafhekjes

In een reglementje op een nieuwe begraafplaats te Finsterwolde, gedateerd op 1925, kom ik het verschijnsel dood- of lijklaken weer tegen:

“Den eigenaren van grafruimten of hunne recht verkrijgenden is het geoorloofd op het graf een los houten raam te plaatsen met of zonder een zwart laken, echter niet langer dan gedurende drie maanden na de begrafenis.”

In Diaconie-archieven als bron (Assen 1988) geeft Harry Gras een omschrijving van dat laken voor Drenthe. Het werd er gehuurd van de lokale diaconie, de kerkelijke armenkas, om het bij een begrafenis over de doodskist te kunnen draperen. Vaak beschikten een diaconie over meerdere exemplaren. Meestal waren deze nieuw gekocht als het oude lijklaken versleten raakte, maar soms kreeg een diaconie er ook wel eens een cadeau van beter gesitueerden. Het oude laken bleef dan in gebruik, terwijl de diaconie het nieuwe tegen een hoger tarief verhuuurde. Zo beschikte de diaconie van Peize begin twintigste eeuw over een “beste laken” en een “minste laken”. Het ene deed qua huur een daalder en het andere  een gulden. Aan het gehanteerde tarief in de diaconierekening kan je dus de status van een overledene aflezen.Bovendien had de diaconie van Peize nog een kinderlaken te huur voor een halve gulden.

De beschrijving van Gras geldt ook voor Groningerland. Zo kwam ik als student in 1980 bij een familiehistorisch onderzoek naar het negentiende-eeuwse diaconiearchief van Westeremden twee tarieven voor lijklakens tegen: een algemeen van een gulden, en een lager van 60 cent per dag. Dat lagere tarief werd vrijwel uitsluitend door nabestaanden van overledenen uit een daglonersmilieu betaald. Het zal om het mindere laken zijn gegaan.

Daarnaast was er in Westeremden een verschijnsel, dat Gras niet noemt voor Drenthe. Bij een begrafenis lag in het Groningse dorp bijna sowieso een zwart laken over de kist, dat hoorde zo als je niet arm was. Maar men kon er het laken ook zes zondagen huren voor over het hek rond de groeve en men betaalde dan navenant. Vanwege de veel hogere kosten gebeurde dit echter veel minder vaak, en alleen in bepaalde gevallen. Erfgenamen uit de gezeten boerenstand betaalden de hoogste sommen aan lakengeld (meestal ƒ 6,30 à ƒ 7,-) voor overleden ouders en echtgenoten, maar voor hun overleden kinderen huurden  ze het zwarte laken slechts een dag, dus voor een gulden.

Dat de Drenten vreemd tegen dat Groninger hekjesgebruik aankeken, blijkt impliciet uit een stukje dat de Provinciale Drentsche en Asser Courant op 28 juni 1864 plaatste. Het betreft een beschrijving door ene L uit W. over de gewoonten bij begrafenissen in Groningerland , die eerder in de Steenwijker Courant had gestaan:

“Als blijk van hulde of liever als bewijs van rijkdom (want naar ’t vermogen der familie duurt dit langer of korter, terwijl de arme slechts een bloot rekje verkrijgt), staat nu op het graf van den overledene een rekje in den vorm ener doodkist, waarover elken morgen een zwart laken wordt gehangen, dat des avonds weer wordt weggenomen door oude vrouwtjes…”

De scribent verondertelde dat dit “kerkdienaressen” waren , maar ik denk eigenlijk eerder aan bedeelde bejaarden. Dat het lijklaken elke dag werd opgehangen in deze voorstelling van zaken, lijkt conform de praktijk in Finsterwolde, maar verschilde van die in Westeremden.

In Westeremden maakten de lakenhuren maar een klein deel uit van de diaconale inkomsten. Dat ze desalniettemin wel degelijk van belang konden zijn, toont een advertentie van de stad-Groninger diaconie in de Groninger Courant van 15 mei 1838. Hier waren particuliere ondernemers lijklakens gaan verhuren en de diaconie deed een moreel appel aan het publiek, om de armen te blijven steunen:

“Sedert onheugelijke jaren heeft het verhuren der Lijklakens door de Kosters der drie Hoofdkerken TEN VOORDEELE DER ARMEN bij onze Diakenie plaats gehad en geschiedt nog heden ten dage. Doch in den laatsten tijd hebben partikulieren , zoo als wij vernomen hebben , ditzelfde bedrijf bij de hand gevat, om er winst mede te doen. Het staat natuurlijk regtens ieder vrij , dat bedrijf uit te oefenen , hetwelk de wet hem vergunt, al benadeelt hij ook de armen; maar de Ingezetenen zullen zich toch wel zedelijk gedrongen gevoelen, om, bijaldien zij zich in de treurige noodzakelijkheid bevinden, van tot de ter aarde bestelling hunner Betrekkingen Lijklakens te moeten gebruiken, ook in dezen bij voortduring aan de Armen te geven wat der Armen is. Deze herinnering moge niet overbodig schijnen in een’ tijd , waarin aan de inkomsten onzer Diakenie zulke gevoelige slagen zijn toegebragt en waarin men meer dan ooit op de krachtdadige ondersteuning van Weldoeners der Armen zijne eenige hoop moet vestigen

Groningen                                        T. P. TRESLING,

den 10 Mei 1838.                            Archidiaken”


Instructie voor de lijkbezorgers van Finsterwolde

069

Instructie voor de lijkbezorgers

Art. 1
Het begraven van lijken in de gemeente Finsterwolde zal geschieden door 6 personen, daartoe door Kerkvoogden der Hervormde gemeente aangesteld.

Art. 2
Zij zijn verplicht bij iedere begrafenis hunne diensten te verrichten, en worden benoemd voor den tijd van vier jaar. Ieder 2 jaar, met den 1en Januari treedt de helft af volgens op te maken rooster.

Art. 3
De diensten in art. 2 bedoeld, bestaan uit het brengen der lijkkist uit het sterfhuis in den lijkkoets, het begeleiden der lijkstatie in zoodanige orde, als zal worden gelast en het dragen van den lijkkist naar – en het neerlaten in de groeve. Van het kerkhof teruggekeerd kunnen zij de stoet verlaten. Bij ontstentenis één hunner zonder geldige redenen, kan op kosten van den teruggeblevenen een plaatsvervanger worden genomen.

Art. 4
De lijkbezorgers moeten voor eigen rekening gekleed zijn in een net zwart pak, lage hoed en gepoetste schoenen. Voor rekening van Kerkvoogden zal hun in bruikleen worden gegeven een sjerp met tressen benevens handschoenen.

Art. 5
Gedurende den dienst is ’t misbruik maken van en ‘t vragen om sterken drank zoowel als rooken verboden en kan ontslag ten gevolge hebben, tot het geven waarvan Kerkvoogden ten allen tijde bevoegd blijven.

Art. 6
De belooning voor iedere begrafenis zal per hoofd ƒ 1,- bedragen. Nadat op ’t einde van elk dienstjaar is vastgesteld, wat ieder heeft te vorderen, zal hun  deze som door het Burgerlijk Armbestuur worden voldaan.

Aldus vastgesteld door Kerkvoogden en notabelen in hunne vergadering gehouden den 6 December 1899.

Namens dezelve:

T. Kremer (voorz.)

A.T. Roelofs (secr.)

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 232  (archief hervormde gemeente Finsterwolde), inv.nr. 80.


Zwieren op de baan van Hoogezand (1927)

Beelden uit het bioscoopjournaal van 1 december 1927. Ze zijn gemaakt in Hoogezand, waarschijnlijk bij het provinciaal kampioenschap schoonrijden voor dames, waarvan in kranten sprake is. Let vooral ook op het paarsgewijze rijden, dat zie je volgens mij nergens meer.


Een ‘gekraakt’ lijkenhuisje in Uithuizermeeden

Door een bericht van eind 1894 in diverse regionale kranten lijkt het alsof een lijkenhuisje in Uithuizermeeden gekraakt was. Bij nader inzien lag de zaak wat anders. Ze leidde tot de oprichting van een lokaal daklozenhuis.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Aldus de Provinciale Groninger Courant van 20 december 1894, in een bericht dat een dag later compleet werd overgenomen door de Winschoter. Kennelijk was het een opmerkelijk nieuwsfeit. In hedendaagse termen: kansarm gezin kraakt lijkenhuisje en burgerlijke pers breekt daar de staf over. Maar dat blijkt toch een te eenvoudige voorstelling van zaken, die bij nader onderzoek plaats moet maken voor een meer genuanceerd beeld.

Paaptilsterweg
Om te beginnen met dat lijkenhuisje. Het stond op de gemeentelijke Algemene Begraafplaats aan de Paaptilsterweg, even buiten de bebouwde kom van Uithuizermeeden. In 1860 kwam dit kerkhof gereed. Iets later verrees hier een ‘berg- en woonhuis’. Dit staat er min of meer nog steeds, want in 1983 werd het weliswaar wegens een verregaand verval afgebroken, maar ook weer opnieuw opgebouwd, op dezelfde fundering en onder gebruikmaking van zoveel mogelijk de oorspronkelijke bouwmaterialen. ‘We kunnen het nu een royaal bemeten lijkenhuisje noemen’, schrijft de lijkenhuisjes-deskundige Pieter de Vries, ‘maar oorspronkelijk was het natuurlijk maar een kleine woning voor de opzichter en een bergruimte, die tevens fungeerde als lijkenhuisje’.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Als het pandje inderdaad reeds als woning in gebruik was, dan maakt dat de ‘kraak’ in mei 1894 natuurlijk een stuk minder bizar. Jan Veenstra (geb. 1935), in 2010 de buurman van de begraafplaats, die op die plek ooit het steenhouwersbedrijf van zijn vader overnam, kwam bewoning van de begraafplaats ook geheel niet vreemd voor. ‘Dat was een behoorlijk huisje voor toen’, zei hij: ‘Voor nu niet meer, maar voor toen wel. In 1970 was er nog een woning voorop het kerkhof, waar een familie Smit in woonde, dat weet ik nog wel.’ Veenstra denkt dat het lijkenhuisje ‘voor nood’ even bewoond was: ‘Een gedeelte was bestemd om er touwen en planken te bewaren, in een ander gedeelte kon worden gewoond.’

Onechte kinderen
De Provinciale Groninger Courant had het bericht in die donkere dagen voor kerstmis 1894 niet van zichzelf. Ze nam het over uit de Ommelander Courant, waarin het al op 19 december was verschenen. Doordat er tegen deze oorspronkelijke bron, die niet bewaard bleef, een smaadaanklacht werd ingediend, komen we de naam van de man te weten, wiens gezin het lijkenhuisje bewoonde. Dat was Oltman Luurssen. Deze arbeider, geboren in 1856 te Ditzumerverlaat in Oost-Friesland, zat in het voorjaar van 1894, zoals de kranten al schreven, inderdaad gevangen, en wel van 24 april tot 23 juli in de Groninger strafgevangenis. Bovendien had hij vijf kinderen, wat ook weer conform de berichtgeving is. Deze kinderen waren allen in Uithuizen geboren. In het voorjaar dat hun vader vastzat, waren zij één tot tien jaar oud. Dit betekende dat ze nog nauwelijks konden werken  en (bijna) volledig tot last van de ouders kwamen. Opmerkelijk hierbij was dat Oltman Luurssen en hun moeder Hilje Kremer nog niet getrouwd waren. Waarom niet, daar kan je naar gissen. Misschien konden ze het huwelijk niet betalen, of maakte het ze niets uit. In elk geval zou het paar pas eind 1896 in het huwelijk treden, nadat er nog een ‘onecht’ kind bijkwam. Tijdens de plechtigheid erkende Luurssen alle zes de kinderen en kregen ze ook zijn achternaam.

Met voorbedachten rade
Voor mei 1894, de maand van de ‘kraakactie’, woonde het gezin nog op de Hefswal bij Uithuizermeeden. Hefswal wordt althans als woonplaats genoemd in het vonnis, dat Luurssen tot drie maanden gevangenisstraf veroordeelde. Hij had in de nacht van 17 op 18 februari 1894 met voorbedachten rade een koperen koffieketel, rokken, een beddelaken, een jak, een borstrok en een lap bruin bevers goed weggenomen uit de stookhut, het washuis en van de bleek bij de boerderij van Hulsewe op de Noordpolder. Deze goederen verstopte hij in en om zijn huis. Toen echter de Uithuister marechaussees binnen en week voor zijn deur stonden, bekende hij grif en wees hij de plekken aan waar hij de buit verstopt had. Wat voor de rechter waarschijnlijk de reden was om de celstraf te halveren ten opzichte van de eis, want de officier had nog gewild dat Luurssen zes maanden zou brommen.

In elk geval kwamen Luurssens inofficiële vrouw en hun vijf kinderen in mei 1894 in het lijkenhuisje op de begraafplaats aan de Paaptilsterweg te wonen. Het sluitende bewijs daarvoor ligt in enige correspondentie die de Commissaris van de Koningin in Groningen en de burgemeester van Uithuizermeeden in juni voerden naar aanleiding van een adres, dat de kersverse hervormde predikant van Uithuizermeeden, C. de Hoogh, bij de Commissaris indiende. Helaas bleef dat stuk zelf niet bewaard, maar volgens een notitie van de Commissaris bevatte het ‘klachten over [het] onderdak van vrouw Luurs en haar gezin’ te Uithuizermeeden. Burgemeester Bakker berichtte de Commissaris vervolgens ‘dat het huisgezin reeds sedert ettelijke dagen een goed onderkomen is bezorgt op het kerkhof in een aldaar staand huisje’. Hij voegde hieraan toe

‘…dat juist de kerkeraad van Ds. de Hooghs gemeente en evenzoo de kerkeraad te Oosternieland hardnekkig weigerde, een der hun toebehoorende onbewoonde huisjes aan het Burgerlijk Armbestuur te verhuren om het gezin daarin te plaatsen. Ds. De Hoogh, ontsticht als hij was over de weinige Christelijke liefde door zijne geloofsbroeders betoond, heeft denkelijk in de hoop dat zijn kerkeraad tot andere gedachten zou komen UHEd. met de toestand van het gezin in kennis gesteld.’

Er was kortom, meteen dat voorjaar al gekrakeel geweest. Toen het gezin van Luurssen het huis op de Hefswal – wegens huurschuld of reputatie – moest verlaten, klopte het voor onderdak aan bij het burgerlijk armbestuur. Dat probeerde vervolgens een onbewoond huisje van een hervormde diaconie te huren. Zowel het kerkelijke armenfonds van Uithuizermeeden zelf, als dat van Oosternieland weigerde echter. We weten het niet, maar waarschijnlijk speelde het ongehuwde samenwonen met maar liefst vijf onechte kinderen hierbij een rol. Hoe dan ook, de weigering stuitte dominee De Hoogh zeer tegen de borst. Nadat de predikant opspeelde, stelde de gemeente Uithuizermeeden alsnog het lijkenhuisje op de begraafplaats ter beschikking. Het gezin van Luurssen betrok dit dus niet door een kraakactie, zoals je op basis van het krantenbericht zou kunnen menen, maar door toedoen van de plaatselijke autoriteiten. Na de brief van de burgemeester oordeelde de Commissaris dan ook, dat zijn tussenkomst niet meer nodig was.  Hij nam de klacht van De Hoogh voor kennisgeving aan en ondernam verder geen actie.

Smaad
Toen eind 1894 de Ommelander Courant berichtte dat het lijkenhuisje al ruim een half jaar bewoond werd, waarbij ze zijn ‘zeer woeste spruiten’ beschuldigde van het voortdurend ‘bezoedelen’ van grafmonumenten, diende Oltman Luurssen een klacht wegens smaad tegen deze krant in. Dat deed hij bij de burgemeester, die de klacht met een exemplaar van de gewraakte krant naar de officier van justitie bij de Groninger rechtbank stuurde. De burgemeester had intussen ook de tegenpartij gehoord, in de persoon van W. Bierma, de uitgever van de Ommelander Courant. In eerste instantie verklaarde Bierma, dat de auteur van het stukje niet in Uithuizermeeden woonde ‘en ook geen belang schijnt te hebben bij de begraafplaats’. Volgens de burgemeester was de publieke opinie in zijn gemeente op Luurssens hand: ‘Algemeen schijnt men het den anoniemen schrijver zeer kwalijk te duiden dat hij zonder de minste aanleiding Luurs in het openbaar beleedigd’. Toen de burgemeester op aandringen van de officier nog een keer met Bierma ging praten, noemde deze Jacob Hoek,  hoofdonderwijzer te Oosterwijtwerd, als auteur van het stuk. In zijn correspondentie met de officier kon burgemeester Bakker zijn minachting voor dit schoolhoofd niet onderdrukken: ‘Dat heer schijnt het voor de maatschappelijke orde noodzakelijk te achten, zijn licht in de locale bladen over alle mogelijke personen en onderwerpen te laten schijnen’. Maar de officier liet zich hierdoor niet verleiden om tot vervolging van Hoek over te gaan. ‘De belediging’, zo overwoog hij, ‘is eigenlijk meer gericht aan het adres van de authoriteiten die zulke dingen (namelijk de bewoning van het lijkenhuisje etc. HP) dulden’. Weliswaar werd ook Luurssen beledigd, maar ‘intusschen is hier meer sprake van kritiek dan van beleediging’. Daarmee was de zaak afgedaan voor de officier, die haar seponeerde.

Daklozenhuis
De bewoning van het lijkenhuisje, het kritische krantenbericht en de lokale verontwaardiging kregen nog een gevolg in een gemeentelijke maatregel. Althans, het rechtstreeks verband wordt nergens expliciet vermeld, maar toch vloeide de maatregel waarschijnlijk voort uit het geval. Om het minder abstract te zeggen: de krantenkritiek op de autoriteiten die het gezin Luurssen in het lijkenhuisje lieten wonen, leidde tot de oprichting van een daklozenhuis in Uithuizermeeden.

Chronologisch volgen deze gebeurtenissen elkaar zo dicht op, dat het verband bijna niet kan missen. Als je evenwel alleen de krant leest, lijkt het anders. Van januari tot in maart 1895 heerste namelijk een bijzonder strenge winter. Eerst vond men de kou helemaal niet erg, getuige de vele berichten over schaatspret, maar toen in maart het vaarwater nog steeds dicht bleef, de turf opraakte, en het begon te nijpen voor de mindere man die ook nog steeds niet op het land aan het werk kon, begon het iedereen te vervelen. Het bericht in de Provinciale Groninger Courant van 29 maart 1895 ga je dan tegen deze achtergrond zien:

‘Te Uithuizermeeden zal op kosten van de gemeentekas een gebouw voor dakloozen gesticht worden, geen tehuis voor dakloozen, zooals men dat in de steden vindt, maar een gebouw, waarin huisgezinnen, die hunne woningen door wanbetaling hebben moeten verlaten en nu geen onderdak hebben, tijdelijk met hun inboedel plaats kunnen vinden. Het gebouw zal verrijzen op een stuk gronds, aan de gemeente toebehoorende.’

Het plan om een onderdak voor dakloze gezinnen te bouwen had echter niets met de lange strenge winter van doen, het ontstond al tussen 11 en 18 januari, een week nadat de burgemeester en de officier van justitie hun correspondentie afsloten. Op 11 januari besloot het college een voorstel aan de raad te doen, om 29.000 gulden te lenen, geld dat vooral bedoeld was voor de nieuwe Paaptilsterbrug. Bij de raadsbehandeling echter, deed burgemeester Bakker het aanvullende voorstel om nog 1000 gulden extra te lenen, ‘aangezien met mei enkele huisgezinnen aan den weg komen te zitten’. Dit geld was bestemd ‘om een gebouw voor dakloozen op te richten’. Het voorstel van de burgemeester werd zonder stemming aangenomen en in de loop van februari en maart kreeg het voornemen zijn beslag. Zo besloot het college van B&W medio februari dat de ‘appartementen’ in het daklozenhuis een oppervlakte zouden krijgen van 6,5 bij 5 meter. Gelijk al kwam er protest van enige omwonenden van het stuk gemeentegrond waar het huis zou komen. Zij verzochten de gemeente om het ‘niet in hun buurt te bouwen’. Dankzij de burgemeester bereikte dit verzoek ook de raad. Daar pleitte hij er evenwel zelf voor om het gebouw op de beoogde locatie te realiseren. Op een andere plek zou de gemeente de grond nog moeten kopen, en dan kwamen anderen met een eenzelfde verzoek, want ‘niemand wil zoo’n gebouw graag naast zich hebben’. Bovendien moest het pand ook niet te ver uit de dorpskom staan, immers: ‘de politie moet er dagelijks toezicht op kunnen houden’. Van enig uitstel wilde de burgemeester niet weten, ‘met mei’ moest het gebouw in gebruik zijn, ‘zodat er niet veel tijd is te verliezen’. Zonder stemming ging de raad akkoord. Wel kwam het gebouw in werkelijkheid op een tegenoverliggend perceel gemeentegrond,  ‘als biedende daarvoor ruimer terrein aan’. Eind maart vond de aanbesteding plaats, de laagste inschrijver kreeg de opdracht voor een bedrag van tegen de 1200 gulden.

Blauwdruk voor de verbouwing van het oude tot een nieuw daklozenhuis. Links een ‘appartement’ zoals het eruit zag bij de bouw in 1895, met vier bedsteden en een portaal. Rechts het nieuwe grondplan. Bron: gemeente-archief Eemsmond, archief burgerlijk armbestuur  Uithuizermeeden, inv. nr. 31.

Blauwdruk voor de verbouwing van het oude tot een nieuw daklozenhuis. Links een ‘appartement’ zoals het eruit zag bij de bouw in 1895, met vier bedsteden en een portaal. Rechts het nieuwe grondplan. Bron: gemeente-archief Eemsmond, archief burgerlijk armbestuur Uithuizermeeden, inv. nr. 31.

Het daklozenhuis stond in 1913 als nummer 2 op een staat van gemeente-eigendommen, meteen na het nieuwe gemeentehuis. In 1920 zou de gemeente een nieuw daklozenhuis laten bouwen. De grond daarvoor kwam van het burgerlijk armbestuur, dat in ruil het oude gebouw kreeg. Dit werd vervolgens verbouwd voor bewoning door twee gezinnen., waarbij de oorspronkelijke appartementen waarschijnlijk werden verdubbeld. Dankzij de bewaard gebleven blauwdruk, hebben we nog een beeld van de oude toestand.

Harry Perton

Met dank aan Jeroen Hillenga en Jan Veenstra. Dit stuk stond eerder in een geannoteerde versie in Stad & Lande 2011-2.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

 


Boeren lagen hoog en droog, armen laag en nat

Het kerkhof van Finsterwolde in 2006.

Het kerkhof van Finsterwolde in 2006.

In 1808 besloot koning Lodewijk-Napoleon het begraven van doden in stads- en dorpskernen te gaan verbieden, een verbod dat dan ook voor de kerken gold. Volgens Zijne Majesteit ging het begraven op zulke lokaties ten koste van de volksgezondheid. Zijn minister van binnenlandse zaken diende het verbod zo snel mogelijk op te nemen in een wetsontwerp, dat ook moest voorzien in de aanleg van nieuwe begraafplaatsen, gelegen op – omgerekend – ruim een kilometer van de bebouwde kom.

De minister van Binnenlandse Zaken besloot eerst maar eens wat onderzoek te doen. Hij schreef alle gewesten aan met een begraafplaatsen-enquète. Uiteindelijk kwam het vragenlijstje terecht bij o.a. de Oldambtster kerkvoogdijen, die ook bijna allemaal braaf hebben geantwoord.

Voor een tijdschrift analyseerde ik in een artikel de Oldambtster enquète-uitkomsten. Om een indruk te gevan van de enquète, hier de vragen, gevolgd door de antwoorden die één enkele hervormde gemeente, namelijk die van Finsterwolde, gaf, met wat commentaren van mij.

Vraag 1: “Welke is de oorsprong der eigen graven in de kerken en op de kerkhoven?”

Hierbij antwoordde Finsterwolde volgens het enquèterapport ongeveer zoals Zuidbroek, waar men veronderstelde dat de graven (net als de kerkhoven) ooit collectief bezit waren geweest. Inmiddels was dat niet meer zo, want de graven waren allang particulier eigendom. Finsterwolde verschilde echter van Zuidbroek in die zin,

“… dat alhier bij ieder heerd lands gerekend wordt eenige graven te behooren, van welke graven ook in eenige aankomstbrieven wordt gewag gemaakt.”

Met dat heerd werd een boerderij bedoeld, zoals uit het antwoord op de tweede vraag blijkt. Aan iedere boerderij waren dus graven op het kerkhof verbonden. Een dergelijke regeling bestond ook in onder meer Oostwold, Midwolda en Nieuwolda.

Vraag 2: “Hoe veele zoodanige eigene graven bestaan er in iedere gemeente in kerken en op kerkhoven, welke aan particulieren toebehoren?”

“In de kerk is slechts één eigen grafkelder, aangekocht door de famille van den kerkvoogd Heddema, zijnde voorts het kerkhof verdeeld naar het getal der boerenplaatzen, volgens het vorige antwoord. De vier uithoeken van het kerkhof worden alleenlijk gebruikt tot het begraven van behoeftigen en gealimenteerden.”

Naast die ene grafkelder lagen er in de kerk wel degelijk andere graven, maar die werden kennelijk niet als particulier beschouwd. Het ging vooral om predilkanten en kerkvoogden, zoals uit ‘Pathuis’ duidelijk wordt. Blijkbaar werden hun graven als kerkelijk eigendom beschouwd.
In een paar andere kerkgemeenten werden “algemene graven” op het kerkhof gemeld. Waarschijnlijk ging het daar net als In Finsterwolde om graven van armen. De vier uithoeken van het Finsterwolmer kerkhof waren lager, de armen genoten er dus minder droge grafcondities dan de boeren vlakbij de muren van de kerk.

Vraag 3: “Of, en zoo jaa, welke voordeelen ontvangen deze kerken of andere gestichten jaarlijks van het begraven der lijken in kerken of op kerkhoven?”

“Geene voordeelen.”

In verreweg de meeste plaatsen genoten de kerkvoogdijen geen inkomsten van begrafenissen. Alleen enkele grotere plaatsen hadden die, zij het op bescheiden schaal.

Vraag 4: “Hoe vele lijken worden gewoonlijk in iedere gemeente jaarlijks begraven?”

“Pl.m. 35”

In het ‘Register van aangegeven lijken’ dat er bestaat van het Finsterwolde tussen 1806 en 1811, zijn er in 1806 een 23 mensen gestorven en in 1807 een 57 (er heerste toen een kinderziekte, waarschijnlijk mazelen). De kerkvoogd moet beide getallen gemiddeld hebben, waarna hij zag dat 1807 dit gemiddelde toch wel erg omhoog trok, zodat hij het nodig vond om het wat naar beneden bij te stellen.

Vraag 5: “Welke uitgestrektheid zoude dienvolgens een of meer begraafplaatsen buiten iedere gemeente moeten hebben?”

“Het tegenwoordig kerkhof is breedt 14 en lang 10 roeden Gron[inger] maat, de nieuwe begraafplaats zou dezelve uitgestrektheid moeten hebben.”

Aannemende dat een doorsnee-graf ongeveer 5 vierkante meter in beslag nam, nam het gemiddelde jaarlijkse aantal van 35 doden hier 175 vierkante meter aan ruimte in. Omgerekend kwam het geraamde areaal van de toekomstige dodenakker neer op 2372 vierkante meter. Na 14 jaar zou de nieuwe begraafplaats van Finsterwolde dus vol zijn, teminste, als er niet in etages begraven werd. Hier werd vrij voorzichtig geraamd, er waren ook gemeenten die veel hoger in de boom zaten.

Vraag 6: “Op welk een geschikte voet zoude dit een en ander in order kunnen worden gebragt?”

“Het kerkhof wordt hier op het eind van het dorp, genoegzaam buiten de gemeente gevonden en waar hetzelve ook aangelegd wordt, men zal in de gemeente geene geschikte plaats kunnen vinden die verder van de huizen verwijderd is dan de tegenwoordige begraafplaats. “


De conjunctuur van de fotografie in de oorlog

Bij mijn logje over de prijs van schoolfoto’s in de oorlog, verbaasde een lezer te Moskou zich over het feit dat hier tijdens de Duitse bezetting überhaupt nog foto-ateliers actief waren. Dat was in Rusland wel anders.

Zijn opmerkingen gaven me aanleiding om eens in de krantendatabank van Delpher te kijken naar de aantallen advertenties die foto-ateliers en fotografen van 1938 tot en met 1945 in Nederlandse kranten plaatsten. Verwerkt tot een grafiek zien deze aantallen er zo uit:

Aantallen kranten-advertenties met de termen fotograaf en foto-atelier 1938-1945Op het eerste gezicht lijkt er dus sprake van een enorme toename in de eerste jaren van de oorlog, waarna een daling inzet die voortduurt tot 1945. Hier moeten echter wel een paar kanttekeningen bij worden geplaatst.

Allereerst de toename tussen 1939 en 1941 – deze is gedeeltelijk in de hand gewerkt doordat er in Delpher veel extra kranten uit de oorlogsperiode opgenomen zijn, zowel gewone als nationaal-socialistische. Toch vertoont een individuele titel als het Nieuwsblad van het Noorden ook zo’n toename, althans in 1939 en 1940. Waarschijnlijk probeerden fotografen destijds in te spelen op de grotere behoefte aan portretten van mensen die naar elders vertrokken, denk maar aan reguliere militairen die een ongewis lot tegemoet gingen en nazi’s die aan het oostfront wilden gaan vechten. Bij alle anti-joodse maatregelen in Nederland is er dan van grootschalige deportatie nog geen sprake, dus dat lijkt nog geen rol te spelen aan de vraagkant.

De daling vanaf 1941 zal vooral aan de aanbodzijde liggen. De vele joodse fotografen kregen eerst een beroepsverbod. Die adverteerden dus niet meer. Verder konden de overgebleven fotografen waarschijnlijk steeds moeilijker aan de benodigde chemicaliën komen voor het ontwikkelen en afdrukken van hun foto’s. Veel ateliers gingen dan ook noodgedwongen over op de spaarstand. Bovendien beperkte de papierschaarste vanaf 1943 allengs meer de omvang van de kranten, wat ook zijn invloed op de aantallen advertenties zal hebben gehad. In het gelijkgeschakelde Nieuwsblad van het Noorden nam het aantal fotografen-advertenties zelfs al stelselmatig af sinds 1940.


De prijs van schoolfoto’s in de oorlog

img534

Dit nogal omvangrijke stempel staat achterop een dubbelportret in briefkaartformaat van mijn vader en zijn broer, gezeten in een schoolbank. In de oorlog, toen deze foto gemaakt werd, kostte die op zich dus een kwartje. De prijs ging echter stapsgewijs omlaag als je meer exemplaren bestelde. De laagste prijs was de helft van dat kwartje, bij afname van minstens acht exemplaren.

Voor vergrotingen op passe-partouts, die destijds in mijn voorfamilie duidelijk in onbruik waren geraakt, betaalde je een veel hogere prijs.


Tot in Australië werd er zilverpapier gespaard voor Dr. Denker

“Ja, onze zilverpapier-actie gaat de wereld rond. Zij is bescheiden in onze Noordelijke provincies begonnen, maar al spoedig kwamen er ook zendingen uit andere delen van ons land. België en Engeland volgden, op verschillende schepen wordt voor mij gespaard, uit Canada ontving ik zilverpapier en deze week kreeg ik tot mijn grote verrassing een brief van mevrouw R. Kosse, Memerambi, Kingaroy Line, Queensland in Australië. Zij schreef me:

„Hierbij stuur ik u een gedeelte van het gespaarde zilverpapier. Hoe wij hier in Australië weten van uw actie? Dat zit zo. Op 10 Dec. 1948 zijn wij met de Volendam geëmigreerd. We woonden tevoren aan de Peizerweg in de gemeente Hoogkerk. Een vriendin stuurt me geregeld uw blad. Terwijl ik in het Kingaroy Hospital lag, waar op 1 October onze zoon is geboren, las ik van Uw zilverpapier-actie. Ik ben direct begonnen te verzamelen, vrienden en bekenden helpen mee en ook schoolkinderen.”

Zo wordt nu ook in Australië voor het goede doel gespaard. Onze gezamenlijke actie krijgt steeds grotere internationale vermaardheid…”

Bron: Dr. Denker in het Nieuwsblad van het Noorden van 5 januari 1952.