Waarom de draak verdween uit het wapen van Ripperda

Sint Joris en de draak op de kerk van Westerlee.

Sint Joris en de draak op de kerk van Westerlee.

Geloof het of niet, maar ik was vanavond naar een erg boeiende lezing van Redmer Alma over de grafstenen van Farmsum.

Een heleboel van de zerken daar zijn/waren van de familie Ripperda, het plaatselijke hoofdelingengeslacht, dat vanuit hun tamelijk grote borg Farmsum en bijkomende dorpen, bijvoorbeeld Weiwerd, als een Heerlijkheid bestierde. Ze hadden er alle rechten, het alleen voor het zeggen in zaken van kerk, recht en waterstaat.

Aan het wapen van die Ripperda’s heb ik hier wel eens aandacht besteed. Het betreft een houwdegen met zwaard in de aanslag op een steigerend peerd.

Blijkt dat er tot in de vijftiende eeuw een draak onder die rossinant lag. Het was dus eigenlijk een Sint Joris, die ridder op dat paard.

Maar waarom verdween de draak? Zonder draak toch geen Sint Joris?

Volgens Alma gebeurde dat in die periode veel meer. Ook op andere adellijke familiewapens met Sint Joris in het blazoen verdween de draak.

Waarom? Alma dacht dat de ruiterfiguur met het verdwijnen van de draak uit het schild meer prestige kreeg zonder beeldconcurrentie, en dat de drakenhaters met die opruiming dus hun prestige hebben willen vergroten.

Overigens verdween de draak niet helemaal uit de heraldische ornamentiek der Ripperda’s. Ze promoveerden hem weg tot boven hun schild, als helmteken. Maar in die rol had ik draak nog nooit gezien, blijkbaar gold dat als facultatief, voor als er ruimte voor was, of er iets ceremonieels moest gebeuren.

In elk geval deed Sint Joris in Farmsum vergaand af, terwijl het in de schilderkunst ook nadien nog lang stikte van de Sint Jorissen, allesbehalve gemankeerd, maar compleet en al met draak.

Je zou er een vroom katholiek volksverhaal over hovaardij bij kunnen verzinnen. De Ripperda’s van Farmsum, die de draak en daarmee Sint Joris op de mestvaalt der geschiedenis schoven en naderhand fanatieke geuzen werden, zodat ze moesten vluchten naar Oost-Friesland, gingen nogal vaak zwaar berooid dood, vooral de vrouwelijke (akelige verkwisteressen waren dat).

Voor het overige stierven de Ripperda’s hier helemaal uit. Hun Heerlijkheid Farmsum ging nog in de zeventiende eeuw over in andere handen.

Net goed!


Groninger boeren over de hekel

Blijkbaar waren er in het voorjaar van 1815 Groninger boeren, die terugverlangden naar hun welvaart en de relatief lage lasten onder Napoleon en die er daarom bezwaar tegen maakten om de wapens tegen de teruggekeerde dwingeland op te nemen? Een scribent van Vaderlandsche Letteroefeningen haalde ze althans flink over de hekel:

“…hoe dwaas toch inderdaad, de goedkoopheid der granen aan het Bewind te wijten! Of hoe goddeloos, naar eeuwigen oorlog te wenschen, ten einde zich met het bloed van anderen vet te mesten!”

 


Vroege Drentse dorpsgezichten in een Gronings familiearchief

Ik had de portefeuille met tekeningen, prenten en foto’s, nagelaten door de familie Wolthers al vaker door mijn handen laten gaan, deed dat vandaag weer, en besloot nu maar eens om enkele tekeningen, die door de map heen verspreid waren geraakt, bij elkaar te leggen. Reden: het betreft Drentse topografica. Hele vroege ook nog, want uit de zomer van 1812. Soortgelijk werk is er niet veel. Niet alleen zijn deze tekeningen stijlverwant, wat in de context van de map wijst op een en dezelfde maker, ook gaat het in alle gevallen om pentekeningen, ingekleurd met waterverf, die ook nog eens door dezelfde soort vlekken zijn ontsierd.

Een gezicht te Eext is gesigneerd. Een herder hoedt enkele koeien bij ene drinkplaats. De weg erlangs voert naar de es (bouwland) die met wallen en een houten hek voor het vee afgesloten is:

1 - Gezicht in de Eext, getekend julij 1812 JD Wolthers.

“Gezicht in de Eext, getekend julij 1812 JD Wolthers”

Een gezicht te Gieten draagt dezelfde signatuur aan de achterkant. Bij een tweesprong staat een (boeren)huis met een put. Langs de weg zie je onder meer wilgen, wat net als het water in de sloot wijst op een wat lagere ligging:

2 - Gezicht te Gieten, getekent july 1812 JD Wolthers

“Gezicht te Gieten, getekent july 1812 JD Wolthers”

Ook de jaartalloze nummer 3 is weer getekend met die naam. In de verte ligt het dorp Anloo met zijn karakteristieke kerktorentje. Op de voorgrond is de rogge-oogst op de es aan de gang:

3 - Anlo, JD Wolters zj

“Anlo, JD Wolters”

Nummer vier draagt naam, plaatsnaam noch jaartal, maar hoort duidelijk in de serie thuis. De dakruiter op het kerkdak dat boven de bomen uitsteekt deed mij aanvankelijk met het belendende hoge pand een wat meer stedelijke omgeving vermoeden, maar Lars Sanders wees hier in een reactie op Ter Apel, en vergelijking met schilderijen in de collectie van het Groninger Museum leerde vervolgens dat hij gelijk heeft. De dakruiter en het kruis op het dak zijn praktisch identiek, bovendien staat daar ook een vrij hoog gebouw naast het klooster:

4 -

Verklarende tekst ontbreekt.

De tekeningen zijn dus in juli 1812 gemaakt door – voluit – Johan Diederik Wolthers, die op dat moment nog vrijgezel was, maar een jaar later als 34-jarige rentenier zou trouwen. Hij stamde uit een Gronings regentengeslacht – bij zijn huwelijk heet zijn vader “vroedschap”, en voorvaderen fungeerden meermalen als Burgemeester van de Stad.

Johan Diederiks beduidend jongere vrouw tekende eveneens, en dat verdienstelijk. Eind 1825 beloonde een Gronings kunstgenootschap namelijk een fruitstukje van haar met vijf ducaten. In hun artistieke voetsporen trad zoon Wolter, later burgemeester van meerdere Groninger gemeenten. Kurend in Bentheim tekende hij in de jaren 1840 honderden portretten van mede-badgasten (volgens een artikel dat eind vorig jaar in Stad & Lande verscheen). Het ging dus al met al om een tamelijk kunstlievende familie.

Naschrift 9 mei 2015:

Dit stukje is wat betreft de vierde tekening herschreven, omdat Lars Sanders de lokatie identificeerde als Ter Apel.


De kluizenaar van Wymeer

Ruim een jaar geleden schreef ik hier een stukkie over een kluizenaar die bij het smokkelaarsoord De Lethe, op de grens met Duitsland, in een hol woonde. Elke zomer trok dat hol vele dagjesmensen. ’s Mans overlijden op 70-jarige leeftijd werd in 1898 door meerdere Nederlandse kranten gemeld.

Het gekke was dat ik zijn naam – Pieter Alberts – niet terugvond in het overlijdensregister van de gemeente Bellingwolde. “Het zou natuurlijk kunnen dat de man over de grens stierf”, opperde ik destijds al: “Wordt mogelijk nog eens vervolgd”.

Dat vervolg is er nu ik zocht op een Duitse plaatsnaam uit de buurt van Bellingwolde, te weten Wymeer.  Een bericht dat oorspronkelijk in de Winschoter Courant stond, en dat op 2 september 1896 werd overgenomen door De Amsterdammer, bevestigt mijn vermoeden van vorig jaar: het hol bevond zich niet op Nederlands grondgebied, maar net erbuiten:

Een kluizenaar

Wanneer men van Bellingwolde naar Wymeer (Duitschland) den straatweg passeert, ziet men aan zijne rechterzijde een groot stuk braakland, dat, niettegenstaande het wel vruchtbaar is, daar reeds eenige jaren zoo onbebouwd heen ligt. Op niet grooten afstand van den weg zal men er zoo iets ontwaren, dat aan het verblijf van menschen doet denken.

Naderbij gekomen ziet men een ouden kookpot, wat brandstof en overblijfselen van voedsel en te midden daarvan een hol, welks uitgang ternauwernood een mensch zal kunnen doorlaten. Toch gaat het, want ziet! nauwelijks zijn uwe voetstappen gehoord, of daar komt een vuile mannengedaante te voorschijn. Ge beeft eenigszins, doch herstelt u al gauw, indien het blijkt, dat onder dit afzichtelijke kleed geen slecht hart klopt.

Ge knoopt een gesprek met den ouden man aan en hoort vreemd op, indien hij u meedeelt, dat hij reeds 20 jaren dit kluizenaarsleven heeft geleid, 65 jaren oud is en nimmer heeft gedokterd. In zijn hol kan hij alleen in gebogen houding vertoeven, een bed ontbreekt, wat oude lompen vervullen er de plaats van. Behalve dit, vindt men er niets anders in dan – een wagenrad dat dienst doet als kleerstander.

Toen we den man een fooi boden, weigerde hij dit; dat Hollandsche geld had geen waarde. Een Duitsch stukje aanvaardde hij dankbaar, met de leuke opmerking, dat hij daar nog wel eens een arm mensch mee kon verrassen. Er wordt dan ook wel eens beweerd, dat deze kluizenaar niet onbemiddeld moet zijn. (Winsch. Crt.)”

Mogelijk hebben berichten als dit de belangstelling van de dagjesmensen gaande gemaakt.


Martenshoekster krinkiespijers mochten graag poseren

2015-04-29 007 b

Knipseltje uit Het Noorden in Woord en Beeld, de editie van vrijdag 15 oktober 1926.  De linker man zit schrijlings op een hondenkar en zal dus wel een kleine negotie hebben gehad. Hij heeft zijn trekhond, een soort van labrador, schijnbaar liefdevol op zijn kar en schoot genomen. Waar de andere twee, veel kleinere hondjes voor dienden is onbekend. Misschien werden ze ingezet tegen ratten, mollen en zo.

Overigens wordt Het Noorden in Woord en Beeld, een populair fotoweekblad dat tussen 1925 en 1938 verscheen, nog opgenomen in de nationale kranten- en tijdfschriftendatabank Delpher. Een poos geleden leende RHC Groninger Archieven haar leggers ter digitalisering uit aan de KB/Delpher – deze zijn inmiddels weer terug.

Op de lijst met aanwinsten waar we ons binnenkort verder over mogen verblijden, staan verder nog diverse krantentitels uit de collectie van het Veenkoloniaal Museum in Veendam, namelijk:

  • Veendammer courant: algemeen nieuws‐ en advertentieblad voor het arrondissement Winschoten, 1829‐1905;
  • De Nieuwe Veendammer Courant, algemeen Nieuws‐ en advertentieblad voor de Veenkoloniën, 1870‐1920;
  • De Noord‐Ooster: algemeen nieuws‐ en advertentieblad, 1903‐1950;
  • Dagblad voor de Veenkolonieën en omliggende streken, 1946;
  • Het Parool: onafhankelijk dagblad van het Noorden (editie Groningen) 1946.

 


Belgische krantendatabank moet nog groeien

Leuk nieuwtje: de Belgische pendant van de krantendatabank Delpher is online.

Luddik steekproefje: het zoekwoord Finsterwolde leverde 5 treffers op. Van die 5 zijn er 2 (40 %) echter onbruikbaar:

Ce journal ne peut être consulté qu’à la Bibliothèque royale de Belgique !

Hieruit blijkt ook dat je het Frans machtig moet zijn.

De 3 wel bruikbare resultaten (60 %) betreffen de onlusten van 1892 en 1909 en een verschrikkelijke hagelbui in mei 1835:

Le Messager De Gand 29 mei 1835.

Le Messager De Gand 29 mei 1835.

Het zal voor menige lezer misschien even slikken zijn dat Finsterwolde in Friesland wordt gesitueerd. Hagelstenen als duiveneieren zorgden er voor een ravage in de korenvelden, de (bloeiende) fruitbomern hadden extra veel te lijden, maar van alle bomen werd het blad verscheurd.  Sinds mensenheugenis had men zoiets niet meegemaakt.


‘Arme grond, rijke man’

002 was 005

Met veel genoegen naar ‘Arme grond, rijke man‘ gekeken, de aflevering van de IJzeren Eeuw-serie over W.A. Scholten, de Groninger agro-industrieel en grondvester van een multinational. Niet omdat deze uitzending mijn beeld van deze man nu zo veranderde, want in de kranten van zijn tijd las ik gewoon iets te veel bedrijfsongevallen waar hij zich niets van aantrok, en de anekdote over de eenhandige man die van Scholtens nog maar de helft van zijn loon kreeg, verbaasde me dan ook niets. Bovendien passeren we regelmatig zijn prots aan de Hereweg (tuinhuis, villa, grafmonument) om te beseffen wat voor man dat was, die hierin zijn genoegdoening vond.

Nee, we kenden die Scholtens eigenlijk al, maar de aflevering was verrassend door de keuze van de settings en, vooral, de interviewees: twee vrouwen, Dorien Knaap en Carolien Verhoeven als meest in het oog lopende deskundigen, twee stoere scheepsbouwers juist voor de emotionele noot in duplo.

Nog een minpuntje. In het begin van de uitzending werd het veenkoloniale gebied van voor Scholtens voorgesteld als gebied waar niets wilde groeien. Dat is natuurlijk onzin, die er alleen maar toe dient om het verhaal scherp aan te zetten. Helaas nam het narrativisme hier een loopje met de nauwkeurigheid.

Een paar keer zie je een scène van presentator Hans Goedkoop op de studiezaal van de Groninger Archieven. Dan ligt er een dik goudachtig boek op zijn tafel. Er werd verder niet op ingegaan, voor het verhaal was het een overbodig object. Toevallig heb ik dat foto-album net vorige week in handen gehad. Het is werkelijk een prachtstuk – zie boven.


Keuringsarts bezwendeld met krappe hupzelen

In 1832 moest je nog loten voor de militaire dienst. Hoe meer jongens uit je dorp afgekeurd waren, hoe groter de kans dat jij als gezonde Hollandsche jongen inlootte en in dienst moest. Balen!

Daarom werd fraude bij de keuring, die in de twintigste eeuw stof voor allerlei heldenverhalen gaf, in de negentiende eeuw bepaald niet op prijs gesteld door je leeftijdgenoten. Albert van Loo en Mannes Harkema, twee boerenknechts van Grootegast, hebben dat bijvoorbeeld mogen merken.

Bij hun opmeting ter keuring voor de militaire dienst bleken beide slechts 156,5 centimeter groot. Te klein om als kannonnenvoer te dienen. Onderdeurtjes. Vrijgesteld!

Acht andere Grootegaster jongemannen van hun lichting, jongens waarmee ze nog in de klas hadden gezeten, vonden dit oneerlijk. Ze meenden dat Albert en Mannes normaal wèl groot genoeg waren om goedgekeurd te worden.  Algemeen werd gezegd – en dat zou desnoods ook wel bewezen kunnen worden – dat beide jongens zich  probeerden te verkleinen

“door middel van het ontnemen der natuurlijke nachtrust, door veelvuldig gebruik van sterke drank, door het dragen van zware lasten, door zich stijf in de hulpseelen te vinden”.

Tot “algemeen verwondering” hadden ze hun doel ook nog bereikt. Daarom wendden hun gedupeerde medelotelingen zich tot de Gouverneur, de Commissaris des Konings in de provincie Groningen, met het verzoek om Albert en Mannes te laten hermeten,

“zonder zulke kunstgrepen vooraf te kunnen gebruiken”.

De Gouverneur bleek het gloeiend met ze eens. Hij schreef de Burgemeester van Grootegast dat die de beide jongens al de volgende dinsdag moest laten ophalen door de gemeenteveldwachter, die ze dan naar het provinciehuis in Groningen moest brengen. Burgemeester en veldwachter moesten hierbij discretie betrachten:

“Het zal noodig zijn dat deze personen niet te vroeg met het doel hunner reize naar herwaarts worden bekend gemaakt, opdat zij onvoorbereid voor Gedeputeerde Staten verschijnen, en geene middelen bezigen welke zouden kunnen strekken om het gemelde college te misleiden.”

Hoe de hermeting in bijzin van het provinciebestuur verliep, melden de stukken helaas niet, en evenmin is bekend, of Albert en Mannes ingeloot werden, en daadwerkelijk hun dienstplicht moesten vervullen. Maar dat ze er bij hun leeftijdgenoten uit lagen, lijkt haast wel zeker.

Bron: Henk Hartog, ‘Stijf in de hulpseelen’ en andere kunstgrepen, in: GroninGEN, afdelingsorgaan NGV afd. Groningen, april 2015 (XXII-2).


Opmerkenswaardige archivalia

In dezelfde archiefdoos met het dossier over de Paardenkeuring zitten ook nog wat mappen met kleurig spul van later datum:

– Briefhoofd van De Ploeg (1938):

004

– Affiche voor een tentoonstelling van jonge Nederlandse schilders (1953):

005

In esthetisch opzicht is dit een fijn weekje.


Oldambtster witten

Je had altijd een boel rooien in het Oldambt, maar je had ook Oldamtster witten. Geen contrarevolutionaire miesgasters maar bonen om op te eten. Deze ondergaan tijdens de groei aan de stam een opmerkelijke tweevuldige kleurmetamorfose. Henk Scholte, die sowieso alles weet over Groninger mondkost, en dus ook over Oldambtster witten, vertelde er gisteravond met smaak over op de ALV van de cultuurhistorische vereniging Stad en Lande. De Oldambtster witten, die enkele decennia geleden nog maar in één enkele Musselkanaalster volkstuintje werden geteeld, zijn nu bezig aan een opzienbarende comeback op de tafels der vaderlandse lekkerbekken.


Een schetsje van de Midwolder meenscheer

121

Nee, dit is geen schatkaart. Het kaartje is op zich een schat.

Het betreft een ruw, heel snel getekend potloodschetsje uit 1808-1810 van de Midwolder meenscheer, een gemeenschappelijk weidegebied waar boeren naar rato van het bedrag dat ze aan grondbelasting betaalden, paarden en vee mochten laten grazen.

Volgen we de contouren vanaf linksboven (het noordwesten) met de klok mee. Linksboven zien we allereerst de term hooiland staan en de aanduiding voor een huis met de naam Pasop. Het is de oudste naamsvermelding van Pasop, destijds een herberg. Over de weg hier zien we ook een aanduiding van de wring (= boerenhek) die passanten niet open mochten laten staan: Pas op!

Ter weerszijden van de oostelijke uitstulping van de meenscheer, rechtsboven en rechtscentraal, de kant van Lettelbert op, lag er ook boerenhooiland. De Midwolder meenscheer werd hier omgeven door drassige gronden, waar alleen in de zomer een snee hooi vanaf te halen viel. Hier in het oosten is de grens van de meenscheer niet direct herkenbaar gemarkeerd, maar de uiterste oostgrens lag zo ongeveer op dezelfde lengte als de kerk van Lettelbert.

Helemaal onderaan het schetsje, in het zuiden, zien we de kerk van Midwolde. Vanaf die kerk had je iets voorbij de dubbele kniebocht ter hoogte van de Hondehoek de oosterwring die toegang gaf tot de meenscheer. Op dezelfde hoogte, maar dan in het westen, bij de Hoge Traan en aan het begin van de Traansterweg, lag de westerwring, die het drietal toegangen tot de meenscheer completeerde. Vandaar naar het noorden kreeg je eerst de petgaten van de Traan en daarna een eendenkooi. Het hooiland waarmee we deze rondgang begonnen, bestond gedeeltelijk nog uit heide.

Over de meenscheer liep een tweetal wegen. Vanaf het noorden langs het huis Pasop had je de meenscheerweg, nu de N978 of Pasop, die naar het zuiden toe richting de westerwring zwenkte. De andere weg, richting oosterwring en kerk van Midwolde, heette “nieuwe weg” en was kennelijk recenter aangelegd dan de oude meenscheerweg.

Ten noordwesten van de meenscheerweg viel de grens van de meenscheer zo’n beetje samen met de huidige Traansterweg. In het tussenliggende gebied staan een rondje met het woord Bult en een slordig rechthoekje met de term Zantvoor. Bult was een lokale boerenfamilienaam, wellicht afkomstig van een huis- en/of veldnaam en van Zantvoor(t) ben ik geneigd hetzelfde te denken. Rond de nogal willekeurig aangegeven lokaties Bult en Zandvoort was de meenscheer al voor 1808 overgegaan in handen van particulieren die haar verkavelden. Iets wat in de decennia na het maken van de kaart met de hele meenscheer zou gebeuren.

Bron: RHC Groninger Archieven Toegang 626 (Huisarchief Nienoord) inv.nr. 604 (Processtukken die het recht van Nienoord op een groot aandeel in de meenscheer van Midwolde moesten verdedigen, 1808-1810).


Het probleem is de hond. Van welk ras is hij?

Wolter Wolthers, portret van een hond, ca. 1840. Aquarel. Collectie RHC Groninger Archieven 598-140**.

Wolter Wolthers, portret van een hond, ca. 1840. Aquarel. Collectie RHC Groninger Archieven 598-140**.

Wolter Wolthers (1814-1870), telg uit een stad-Groninger regentenfamilie en later burgemeester van diverse Groninger gemeenten, vertoefde in de jaren 1840 meermalen in Bad Bentheim om te kuren. Hier maakte hij meer dan 200 verdienstelijke portretjes van mede-kuurgasten. Mogelijk stamt ook dit hondenportret uit die periode. In elk geval bevindt het zich in een portefeuille met werk van Wolthers.

Waar ik mee zit, is met die hond. Althans: de determinering van het ras. Ik ben absoluut geen hondenkenner en meende met een dobermann van doen te hebben – en wel een exemplaar met ongecoupeerde oren – maar dat ras blijkt pas in de tweede helft van de negentiende eeuw gefokt door een deurwaarder die er zich boze wanbetalers mee van het lijf wilde houden. Een Duitse pinscher zou misschien ook nog kunnen. Een collega van me dacht aan een teckel, maar dat ras heeft nogal een ander lijf.

Weet iemand van jullie het misschien?

Alvast bedankt voor je reactie!

 


Dienstmeisje at 28 eieren op

Schager Courant 20 april 1884 Paasgebruik dienstmeisje at 28 eieren op

Bron: Schager Courant 20 april 1884.


Gymnasiaal tekentalent leeft zich uit in zijn schoolagenda

Duco Gerrold Rengers Hora Siccama was zeventien en zat op het gymnasium, toen hij in 1893 voor zijn huiswerk een Duitse agenda ging gebruiken. Uiteraard staan er te maken thema’s in, wiskundige sommen en andere opdrachten, maar die vormen zeker niet het interessantste deel van de inhoud. Nee, dat bestaat uit de vele karikaturen en andere tekeningen, die hij vaak eerst in potlood opzette en dan met oostindische inkt uitwerkte. Het eerste kan op school gebeurd zijn, het laatste thuis, maar als je de tekeningen ziet, zou je het haast betreuren dat de man later hoogleraar rechten is geworden.

De openingspagina verraadt meteen al enkele terugkerende preoccupaties:
035 (2)
Portret van een medeleerling?
037 (2)

Aap met vogeltje:
039 (2)
Heraldische interesse:
043 (2)
Geslachtslijst van WH Wyt, met links de orgeldraaier Wijd, en rechts de makelaar Wijd, de hereboer Wijdt van Valkenburg en rechts de bankier Wyt van Valkenburg, welke drie laatste heren zijn voorzien van steeds grotere geldzakken:
046
Dan het vervolg op deze genealogische fictie, namelijk de opperstalmeester W.M. graaf Melchior Wijt van Valkenburg tot den Doornberg en de 3 Pollen. Rechts een stoomlocomotief, een andere terugkerend motief (achterin de agenda staan lijsten met namen van de toenmalige locomotieven):
052
Een predikant en zijn gemeente – twee jeugdigen kijken door het kerkraam naar binnen:
055
Links een onvoltooid wapen Hora Siccama, rechts een portret – van een leraar? – dat me sterk doet denken aan het werk van een Amerikaanse karikaturist wiens naam me is ontschoten:
061
Agent met hond:
066
Rechts een leraar? met sigarenpijpje:
072
Vier onafscheidelijke vrienden:
093
Augustus – op vakantie naar een vreemde kust met een koffer van het merk Perry:
095
Landschap met kanaal en zeilboten:
101
Een figuur die sterk doet denken aan de portretten van postbode Roulin door Vincent van Gogh:
116
Leraar? en familiewapens:
134
Op het eind van het jaar figuurstudies van diverse hoofddeksels, zoals deze bolhoed:
140


Uit het vriendschapsalbum van Octavia Feith

Sjieke lui schreven tussen 1832 en 1836 teksten voor het vriendschapsalbum van Octavia Feith, dat altijd losbladig is gebleven. Bij slechts enkele zitten plaatjes, die ze waarschijnlijk zelf tekende. Daardoor zijn ze, hoewel zéér Biedermeier, wèl oorspronkelijk, anders dan de kant- en klare plaatjes die je in latere poeziealbums aantreft.

– Vogelnest:
007
– Landschapje met huisje en molentje:
014
Bloemen, daar hield Octavia vooral van:
025
Met name viooltjes:
036

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1501 (Losse stukken GAG) inv.nr. 370.