Korfbal Is Onze Lust

img376 blog

Het erven van een berg ongesorteerde foto’s heeft als bijkomstigheid, dat er ook foto’s bij zitten die je niet thuisbrengen kunt. Niemand op zo’n foto komt je qua trekken bekend voor. Er is geen aansluiting op andere foto’s. Daarom belandt ze eerst maar eens op het stapeltje ‘onbekend’, het voorgeborchte van de oudpapierdoos.

Deze bekeek ik nog maar eens. Een korfbalclub, maar welk verre familielid zat er zo vroeg op korfbal? Opeens valt me op dat er letters op de korf staan: K.I.O.L, of: Korfbal Is Onze Lust. KIOL was vanaf 1923 de korfbalclub van Niekerk/Oldekerk en in die contreien (Oosterzand) woonde inderdaad familie. De foto kreeg dankzij die letters opeens context en betekenis. De reis naar de oudpapierdoos is afgelast.


‘Bij duizenden verdwenen de oorijzers in den smeltkroes’

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Berend Kunst, Boerin met oorijzer (ca. 1840). Collectie museumboerderij Hermans Dijkstra, Midwolda.

“Tegenwoordig neemt het dragen van oorijzers in Groningen, zoowel in de stad als ten plattenlande, meer af dan in Friesland. Vooral in het oosten der provincie, in het Oldambt, is het oud germaansche hoofdtooisel zeer in verval. Zelfs wordt het in de rijk gezegende polders in de omstreken van Beerta en aan de oostfriesche grenzen door de boeredienstmeiden niet algemeen meer gedragen. Het vraagstuk of men de oorijzers zou blijven dragen dan of men ze, gelijk reeds deze en gene gedaan had, zou afzetten en het haar naar de fransche mode zou kappen, heeft eene heftige beweeging onder de oldambtster vrouwen teweeggebracht.

Omstreeks het jaar 1856 waren er eenige dames en burgervrouwen te Winschoten, Hoogezand en Sappemeer, in de Wildervank en de Pekel-A en te Veendam, die den voorouderlijken en nationalen hoofdtooi verwierpen en “met los haar gingen” of “het hollandsch droegen”, zooals men het volgen van de fransche kleederdracht in de noordelijke provinciën noemt. Vooral de talrijke kapiteinsvrouwen of “mouders”, zooals zij door het zeevolk spottenderwijze worden betiteld, de vrouwen van scheepsgezagvoerders, hadden daartoe gereede aanleiding als ze, gelijk dikwijls geschiedde, hare mannen op zeereizen vergezelden en in Engeland, of in de havens van de Oostzee en Middellandsche zee of zelfs in Noord- en Zuid-Amerika wel genoodzaakt waren het oorijzer tijdelijk af te zetten, teneinde niet al te zeer in die vreemde streken door het nieuwsgierige volk te worden aangegaapt. Zoo vergat ook lichtelijk deze of gene, als ze weer in hare woonplaats was teruggekeerd, om het gekapte haar te ontvlechten en weer onder het oorijzer en de kanten muts te verbergen.

Onder de rijke boerinnen in de Beerta enz. was er al spoedig eene enkele, die uit overgroote weelde niet meer wist wat ze wel zou doen om maar te toonen dat ze rijk was en zich kon kleeden zoo als ze wilde (waartoe ze ook alle recht had) en die het gegeven voorbeeld volgde, om daardoor zoo veel te minder eene boerin te schijnen, wat ze toch altijd bleef; want dat haar smaak door het afzetten van het oorijzer er niet op verbeterd was, bewees ze door nu het haar op te steken met een groote gouden kam, zoo als de duitsche vrouwen dat met een hoornen of beenen kam doen.

Natuurlijk staken de vriendinnen en geburen over deze nieuwigheden de hoofden bij elkander en verwekte deze zaak bij haar zooveel ergernis aan den eenen kant en zooveel belangstelling, goedkeuring en navolging aan de andere zijde, dat het bespreken van het voor en tegen van het oorijzer aan de orde van den dag was en de gemoederen in hevige beweging bracht. De dames belegden vergaderingen, hielden meetings; de oorijzerkwestie was scheering en inslag van alles wat besproken werd. Na hevige discussiën en vurige debatten namen eindelijk damesvereenigingen te Winschoten, in de Pekel-A enz. het besluit om het dragen van oorijzers voor goed vaarwel te zeggen. De leden ervan gaven aan andere vrouwen het voorbeeld; zoodra heur hoofdhaar de noodige lengte had bereikt om gekapt te worden, werden de oorijzers voorgoed afgezet (…). Bij duizenden verdwenen de oorijzers in den smeltkroes. De goudsmeden beleefden slechte tijden; de coiffeurs en parfumeurs en hoe de leden van die fransche bende meer mogen heeten, hadden gouden dagen. (…)

Niettegenstaande de vrouwen-omwenteling echter (…) zijn de oorijzers nog bij lange na niet uit het Oldambt, veel min uit het overige Groningerland verdwenen, en verhoogen nog duizende groninger “wichter” de schoonheid van haar blank gelaat en de glans van hare heldere oogen met den blinkenden diadeem…”

Bron: Johan Winkler in J. ter Gouw (red.), De Oude Tijd, jrg. 1871, p. 145-148.

Vergelijk: De oma van mijn oma liep een paar modes achter.


Een auto-zendeling in Finsterwolde

“Het was vijf jaar geleden, dat ik in Finsterwolde was geweest. Welk een verschil toen en nu.
 
Vijf jaar geleden reden wij naar dit communistisch dorp vanuit Oostwold. Het was niet op zeer vriendelijke wijze, dat wij toen ontvangen werden.
 
Wij werden ontvangen met de vraag of wij uit Rusland waren weggejaagd en toen wij vertrokken werd ons nageroepen: „Groeten aan jullie hemel.”
 
Daartusschen moesten wij allerlei uitroepen, waarvan „Rood front” de meest onschuldige was, aanhooren en werden wij vergast op de „Internationale”. Toch mochten wij ook in 1931 daar de boodschap van onzen Koning brengen.
 
Nu stapten wij af voor de woning van ds. De Leeuw en viel ons oog op het aardige gebouwtje naast zijn woning.
 
Ds. De Leeuw heeft hier een moeilijken, doch rijk gezegenden arbeid. Door mevrouw De Leeuw bijgestaan, mag hij aan zeer vele kinderen in de verschillende samenkomsten het Evangelie brengen, terwijl iederen Zondagavond, in de moedersamenkomst in de week en bij het bezoek in de huizen ook aan de volwassenen de boodschap des heils wordt gebracht.
 
De samenkomst, die wij hier hielden, was vrij wat beter dan die van vijf jaar geleden. Wel werd ook nu de „Internationale” gezongen, wel werd ook nu om brood geroepen, doch in het algemeen werd hier goed en door velen met aandacht geluisterd.”

Bron: S. Schotvanger, Uit het dagboek van een auto-zendeling (Amsterdam 1936).

Overigens lijkt het Handboek voor gereformeerde Evangelisatie van drie jaar later wat minder optimistisch over de zending onder “de door het communisme verkankerde arbeidersbevolking van Finsterwolde”.


‘De wereld wil bedrogen worden, dus wordt zij bedrogen’

NSB-affiche met meeuw en vrijheid

Bron: de jaren ’40-’45 een documentaire (Bezige Bij, Amsterdam, 1961)


Over het fabeltje dat Nederland de tolerantie uitvond

tweet KuijerDeze tweet van hedenochtend door een bekend auteur weerspiegelt een idée reçue of gangbaar idee dat de waarheid lelijk geweld aan doet. Nederland is namelijk NIET de uitvinder van religieuze of politieke tolerantie!!!

Ter ondersteuning van het idee worden vaak voorbeelden uit de zeventiende en achttiende eeuw aangehaald, zoals ook nu weer bij de tweet van Kuijer, want een onderwijzer merkt in een reactie op:

“heb het gisteren de kinderen van mijn klas met geschiedenis uitgelegd. Spinoza mooi voorbeeld.”

Spinoza en vooral zijn leer werden echter niet getolereerd. Spinoza is verbannen uit zijn eigen geloofsgemeenschap en de hier te lande heersende calvinistische kerk waakte tot diep in de achttiende eeuw fel tegen zijn leer. Spinoza kon zijn pleidooi voor de vrijheid van meningsuiting slechts anoniem en in het latijn publiceren en later werk,  eveneens anoniem en in het latijn, werd verboden. Zodoende kon dit werk alleen onder de toonbank worden verkocht en raakte het alleen in kleine kring bekend. Aanhangers die in de volkstaal ruchtbaarheid gaven aan Spinoza’s denkbeelden, verdwenen tot in diep in de achttiende eeuw in de kerker. Ik bedoel maar: als de behandeling van Spinoza als een voorbeeld van tolerantie mag gelden, dan is het Rusland van Poetin eveneens tolerant.

Een ander voorbeeld uit de zogenaamde Gouden Eeuw dat vaak wordt gebruikt ter staving van onze vermeende tolerantie, is dat van de Hugenoten.  Maar die werden hier louter gastvrij opgevangen, omdat het om calvinisten ging: geloofsgenoten van de hier te lande heersende gezindte. De opvang was dus geen daad van tolerantie, maar van calvinistische solidariteit. Men voelde zich als geloofsbroeders verantwoordelijk voor de Franse martelaren.  Wat niet wegnam dat rijke Hugenoten hier een oneindig warmer onthaal vonden dan arme. Men hield bij alle religie ook het eigenbelang terdege in de gaten.

De ware toetssteen van tolerantie is niet of geloofsbroeders gastvrij worden ontvangen, maar of de ‘eigen’ religieuze minderheden volledige vrijheid wordt gegund en of hun aanhangers politiek-juridisch gelijkwaardig zijn aan die van de bovenliggende partij. Als we ons even beperken tot de grootste religieuze minderheid, die van de rooms-katholieken, dan zien we dat zij tot vrij ver in de achttiende eeuw in grote delen van ons land niet mochten samenkomen in eigen kerken. Vergunde een overheid kerkbouw, dan was het menigmaal orangistisch en calvijnsgezind volk, dat die bouw in eerste instantie met geweld wist te verhindereen. Kwam zo’n kerk ergens toch tot stand, dan mocht hij ook vooral niet teveel opvallen. Een toren hebben of een klok luiden, bijvoorbeeld, was voorbehouden aan de bevoorrechte gereformeerde gezindte. Ondanks hun ‘lage profiel’ vormden katholieke ‘schuilkerken’ vaak een van de eerste mikpunten bij orangistische oproeren, gedragen door de meerderheid van ons Nederlandse volk (1748; 1785-1787). Ook na de formele gelijkberechtiging van katholieken en protestanten (1796) bleven katholieken trouwens nog lang tweederangs burgers. Tot in de twintigste eeuw gold het bijvoorbeeld  als zéér ongewenst dat een katholiek hoofd van het postkantoor te Groningen zou zijn.

Voor wat betreft de politieke tolerantie hoef ik maar te wijzen op de bejegening die socialisten voor de oorlog, en communisten en radicalen erna ondervonden. Menigeen kon niet het werk krijgen, dat hij ambieerde, dankzij machinaties van onze veiligheidsdienst.

Nee, Nederland voorstellen als uitvinder van de politieke en religieuze en politieke tolerantie is het handhaven van een leugen, weliswaar een populaire leugen, maar daarom nog niet minder leugenachtig.

En eraan voorbij gaande of Vaderlandsliefde überhaupt wenselijk is: trots op een fictief verleden is sowieso misplaatst.


Krantenlezer, ca. 1800

Krantenlezer. Detail centsprent uitgegeven door H,V. Huisingh, boekhandelaar te Winschoten. RHC Groninger Archieven 1536-3069.

Krantenlezer. Detail centsprent uitgegeven door H,V. Huisingh, boekhandelaar te Winschoten. RHC Groninger Archieven 1536-3069.

Zo lazen m’n beide grootvaders ook de krant: bedachtzaam lurkend aan een pijp, dan wel sigaar. Roken en nieuws horen zowat bij elkaar zegt het rijmpje onder het plaatje, beide zijn even vluchtig. (Vandaar dat ze misschien ook wel die bedachtzaamheid oproepen.)

Het prentje is een fragment van een centsprent voor kinderen. Naar de mode te beoordelen, zal de houtsnede met het mannetje van 1780, 1790 dateren. Qua letters zal de prent enkele tientallen jaren jonger zijn, wat ook wel klopt met de levensfeiten van Hinderikus Vechnerus Huisingh, de boekverkoper en drukker die de prent uitgaf. Hij werd in 1785 geboren in Groningen, had een vader die ook al drukker was terwijl zijn tweede voornaam ook duidt op een drukkerskomaf, en hij trouwde in 1809 in Winschoten, waar hij  vanaf 1813 bij de aangifte van kinderen boekverkoper heet. In 1855 stierf hij – ik meen me te herinneren dat hij wel meer centsprenten uitgaf.


Tolmeester doet wielrijder in het Boven Oosterdiep belanden

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Winschoter Courant 22 mei 1895.


Een stuurman strandt in den vreemde

Begin april 1807 klaagde Derk Cornelis bij de drost van het Oldambt, dat hij zijn welverdiende loon niet kreeg.

Het jaar ervoor was hij als stuurman gaan varen bij Veendammer schipper Berend Jans Bijl. De overeengekomen gage bedroeg 360 gulden per jaar.

Op 11 november lagen ze in een Franse haven, toen er een “blokkade” of embargo op het schip werd gelegd. Het kon dus niet verder. De schipper was kennelijk eerst nog optimistisch geweest, maar dankte Derk op 13 februari af, waarna Derk huiswaarts vertrok.

Nu, na drie maanden, wilde Derk eindelijk wel eens zijn gage beuren van de schipper, en restitutie van zijn reiskosten op weg naar huis. Uiteraard mocht de schipper daarvan aftrekken wat hij hem al voorgeschoten had, zoals 23 gulden van zijn loon.

Derk had schipper Bijl hier vriendelijk om verzocht, maar kreeg niets. Daarom ondervond hij de “onaangename noodzakelijkheid” om zich tot de rechter te moeten wenden. Maar aangezien hij geen spaargeld had en nauwelijks in staat was zijn gezin te onderhouden, wilde hij graag gratis kunnen procederen tegen schipper Bijl, of, bij diens afwezigheid, tegen de boekhouder van het schip: Harm Cornelis.

Na een eerste hoorzitting kreeg de onfortuinlijke stuurman van de drost het recht, om kosteloos een proces te voeren.

Uiteindelijk bepaalde de drost op 11 maart 1808, dat de stuurman recht op zijn volle gage had voor de tijd dat het schip nog niet onder embargo lag. Maar voor de periode van gedwongen verblijf in de haven (dus van 11 november 1806 tot 13 februari 1807) mocht schipper Bijl volstaan met de halve gage.

Wat betreft de reiskosten die de stuurman op zijn thuisreis maakte, besloot de drost dat schipper Bijl ofwel het bedrag per mijl, zoals dat vermeld stond in de monsterrol, moest betalen, of dat een arbitragecommissie zich nog hierover zou gaan buigen.

Bron


Blanco paspoort voor Oost-Friesland

paspoort op Oost-Friesland 1807

Uit de jaren 1802-1807 stamt een registratie van paspoorten, uitgereikt namens het Departementaal Bestuur van Groningerland. Aangezien Haiko Aeijkes (Perton) in die jaren meermalen de grens moet zijn gepasseerd, dacht ik dat zijn naam wel in die registers zou staan Maar helaas, ik trof hem er niet in aan. Terwijl er wel andere Oldambtsters een paspoort in Groningen kwamen afhalen, voordat ze de grens overstaken.

Al met geeft de registratie een mooi beeld van de reisbestemmingen, waarvoor de paspoorten werden uitgereikt. Ik was dus naar iets anders op zoek en heb niet zitten turven, maar kreeg stellig de indruk dat Oost-Friesland met een straatlengte voorlag op andere reisdoelen. Verrassend vaak werden ook Denemarken en Zwitserland genoemd, maar ik zag ook Frankrijk, Oostenrijk, Engeland en Ierland genoemd als bestemming.

Oost-Friesland was als reisdoel dermate geliefd, dat het Departementaal Bestuur er apart paspoorten voor liet drukken. Tussen wat losse paperassen zat het blanco exemplaar, dat je bovenaan dit logje vindt. Een mooie invuloefening.


Hemmo Dijkema over smokkel en streektaal in de grensstreek

Op zijn voetreis naar Rusland (1840) kwam Hemmo Dijkema langs de Duits-Nederlandse grens tussen Bellingwolde en Wymeer, een streek waar nogal wat voorouders van me hebben rondgebanjerd. Zonder dat de naam van De Lethe valt, geeft hij er een beschrijving van, jaren voordat het gehucht in de Tweede Kamer over de tong gaat:

“Sommige grensbewoners schijnen hier voor een groot deel hun bestaan te vinden in den zedeloozen smokkelhandel. Men schijnt dit middel van bestaan in het algemeen niet als ongeoorloofd te beschouwen, en bedenkt daarbij niet, dat elke handel van dien aard op kosten van de belastingschuldige ingezetenen gedreven wordt.”

Even buiten Wymeer – “grootendeels een veendorp” bezocht hij een schooltje, waar hij een achteruitgang in het onderwijs sinds de Franse tijd constateerde. Destijds was het Oost-Friese Reiderland nog een poos met Groningerland verenigd in één departement, zodat het meeprofiteerde van het verbeterde onderwijs bij de buren, aldus Dijkema, die bepaald geen hoge pet ophad van wat de Hoogduitse autoriteiten op dit gebied presteerden. Ook hun taalpolitiek die het Hoogduits verplicht stelde in kerk en school, kon in zijn ogen niet door de beugel:

“te minder, vermits de kleinen nu, terwijl zij nog pas hunne moedertaal kunnen stamelen, eene vreemde taal moeten aanleeren, gelijk ook de volwassenen gedwongen worden, om de openbare godsdienstoefening (willen zij dezelve bijwonen) in eene hun vreemde taal aan te hooren. Het Hoogduitsch begint tegenwoordig bij het opkomend geslacht bekend te worden; overigens verstaat het gemeen in Reiderland deze taal niet, maar spreekt het Nederduitsch met een Groningsch dialect.”

Bron: Hemmo Dijkema, Aanteekeningen gehouden op eene reis over Noord-Duitschland en Denemarken, naar St. Petersburg in het jaar 1840 (Groningen 1845) 7-9.


Daar konden de Oldambtster boeren het mee doen

“Het Oldambt is, of laat mij veiligheidshalve liever zeggen was, eene geheel eigenaardige streek. De bevolking bestond uit boeren en uit menschen, die van hen afhankelijk waren. Dank zij het merkwaardige beklemrecht, ‘twelk boer en landheer synoniem maakte, koningen op hun eigen erf en daarbij in de eerste helft dezer eeuw slapende rijk geworden, waren de eersten gewoon geraakt, elken niet-boer als hun mindere en dienaar te beschouwen, de waarde hunner medemenschen naar de zwaarte van den geldbuidel af te wegen, en hadden zij – enkele loffelijke uitzonderingen daargelaten – niet geleerd, kennis, geestelijke ontwikkeling en zieleadel als begeerlijke goederen te beschouwen.”

Bron: Joh. A. Leopold, ‘Levensbericht van H. Bouman‘, Jaarboek van de van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde  1900, blz. 157.


Het ex libris van Albert Hahn

Maakte een praatje met Henk S. vanochtend, zag wat ouwe boeken bij hem liggen, maak er eentje open en pàts:

Ex libris Albert Hahn blog

Het ex libris van Albert Hahn.

De haan, natuurlijk naar de naam van de tekenaar, in postuur bij een glorende dageraad. De tekenstift als speer die een hoge hoed doorboort.


Melkboerenhondehaar

„Als men op een of andere ree van Brazilië een kofschip ziet liggen, waarmee iemand met een beetje durf de Zuiderzee oversteekt, behoeft niemand er zich over te verwonderen als er uit de roef een kop met melkboerenhondehaar opduikt, die zegt: „Lig nait te hammeln, man”. Als hij niet verongelukt, staat diezelfde avonturier op zeventigjarigen leeftijd in Veendam of Zoutkamp naar het lossen en laden van een schip te kijken. Hij heeft dan trijpen pantoffels aan.”

Jan Fabricius over de Groningers, zoals geciteerd door Molleboon in ‘Brieven uit Groningen’, De Gooi- en Eemlander 1 april 1932.


Van zweefmolen tot autoscooter – attracties op de Hoogkerker kermis (1963-1968)

Alle attracties van de Hoogkerker kermis in de jaren zestig gegroepeerd op een rijtje:

1963 1964 1965 1966 1967 1968 Frequentie
Zweverij & Draaierij
Zweefmolen v v v v v v 6
Golfbaan v v v v v 5
Fietsmolen v v v 3
Luchtschommel v v v 3
Draaimolen v v 2
Swingmill v v 2
Cakewalk v v 2
Kindermolen v 1
Eterij
Oliebollenkraam v v v v 4
Gebakkraam v v 2
Patat v 1
Gokkerij
Balcospel v v v v v 5
Brievensport v v v v v 5
Bumperspel v v v 3
Speelgoedlijntrekspel v v 2
Eendenspel v 1
Behendigheid
Schiettent v v v v v v 6
Autoracebaan v v 2
Autoscooter v 1

In de sector draaierij en zweverij was er altijd een zweefmolen en vrijwel altijd een golfbaan. Een luchtschommel en een fietsmolen stonden de helft van de kermissen. Soms was er in deze sector iets extra’s, zoals een cakewalk en een swingmill.

Een oliebollen- of gebakkraam was ook altijd van de partij. Patat was nog niet zo ingeburgerd op de kermis. Dat wat betreft de eterij.

In de sector gokkerij ontbraken het balcospel (met grijpers, meen ik) en de brievensport vrijwel nooit. Die brievensport was ik alweer helemaal vergeten. Je kocht een envelop en daarin zat een nummer of iets dergelijk dat verwees naar een prijs. Wat er sportief aan was, ontging me destijds al ten ene male – maar dan op de Havelter kermis. Gek dat het touwtjetrekken hier nauwelijks voorkwam – dat was in Havelte vaste prik, in mijn herinnering tenminste.

In de sector behendige omgang met apparaten van verscheiden slag was er altijd een schiettent. Een autoracebaan of autocooter echter, zag je veel minder vaak op de Hoogkerker kermis.

Bron: de vergunningen van B&W van Hoogkerk, zoals die te vinden zijn in RHC Groninger Archieven, Toegang 1748 (archief gemeente Hoogkerk) inv.nr. 3951 (stukken over de kermis).

 


Kerkhof-opzichter hekelt dikke duim van de pers

“En toch, hij is lang niet tevreden over de journalisten: “O!, die journalisten! Het zijn aardige menschen, maar met een beetje te veel verbeeldingskracht. Zij verzinnen alles en nog wat om het publiek te vermaken. Zij hebben verscheidene legenden gemaakt omtrent mijn kerkhof, de eene al buitensporiger dan de andere. Daar hebt ge bijvoorbeeld de jacht op de konijnen. Een dagbladschrijver, die stellig kopij tekort kwam, had de aardigheid mede te deelen, dat de hoogten van Père-Lachaise een konijnenberg bevatten en dat die lieve diertjes zich met de hand lieten vangen, als zij het gras om de graven oppeuzelden.

Deze anecdote ging als een loopend vuurtje rond en was daarna onafscheidelijk aan de geschiedenis van het kerkhof verbonden. Vruchteloos zond men tegenberichten aan de kranten, die werden eenvoudig niet opgenomen. Trouwens, de menigte geloofde gaarne aan het bestaan dezer konijnen en als het groote publiek zich eenmaal een denkbeeld heeft eigengemaakt, dan laat het dit niet zoo gemakkelijk weer varen.”

Bron: Interview met de opzichter van het bekende Parijse kerkhof Père Lachaise, Java Bode 12 december 1896.