Het kan altijd erger

2016-01-04 007

Tegen de muur stond al een hele tijd een plastic zak. Ik was al bijna vergeten wat er in zat, maar het betrof boeken en knipsels, gekregen van mijn schoonzus. Zij had de verzameling op haar beurt van een overleden buurman. Diens fascinaties bleken vooral te bestaan uit honderdjarigen,  Groningse grafzerkenpoëzie, en de archeologie van Drenthe en ik kan wel wat met die onderwerpen, vandaar dat die zak met documentatie er nog steeds staat.

Tussen de knipsels zaten ook wat hele krantenkaternen over bijzondere gebeurtenissen. Zoals uit het Nieuwsblad van het Noorden van woensdag 14 en vrijdag 16 februari 1979, toen het pas goed winterde, getuige de koppen:

14

Noorden vast in sneeuwstorm. Dorpen afgesneden van buitenwereld. Politie sluit rijkswegen af. Noodweer komt uit Duitsland. De witte tornado in beeld. Beetje pret maar veel ellende.

16

Gevecht tegen het isolement. Barre winter eist drie mensenlevens. Veel dorpen in Groningen nog onbereikbaar. Een dagje ontbering. Eigen trein uitgraven.

Ja kijk, dan viel het vandaag nog wel mee. Hoewel een extra kwartier blauwbekkend moeten wachten op een bus ook geen pretje is.

 


Het stigma van ’t sociale

Over haar studie sociale geografie (1931-1937) schrijft Daisy Stork dat zij en haar medestudenten aan het eind van hun eerste jaar een zelfstandig onderzoek moesten beginnen naar een maatschappelijk verschijnsel. Als onderwerp kiest ze ‘De voeten  van de Chinese vrouw’ en haar onderzoeksverslag blijkt uiteindelijk van een dusdanige kwaliteit, dat het goedgekeurd wordt voor een publicatie in het tijdschrift China. Maar dan krijgen zij en haar hoogleraar, Steinmetz, verschil van mening met de China-deskundige prof. Ariëns Kappers sr. Die vindt het namelijk ongewenst dat achter haar naam als auteur ‘sociaal geografisch studente’ komt te staan:

“…dat moet [volgens hem] geografisch studente zijn. Als ik er op wijs dat het heus sociale geografie is, wat ik studeer, luidt zijn commentaar: “dat dit zo slecht zou zijn voor mijn toekomst en vooral voor mijn goede naam, want dat iedereen dan zou denken, dat ik een socialist was”!”

Kappers kreeg zijn zin ook nog. Het is een mooi voorbeeld van hoe een groot deel van de academische elite tijdens het Interbellum nog over socialisme dacht. Destijds, moeten we bedenken, was ook slechts 1 op de ruim 1000 burgemeesters socialist, namelijk Kornelis ter Haan in Zaandam.

Ook in het communiqué-achtige, waarschijnlijk uit officiële bron overgenomen bericht van eind november 1936 over de benoeming van haar partijloze, maar vrijzinnige verloofde Bob Stork als burgemeester van Dwingeloo, wordt haar studie deels verloochend:

“Hij is verloofd met mej. Van der Kuyle te Amsterdam die oeconomische geografie studeert aan de Gemeentelijke Universiteit aldaar.”

In de kennisgeving van haar huwelijk, begin maart 1937 gepubliceerd in diverse kranten, zet de pas afgestudeerde Daisy dit weer recht:

huwelijk Daisy Stork 1937

Het is weliswaar tot soc. afgekort, maar iedereen wist waar dat voor stond. “Wat krijgen we nu in huis?”, moeten de conservatieve krachten in Dwingeloo hebben gedacht.


Plaggenhutten, spitketen en hun bewoners

Beelden uit het Bioscoopjournaal van 1 februari 1926, toen langzamerhand tot de rest van Nederland doordrong welke gevolgen de crisis in de turfgraverij had voor de bewoners van de veengebieden in Zuidoost-Drenthe. Dergelijke beelden zouden destijds trouwens net zo goed gemaakt kunnen worden in sommige Friese heidedorpen of in het Westerkwartier en Westerwolde:

Als zo’n kolonie met armoedige onderkomens ook nog op het veen gebouwd was, liep deze groot gevaar bij een veenbrand. Ook hiervan toonde het Bioscoopjournaal beelden, maar dan twee jaar later. Let in het bijzonder eens op de blusmethode:


Klein essay over de bewaarzucht

img548 blog2

Ik moet ruimte maken voor de spullen van mijn moeder, om te beginnen in mijn boekenkasten. Nu had ik zo gedacht mijn kinderboeken, voor zover ik die nog bezit, maar weg te doen. Maar dat valt nog niet mee, zal ik je vertellen.

Als ik hap snap wat passages in die verbruinde deeltjes lees, weet ik zeker dat integraal herlezen er nooit van zal komen. Het is ook geen bron voor zelfonderzoek. De formatieve waarde sla ik niet hoog aan, dat is allemaal opgelost in het grote geheel. Een bron van levensinspiratie valt er niet in te herontdekken. Liever dan vormende las ik ook spannende boeken en juist van die spannende heb ik bijna alles al weggegooid. Waarom dan de rest niet? Wat maakt dat ik zo krampachtig vasthoud aan die ouwe, uit elkaar vallende meuk?

Het is zelfs zo erg dat ik de kinderboeken van mijn ouders nog bewaar. Zoals het bovenstaande deeltje uit 1940, destijds te koop voor 42 cent, waar mijn moeders naam voorin staat geschreven met een kroontjespen. Ze was er bij verschijnen nog veel te jong voor en zal het jaren later hebben gekregen. Misschien lag het toen goedkoop in de uitverkoop.

Aan zo’n boek kan je nog wel mooi de enorme aantrekkingskracht van het vliegtuig zien, in de eerste helft van de vorige eeuw. Misschien bewaar ik het wel om mentaliteitshistorische reden.


Pikant spelletje, verstopt in kookboek

002

Zat wat te bladeren in mijn moeders Electro Kookboek (twaalfde druk, 1949) toen er een strook opgevouwen papier uitrolde. Eenmaal uitgevouwen, bleek dat mijn moeder er een aantal vragen op had geschreven:

  1. Bekoord u de mannen (n)?
  2. Wilt u gekust worden?
  3. Houdt u veel van u man (n) ?
  4. Is u gemakkelijk te verleiden?
  5. Kunt u één genezen?
  6. Heeft u iets?
  7. Kunt u een man (n) van dienst zijn?
  8. Kunt u alle liefde overwinnen
  9. Wilt u het graag?
  10. Kunt u het uitstaan?
  11. Laat u eens iemand aankomen?
  12. Hebt u het graag?
  13. Denkt u aan meerdere mannen (n)?

Uit het papier kwamen elf papiertjes met mogelijke antwoorden op deze vragen (waarschijnlijk waren er oorspronkelijk evenveel antwoorden als vragen, maar zijn een paar van de antwoordpapiertjes verloren gegaan):

  • Ja als het donker is
  • Natuurlijk
  • Zeer dikwijls
  • Alle nachten
  • Van onderen wel
  • Als ik het met jou alleen ben zal ik het zeggen
  • Met heel mijn hart
  • O ja waarom niet
  • Als ik in bed lig
  • Van tijd tot tijd
  • Soms wel

Duidelijk gaat het om een pikant spelletje. De combinatie van een vraag met een minder passend antwoord – ook bekend van het zogenaamde Advertentiespel – moest hilariteit opleveren. Blijkbaar was het spelletje niet voor ieders ogen bestemd, vandaar dat het in het kookboek werd verstopt. Daar keken noch man, noch zoons in.

Wanneer mijn moeder dat spelletje speelde? Haar handschrift lijkt wat aan de vroege kant. Ik schat dat het spelletje nog van voor de seksuele revolutie, dus uit de (vroege) jaren zestig dateert. En vermoed dat mijn moeder het speelde met vriendinnen.

Iemand van de lezers die dit fenomeen kent?


Het testen van een nieuwe spoorbrug

Winschoter Courant 2 juli 1940.

Winschoter Courant 2 juli 1940.

Op zaterdag 29 juni 1940 tufte Ol Graitje, de Oost-Groninger tram, voor het eerst sinds lange tijd weer van Winschoten naar Ter Apel. De nieuwe klapbrug te Winschoterhogebrug was namelijk klaar, nou ja, op een likje verf na dan. In haar vorige gedaante gold de brug ter plaatse nog als “een der voornaamste beletselen voor het weer gebruiken van de lijn”.

Met die eerste rit gingen alleen de tramdirecteur en wat -personeel en genodigden mee. Deze stapten uit vlak voor nieuwe en nog niet eerder zo zwaar belaste brug:

“Toen de locomotief tot het midden van de brug was gereden, die onder de plotselinge last wel even een diep gekreun liet horen, stopte de tram. Deskundigen gingen eens kijken hoe het onderstel van de brug zich hield. Toen trok de trein langzaam op en stoomde vrolijk Westerwolde tegemoet…”


Groningen zakt weg, sportief gezien

”Seizoen 1938-39. Costuums van de 31 eerste klassers K.N.V.B….”:

img547 blog ppp

Linksboven maar liefst vijf Groninger clubs. Deze apart genomen:

img547 xxx

Een op de zes clubs op het hoogste voetbalniveau kwam dus uit Groningen.

De eerste vier van die Groninger clubs hebben later, medio jaren 50, betaald voetbal gespeeld.

Groningen heeft nu nog maar één club van de 37 in het betaald voetbal. Het marktaandeel is dus aardig geslonken. Groningen zakt weg, sportief gezien.

Bron van het plaatje: Wie wat waar? Jaarboek 1941 van het Rotterdamsch Nieuwsblad.


Relatief een Eldorado, anno 1944

Bij de allereerste bijeenkomst van de Historische Vereniging Havelte, voorjaar 1990, hield een voormalige verzetsman een lezing, waarbij hij de opmerking maakte dat de gemengd gehuwde joden, die in de oorlog als dwangarbeiders aan het Duitse vliegveld te Havelte moesten werken, alleen in Nijeveen en Meppel op de koffie werden uitgenodigd. Met andere woorden: in Havelte waren ze niet welkom – omdat de bewoners van dat dorp te bang waren, of misschien zelfs te meegaand met de bezetter.

Een paar weken na die bijeenkomst, namelijk op 4 mei 1990, werd op de TV een documentaire uitgezonden: Westerbork, kamp van hoop en wanhoop. Mijn vader herkende een van de getuigen die in dat programma optraden. Deze man liep op een zomerdag in ’44 min of meer verdwaasd de Havelter Dorpsstraat op en neer en was ter kalmering door mijn grootvader in huis gehaald, waar hij ook de hele middag bleef. Blijkbaar gold dat verhaal van de verzetsman toch niet iedere Havelter. Mijn vader wist er ook nog bij te vertellen dat die getuige schoenhandelaar geweest was in de Groninger Herestraat.

Naderhand las ik het boek dat Willy Lindwer naar aanleiding van genoemde documentaire maakte. De man op wie mijn vader doelde was de ooit zeer bekende violist Benny Behr, die inderdaad in 1944 enige maanden in kamp Havelte verbleef, alvorens hij naar Westerbork gestuurd werd.

Een poos later had ik een gesprek met Bennie Behr, die toen 81 was. Uiteraard vroeg ik hem hoe de omstandigheden in kamp Havelte waren, hoe het gesteld was met de gastvrijheid van de Havelters in het algemeen en of hij zich dat oponthoud in de Dorpsstraat nog kon herinneren.

Hij deed me het volgende verhaal:

“Ik speelde in de G.O.V., de Groninger Orkest Vereniging, maar ben in 1937 naar Amsterdam verhuisd, omdat je in het westen als muzikant veel meer en betere engagementen kon krijgen. Vlak na de bezetting, in juni 1940, ben ik teruggegaan, want ik zag in Amsterdam de bui al hangen. In Groningen kwam ik in de Folkingestraat te wonen, dus midden in de jodenbuurt. In ’42 hebben ze daar iedereen weggehaald, ook mijn familie. Ik heb ze weg zien gaan, dat vergeet je niet.

Gemengd gehuwde joden, dat waren hoofdzakelijk mannen, maar de Duitsers maakten daar onderscheid in. Er waren twee groepen: die zonder en die met kinderen. Die zonder kinderen werden net als de anderen weggehaald. Als je wel kinderen had, werd je gesperrt en kreeg je een persoonsbewijs met een nummer boven de 100.000.

Er waren maar weinig gemengd gehuwden met kinderen in Groningen en onderling was er niet veel contact. Wij waren zogenaamd vrij. We moesten alleen op straat wel een ster dragen en mochten ook niet veel doen. Maar de kinderen zaten wel op school.

Doordat ik niet veel te doen had, kwam ik ook niet veel op straat. Tot midden april ’43 heb ik nog wel in Hotel Baulig in de Herestraat gespeeld, in de hotelbar, die heette ’t Luifeltje. Dat hotel was gevorderd door de bezetter, er woonden daar Duitse officieren. De baas van Baulig, Frans van Rossum, was voor de oorlog zo fout als wat, maar in de oorlog volstrekt anti-Duits. Hij had mij aangenomen; ik speelde er in een trio samen met Pippi Hart op viool en Henk Klompenhouwer op gitaar. Als we speelden zaten er in die bar altijd Duitse officieren, maar ook corpsstudenten. Er heerste daar altijd een gespannen sfeer.

Op een avond komt er een NSB-er binnen, Wagenaar, die was wel drie koppen groter dan ik en zegt tegen me: “En nu is het wel genoeg geweest hè”. Ik vroeg nogal onnozel: “Hoe bedoel je?” Hij: “Nou, je hebt dat bordje toch wel gelezen? Ik geef je vijf minuten”. De Duitsers keken toe en bemoeiden zich er niet mee. Ik ging naar boven en deed Van Rossum het verhaal. Van Rossum probeerde me nog tegen te houden: “Bennie, speel door.” Maar ik had daar weinig zin in en pakte mijn koffer. Toen ik naar buiten kwam stond er een hele haag van NSB-ers. Op dezelfde avond zijn ook Erwin Sander en Claire Hegedüs, twee Hongaarse violisten die in Hotel Willems speelden, eruit geknikkerd.

Later heb ik nog illegaal ’s avonds in de kroeg van de studentensociëteit Mutua Fides aan de Grote Markt gespeeld. Dat is toen verraden, want er waren ook foute studenten. Om één uur ’s nachts stond er toen een aantal NSB-ers voor de deur, maar die kwamen niet binnen. Er was een corpswet dat burgers er niet in kwamen en als ze d’r inkwamen dan sloegen ze die er uit. Ik kreeg toen van iemand een waarschuwing: “Bennie, je moet voorlopig hier blijven.” Even later kwam er een grote jongen naar me toe: “Ben je bang?” Ik: “Nee, maar ik wil niet opgepakt worden”. Die jongen heeft toen een groepje bij elkaar geroepen. Ze zeiden: “Laat je viool maar hier en kom maar tussen ons in mee naar buiten”. Bij de deur werd er door die NSB-ers gevraagd: “Studeer je?” Het antwoord was uiteraard ja en ik ben zo tussen die jongens in over de Grote Markt thuisgekomen.

Je was een parasiet als jood zijnde, een paria, een uitgestotene. Wat ik je nou ga vertellen, daar heb ik nachten niet van geslapen, daar heb ik een een trauma van opgelopen. Een collega van me zei: “Je moet je aangeven bij het Arbeidsbureau, dan keuren ze je en krijg je dertien gulden steun. Anders word je tewerkgesteld”. Goed, ik doe dat en op een middag moet ik in een school in de Peperstraat komen. Daar zitten allemaal gewone werklozen, geen joden, en er wordt gekeurd aan de lopende band. De dokter daar, een fouterik, laat me expres tot het einde wachten; na een paar uur ben ik als allerlaatste aan de beurt. Die dokter zegt: “Alles uit”. En toen ik daar spiernaakt stond riep hij zijn ‘assistentes’ binnen. Moet je je voorstellen: twee jonge meiden die naar je kijken en maar giechelen.

Ook van bet Arbeidsbureau, in opdracht van de SD, kwam het briefje dat ik op 15 maart 1944 in Meppel verwacht werd voor een keuring. Dat briefje kwam een week van te voren. Als ik goedgekeurd werd zou ik naar Havelte gaan om op het vliegveld te werken. Nee, er stond niet bij dat ik gedwongen was om er heen te gaan; er was geen stok achter de deur. Maar het werd wel zwaar opgevat. Mijn vriend en collega Sem Nijveen kreeg ook een oproep voor Havelte, maar die is ondergedoken. En ik weet nog dat ik bij mezelf dacht: “Daar ga je, Jan”.

We kregen een Reisegenehmigung, zeg maar een reisvergunning, en een gratis spoorkaartje. Onderweg werden we niet begeleid, nee. Ik had een rugzak mee met werkschoenen, een hele mooie witte overall en wat ondergoed en verder lepel, mes en vork. In Meppel zijn we dus met een hele hoop anderen, die overal vandaan kwamen, gekeurd door een dokter. Die keuring bleek een wassen neus: even naar je longen luisteren en dan was het goed.

Daarna zijn we naar Havelte vervoerd. De eerste nacht waren er geen bedden of niets en werd er stro gebracht; daar hebben we nog een paar nachten op geslapen. Later werd het beter en kwamen er bedden en matrassen.

In dat kamp zaten inderdaad gemengd gehuwde joden, maar ook bekeerde. Protestantse en katholieke, ze kwamen uit het hele land. Zo herinner ik me een dominee uit Utrecht, een man die wat ouwer was dan ik, hij zal een jaar of vijftig geweest zijn. Er was ook een groepje katholieke Duitse joden. Die wilden niet veel met ons te maken hebben en hielden zich wat afgezonderd.

Hoeveel mensen er in totaal gezeten hebben weet ik niet, want de vriend van mijn schoonzus zat er ook en die heb ik nooit gezien en hij mij niet. We lagen dus ver van elkaar. Laat bet in totaal vier à vijfhonderd man geweest zijn. Er was ook een afdeling in de Kop van Noord Holland, in dat andere kamp zaten er ook zoveel.

We moesten aan het vliegveld werken en ook aan een haven in Steenwijk. Ik meen vijf dagen in de week, dat in verband met de leiding die de weekenden vrij moest hebben. Er werden geen appels gehouden, nee. Wel werd er aangetreden in groepjes, voordat men naar het vliegveld ging. Maar er werden geen namen afgeroepen.

Op het vliegveld kwam het wel voor dat de bielzen de ene dag veertig meter verderop neergelegd moesten worden, waarna ze de volgende dag weer dan weer ergens anders heen moesten. Dat deden ze om je aan het werk te houden.

Die vriend van mijn schoonzus verzuchtte later soms: “Wat wij daar in Havelte gesappeld hebben…” Er zullen er inderdaad bij zijn geweest die hard gewerkt hebben. Vooral dat werk op die boten in Steenwijk, dat verslepen van die stenen, moet heel zwaar zijn geweest. Aan de andere kant werkte ook Benedict Silberman op die boten. Een teer mannetje met tere handen, waarvan ik me niet kan voorstellen dat die hard met die stenen gesjouwd heeft.

Nee, dwangarbeid in de strikte zin van het woord: daar heb ik niets van gemerkt. We moesten natuurlijk wel steeds werken. Als je lanterfantte en daarbij gesnapt werd moest je nog barder werken. Maar er werd pertinent niet geslagen, anders had ik dat wel geweten. Maar het was natuurlijk wel gedwongen arbeid.

Nou moet ik zeggen dat ik wat dit betreft ook niet de beste getuige ben. Ik heb zelf maar een paar dagen met bielsen hoeven lopen sjouwen. Twee jongens gingen voorop, ik liep in het midden en droeg bijna niks.

Na die paar dagen kreeg ik de kans om kamerwacht te worden. Op het kamp had je barakken, die waren gesplitst in kamertjes voor acht man en die veegde ik dan aan. Wat ik deed was meer een grapje, het was vrij gemakkelijk werk. Ik was als kamerwacht in het kamp bovendien zo vrij als een vogeltje in de lucht.

De organisatie en bet beheer van het kamp waren formeel in handen van de Organisation Todt, maar Duitsers heb ik er nauwelijks gezien. Misschien hielden twee of drie Duisters toezicht op het vliegveld, maar er waren veel meer Nederlanders: collaborateurs en bunkerbouwers die profiteerden van de goedkope arbeidskrachten. Het kamp stond zogenaamd onder leiding van een joodse kampcommandant, die verantwoordelijk was voor ons tegenover de Duitsers.

 Op een keer kwam er een man of vier, vijf van Todt een uurtje langs om het kamp te inspecteren. Ze waren al in de haven wezen kijken en ook op het vliegveld. Ik was alleen met nog een kamerwacht achtergebleven, de rest werkte buiten. Als die Todt-mannen bij de ingang van een bepaalde barak stonden, dan stond ik aan de andere kant, zodat ze mij niet zouden zien. Anders zouden ze gezegd hebben: wat doet zo’n jongen hier, zet hem maar aan het echte werk. Ik heb me dus gedrukt.

Hoe de stemming in bet kamp was? Over het geheel vrij goed, maar verdeeld. Dat hing een beetje van je karakter af. De een was optimistisch en de ander zat bij de pakken neer. Een kennis van me, een fagottist, ook in het gewone leven al somber, was daar helemaal een treurwilg. Ik zelf moet toen vrolijker geweest zijn dan nu. Een neef van me was ook kamerwacht en we zongen de hele dag.

We hebben in Havelte ook geen honger geleden. Het voedsel was er niet slecht, dat ging ging wel, in aanmerking genomen dat bet voorjaar 1944 was. Maar ik moet zeggen dat ik een hele kleine eter ben, ik gaf van mijn pelkartoffeln ook nog twee weg. Wat ik me verder aan bijzonderbeden herinner? Met die neef heb ik, hoofdzakelijk op zondagen, thee rondgebracht, voor een dubbeltje per kop. Anders kon je er geen thee voor weer kopen, want die thee was ook nog zwart. Mijn neef haalde die via via uit Groningen. Het werd grif afgenomen hoor.

Als je ’s avonds door de barak liep zag je de meesten een kaartje leggen. Die zaten dan te klaverjassen of te een-en-twintigen. Sommige anderen schreven brieven.

Zelf heb ik in Havelte, net als later in Westerbork, viool gespeeld. In een  strijkkwartet, dat onder leiding stond van Benedict Silberman. Die heb ik daar in Havelte leren kennen, dat was een hele beroemde dirigent, die voor de oorlog
Bravoure en Charme leidde – een orkest dat veel voor de VARA deed – en die na de oorlog directeur van het Promenade-orkest was. Zijn broer Rudie speelde net als ik viool in dat kwartet. Die viool was door mijn vrouw meegenomen uit Groningen. De andere leden waren Joop Cantor op cello en Leo Blom op altviool. De laatste heeft net als Silberman met stenen moeten sjouwen bij die haven.

Silberman maakte ook onze arrangementen, voor die tijd hele goeie, van bestaande nummers, met name operamelodieën. Hij maakte van klassieke als het ware lichte muziek, voor ieder misschien begrijpelijk, maar heel erg moeilijk om te spelen. Silberman ging niets uit de weg. Dat loog er niet om, daar moest je fiks aan werken, dat was wel even de mouwen opstropen.

Nee, we hebben nooit buiten het kamp gespeeld. We speelden zoals op samenkomsten in een particulier huis. Als we repeteerden kwamen kampgenoten luisteren. Geweldig dat we dat konden doen ’s avonds. Niemand had daar wat op tegen, daar is nooit iets van gezegd.

De afspraak was dat we redelijk vrij konden rondlopen. We liepen ook zonder ster. Genoeg jongens maakten op zaterdag een wandelingetje naar het dorp, om een pakje sigaretten of een rolletje drop te halen. Verder had je een paar honderd meter van het kamp een soort muziektempeltje (Theehuis Faken, HP), waar je limonade en versnaperingen kon kopen. Daar is toen een bom opgevallen (13/5/1944 HP). Die sloeg een hele diepe krater van wel tien meter omvang.

Met de Havelters hadden we gewoon contact. Ik weet nog dat ik wel bij een boer De Jong kwam, hij woonde niet zo ver van bet vliegveld, aan een landweg. Ook een paar anderen kwamen daar wel over de vloer. De Jong en zijn vrouw, dat waren schatten van mensen, die hadden maling aan de Duitsers. Ze gaven ons koffie en boterhammen. Mijn vrouw is er ook een paar keer op bezoek geweest, ’s zondags. Normaliter stuurde ik elke week de boel op en kreeg het dan gewassen terug, maar die keren kwam ze langs. Ze heeft op haar manier een keer meegeholpen met het hooien op die boerderij, laten we zeggen dat ze een vorkje beeft meegeprikt. Ik zelf zal er een keer of vier geweest zijn.

Ik kwam dus wel bij mensen in Havelte op bezoek. Maar misschien hebben andere mensen andere ondervindingen gehad.

Die bezoeker bij je grootvader thuis, dat was ik niet. Dat was een neef van mij: Simon de Beer. Die had inderdaad een schoenenzaak aan het begin van de Herestraat.

Wij wisten alles. Nieuws van de buitenwereld, dat kwam allemaal heel snel door. Met de Invasie, op 6 juni, dachten we: “Nou is het in een paar dagen gebeurd.” Als ik dat vergelijk met later in Westerbork: daar hoorden we niet veel van de buitenwereld. Dat was gesloten. Wat je daar hoorde waren geruchten, verhaaltjes, praatjes.

Het vliegveld werd overdag wel eens aangevallen door gevechtsvliegtuigen, maar het kamp zelf alleen bij donker. Ze schoten dan met hun boordmitrailleurs: rekttektektektek. .. dat was een heel angstig gehoor. Als onze barakken onder vuur lagen vluchten we eruit en doken we in sloten en greppels om dekking te zoeken.

Na zo’n beschieting sta ik weer op en zie een man naast me zo achterover vallen. Dat was een dokter uit Tilburg, hij had een kogel door het hoofd gekregen en was op slag dood. Ik was helemaal in paniek (23/4/1944 HP).

Wat voor effect die aanvallen op onze stemming hadden? Och, als we juichend hoera hadden kunnen roepen, dan hadden we het gedaan. Prachtig vonden we dat, schitterend, ondanks het gevaar. Het kon ons niet hard genoeg gaan. Logisch, we dachten aan de bevrijding.

Op een keer moest ik de kamer schoonmaken van de joodse kampcommandant, die verantwoordelijk was onder de Duitse leiding – zijn naam weet ik niet meer. Ik heb toen daar wat laatjes opengetrokken en in een daarvan vond ik Reisegenehmigungen. Daar heb ik toen een bosje van gepikt en ik heb daar krabbels onder gezet. Zo kon een behoorlijk aantal van ons elk weekend naar de familie.

Ik zal het nooit vergeten. Op vrijdag 27 juli was ik op die manier met de bus naar Groningen gegaan en op zaterdagavond werd ik opgehaald, thuis in de Folkingstraat. Er was een avondklok, voor achten moest je binnen wezen, en mijn vrouw was nog even boodschappen gaan doen. Mijn dochter wilde nog even op straat spelen en liet de voordeur openstaan. Ik wist niet dat er buiten een overvalwagen stond. Opeens kwamen er een stuk of vijf SD-ers naar boven met een Grüne Polizei. Die grüne zei: “Ah, wieder eine“. En toen was ik de pineut. De buren vertelden mijn vrouw even later: “Uw man is weggehaald”.

Het kwam zo. Eén van de jongens vond toen hij vrijdags thuiskwam zijn vrouw met de groenteboer in bed. Die groenteboer was NSB-er en heeft hem verraden, gezegd dat die jongen gevlucht was uit Havelte. Ze hebben hem toen in de namiddag opgepakt en hij is doorgeslagen: op Sirnon Berkelo, dat was een sorteerder in een lompenpakhuis; op Daantje Guikema, die een fruitstal had op de markt; op Mo Kisch, op mij en op nog een paar anderen. Eén kreeg er op tijd lucht van, en is diezelfde avond nog op de fiets naar Havelte gegaan. Die konden ze niet vinden en de kampcommandant had nergens wat van gemerkt.

Toen ze boven kwamen droeg ik een jasje zonder ster, maar dat mocht, want ik zat binnen. Ik moest toen naar de achterkamer om een ander jasje aan te trekken. Ik heb me daar helemaal blindgestaard en in de zenuwen nog die Genehmigungen overgepakt naar het jasje met de ster.

Toen ik in de overvalwagen kwam, zaten er al drie man in. Met in totaal vijf anderen ben ik toen naar het Scholtenshuis gebracht, het hoofdkwartier van de SD aan de Grote Markt. Daar zwaaide de beruchte Lehnhof de scepter – die eens gezegd heeft pas gelukkig te zijn als hij uitzicht had op een rivier van jodenbloed. Op de zolder van het Scholtenshuis heb ik die Genehmigungen versnipperd en in de pot gegooid. We hebben daar de hele zondag doorgebracht. Er lagen ook twee marechaussees. Ik hoorde ze zeggen dat als er vliegtuigen zouden komen bombarderen, dat wij dan doodgeschoten zouden worden.

’s Maandags werden we overgeplaatst naar het politiebureau aan het Martinikerkbof en de woensdag daarop gingen we alle vijf naar Westerbork. We werden geboeid en wel door gewone agenten naar de trein gebracht. Die zeiden op het station: “Jongens we willen jullie wellos laten, maar spring asjeblieft niet uit de trein want dan zijn wij verantwoordelijk”.

Op 1 augustus werden we om elf uur ’s morgens door een Unterfeldwebel in een truck vanaf Assen naar Westerbork gebracht. Wat daar gebeurd is, heb je in dat boek van Lindwer kunnen lezen. Ik kwam daar in de strafbarak terecht en op een gegeven moment was er die rechtzitting met Aus der Fünten, waarop ik moest komen vertellen waarom ik uit dat kamp in Havelte naar Groningen was gegaan. Een Groninger inspecteur van politie die speciaal voor mijn geval was gekomen, fluisterde me in dat ik moest zeggen: “lch hatte so eine tiefe Sehnsucht nach meine Frau und Kinder” (ik had zo’n verlangen naar mijn vrouw en kinderen). Dat zei ik ook, en zo werd ik bis auf weiteres vrijgesteld van transport naar Polen.

Later hoorde ik dat met Dolle Dinsdag iedereen die in kamp Havelte zat naar huis mocht gaan, naar de familie. Verscheidene zijn er toen ondergedoken. Die dat in Groningen niet deden werden een maand later, in oktober 1944 weer gearresteerd en naar Westerbork gebracht.

Net als de vijf anderen die op die avond werden opgepakt heb ik in Westerbork de bevrijding meegemaakt.

Ik moet dus zeggen: het was daar in Havelte niet vreselijk. Helemaal niet toen je na de oorlog de verhalen uit het oosten hoorde. Havelte, nadat je alles te weten was gekomen, als je het vergelijkt met dat daar, dan was Havelte een Eldorado. Nee, een concentratiekamp was het niet.”

Tot zover het relaas van Bennie Behr, een van de laatste mannen die uit eigen ervaring kon vertellen over kamp Havelte. We mogen uit dat verbaal opmaken dat de omstandigheden voor de dwangarbeiders aan bet Duitse vliegveld relatief gunstig waren, dat hun bewegingsvrijheid relatief groot was en dat er wel degelijk contacten bestonden met Havelter ingezetenen. Wat dat laatste betreft had die verzetsman het bij bet verkeerde eind.

Harry Perton

Dit interview is eerder in een iets andere vorm verschenen in Onsen Spieker, het blad van de Historische Vereniging Havelte, jaargang 1993 nummer 1.

Samenvatting in het NvhN.


Stand der electrificatie van Groningen en Drenthe (1925)

Deze kaart kwam van de week bij toeval op mijn pad:

2015-12-01 045

Weergegeven is het electriciteitsnet van het stroomdistributiebedrijf ‘De Laagspanningsnetten’ in 1925. In Drenthe zijn er in het concessiegebied nog steeds contreien zonder stroomtoevoer (geel op de kaart). De dorpen Beilen en Westerbork hebben hier voorlopig nog een eigen, lokaal netwerk (de gestreepte eilandjes in het geel). Naar het zuidwesten en het zuidoosten lopen al wel verbindingen. In de zuidwestelijke tak, rond Diever en Dwingeloo, zijn mijn grootvader en mijn oudoom wat later als installateurs en electriciëns de lokale vertegenwoordigers van de Laagspanningsnetten.

De kaart zit in deze overdruk van een hoofdstuk uit een omvangrijker boek over de stroomvoorziening van Nederland:

L2


Die andere puddingfabriek

Naast A.J.P. was er nòg een puddingpoederfabriek in Groningerland:

die andere Groninger pudduing

De verpakking is te zien in de hal van de Groninger Archieven, in de marge van een kleine expositie over de Grunobuurt. Het betreft een bruikleen van Openluchtmuseum ’t Hoogeland in Warffum.

Die Veendammer puddingfabriek van O.J. Meijer bestond vanaf ca. 1900 en werd rond 1960 opgeslokt door het Scholten concern.

Interessant bedrijf, dat ook in dextrine deed en het eerder wel eens aan de stok had met diezelfde grote broer wegens schending van fabrieksgeheimen.

Anders dan A.J.P. adverteerde O.J.M. niet zo vaak voor zijn puddingpoeders. In een Graafschap-bode uit het crisisjaar 1931 staat deze curieuze, zeer door de tijd bepaalde strip die deel uitmaakt van de campagne voor het kopen van vaderlandse waar:

Graafschapbode 6 maart 1931 a

Beetje inzoomend: in de Eerste Wereldoorlog voedde de vaderlandse agro-industrie de vaderlandse hongerlijers:

Graafschapbode 6 maart 1931 b

Daarom moesten de consumenten van 1931 de vaderlandse agro-industrie steunen, en dan met name natuurlijk O.J.M. uit Veendam:

Graafschapbode 6 maart 1931 d

 


Brief van een honderdjarige

Tussen 1953 en 1963 was mijn oudtante Annie Vondeling directrice van het rusthuis Buitenwoel in Veendam, waar enkele tientallen bejaarden die dat betalen konden in volpension werden verzorgd. Aan deze periode herinnert een flinke stapel foto’s, maar ook een enkele brief die mijn oudtante zal hebben bewaard, omdat hij geschreven werd door een honderdjarige bewoonster van Buitenwoel. Hoewel deze afzendster haar schrijven per abuis dateerde op 1993, in plaats van op 1973 (een jaartal dat o.a. blijkt uit een aangestipte gebeurtenis) was ze bij haar doof- en slechtziendheid geestelijk nog zeer goed bij, reden om haar brief hier te reproduceren:

Veendam 7 jan. 93

Lieve Annie,

Jouw laatste brief van 21 nov. ligt mij al heel lang verwijtend aan te kijken, maar mijn 100 jaren beginnen mij wat zwaar te vallen en ’t was vaak te donker om te schrijven en bij lamplicht wil ’t ook niet zo goed, alleen met zonneschijn gaat het nog. Nu is ’t ook nog mistig en kan ik slecht op de lijntjes blijven, maar ik wil ’t proberen.
Wat heb je toch veel beleefd in de laatste tijd, een auto ongeluk waar je gelukkig vrij goed afgekomen bent en dan je zuster ziek en nu overleden, daarbij de zorg voor je man, wat ook een hele opgaaf voor je is. Een wonder dat je het volhouden kunt en dan zo’n aardige lange brief aan mij schrijven. Ik ben daar dan ook zeer dankbaar voor, omdat telefoneren zo slecht gaat. De mensen kunnen mij wel verstaan maar ik de opgeroepenen maar half of helemaal niet door mijn doofheid.
Mijn ogen worden ook minder, maar de brieven en artikelen met hoofdletters in de krant gaan nog best. Ook puzzelen (Denksport) gaat mij goed en doe ik graag en elke dag speel ik een spelletje skrebbel met de heer Te Velde, die bijzonder aardig voor me is.
De maand december was te druk voor mij, veel jaardagen en dan ga ik ’s morgens naar de koffie. 1e Kerstdagavond gezamelijke maaltijd, verder de Sint Nic. avond, ’t afscheid van zuster Hannie en begin van directrice v.d. Zwaag van Franeker en de Oudejaarsav. tot 12 uur, dat alles heeft me erg vemoeid en nu wil ik liefst maar veel slapen en rustig zitten met benen op een stoel.
De overgang van ’t Ouwe Jaar naar ’t Nieuwe brengt ook allerlei beslommeringen mee, ‘k zal blij zijn als alles weer gewoon is.
De nieuwe directrice is ± 40 jaar, is adjunct geweest in een bejaardenhuis, is een eenvoudiger verschijning dan Zuster, maar ze heeft een heel vriendelijk gezicht, waardoor ze je dadelijk inneemt. Zr. heeft hier een woning gehuurd in Zorgvlied, waar ze helemaal voor zichzelf moet zorgen. Ze valt alle dagen ook ’s nachts in als de directrice vrij is. We hebben nu een kok die goed voor ons kookt, ook voor de bewoners van de flat bij de kerk, nu het Gasthuis afgebroken is (de bewoners zijn verhuisd naar het bejaardenhuis Moria). We hebben heel weinig personeel zoals overal ’t geval is in die tehuizen.
Vorig jaar zijn er 3 gestorven, mevr. v. Dijck, mevr. Jonker en mevr, Venema.
Nu moet ik wel eindigen, want ’t middageten komt soms al voor 12 uur en vanmiddag komt Dinie Bolhuis (ze komt geregeld zondagmiddag) en ik wil de brief nu af hebben.
Ik vind het erg prettig dat je me op de hoogte houdt van wat je beleeft en wens je sterkte toe. Groeten aan je zuster en ook veel liefs voor jou,

je Riek Bosscher

Vijf maanden nadat ze deze brief schreef, overleed Hendrike Johanne Bosscher, zoals ze voluit heette, in Huize Buitenwoel. Doordat haar executeur-testamentair haar geboortedatum in de rouwadvertentie noemt, is het bericht over haar honderdste verjaardag, ook al staat dat niet in een gedigitaliseerde krant, vrij gemakkelijk te vinden. De veenkoloniale krant de Noord-Ooster meldde op 28 juli 1972 dat ze de oudste bewoner van Veendam was, maar dat ze geen drukte wilde en het “heuglijke feit” daarom zo veel mogelijk geheim hield, zodat het toch nog een rustige verjaardag voor haar werd. Vanaf haar meisjesjaren had ze in het onderwijs gezeten. Na enkele jaren in het zuiden van het land te hebben gewerkt, keerde ze terug naar Veendam, waar ze Frans gaf aan de Mulo die vroeger bekend stond als “Boerma’s school”:

“Mevrouw Bosscher heeft zich altijd mogen verheugen in een groot respect van Veendams bestuurders, haar collega’s en leerlingen. Haar grootvader was burgemeester van Veendam, naar wie een straat in Veendam is genoemd.”

Zoals ook al uit haar brief blijkt, mocht ze graag puzzelen:

“Je verrijkt je geest er mee en op den duur word je haast een wandelende encyclopedie…”

De summiere biografie in de Noord-Ooster is verder aan te vullen vanuit gedigitaliseerde bronnen. Riek Bosscher werd in 1872 geboren als dochter van een rijksveearts. Nog voor haar negentiende haalde ze haar lager onderwijsakte en verhuisde vervolgens naar Helmond, waar ze echter pas in 1895 een vaste aanstelling kreeg. Mogelijk was ze eerder volontair of invalkracht geweest. Een jaar later bleek ze teruggekeerd in Veendam, want als onderwijzeres in die plaats haalde ze haar LO-akte Frans, waarna de gemeente Veendam haar vrijwel meteen benoemde tot onderwijzeres Frans “aan de school van den heer T. Boerma”. De rest van haar werkzame leven bleef ze in die functie aan die school verbonden. In 1907 studeerde ze ook nog even voor de akte Duits, maar of ze die ook gehaald heeft, is onbekend. Naast haar werk was ze in elk geval actief in de hervormde gemeente, want in 1935 werd ze herkozen in het Kiescollege van die gemeente. In 1936 kreeg ze op eigen verzoek eervol ontslag als onderwijzeres aan de Ulo, dit na 43 dienstjaren. Haar afscheid ging gepaard met een feest in zaal Parkzicht, dat bijgewoond werd door alle, ruim tweehonderd leerlingen van de school, de collega’s, de oudercommissie en het gemeentebestuur:

“Mej. Bosscher werd op waardige wijze gehuldigd door verschillende sprekers, mooie bloemstukken werden aangeboden, terwijl de jeugd aan de scheidende en zeer beminde leerares een passend cadeau aanbood.”

De Noord-Ooster had in 1972 deze klassefoto van minstens een halve eeuw eerder – ze is de kleine vrouw die tweede van rechts staat, naast de groep leerlingen:

Riek Bosscher a

Helaas herken ik haar van deze foto niet terug op de foto’s van Buitenwoelbewoners, die mijn oudtante bewaarde zonder er de namen achterop te zetten. Misschien leeft er nog een oud-leerling die beschikt over een goed portret? Die zal dan zelf inmiddels ook hoogbejaard zijn.


‘De elektriciteit in huis maakt een vrouw gelukkig!’

‘Vroeger was de vrouw des huizes de slavin van haar potten en pannetjes, kooktoestellen, kachels, stoffer-en-blik, bezems, stofdoeken en wat al niet meer! Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werd zij daardoor opgejaagd. Geen oogenblik rust! Elken avond was ze “op” en afgesloofd vòòr haar tijd.’

315-186 c

‘Maar evenals Asschepoes omgetooverd werd tot Prinses, zoo is ook de vroegere huissloof omgetooverd tot de rustige, allesbeheerschende Vrouwe des Huizes, dank zij de nieuwste uitvindingen op electro-technisch gebied. De kaboutersprookjes, die ons als kinderen verteld werden, zijn werkelijkheid geworden. Zie de moderne kabouters op den omslag van dit boekje; zij doen al het werk voor U.  Geen gevlieg en gedraaf, geen rompslomp meer.’

315-186 d

‘De elektriciteit in huis maakt een vrouw gelukkig! Zij is het behoud van haar jeugd en van haar schoonheid. De oorzaak van vroege aftakeling en ontijdig oudworden is voor goed uit Uw huis verbannen.’

315-186 q

‘Het sprookje van Aladin en zijn wonderlamp is in  de elektriciteit bewaarheid: één druk op den knop en de REUS staat voor u klaar om Uw wenschen uit te voeren. Eén vingerdruk en ge hebt: licht, warmte of frissche lucht, warm water, maaltijd kant en klaar, ge wordt gebaad en afgedroogd, Uw blouses worden gewasschen, gestreken en genaaid. Uw huis wordt schoongemaakt tot het laatste stofje toe en zoo al meer!…’

315-186 r

Bron: Brochure met propaganda voor electrische huishoudelijke apparaten, in dit geval uitgegeven door de Veendammer  electricteitsmaatschappij, maar eigenlijk van landelijke aard. Tweede, gewijzigde druk, ongedateerd maar uit 1935 (de eerste kwam uit in 1933). Collectie RHC Groninger Archieven 315-186.


Ol Sodom te kiek

Dit keer werd de Dag van de WesterWoldambtster Geschiedenis in Winschoten gehouden. Aan de lezingen kon je dat niet merken – daarin kwam Westerwolde ruim aan bod. Aan wat er zo links en rechts in het gebouw geëxposeerd werd viel het (gelukkig) wel op dat de locatie Sodom was.

Buste van de jonge koningin Wilhelmina, afkomstig uit de Winschoter sociëteit De Harmonie:
a 2015-11-21 035
Charmant stadsgezicht Winschoten, hout- of linosnede van een Idsinga of ?odinga:
a 2015-11-21 041
Boven in het gebouw was er een tentoonstelling ingericht door de stichting ‘Oud Winschoten’. Daar hing dit naïef portret (pastel) van Trientje Rustius (1841-1881) op haar negentiende jaar:
b 1 2015-11-21 094
Winschoten was voor de oorlog de stad met, na Amsterdam, het hoogste percentage joodse inwoners. Thora-schild, in 1898 door Abraham Schat geschonken aan de joodse gemeente Winschoten, ter herdenking van zijn vrouw Bettje:
b 2 2015-11-21 072
Vooral van het voormalige bedrijfsleven viel er veel te zien. In een vitrine van de Groninger Archieven lagen deze briefhoofden uit 1917 van de Winschoter tabaks- en sigarenfabriek Roelfsema. Links een merk dat deze fabriek voerde: Het Bonte Paard. Rechts een afbeelding van het Graaf Adolfmonument in Heiligerlee:
b 2015-11-21 028
Een tegeltableau van Roelfsema’s merk op de expositie van ‘Oud Winschoten’:
b 2015-11-21 061
Graaf Adolf was de naam van een koekjesfabriek, die uiteraard het monument als beeldmerk voerde:
Graaf Adolf 2015-11-21 075
Vegter mag dan nu nog de enige fabrikant van nieuwjaarsrolletjes zijn, Graaf Adolf deed er ook in:
graaf Adolf 2015-11-21 076
‘Oud Winschoten’ beschikt over een prachtige kast van een zaadhandel – met voor elk groentezaad een apart laadje:
Kloosterhuis Zaadhandel 2015-11-21 053
In een vitrine de kleurtjes van stoomverffabriek T. Koops:
Koops 2015-11-21 087
Naast andere, behoorlijk tweedehandse en tevens verweerde schildersbenodigdheden:
Koops 2015-11-21 112
Een door verjaardagsfeestjes zeer bekend Winschoter bedrijf was de drankenfabriek van Phaff (1847-1979):
Phaff 1 2015-11-21 102
Het deed onder meer in boerenjongens en boerenmeisjes:
Phaff 2 2015-11-21 091
Sportspullen van Oud Winschoten – het vaandel van de lokale ijsclub, opgericht in een tijd dat er talloze ijsverenigingen tot stand kwamen:
sport 1 2015-11-21 081
Sporttas van de Winschoter voetbalvereniging BATO. Het gebruik van hoofdletters doet vermoeden dat de naam een afkorting is, bijv. Blijven Aanvallen Tot Overwinning, of:Bal Afstaan Tergt Ons. Dit is onjuist. Bato blijkt de naam van een oer-Batavier in een toneelstuk van P.C. Hooft:
sport 2 2015-11-21 079
Tot slot dit uiltje, afkomstig van een uilenverzamelaar Uil:
z 2015-11-21 105
v


Onder Vuur, Bellingwolde

Vanmiddag naar Onder Vuur geweest, de tentoonstelling in Bellingwolde over de Munsterse oorlog van 1665-1666. Was eigenlijk om een paar foto’s te schieten voor Stad & Lande, maar ik was ook wel even toe aan een verzetje na een nacht en ochtend ‘Parijs’ op het netvlies.

Bij het begin van de tentoonstelling dit welbekende ruiterportret van Bommen Berend, de belligerente bisschop Bernhard von Galen van Münster:

2015-11-14 000 was 004
Tussen de benen van diens ros door zie je een stadssilhouet. Als het Groningen is – en waarom niet: de Martinitoren lijkt er sprekend op met peerdje en al – dan is hier sprake van een wensdroom, want een dergelijke constellatie is alleen te zien vanaf de noordkant van de stad en daar is Berend nou juist nooit geweest met zijn legerbenden:
2015-11-14 001
Het puikje van het wapentuig uit die periode, met de beruchte goedendag:
2015-11-14 011
Selfie met doorschijnende bisschop – deze valse kardinaalsmuts past ons allemaal:
2015-11-14 027
Er bleek een kanon uit Emden aangesleept met stadswapen uit 1752:
2015-11-14 039
De stralenmadonna, cadeautje van de bisschop aan de Maria ten Hemelvaartsparochie in Vechta (1654). Ze gaat er nog steeds voorop in processies:
2015-11-14 047
Declaraties van de schade, opgelopen door mensen in Beerta tijdens het verblijf aldaar van de bisschoppelijke troepen:
2015-11-14 057
De onfortuinlijke Gerrit Warendorp, in 1662 onthalst als leider van een gildenoproer in Groningen:
2015-11-14 066

Op de terugweg kwam een Syrische? asielzoeker met baard en in zwarte kleren met witte strepen naast me in het busje zitten. Kan niet zeggen dat ik me helemaal senang voelde. Had natuurlijk gewoon een gesprekje moeten beginnen, maar twijfelde daarvoor teveel. Het kwam er niet van.


Rectificatie: de kàlveren dragen staarten

RHV Groninger Archieven, Toegang 1109 (archief familie Van Iddekinge) inv.nr. 510: bladen Uit de kinderwereld (1874 ?)

RHC Groninger Archieven, Toegang 1109 (archief familie Van Iddekinge) inv.nr. 510: bladen Uit de kinderwereld (1874 ?).

Uit dit negentiende-eeuwse kinderprentje is af te leiden

  • dat er destijds nog geen sprake was van een broeikaseffect, zodat de winter vroeg inviel;
  • dat er op Sint Maarten nog niet met lampions gelopen werd;
  • en dat niet de koeien, maar de kalveren staarten dragen.

Bron