Vier gevelstenen

Op de binnenplaats van het Steenwijker kermismuseum liggen ook een stuk of wat oude gevelstenen. Eerst kijk je daar wat vreemd tegenaan, want ze passen op geen enkele wijze bij de collectie. Maar dan ontdek je dat de binnenplaats gedeeld wordt met het stadshistorisch museum, waarvan overigens geen enkele bezoeker die binnenplaats betreedt, zodat de stenen er wat verweesd bij lijken te liggen.

Het fraaist vond ik de leeuw, vermoedelijk – met allerlei prenten in mijn achterhoofd – uit de zestiende of zeventiende eeuw en gebruikt boven een poortje:
1 - 2015-07-26 066
De vrouw op een korbeel? draagt mode uit de eerste helft van de zestiende eeuw:
2 - 2015-07-26 070
Deze engel met geschonden neus zou ik barok of rococo willen noemen en stamt dan uit de achttiende eeuw:
3 - 2015-07-26 068
Van na 1870 is een tympaan met stoomhoutzaagmolen die mogelijk het huis van de eigenaar of bedrijfsleider sierde:
4 - 2015-07-26 063


In het Kermis- en Circusmuseum

Gister onderweg even het Kermis- en Circusmuseum in Steenwijk bezocht.

Circus en vooral kermis vormen kakelbonte en chaotische fenomenen en daarvan lijkt me dit museum een goede afspiegeling.

– Een paar van de draaimolens die er staan:
a - 2015-07-26 030
De Carrousel Salon – carrousels, zo leert een bijschrift, ontstonden in de zeventiende eeuw als oefenmethode voor adellijke ruiters. Ze moesten eerst maar eens op ronddraaiende houten paarden door een ring leren steken, voordat ze op een echt toernooi werden losgelaten:
a - 2015-07-26 048
Bordje dat me bekend voorkwam:
a - 2015-07-26 072
Draaimolen uit het begin van de jaren 60. De auto is gemodelleerd naar een Jaguar, dacht ik:
a - 2015-07-26 103
Vitrine met circus-kledij:
c - 2015-07-26 053
Maquette van Circus Sarrasani, waarover we ooit een liedje zongen: “Circus Sarrasani, Bokkie Bokkie Beh” (dit is tevens de enige regel die ik onthield):
c - 2015-07-26 079
In 1978 maakte het nog een toernee door Noord-Nederland:
c - 2015-07-26 080
Het kleed- en grimeerhokje van de clown, een van de zeer vele in dit museum:
c - 2015-07-26 086
Topstuk op de muziek-afdeling, de Muziekmobiel van Thomas Brugman. Zo’n object zou ik dus graag geïsoleerd in een zwarte omgeving willen zien, zonder allerlei bric à brac op de achtergrond. En eigenlijk zou hij dan na inworp van een munt ook even moeten werken:
p - 2015-07-26 095
Het op een kruiwagen rondgereden pierementje van De Jong uit Haule:
p - 2015-07-26 096
Detail:
p - 2015-07-26 101
Zaaltje, tevens etalage, aan de markt:
x - 2015-07-26 104


Sapmeerster kermis op schaal

Was vanmiddag bij een bejaarde timmerman, die de kermis van zijn jeugd in Sappemeer nabouwde, schaal 1:25.

De oliebollenkraam van Fogerty:
2015-07-23 004
Overzichtje;
2015-07-23 006
Nog een overzichtje:
2015-07-23 007
Draaimolen:
2015-07-23 008
Helaas bleken de spullen te groot voor mijn doel: een tentoonstellinkje. Ze kunnen niet achter glas, terwijl ze wel beschermd moeten staan in een ruimte die publiek toegankelijk is.

Hij vertelde dat de kermisondernemers meestal ook schippers waren. ’s Winters voeren ze dan met stro, bieten, aardappels enz. naar de fabrieken en ’s zomers voeren ze met hun attracties langs de dorpen. Met de kermis in Sappemeer lag er een hele rij daar aan de wal, vlakbij de school, zo raakte hij verzot op de kermis.

Ik vroeg hem wat er met deze spullen gebeurt als hij uit de tijd komt. Het Meertens Instituut had al eens belangstelling getoond, zei hij, maar hij ziet ze als Amsterdammers en die gunt hij de spullen eigenlijk niet. Zijn neven hebben er geen belangstelling voor – die turen voortdurend op de schermpjes van hun telefoons. Dus hij weet niet wat ermee gebeurt.

Ik hoop maar dat er een goed plekje voor gevonden wordt.


Kook electrisch! (II)

adv NvhN 7 november 1931

Bron: Nieuwsblad van het Noorden van zondag 7 november 1931, Derde blad pag. 11.

Zie ook: Kook electrisch (I)


Klassenstrijd op alle fronten

Hoe in een tamelijk communistische gemeente als Beerta heel het leven verpolitiekt raakte, toont een bagatel voor de Winschoter Arrondissementsrechtbank, anno 1931:

De gemeente Beerta heeft in haar gemeente-verordening een bepaling waarin het verboden is zonder toestemming van den eigenaar te leunen tegen vensters of muren van perceelen. Wegens overtreding van die verordening zijn Hendrik Sm. 18 jaar en Rinder de W. 19 jaar, arbeiders te Finsterwolde, veroordeeld tot ƒ 5 boete of 5 dagen hechtenis. Ze zijn van dit vonnis in beroep gekomen en de zaak heeft als eens eerder voor de rechtbank gediend, maar is toen uitgesteld.

Verdachten verklaren beiden dat ze niet tegen den muur hebben geleund, wèl de meisjes, waarmede zij stonden te praten. Getuige veldwachter P. Nijdam zegt te hebben gezien dat de verdachten tegen den muur leunden.

Het O. M. eischt tegen ieder ƒ 3 boete of 1 dag hechtenis. De verordening noemt dit n.l. als de maximum-straf, zoodat de kantonrechter meer heeft gegeven dan hij geven mocht.

Evenals de vorige keer hooren we luid roepen „rood front” als de verdachten de zaal verlaten.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 7 november 1931.

 


Eerste vaderlandse wielerwedstrijd vond plaats in Groningerland

Fiets van Michaux

De fiets van Michaux – Bron: het lemma Bicyclette op de Franse Wikipedia.

Dit weekend attendeerde de erfgoed-redacteur van de Leeuwarder Courant me per tweet op een bericht in de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 8 mei 1869. Volgens dat bericht (halverwege kolom 1) zou er diezelfde dag in het Groningse Kostverloren “een wedstrijd met vélocipèdes” plaatsvinden. Mijn tipgever meende dat hier sprake was van de eerste georganiseerde Nederlandse fietswedstrijd ooit. Hij opponeerde hiermee tegen een passage op een sportmanagementblog, als zou Winschoten enkele weken later de primeur hebben gehad.

In eerste instantie zag ik een probleem met de lokatie Kostverloren, omdat er wel zeven Kostverlorens waren in Groningerland. Eendrachtig kwamen we echter tot de conclusie, dat het Kostverloren bij de stad Groningen moest zijn. Een kastelein hier organiseerde vaak harddraverijen voor paarden, wist ik. Overigens viel dit Kostverloren destijds nog onder de gemeente Hoogkerk.

De Groninger kranten ontbreken wat betreft 1869 in de krantendatabank Delpher, dus moest ik me wenden tot een papieren legger en een leesapparaat voor microfiches. Ook bleek uit mijn oude kranten-notities, dat ik nog anderhalve maand terug moest voor de eerste aankondiging van en de aanleiding voor de Nederlandse primeur.

De inspiratie lag duidelijk in Frankrijk. Op 14 maart 1869 meldde de Groninger Courant namelijk dat er op Paasmaandag, 29 maart, in Carpentras (de Provence) een wedstrijd voor velocipedisten uit diverse leeftijdscategorieën zou zijn. Nog voor het zover was, op 24 maart, kondigde dezelfde krant zo’n wedstrijd in Groningen aan, waarvoor gegadigden van elders alvast min of meer werden uitgenodigd.

Groninger Courant 24 maart 1869.

Groninger Courant 24 maart 1869.

Medio april kwam de voorgenomen wedstrijd nog eens ter sprake, toen een ingezonden briefschrijver  inhaakte op een bericht over de fabricage van vélocipèdes. Het idee voor de race bleek te zijn voortgekomen uit de Maatschappij van Nijverheid in de stad, een genootschap dat de invoering van allerlei innovaties stimuleerde:

Groninger Courant 14 april 1869.

Groninger Courant 14 april 1869.

In het archief van deze club (notulen en post) kon ik echter niets vinden. Verdere aankondiging in de Groninger Courant bleef ook achterwege. Wèl stond er enkele dagen voor de beoogde wedstrijddatum nog een advertentie in de Provinciale Groninger Courant:

Provinciale Groninger Courant 6 mei 1869.

Provinciale Groninger Courant 6 mei 1869.

Bij al deze aankondigingen is het nogal merkwaardig, dat in geen van beide kranten een verslag van de voorgenomen wedstrijd staat. Als deze doorgang had gevonden, zou er zeker zo’n verslag zijn geweest. Een vergunning van de gemeente Hoogkerk heb ik ook niet kunnen vinden. Voorlopig hou ik het er daarom maar op, dat de race werd afgelast. En omdat de kranten de initiatiefnemers niet wilden desavoueren, zwegen ze hier in alle talen over.

De reden van afgelasting lag waarschijnlijk (mede) in een tekort aan deelnemers. Bij de werkelijk allereerste georganiseerde wielerwedstrijd in ons land, die enkele weken later bij een feestelijke herdenking te Winschoten van de Slag bij Heiligerlee plaatsvond, bleek het aantal deelnemers met tweewielers namelijk uiterst minimaal:

Groninger Courant 26 mei 1869.

Groninger Courant 26 mei 1869.

Von Kolkow, de bekende fotograaf, was net als de winnaar Rencke een actief lid van de Maatschappij van Nijverheid in de stad. Bij de driewielers valt op, dat een rijtuigmaker en een stelmaker uit Winschoten met de eer gingen strijken. Ongetwijfeld maakten zij hun eigen voertuigen.

De wedstrijden vloeiden voort uit plotselinge populariteit van de vélocipéde, die op haar beurt weer op gang geholpen werd door enkele technische verbeteringen van de al decennia bestaande loopfiets. In april 1868 verkreeg ene Pierre Michaux octrooi op de toepassing van pedalen, die hun voortstuwingskracht echter nog rechtstreeks, dus zonder ketting, overbrachten op het voorwiel. Ook bracht Michaux een rem aan. Zijn nieuwe ‘machine’ sloeg vrijwel direct aan in Frankrijk. De enorme voorwielen kwamen later – aanvankelijk had het nieuwe apparaat nog twee houten wielen van ongeveer gelijke grootte met metalen velgen, maar in 1869 verschenen de eerste nog massief rubberen banden, wat het comfort aanzienlijk verbeterde.

In de Groninger Courant is de vélocipède-hype van dat voorjaar mooi te volgen. Zo sprak de krant meteen al zijn zorg uit voor de verkeersveiligheid in Amsterdam:

Groninger Courant 28 maart 1869.

Groninger Courant 28 maart 1869.

Ook de toeristische mogelijkheden werden van meet af aan verkend. Enkele Stad-Groningers – Von Kolkow en Rencke? –  waagden zich over de landsgrens, waar het nieuwe fenomeen nog onbekend was en grote consternatie verwekte:

Groninger Courant 31 maart 1869.

Groninger Courant 31 maart 1869.

Een uur gaans per voet was ongeveer 5 kilometer. Omgerekend haalde de vélocipède in dezelfde tijdsspanne dus 15 à 20 kilometer, wat me nog steeds een gangbare snelheid voor fietsen lijkt. Maar hiervoor deden de coureurs natuurlijk bijzonder hun best.

Zonder de nieuwe vlakke, verharde wegen zou de vélo trouwens nooit zo’n snelle opgang hebben gemaakt. Zoals boven al bleek, legden vooral ambachtslui zich toe op de fabricage:

Groninger Courant 11 april 1869.

Groninger Courant 11 april 1869.

Een bericht uit de Friese Wouden toont aan, dat het enthousiasme voor de tweewieler daar meteen al bijzonder groot was, terwijl ook het gezondheidsaspect terdege werd beseft:

Groninger Courant 9 mei 1869.

Groninger Courant 9 mei 1869.

Zie ook: Hoe de fiets Groningen veroverde.


Het volle leven in een antiek fotoblad

Het Noorden in Woord en Wereld, een gezocht fotoblad uit het Interbellum, komt nog op Delpher. Naast plaatjes van bijv. landschappen, monumenten  en sportsituaties, bevat het af en toe ook sociale fotografie. Een keuze uit de jaargang 1930:

– Garnalenvissers koken hun vangst in de haven van Termunterzijl. Hiervoor gebruiken ze een bakstenen kuip aan boord van een ijzeren praam met een houten, keetachtige opbouw:

2015-07-07 015

Wasdag in de Leemdobben bij Sellingen. Op een morsig erf haalt de moeder voorovergebogen het wasgoed op uit een teil met heet water. Om haar heen scharrelen een paar kinderen. Linksonder een schommelwieg:

2015-07-07 018

Handelaar in zo te zien tweedehands potten en pannen aan het Zandpad te Winschoten. “Wees nou bliede mit joen man”, zegt hij volgens het onderschrift, “en koop van mie nou dizze kan”. Vandaar dat alle vrouwen hem grif hun geld toesteken, althans voor de fotograaf, die dit tafereel vast naar zijn hand gezet heeft:

2015-07-07 029

Ambulante mandenmaker op onbekend woonwagenkampje aan het werk voor zijn onderkomen. In de deuropening kijkt zijn vrouw toe:

2015-07-07 052


Eerste Groningse miss-verkiezing draaide uit op faliekante mislukking

“Op de dorpen hebben we de reclametentoonsteilingen, de kermissen, zomerfeesten en veekeuringen. Ook daar doet de invloed van den modernen tijd zich gelden en de schoonheidswedstrijden-manie is zelfs overgeslagen naar het Groningsche dorp Noordbroek, waar ter gelegenheid van de landbouw- en nijverheidstentoonstelling men zulk een concours organiseerde ter verkiezing van Miss Oldamt. Dat men zelfs op een dorp een gouden medaille voor zoo iets beschikbaar stelt, typeert wel zeer duidelijk, dat ook ten plattelande de oud-vaderlandsche degelijkheid aan het verdwijnen is. Toch niet geheel en al. Want het feit, dat geen der Oldambster jongedochters zich voor het concours opgaf, bewijst, dat de levensernst nog niet is heengevaren uit Groningen’s landouwen.”

Aldus de Nieuwe Tilburgsche Courant van 27 juni 1930.

Het platteland stak qua organisatie dit keer de stad de loef af. Even later zou er in de stad Groningen een eerste miss-verkiezing gehouden worden. Daarover graag een andere keer.


Coco Chanel wordt nog wel bedankt

Uitsnede voorpagina brochure Wagenborg, 1937. RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (Documentatie Bibliotheek) inv.nr. 4159/6 (map Delfzijl/Wagenborg).

Uitsnede voorpagina brochure Wagenborg, 1937. RHC Groninger Archieven, Toegang 1774 (Documentatie Bibliotheek) inv.nr. 4159/6 (map Delfzijl/Wagenborg).

“Als te Amsterdam in de zomer een stratenmaker met ontbloot bovenlichaam waagde te werken”, schreef  Louis Heijermans in 1931, “dan zou de politie eraan te pas komen, of zou er minstens een volksoploop ontstaan”. Nee, de doorsnee-Nederlander was nog bepaald geen zonaanbidder, wist de directeur van de Amsterdamse gezondheidsdienst. Het viel hem op dat er meteen over de landsgrens al een totaal andere mentaliteit heerste:

“Daar ziet men, dat de arbeiders buiten meest werken met bloote armen, gekleed met een dun sportflanel, ofwel met geheel naakt bovenlichaam troffel, hamer, schop, houweel hanteren. Niemand let daar op – ieder is gewend de gebruinde, gespierde  kerels zoo te zien werken.”

Volgens  Heijermans kleedden de Nederlanders – en dan vooral de arbeiders, boeren en zeelui – zich veel te zwaar. Zodoende tierden eczemen,  schimmels en puisten welig. “Welk een verschil met hen die de huid aan de zon blootstellen!”, riep de medische volksvoorlichter uit:

“Het zonlicht doodt schimmels en bakteriën, de huid krijgt een bruin gebrande tint, wordt steviger en reageert veel beter op temperatuurwisseling.”

Verkondigde Heijermans een langzamerhand dominante medische opvatting, eeuwenlang hadden artsen bitter weinig met de zon op gehad. De zon, zeiden ze, verdampt de lichaamsvochten en verdikt het bloed. Van een geringe dosis loopt de mens al hoofdpijn, keelpijn en stijve ledematen op. Grotere doses veroorzaken darmstoornissen, galkoortsen en algehele lichaamsslapte. Uiteindelijk kan de zon zelfs leiden tot een “hoofdontsteking”, met een “dolle- of raaskoorts”,  die “in weinig tijds de dood aanbrengt”.

Dit eeuwenlang afwijzende oordeel van medici over de zon spoorde perfect met het destijds gehuldigde schoonheidsideaal van de roomblanke huid. Voordat de industriële revolutie arbeiders in fabrieken opsloot, wees een gebruind vel op agrarische, laag-bij-de-grondse loonslavenarbeid in de buitenlucht, en dat was een associatie waarmee de toonaangevende elites, adel en hogere burgerij, zich ongaarne opgezadeld zagen. Daarom stelden ze zich zo min mogelijk bloot aan de zon. En velen aapten dat weer na.

Bij het voorzichtig ontluikende, nog zeer elitaire kusttourisme van de negentiende eeuw speelde de zon dan ook nog een ondergeschikte rol. Zoals de Franse historicus Alain Corbin heeft uitgelegd, ging men – als men het zich kon veroorloven – naar de kust om te herstellen door frisse zeelucht en kortstondige koudwaterbaden. Die onderdompelingen beleefde men in besloten badhuizen, of in de golven vanuit dichte badkoetsen en beschutte draagstoelen. Het beste weer was bewolkt, het beste seizoen de herfst. Badkleding liet hoogstens onderarmen en -benen vrij. Zonneschijn had als enig nut, dat ochtendnevels en kwade dampen er sneller mee oplosten, zodat de lucht zuiverder werd. Men ging wel wandelen of even zitten in de zon, maar zeker niet liggen, laat staan langdurig. En hoeden en parasols beschermden steevast de weinige onbeklede delen van het lijf.

Als in 1891 de badarts P.J.A. Sluijs de therapeutische waarden van Noordzeebad Schiermonnikoog schetst, is hij wèl positief over het vertoeven in de volle zon:

“Zonneschijn bevordert, meer dan de zonnewarmte alleen, de vorming zowel der roode  bloedkleurstof als van het bladgroen en is ook voor den mensch een levensvoorwaarde.”

Al besteedt Sluijs er slechts een halve pagina aan, tegen twee aan de zeelucht en vier aan koudwaterbaden, het duidt er wel op dat er iets verandert in de medische waardering voor de zon. Maar snel gaat dat niet. De enkele zonnebad-fanatici bij de artsenij worden verketterd door de rest van de professie.

Pas na de Eerste Wereldoorlog wint het geloof in de heilzame werking van de zon flink veld onder de medici. Toch tonen strandfoto’s van omstreeks 1920 nog van top tot teen bedekte badgasten, zittend in de schaduw van de bekende boogvormige strandstoelen. Dat de algemene weerzin tegen een gebronsd velletje verdween, lag dan ook niet aan de artsen, maar aan enkele  rolmodellen uit de modewereld en de amusementsindustrie.

Hèt icoon voor deze smaakomslag is de Franse mode-koningin Coco Chanel. Met haar zwarte jurkjes en mantelpakjes bevrijdde zij de modebewuste vrouw van de ongemakkelijk zittende, stijve en zware kledij die voorheen gangbaar was, en doordat zij een kleurtje opdeed tijdens een Zuid-Franse cruise op het schip van haar minnaar, in 1926, raakte die teint via haar modeshows bonton bij de  jetset. Inmiddels was het overheersende beeld van de arbeider totaal veranderd – van een agrarische dagloner in een fabrieksbleekneus – en door zich bruin te laten bakken was het nu mogelijk van dat nieuwere proletarische imago afstand nemen. Tegelijkertijd kon iemand ermee aantonen over voldoende geld en vrije tijd te beschikken voor een zonvakantie aan de kust. De gebruinde huid werd zo een statussymbool, dat via damesbladen verder ingang vond en langzaamaan mode werd, althans bij vrouwen.

Bij mannen raakte de bruine huid als teken van welvaart, gezondheid, en jeugdige schoonheid met name in zwang dankzij Johnny Weismuller, die vanaf 1932 de hoofdrol speelde in een hele serie Tarzan-films. Dat het nieuwe zonnebad-credo ook Nederland weldra veroverde, blijkt uit de hit van Lou Bandy uit 1936: “Zoek de zon op, dat is zo fijn”. Volgens de tekst trok bij zonneschijn iedereen juichend naar bos en zee. Toch wees Bandy ook op het gevaar van een al te geestdriftig streven naar een “mahoniehouten huid”. In het laatste couplet belandt zo’n fanaat in het hospitaal, “met zijn hoofd tusschen het ijs”.

Zolang de meeste mensen zich weinig konden permitteren en bij hun zesdaagse werkweek jaarlijks hooguit een week vakantie kregen, viel het met dergelijke gevaren nog wel mee. Maar met de reëel stijgende lonen en het groeiende aantal vakantiedagen raakte in de periode 1955 – 1970 het massa-toerisme naar allerlei zonbestemmingen op gang. Niet alleen brachten veel meer mensen hun toenemende vrije tijd zonnebadend door, ook stelden ze door de krimpende badkleding steeds meer huid bloot aan een allengs gevaarlijker zon. Inmiddels weten we waar dat toe leidde: volksstammen met melanoom.

Een verbrande huid leidt sowieso tot minder weerstand, koortsuitslag, en maagdarmstoornissen. Ergens hadden die ouwe dokters dus gelijk, ontdekten de nieuwe. Wier adviezen bij menigeen overigens niet opwegen tegen het eenmaal verworven schoonheidsideaal. Coco Chanel wordt nog wel bedankt.

Dit verhaal verscheen in iets andere vorm in de UK van eind juni 2005. Helaas ben ik de annotatie kwijt, anders had ik wat meer linkjes aangebracht.

 


Geheim rapport over het communisme in Oost-Groningen (1919)

In 1919 inventariseerde de Groninger afdeling van de Centrale Inlichtingendienst  voor de haven Delfzijl en het Oost-Groningse grensgebied wie daar de communistische kopstukken waren, waarbij tevens getaxeerd werd hoe groot de kans was dat deze voormannen contact onderhielden met buitenlandse revolutionairen.  Het rapport voor Oost-Groningen laat een groot verschil zien tussen enerzijds de Westerwolder gemeenten Bellingwolde, Vlagtwedde en Wedde en anderzijds de Oldambtster gemeenten Nieuweschans, Beerta en Finsterwolde. In Westerwolde stelde het communisme weinig voor. Tekenend is, dat het rapport voor Bellingwolde zowat alle zeven CPH-stemmers met naam en toenaam noemt. Voor Beerta en Finsterwolde echter, valt daar wegens de massaliteit van het prille communisme niet aan te denken. Bij dit verschil was de overeenkomst, dat men zowel in het Oldambt als in Westerwolde vrij gemakkelijk over de grens kon komen. De grensbewaking bleek weinig in tel en er liepen ook communistische soldaat-commiezen rond.

NB: Voor de leesbaarheid heb ik dit rapport van witregels voorzien, terwijl ik de gemeentenamen vet heb gezet. Verder is de weergave getrouw de bewaard gebleven doorslag van een typoscript.

POLITIE GRONINGEN.
Afdeeling: INLICHTINGENDIENST
No. 497. Kabinet.
ZEER GEHEIM

RAPPORT

Als vervolg op rapport No. 482 d.d. 22 April 1919 wordt het navolgende gerapporteerd

Het meerendeel van de bevolking te Bellingwolde staat vyandig tegenover het communisme. By de verkiezing voor de Prov. Staten zyn slechts 7 stemmen op C.P. uitgebracht. De SDAP is er sterk vertegenwoordigd. Als Communisten worden genoemd de fam. Boersma, bestaande uit eene weduwe en 3 volwassen zoons en eene dochter. Ook woont te Bellingwolde Jacques Ottens, kunstschilder, wonende by zyn broer Jan Ottens te Bellingwolde.  Laatstgenoemde is volbloed SDAP’er, maar Jacques helt over tot het Communisme en is beslist revolutie-gezind. Hy heeft kamers in Den Haag, Korte Houtstraat. Nadere byzonderhden over dit adres onbekend.

De gemeenten Vlagtwedde en Wedde zyn, wat de arbeidersbevolking betreft, byna geheel SDAP-gezind. Het Communisme beteekent er weinig. Als voornaamste Communist wordt genoemd Berend Harkema, arbeider, wonende te Boertange (gem. Vlagtwedde).

In Nieuweschans is de CP vry sterk. Even voor Paschen heeft op Duitsch grondgebied, in de nabyheid van onze grens, by Nieuweschans een rooftocht plaatsgehad. Een zekeren Berend Klooster en een Jan Edens werkten toen in Duitschland op eene boerdery van de firma Zwaan & de Wiljes. Deze firma is gevestigd te Scheemda. Deze 2 personen, die te Nieuweschans wonen,  gingen regelmatig van en naar Duitschland. Zy hebben zich erop beroemd, de aanvoerders van die strooptocht te zyn geweest. De Duitsche politie heeft aan Klooster het verblyf op Duitsch grondgebied ontzegd, hy heeft thans door tusschenkomst van het Steuncomité werk te Nieuweschans. Edens schynt nog in Duitschland te werken. Klooster is candidaat voor de gemeenteraad te Nieuweschans van de C.P. Verder worden als communisten aldaar genoemd C. Blauw en A. Kollen, beiden machinist by de SS (= Staats Spoorwegen, HP). Klooster en Edens waren of zyn door hun regelmatig verblyf in Duitschland in de gelegenheid, om relaties te onderhouden met de buitenlandsche communisten. Of dit werkelyk het geval is, is niet kunnen blyken. Op 25 April j.l. heeft Klooster bezoek gehad van een zich noemenden Buurma, die rechercheur van politie zou zyn in dienst [van] den Overste der Kon. Marechaussee. Hy (Buurma) schynt in het bezit te zyn van een boekje, waaruit zyn lidmaatschap van C.P. zou blyken en zal daarvan gebruik hebben gemaakt.  Hy heeft een langdurig onderhoud gehad met Klooster.

In de gemeente Beerta wonen vry veel communisten en anarchisten. Hun aantal wordt geschat op 160. De C.P. heeft 3 candidaten gesteld voor den gemeenteraad, nl. Volders, Fokken en Bösken.  Als verdere leiders aldaar worden genoemd: de onderwyzer Hendrik van Delden te Finsterwold, oud ongeveer 23 jaar, die studeert voor de hoofd-acte door middel van een Ryksbeurs van ƒ 800,- per jaar en bestemd is voor den dienst in Oost-Indië,  S. Jonker, onderwyzer te Beerta en Pieter Aukes, postbode te Beerta, door wien het kleine postkantoor te Beerta wordt waargenomen. Uit hoofde van deze betrekking kan hy als gevaarlyk worden beschouwd.

In de gemeente Finsterwolde zyn de communisten ook sterk. De 2 arbeiders Beno Tuin en Berend Pals zyn door de C.P. candidaat gesteld voor den Gemeenteraad.

Over het algemeen wordt over de grensbewaking in deze streken door de bevolking met weinig lof gesproken. De soldaat-commies Johan ter Berge, daar in de buurt gestationneerd, gehuwd met eene dochter van D. Gruis te Veelerveen en de soldaat-commies Gort, die verkeering zou hebben met eene andere dochter van genoemden Gruis en in de buurt van Veelerveen gestationneerd is, zyn Communisten.

Niet is kunnen blyken, dat ergens in de provincie Groningen een geheim Comité bestaat voor in- en uitlating van koeriers tusschen de Nederlandsche en buitenlandsche communisten. Dat een dergelyke verbinding bestaat, is zeer wel mogelyk, maar Wynkoop behoefde daarvoor niet een geheim comité in het leven te roepen, omdat het passeeren van de grenzen zonder gecontroleerd te worden, geenszins tot de onmogelykheden behoort en bovendien voldoende is gebleken, dat langs de grens genoeg communisten wonen, die, voorzien van passen, Duitschland kunnen bereiken (bv. de genoemde Waterborg en Klooster) en die te allen tyde berichten kunnen overbrengen van Wynkoop naar zyn geestverwanten in het buitenland en omgekeerd.


Rooie Egbert Wagenborg en het communisme in Delfzijl

Rooie Egbert Wagenborg

Na de Russische revolutie (oktober 1917), de Duitse revolutie (november 1918) en de Spartacusopstand (januari 1919) was de Nederlandse overheid bijzonder gespitst op contacten van Nederlandse communisten met buitenlandse revolutionairen. De Centrale Inlichtingendienst  volgde daarom nauwlettend de communistische voorlieden, terwijl hij voor de havens en de grensgebieden inventariseerde wie daar de communistische kopstukken waren, hoe groot de communistische achterban was en met wat voor gemak zich communisten over de grens konden bewegen. In Groningen viel de Inlichtingendienst onder de commissaris van politie van de stad, die weer rapporteerde aan de Commissaris van de Koningin. In het kabinetsarchief van de laatste bevindt zich daarom een tweetal rapportjes uit het voorjaar van 1919 over de situatie in Groningen. Het ene gaat over Delfzijl, het andere over het oosten van de provincie. Dit keer komt het rapport over Delfzijl aan bod, aan dat over Oost-Groningen wil ik binnenkort nog aandacht besteden.

POLITIE GRONINGEN  M.LB.
Afd. Inlichtingendienst.
No. 482. ZEER GEHEIM.
22 April 1919

RAPPORT

Omtrent het communisme in Delfzijl wordt het n[a]volgende gerapporteerd.

Te Delfzijl woont zekere EGBERT WAGENBORG, oud 53 jaar, cargadoor, scheepsbevrachter en reeder. Hij is voor Delfzijl een persoon van beteekenis, iemand met veel ondernemingsgeest, die voor Delfzijl veel doet. Hij was vroeger tjalkschipper en heeft zich langzamerhand opgewerkt. Voor den oorlog en en ook nog in de eerste tyden van den oorlog had hy een geregelde stoombootdienst van Delfzyl op Emden. Ook heeft hy gedurende het badseizoen een geregelde stoombootdienst onderhouden van Groningen via Zoutkamp op Schiermonnikoog. Op politiek gebied behoort hy tot de Communisten. Onder zyn invloed was zyn zoon Piet dienstweigeraar en heeft deze daarvoor een half jaar gevangenisstraf ondergaan. Hy is voorstander van het vrye huwelyk en vegetarier. Zyn dochter leeft in concubinaat met zekeren Jan Niestern, die vroeger met zyn broer te Delfzyl een scheepswerf had. Deze werf is verkocht aan een Duitscher, genaamd Hemsoth, reeder, vroeger wonende te Dortmund. Hy moet deze werf gekocht hebben, omdat de toestanden in Duitschland onzeker zyn. Jan Niestern is nog deelhebber in deze zaak. Op deze werf is werkzaam als klerk Jan Sterringa, geboren te Schoterland, 25 Februari 1870, wonende te Farnsum, eveneens een communist. Sterringa, die vroeger in Amerika is geweest, was voorheen werkzaam op het kantoor van E. Wagenborg. Ofschoon Hemsoth doorgaat voor iemand, die beslist anti-bolsjewiek is, is het toch eigenaardig, dat hy veel omgaat met personen als Wagenborg en Sterringa.
Wagenborg reist veel in Duitschalnd, ook thans moet hy zich daar bevinden met zyn zoon en een zekere De Vries, een schipper, voor den aankoop van een boot. Hy zou het plan hebben, om wederom een regelmatigen dienst van Delfzyl op Emden te openen. Als reden dat hy nu reeds ongeveer 3 weken in Duitschland is, werd opgegeven de omstandigheid, dat hy geen olie voor de bedoelde motorboot kan verkrygen.
Over het algemeen staat Wagenborg by de ingezetenen van Delfzyl gunstig bekend en ziet men in hem niet iemand, die aan revolutie en geweldpleging zal meedoen.
Toch mag niet uit het oog worden verloren dat Wagenborg, gezien zyn politieke overtuiging, een byzondere rol zou kunnen vervullen, speciaal in verband met zyne reizen en zyn groote bekendheid in Duitschland. Het is niet kunnen blyken, dat in Delfzyl een geheim communistisch comité bestaat, hetwelk zorgt voor een geregelde koeriersdienst tusschen de Nederlandsche en buitenlandsche communisten, maar men mag niet uit het oog verliezen dat genoemde Wagenborg, die in het bezit is van een buitenlandsch paspoort en bovendien toegang heeft tot de haven van Delfzyl en alle daar komende schepen bezoekt, zeer zeker in de gelegenheid is, om alle mogelyke berichten over de grens te brengen. Het bovenstaande is niets dan eene veronderstelling, zekerheid daaromtrent bestaat niet en zal ook moeilyk zyn te verkrygen.
De vraag of verstandhouding met buitenlandsche bolsjewieken in de omgeving van Delfzyl mogelyk is, kan ook overigens niet ontkennend worden beantwoord. Het is zeer wel mogelyk dat met kleine zeil- of roeibooten des nachts tusschen den landtong van Reide en Delfzyl aan wal komt, zonder dat dit opgemerkt wordt. Eveneens is dit mogelyk tusschen Delfzyl en de bocht van Wattum.
Twee rechercheurs zyn de zeedyken vanaf Holwierde naar Delfzyl en van daar naar Oterdum gevolgd, zonder door iemand te zyn aangehouden en zonder politie, militairen of commiezen te zyn gepasseerd. Dit was een afstand van ongeveer 2½ uur gaans en geschiedde niet by nacht, doch overdag.

Duiding

Opmerkelijk is de centrale rol die Egbert Wagenborg (1866-1943) in Delfzijl wordt toegedicht in dit rapport. Hij was scheepsbevrachter, reder, hoteleigenaar en grondlegger van het huidige Wagenborg-concern. Daarnaast was hij voorzitter van de lokale Kamer van Koophandel. De kenschets van Wagenborgs zakelijke en maatschappelijke activiteiten en familiale banden klopt globaal wel ongeveer, maar geldt dat ook voor de karakterisering van diens politieke overtuiging?

“Op politiek gebied behoort hy tot de Communisten”, zo stelt het rapport, dat Egbert Wagenborg verder een voorstander noemt van dienstweigering, vrij huwelijk en vegetarisme. Mij doet dat standpunten-complex eerder denken aan vrij socialisme of anarchisme, dan aan marxistisch-leninistisch communisme, en uit de biografische passages die Hans Beukema aan Egbert Wagenborg wijdt in zijn bedrijfsgeschiedenis van het Wagenborg-concern, blijkt ook dat we de veelzijdige ondernemer eerder in de vrij socialistische hoek moeten zoeken dan in de marxistische.

Na zijn huwelijk (1888) was Wagenborg geheelonthouder geworden. Hij dronk en rookte niet en propageerde ook een dergelijke abstinentie. Rond 1900 weigerde hij als scheepsbevrachter nog langer vanuit een kroeg te opereren en werd zelfs vegetariër, anti-militarist en theosoof. Zijn kleinzoon, als wees opgegroeid bij zijn grootouders thuis, herinnerde zich later dat z’n opa bevriend was met een redacteur van De Arbeider, een anarcho-syndicalistish weekblad:

“Daar ging hij op 1 Mei altijd heen en toen hij eens terugkwam hadden ze zijn gevel in de rode menie gezet. Dat was in de Waterstraat. Hij werd ook rooie Egbert genoemd, niet alleen omdat hij een rode snor en rood haar had, maar ook vanwege zijn overtuiging.”

Beukema meldt net als het rapport dat het antimilitarisme van Egbert Wagenborg “navolging ” vond bij zijn zoon, in dit geval echter Abel, “die de dienstplicht ontweek door naar het buitenland uit te wijken”.  Het rapport van de Inlichtingendienst noemt een zoon Piet als gevangen gezette dienstweigeraar, maar dat blijkt dus Egbert Wagenborgs vijf jaar jongere broer te zijn geweest.

De conclusie mag zijn dat het communisme van Egbert Wagenborg zeker niet dat van het marximse-leninisme was.  Maar  communisme was eind negentiende, begin twintigste eeuw nog een gangbaar synoniem voor anarchisme, ook anarchisten noemden zich wel communist, dus het over één kam scheren van beide uiteenlopende politieke richtingen zullen we de rapporteur maar niet verwijten. Anders wordt dat, waar diens schriftuur na het vaststellen van Wagenborgs vredelievendheid overgaat op de omstandige speculatie dat Wagenborg als contactpersoon voor buitenlandse revolutionairen zou kunnen optreden. Met die uit de lucht gegrepen beweringen begint ook het besmeuren van de persoon. Het rapport maakt zo mooi duidelijk hoe een inlichtingendienst zijn opdrachtgevers op een dwaalspoor kan leiden.

In Delfzijl had de Communistische Partij in het voorjaar van 1919 niet eens leden (zie nr. 11 op de lijst). De tweede “communist” die het rapport van de Inlichtingendienst noemt, Jan Sterringa (1870-1951), was getuige diens biografie eveneens anarchist, en zeker geen bolsjewiek.

Deze Sterringa was een bekend uitgever van vooral individueel-anarchistische bladen en brochures geweest en daarmee wellicht de figuur bij wie Egbert Wagenborg, althans volgens diens kleinzoon, op 1 mei altijd op bezoek kwam. Toch lijkt Sterringa minder afkerig van geweld dan de ondernemer. Stapsgewijze hervormingen achtte Sterringa niet mogelijk, de staat was de grootste vijand, en die moest worden vernietigd. Sterringa stond dan ook kritisch tegenover gebroken geweertjes en toonde begrip voor gewelddadige anarchisten die aanslagen pleegden op vorsten en staatshoofden .

Anderzijds koesterde Sterringa zijn hele leven theosofische sympathieën. Hij behoorde in  1897 zelfs tot de stichters van het Theosofisch Genootschap. In 1900 begon hij in Amsterdam een geheelonthouderscafé, de vaste hangplek van de Socialistische Jongeliedenbond in Amsterdam. Twee jaar later emigreerde hij inderdaad met zijn vriendin naar de VS, waar het leven ze niet beviel, zodat ze in 1910 terugkeerden en zich met hun drie zoons vestigden in Delfzijl. Daar werkte Sterringa eerst op het kantoor van Egbert Wagenborg en later als boekhouder voor diens schoonzoon J. Niestern, “die ook revolutionair was”. Volgens Sterringa’s biograaf Jannes Houkes kenden Delfzijl en Farmsum “een harde kern van individueel-anarchisten rond de havenarbeider Remko Tamminga”. Die naam valt nu juist niet in het rapport  van de Centrale Inlichtingendienst. In 1915, dus tijdens de Eerste Wereldoorlog, tekende Sterringa nog een dienstweigeringsmanifest – ook de militaire geheime dienst hield hem daarom in de gaten, maar na de Wapenstilstand manifesteerde hij zich niet meer in politieke zin. In 1930 verliet hij Delfzijl.

Bronnen op papier: 

  • RHC Groninger Archieven Toegang 1152 (Kabinet CdK), inv.nr. 228 (Rapporten van de Cenrale Inlichtingendienst, vooral uit 1919), rood potloodnummer VII d.d. 22 april 1919.
  • Hans Beukema, Wagenborg 100 jaar. Transport over water, wadden en wegen (Haarlem 1998) hoofdstuk I.

Boer verpletterd onder eik die het hout voor zijn doodskist moest leveren

“In de vorige week liet de landbouwer L. te Tilligte, te Denekamp, op zijn erve een eik hakken, met het doel om daaruit planken te laten zagen voor zijne doodkist, zooals de boeren in deze streken dit bij hun leven gewoon zijn te doen. Toen de boom in zooverre gereed was, dat hij moest worden neergehaald, bragt de knecht met een ladder het touw in den boom, terwijl de boer aan het touw stond. De knecht, bovenop den ladder gekomen, bemerkte dat de boom begon te bewegen, sprong van den ladder en riep zijn boer toe, dat hij zich moest verwijderen. Doch te laat: de boer geraakte onder den vallenden boom, met het ongelukkig gevolg dat hij werd verpletterd, en niettegenstaande hij nog bewijs van leven gaf en er onmiddellijk geneeskundige hulp werd ingeroepen, na weinige uren den geest gaf.”

Bron: Rotterdamsche Courant 5 maart 1864.

Commentaar: Jammer genoeg vertelt het bericht er niet bij of de eik meteen tot planken is verzaagd. Ik las het jaren geleden voor ’t eerst in de Groninger Courant, en kwam het vanavond weer tegen in mijn notities van toen. Helaas staat die krant voor wat betreft de jaargang 1864 niet op Delpher, maar andere kranten bevatten het bericht dus ook, met zo te zien minieme variaties. Mij doet het verhaal een beetje denken aan De Tuinman en de Dood, met dien verstande dat de Twentse boer de dood niet wilde ontvluchten, maar er juist goed op voorbereid wilde zijn.  Juist door zijn regelzucht tartte hij zijn noodlot.


Zestenig kind

“Als een bijzonderheid wordt ter onzer kennis gebragt , dat te Beerta onlangs een kind geboren is , dat aan elken voet zes teenen heeft. Opmerkelijk is het daarbij , dat ook de vader van dat kind geboren is met 12 teenen en even zoo veel vingers; de zuster van dien man heeft zes teenen aan ieder’ voet, die ook reeds weder een kind ter wereld bragt met hetzelfde gebrek, terwijl het eerste kind van den vader, en ook van deszelfs zuster de natuurlijke hoeveelheid hebben.”

Bron: Groninger Courant 17 oktober 1851.

Al eerder had ik hier een berichtje over zesvingerigen. In 1888 heette het dat een Groninger boerenfamilie Detmers met zesvingerigheid behept zou zijn. Er werd in 1851 echter geen kind Det(h)mers geboren in de gemeente Beerta, waar Nieuw-Beerta onder viel. Wel een dochter van de boerin Geertje Dethmers Dethmers (!), maar de vader heette in dat geval Gastman en die komt dus niet in aanmerking.


Over de lokale Friese pers en zijn invloed (1898)

“Of wij in Friesland gebrek aan couranten hebben! In schier elke gemeente van eenig aanbelang is wel eene drukkerij met eene redactie te vinden, die de omstreken afweidt, van plaatselijke nieuwtjes eene mooie verzameling per week aanlegt en voorts de lezeren van alle goede en kwade zaken op de hoogte houdt. In den slapsten tijd verschijnt er somwijlen een half blad. (…)

De kleine of locale pers is soms neutraal, soms partij-orgaan. In het eerste geval is zij in de plaats gekomen om langs burgerlijken stand, familie- en geboorteberichten ellen- en urenlange boerenvisites te rekken, babbelenden ouden vrouwtjes gebogen over „warme stoof en breikous” een nooit eindigende en goedkoope praatstof aan te bieden, want allen kenden den omtrek van ouder tot ouder en de geslachten van tien en meer personen tot in het zesde en zevende lid. Een dorp van duizend zielen, omringd als eene moeder door hare kinderen van kleinere met driehonderd tot vijftig jonge en oude Friezen en Friezinnetjes is de toonaangever (of liever geefster!) van de landstreek. En op die wijze zou men onze provincie gemakkelijk in sferen van invloed kunnen verrdeelen, sferen waarbinnen ieder blaadje promeneert en domineert en als een koninkje (of koninginnetje!) den gouden scepter zwaait.

Het is onbegrijplijk hoe de menschen aan zulke kleine courantjes hangen! Naast den almanak is het dan ook menigmaal het eenigste geestesvoedsel dat de hongerige nieuwtjes-verslindende zieltjes bereikt. Denkt u zich, waarde lezers! op een hoogte een huisje, vanwaar rechts en links modderwegen gaan naar bouw en akkers, maar die b.v. nu met de vooreinden onder water liggen, dan is het in de huisgezinnen, die op de groote ruimte wonen van de mieden of maden, een oogenblik van gewicht als iemand van de naastlegers op groote klompen of in laarzen komt aangebaggerd met de courant. Van stukje tot beetje wordt alles nagelezen en uitgeplozen en naar kennis en bekwaamheid beoordeeld. En geen wonder! De dagen zijn zoo kort en de avonden zoo lang en – lang niet allen hebben nog een kleine bibliotheek in huis. (…)

Doch de pers, de partiidige organen? In verkiezingsdagen kon men eerst met recht bewonderen welk eene uitstekende macht die courantjes vertegenwoordigen en hoeveel gewicht ze in de schaal kunnen leggen als ze door een bekwaam politicus worden geleid. Bijna alle partijen hebben in de acht districten een spreektrompet. Met hoeveel zorg zien wij in die dagen de mobiel-verklaring van het leger kiezers voorbereid! Met welk een ongeëvenaard talent gaan die redacties te werk om over alle plaatselijke hinderpalen en beletselen heen naar het doel te streven! Waarlijk, wie de beteekenis van eene kleine pers wil begrijpen moet in den verkiezingsstrijd eens waarnemen, hoe zij aan den arbeid is.”

Bron: ‘Brieven van een Fries’ CCIX, Nieuwsblad van het Noorden 25 december 1898.


Delfzijl afgewezen als marinehaven

“Onze marine heeft wel wat met Delfzijl”, zo heet het in een reportage over het Pinksterfeest in die plaats. Marinemensen zouden graag in de Groningse havenstad komen.

Indien waar, is dat wel eens anders geweest. Toen er in 1796 een tweede nationale marinehaven moest komen, deed Bacot, een afgevaardigde van Groningerland, in de Nationale Vergadering (het Bataafse parlement)  een goed woordje voor Delfzijl. De commissie die over de opties moest rapporteren, liet echter na Delfzijl te bezoeken. Vervolgens wees de municipaliteit, het patriotse gemeentebestuur van Delfzijl, de nationale afgevaardigden tot twee maal toe op een “zoo dikwerf vergeeten plekjen aan de boorden der Eems”. “Dit plekjen”, zo schreef het,

“is Delfzyl, ’t welk by verbeterde omstandigheden een onberekenbaar gemak, voordeel en aanzien aan Neerland zou kunnen verschaffen. De revier de Eems, welke aan den voet van onze fortresse langs stroomd, is een der geschiksten rivieren van dit waerelddeel voor de zeevaart: men vind er overal den besten ankergrond, de veiligste schuil- en legplaatsen, en tevens word men beveiligd door de batteryen langs den dyk. Slechts eene kleine droogte is er, de Westerbalge genaamd , waar echter by peil laag water 3,5 vadem water is; maar by hoog water met gewoonlyke ty 31 voet (= 9 meter). Voor het overige is de rivier zeer diep, cn dc zwaarste oorlogscheepen kunnen tot aan Delfzyl naderen. Ja zelfs de grootste schepen op onze ree voor hun anker zwaaijen en draaijen. En waar is er veiliger zeegat in de Republiek, om binnen te zeilen, dan dat van de Eems? De haven van onze plaats, zoo verzuimd en verslykt als dezelve thans ligt, laat by hoog water schepen binnen van 15 voet (= 4,5 meter diepgang); doch dewyl dezelve slechts met slyk en geenzins met zand bezet is, zoo kan ze met weinige kosten zodanig opgeruimd cn gemaakt worden, dat er de oorlogschepen gcrustelyk. in deszelfs boezem kunnen schuilen.”

Het welsprekende pleidooi van de Delfzijlsters mocht niet baten en net zomin deed dat een tweede brief. Delfzijl lag te dicht bij Pruisen, en het belang van het economische zwaartepunt Holland sprak natuurlijk ook een woordje mee. De keus viel op Medemblik.