Appel, bril, citroen – een ABC van voor het leesplankje

Aap, noot, mies mag dan in het collectieve geheugen gegrift zijn als verwijzing naar het vroegere spel- en leesonderwijs, niet altijd was het leesplankje van Hoogeveen dat die trits in ons geheugen grifte, maatgevend. Voor 1897 bestond dat hele aap-noot-mies zelfs nog niet. In die vroegere era bestonden er nog meerdere abc-boekjes, waar de letters naar andere dieren, voorwerpen en mensen verwezen. Een dergelijk boekje was het kaftloze katern uit de eerste helft van de negentiende eeuw, dat zich bevindt in het familiearchief Van Iddekinge. Het bevat 24 ingekleurde plaatjes voor even zoveel letters, alleen de q en de x komen er bekaaid af en moeten het zonder illustratie doen:

1

2

3

4

5

6

7

8


Preeg

In de vensterbank van een collega staat een heel dun koperen plaatje. Als je het tegen het licht houdt, zie je de uitsparingen goed:
003
Ooit deed een Plaatselijk Bestuur van Groningen hier dus iets mee. Die aanduiding ‘Plaatselijk Bestuur’ associeer ik met een deel van de Bataafse Tijd (1798-1810), maar het kan best zijn dat het koperen plaatje later gebruikt is.

Naast het plaatje, in dezelfde vensterbank, staat een oude preegtang.  Daarmee werden inktloze reliëfstempels in papier geperst. Het kon dan gaan om notariële akten als koopcontracten of testamenten, verzoekschriften aan de overheid, of zelfs kranten. De aangebrachte reliëfstempels vormden het bewijs dat een pittige belasting, het droit de timbre of zegelrecht, betaald was.

Vermoedelijk legde ’t Plaatselijk Bestuur van Groningen het plaatje onder de preegtang, om  zijn reliëfstempel of preeg in officiële stukken te drukken ten bewijze dat het zegelrecht voldaan was..

Als je de kleuren van de foto omkeert, krijg je een beter idee van de Grunniger preeg, al is het zwart op reëel papier hooguit schaduwgrijs (vaak vallen die pregen helemaal niet zo op):
003 v
Inderdaad ontbreekt er een stukje: tussen de twee linker adelaars.


De eerste sociale woningbouw van Finsterwolde

2015-03-13 012

Op 9 februari van dat jaar 1919 waren drie timmerlui al bezig met het voorwerk, waarschijnlijk het maken van kozijnen voor ramen en deuren. Op 23 februari kwamen er twee timmerlui bij, Aike en Elzo Perton, twee neven van mijn grootvader. Ook begonnen die dag vier grondwerkers aan het karwei, waaronder Harm Tuin (eveneens familie) en Jan Broesder, beide anarchisten. Dat gold ook voor Harm Broesder, de opperman. Op 2 maart werden er nog twee extra timmerlui ingeschakeld, terwijl op 6 april de voeger L. Reininga, aan het werk kon en op 20 april de stucadoor S. Havinga. Op 3 mei werden de eerste metselaars alweer afgedankt en op 17 mei de eerste timmerlui (de beide Pertons). Volgens het loonstaatje kwam eind juni het hele werk gereed, niet lang daarna zullen de eerste bewoners erin zijn getrokken.

In de twaalf zesdaagse werkweken zullen de neven van mijn grootvader elk ƒ 3,.- per dag hebben verdiend. Het totaal aan loonkosten bij het project bedroeg ƒ 5171,32. Daar kwam nog ruim 1500 gulden aan materialen overheen, o.a. 18 gewone tramwagons met scherp zand à ƒ 23,- en voor een kleine duizend gulden aan dakpannen. Merkwaardigerwijs ontbreekt de verwerkte baksteen in het kostenstaatje. In elk geval bedroeg de totale rekening, voor zover bekend, ƒ 6711,78.

Daarmee kwamen de kosten van het blokje van zes woningen (of drie twee-onder-éénkappers), welke de stichting Finsterwolder Woningbouw in het voorjaar van 1919 neerzette, neer op ruim 1000 gulden per woning. Omdat de gemeente Finsterwolde de kosten voorschoot en de stichting Finsterwolder Woningbouw drie jaar later nog steeds bijna 2800 gulden niet terugbetaald had, kwam er een proces van. Merkwaardigerwijs liet de gemeente dit proces namens haar voeren door haar opzichter Hendrik Boetz, met een bewijs van onvermogen. Waarom ze het zo deed, is onbekend, maar aan het verzoekschrift voor het verkrijgen van dit bewijs danken we het kostenstaatje, waaraan ik hierboven het een en ander heb ontleend.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 882 (archief Arrondissementsrechtbank Winschoten), inv.nr. 1382 (verzoekschriften) volgnummer 205 (30 juni 1922). Met dank aan Jan-Paul Wortelboer.


Gronings antisemitisme in Amsterdams theater

Al eerder kwam hier ter sprake dat de Groninger adel in de negentiende eeuw nogal plat en onbehouwen uit de hoek kon komen. Dat gold niet alleen voor de Trippen, maar ook voor anderen, als we deze anekdote van Waalko Jan Roelfsema mogen geloven:

“Een typische figuur uit de tweede helft der 19e eeuw was notaris van Swinderen, die te Ezinge zijn standplaats had en op het oude riddergoed Allersma woonde, terwijl hij tegelijkertijd een huis in de stad hield: “Het Huis met den Schoonen Gevel” aan de Groote Markt. Hij was, wat men in Groningen een “plat man” noemt, plat in zijn taal, ongegeneerd in zijn doen, vriendelijk en voor iedereen een goed woord hebbend, nooit den meneer uithangend.

Eens is hij in Amsterdam en bezoekt ’s avonds het theater Prot in de Plantage. Tijdens de groote pauze loopt de zaal gedeeltelijk leeg. V. Swinderen, die in de stalles zit, gaat eens opstaan en kijkt rond. Boven op de galerij ziet hij een bewoner van Ezinge staan, dien hij met luide stem toeroept:

“Jij ook hier Aalfs?”

“Joa meneer notoares, meneer ook?”

“Bult jeuden hier van aovond.”

“Joa, merneer notaoris, hier boven bin ook niks as jeuden.””

Bron: Waalko Jan Roelfsema, Aantekeningen, cahier III.

Commentaar: Reneke Meinard Adriaan van Swinderen (1823-1899, portret) erfde de Allersmaborg op zijn 25e en was vanaf zijn 30e notaris in Ezinge, waar hij zich “zeer geliefd” maakte. Je kunt het bovenstaande gemoedelijke lulpraat noemen en er zullen misschien verder ook geen kwade bedoelingen achter hebben gezeten, maar de implicatie was wel degelijk dat er teveel joden in de zaal zaten. En daarmee zijn de uitlatingen antisemitisch te noemen. Antisemitisme was deze edelman en zijn dorpsgenoot dus niet vreemd.


De pennekunst van Jacob Derks Huisinga

In de handschriftencollectie Fransema vinden we een deeltje dat de inventarisator ‘Pennekunst en Treklust’ noemde en dateerde op 1767. De toegang noemt geen naam van een maker, maar het blijkt te gaan om een boekje met penwerk en schrijfvoorbeelden, vervaardigd door een Jacob Derks Huisinga, wiens naam er ook veelvuldig in voorkomt.

Volgens het Stamboek van de doopsgezinde familie Huisinga (ook wel Huizinga) was de vader van deze Jacob Derks Derk Jacobs (Groningen 1684-1738). Samen met diens vrouw Grietje Pieters Ploeg (1695-1762) kreeg deze negen kinderen, waarvan Jacob Derks Huisinga (1736-voor 1784) het negende, daarmee het jongste en vanaf 1753 het nog enig overlevende was. Mogelijk werd hij onderwijzer of schrijver/klerk. Bottema noemt namelijk een schoolmeester Jacob Derks Huisinga te Wehe anno 1781-1782. Toch lijkt zo’n functie wat onwaarschijnlijk, omdat schoolmeesters eigenlijk de gereformeerde formulieren van enigheid moesten ondertekenen.

Sowieso was ‘onze’ Jacob Derks in 1765 te Groningen getrouwd met een Grietje Loman, met wie hij in 1769 een huis aan de Raamstraat kocht. Dat was niet echt op stand, maar het paar hoeft hier niet te hebben gewoond, de aankoop kan een belegging zijn geweest. Volgens het Stamboek kreeg het echtpaar drie kinderen: te weten twee dochters – Grietje (1768) en Eefje (1770) – en een zoon Derk (1773) die later mogelijk doopsgezind predikant in het Oldambtster Midwolda was.

In elk geval was het penwerk van Jacob Derks Huisinga van hoge kwaliteit. Diens boekje begint met diverse gotische en latijnse lettersoorten:

2015-03-13 172
Vrijwel altijd betrok Huisinga de teksten, zoals deze over wijzen die nog wijzer worden, uit de bijbel:
2015-03-13 175
Gebroken gotisch schrift:
2015-03-13 178
Het begin van een alfabet met sierkapitalen:
2015-03-13 192
Penwerk met plantaardige omlijsting:
2015-03-13 198
Eenvoudig gebed – “Hier vind gy in dit bestek, ses letters in één trek”:
2015-03-13 200
Leus in kruissteekletters, omlijst door penwerk en figuren (engelen boven, bladeren onder):
2015-03-13 201
Vigilantia (waakzaamheid) met gecopieerd avondmaalstractaatje van de gereformeerde puritein Saldenus:
2015-03-13 207
Blad met gecopieerd voorblad van een Duitse bijbel uit 1751:
2015-03-13 210
Vogel bestaande uit een doorlopende tekst, met bijwerk:
2015-03-13 216
Dat Huisinga wel goed met de trekpen overweg kon, maar slechts een matig tekenaar was, bewijzen de engeltjes links en rechts op de pagina ter ere van zijn moeder. Aangezien zijn vader overleed, toen Jacob Derks Huisinga twee jaar oud was, is het geen wonder dat de zoon haar als zijn belangrijkste opvoeder zag:
2015-03-13 219
Even verderop een beschadigde pagina met een drinkbokaal, die een pagina met speelkaarten afdekt:
2015-03-13 221
Uiteraard moest Huisinga als vroom christen weinig weten van het kaartspel. Op de afdekkende bokaal staat dit gedicht:

Regt deese roemer op
so vind gy daar de kaart
By veelen hoog geacht
by my zeer weinig waard
Want ’t waare spreekwoord segt
daar Baghuis sit ten toon
daar ’s Dobbelen gewis
En Zonde op den Throon.

Almanach (soort universele kalender voor aan de wand):
2015-03-13 225
Grieks alfabet (er is ook een Hebreeuws):
2015-03-13 229
Het topstuk, bestaande uit een trompe l’oeil met krant en almanak:
2015-03-13 232

NB: Er was geen vrijdag 17 februari in 1768, die datum viel dat jaar op een woensdag. Ook levert zoeken in de Groninger Courant bij Delpher op de trefwoorden chaloup, Nabab en Heidukken (zoals die in de tekst voorkomen) niet een dergelijke pagina op. De conclusie moet zijn, dat Huisinga deze krant verzon.

Tot slot een hijgend hert, der jacht ontkomen (van Psalm 42).
2015-03-13 239

NB: de genealogische en biografische notities aan het begin van dit logje zijn op 19 maart sterk herzien.


Verdampt geld

In zeker familiearchief zitten zestien van deze duizendjes:

002

Gemaakt in 1903.

003

En vier van zulke honderdjes:

009

Gemaakt in 1910.

006

Let op de oorlogsschepen, links in beeld. Ze kondigen de Eerste Wereldoorlog aan en dat conflict en de nasleep ervan (inflatie) maakten dat dit geld tien jaar later zo goed als niets meer waard was.

Het betreft Duitse Rijksmarken, in totaal dus RM 16.400 en ik was benieuwd naar het Nederlandse equivalent.  Als de wisselkoers hier juist is, deed anno 1910 een gulden 0,6 mark. Eén mark deed destijds dus ƒ 1,67. Alle biljetten in het familiearchief waren voor de Eerste Wereldoorlog dan ƒ 27.333 waard. Met het tooltje van de IISG waarmee je historische guldens kunt omrekenen in hedendaagse euro’s, komen we dan uit op een bedrag van bijna 300.000 euro.

Destijds kon je er sowieso een riante woning van bouwen, schat ik. De eigenaar moet het bijzonder hebben gespeten, dat dit bedrag in een paar jaar tijds verdampte.

Aan de andere kant zou het niet in het archief hebben gelegen, als het zijn waarde behouden had. Die Eerste Wereldoorlog was dus ook nog ergens goed voor. Al valt dit voordeel in het niet bij de rampspoed die over Europa kwam.


Nog een Jagerslied

De omschrijving met “diverse stukken” is niet echt verhelderend, maar enfin, ik vond in het mapje weer een ‘Jagerslied’ uit Groningen.  Althans, het liedvel is hier in de stad gedrukt bij A.F. Vos in de Geestelijke Maagdenstraat (nu Rode Weeshuisstraat). Het lied werd gezongen op de melodie van de Carmagnole, een Frans revolutionair lied dat na 1795 ook populair was onder Nederlandse patriotten. In de tekst gaan de Jagers met hun kanonnen los op de Engelsen. Eigenlijk kan dat alleen zijn gebeurd in 1799 tijdens de Engels-Russische inval in Noord-Holland. Daarmee verscheen het in hetzelfde jaar als dat andere lied over Jagers die uit Groningen vertrokken – mogelijk vormde dat andere lied een satirisch antwoord op het nu gevonden lied:

jagerslied


‘De Boonen’

Na het lofdicht op de zoepenbrij staat er een ode aan de bonen in de schriftjes van Siepko Lameris. Hoewel bonen in de negentiende eeuw een gangbaar voedsel vormden in heel Groningerland, lijkt dit vers afkomstig uit het Oldambt:

De Boonen

De boonen geven mark en bloud
En smaoken goud.
Bie zeuven boonen ’n goud stuk spek,
Dij dat nait lust, dat is ’n gek,
Dat is gaint nao d’Oldamster trant,
Gaint oet het Grönnegerland!

’n Man, nait wied van honderd jaor,
Mien bessevaor,
Et zuk er drijmaol daogs van zat,
Mien vaor, dij zag al daoge dat,
Kreeg ook de smaok en dut hom ’t nao,
En hom aop ik weer nao.

Krieg ie alsmits gain boonenpap,
Ie worden slap;
Waor zij nait bie de ribben staon,
Het nooit ’n man zien wark goud daon.
Wacht eerst zoo lank er meel in zit
Din geft ’t eerst regte pit.

Al zai ‘k maor ain dij boonen et,
of ‘k mie gaauw zet:
As hij maor even wenkt nao mie,
Ben ik al klaor en stao hom bie,
En ‘k laot zoo lank nao binnen gaon,
As ’t maogien is voldaon.


Lofdicht op de Zoepenbrij

Lofdicht op de zoepenbrij

Ze zijn nogal verfomfaaid en verstoft, de schriftjes die de Lopster uurwerkmaker Siepko Lameris vanaf 1857 met gedichten en stukjes proza volschreef. De afkalvende marges en het uit elkaar liggen van de blaadjes duiden erop, dat ze zeer vaak ter hand genomen zijn. Waarschijnlijk onderhield Siepko in de omgeving een voordrachtspraktijk, al is het ook mogelijk dat de schriftjes gewoon veel rond zijn gegaan, ook later nog in de familie.

In die schriftjes vind je voornamelijk Nederlandstalige stukjes van destijds bekende nationale auteurs. Maar er staan ook een paar Groningstalige stukjes in, helaas niet altijd compleet (voor zover ik tijd had om de puzzel te leggen). Anders dan bij de Nederlandstalige, zette Siepko bij de Groningstalige nooit de naam van een auteur. Wie ze schreef, is dus onbekend, maar de gedichtjes moeten zeker in de smaak gevallen zijn. Met name deze ode op de karnemelksepap, destijds dagelijkse kost voor zowat iedere Groninger – in menig huishouden hing het spul van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat boven het vuur te dampen, vaak werd het ook gegeten in combinaties met brood of aardappelen die ons nogal vreemd voorkomen:

Lofdicht op de Zoepenbrij
opgedragen aan een jeugdig en bevallig boerenmeisje door een boerenjongen.

De zoepenbrij dij smaokt zoo goud,
Mit stroop of zunder zuite;
Het geft ons fris en jeugdig bloud,
Het geft bie zwart brood kracht en moud
Veur wainig geld en muite!

De stadjer let ‘r wien veur staon;
Maor zel der lank op loeren.
Hij wil der graog ’n uur om gaon,
Ja, luip der wel veur nao de maon,
En vind hom bie de boeren.

Eet doe, mien wigt! maor zoepenbrij;
Het geft ook roode wangen,
(Maor wees nait mit de stroop te rei,
Want din rakst nait van kieven vrij.)
En loat de soeppot hangen.

En of ze zeggen: ’t deugt die nait,
Dat binnen al maor praotjes.
De zoepenbrij, leuv maor da’k ’t wait
Nait al te kold, nait al te hait,
Is beter spul as taotjes.

Het is ’n kost veur alle man
Veur jongen en veur ollen.
Het kind, dat lust ’t ‘r al graog wat van,
En dij ’t nait meer bieten kan
Zel ’t hier nait lank meer hollen.


‘Spock’ over zijn achtergrond

Leonard Nimoy over zijn joodse achtergrond en de jammerlijke teloorgang van het jiddisch:

“Mijn moeder en vader waren buitengewoon voorzichtige mensen. Alles wat ze deden was gekleurd door angst. Wat kan er gebeuren als je dit of dat doet? Hou het veilig, hou het veilig.”

Ze waren gevlucht uit de Oekraïne, destijds een fijn land met al zijn pogroms. Gelukkig stimuleerde zijn grootvader zijn nieuwsgierigheid, anders was hij misschien nooit acteur geworden, iets wat eenvoudigweg buiten het voorstellingsvermogen van zijn ouders lag. Wel waren zijn ouders later trots op zijn succes. Zijn vader had een kapperszaak in Boston en jongetjes kwamen er om een Spock haircut vragen:


Via


Richter gebelgd om mystificatie

Liedzangers op een nieuwjaarsprent uit 1812. Collectie RHC Groninger Archieven, Toegang 535 (archief familie Hora Siccama) inv.nr. 762.

Liedzangers met smartlap op een briefformulier uit 1812. Collectie RHC Groninger Archieven, 535-762.

Eind november, begin december 1762 loopt een vrouw de zaak binnen van boekdrukker Benedictus Greydanus aan de Oude Kijk in het Jatstraat in Groningen. De drukker kent haar van gezicht, want ze is dat jaar al vaker in zijn winkel geweest. Wel een keer of twee, drie en altijd met liedjes.

Dit maal heeft ze weer een ‘gezongen nieuwsbericht‘ bij zich, een met moraal doorspekt verslag op rijm, dat gaat over een schapendiefstal die op 13 november in Onderdendam gepleegd zou zijn door ene Dirk. Deze Dirk was vlak na zijn bekentenis gevlucht. Nota bene onder de handen van de wedman èn de richter vandaan.

Ook Dirks’ echtgenote wist zo te ontkomen. De klant van Greydanus wil dat hij een riem, 480 of 500 vel folio, van de ballade drukt, naar het model van een ander liedblad dat ze bij zich heeft. Op de achterkant moet een tweede, minder actueel vers komen te staan, waarvan ze eveneens de tekst aanlevert.

Greydanus bekijkt haar kopij eens en zegt dat hij het handschrift niet te kan lezen. Maar hij weet wel iemand die de verzen voor haar over wil schrijven, Jantien Bosch in de Boteringestraat.

Ook Jantien heeft even later moeite met het ontcijferen. Niet zozeer vanwege het pootje, als wel omdat de kopij op nogal voddige blaadjes papier staat. Ook aan elkaar gelegd leveren die niet geheel en al sluitende zinnen op. Daarom moet de vrouw Jantien af en toe voorzeggen wat er op haar velletjes geschreven is.

Terug bij Greydanus levert de vrouw Jantiens afschriften van haar oorspronkelijke kopij in. Drukproeven blieft ze niet, maar tijdens het drukken worden de teksten nog wel door de knechten van Greydanus gecorrigeerd. De drukker laat zijn knechten ook nog wat exemplaren van het liedblad overdrukken voor zijn eigen winkel. Vlak voor de kerstdagen haalt de vrouw haar bestelling af.

Disrespect

Het is onmiddellijk na de kerstdagen, dat dr. D.J. Nauta, richter van Menkeweer – de Ommelander jurisdictie waar Onderdendam onder valt – zich laat aandienen bij president-Burgemeester Wiardus Siccama van de stad Groningen. De gebelgde richter toont Siccama een exemplaar van het liedblad dat Greydanus in zijn winkel te koop heeft. Met een lied dat van hem, richter Nauta, durft te beweren dat hij zomaar een schapendief heeft laten ontsnappen en een medeplichtige vrouw op de koop toe!

Burgemeester Siccama stelt de richter een raadsdienaar met een schriftelijke lastgeving ter beschikking om ‘het origineel’ van het liedblad bij Greydanus op te vragen. De drukker moet maar eens even vertellen van wie hij de tekst ontvangen heeft.

Tegen de richter en de raadsdienaar zegt Greydanus dat het ging om

“een vrouw, na sijn gedagten een vriesse vrouw dog [de naam] bij hem onbekent”.

Het ‘origineel’ van dat lied nam ze met de gedrukte exemplaren mee. De vrouw vertelde hem dat ze met de vellen naar Friesland reisde om ze daar te verkopen. In zijn winkel had hij geen exemplaren meer liggen van dat liedblad. En, dat was nou ook toevallig, die overdrukken had hij juist die ochtend van de hand gedaan

“an een scheereslijpers vrouw buiten oosterpoort en an een oude vrouw die almanacken te koop hadde”.

Als de richter en de raadsdienaar weer zijn winkeldeur uit zijn, vertelt Greydanus zijn knechten in de drukkerij wat hem overkomen is. Die knechten doen hem beseffen dat hij zich heeft vergist. Met het ‘origineel’ bedoelden de richter en de raadsdienaar niet de proefdruk, maar de handgeschreven kopij. En die is er nog wel. Ze zoeken de stukken haastig bijeen en hun baas brengt ze de richter alsnog na.

Maar ondanks die gedienstigheid blijkt Nauta Greydanus allerminst te vertrouwen. De richter denkt dat de drukker hem op een dwaalspoor brengen wil. Op Oudejaarsdag maakt Nauta andermaal zijn opwachting in het Raadhuis aan de Grote Markt, nu bij een vergadering van Burgemeesteren en Raad. Die beamen dat het een lied is, “tenderende seer tot disrespect van den Rigter”. Ze geven hun advocaat-fiscaal (officier van justitie) opdracht, om Greydanus nog maar eens aan de tand te voelen over dat liedje. Wie heeft het gemaakt en waar bleef de rest van de oplage?

Tegen de raadsdienaar die hem de invitatie voor het verhoor voorleest – het is inmiddels vrijdag 7 januari 1763 – verklaart Greydanus opnieuw dat hij geen enkel exemplaar van de liedjes meer in voorraad heeft. Een dag later herhaalt hij tegen de fiscaal dat de kopij hem gebracht werd door een Friese vrouw, die hij niet bij naam kent. Ook weet hij niet wie de tekst geschreven heeft. Maar de velletjes papier die de fiscaal hem voorhoudt zijn inderdaad de ‘originelen’. Nee, de drukker wist niet dat dat nou een origineel werd genoemd. Daarom heeft hij ook aan de richter verklaard geen originelen meer te bezitten. Deze originelen zijn trouwens niet van de Friezin in kwestie, maar van Jantien Bosch in de Boteringestraat, die de liedjes afschreef.

Zomerspruyt

Tot zover het verhaal zoals het zich aan de hand van een kleine procesbundel in het Stad-Groninger gerechtelijk archief laat reconstrueren. Met de derde verklaring van Greydanus, bevestigd door Jantien Bosch, liep het spoor kennelijk dood voor de autoriteiten, want verder is er hoegenaamd niets over het geval te vinden.

In het procesdossiertje zitten ook Jantiens afschriften voor het liedblad. Van dat blad zijn er minimaal 500 gedrukte exemplaren meegegaan met een Friezin, een scharenslijpersvrouw en een almanakkenverkoopster. Scharenslijpers waren nog heel lang erkende verspreiders van nieuwberichten op het platteland. En ook in de mars van almanakkenverkopers zaten vaak liedbladen. Trekkend langs dorpen, gehuchten en boerderijen brachten zij die voorzingend aan de man. In de stad kwamen dergelijke semi-professionele straatzangers trouwens ook, op de Groninger kermis verkochten ze bijvoorbeeld handenvol liedbladen, tenminste, als de toeluisterende meiden maar ‘oakelik’ genoeg van zo’n moord en brandlied werden en een reukwatertje moesten opsnuiven “om weer op streek te koom’m”.

Waarschijnlijk zijn die meer dan 500 liedvellen over die Onderdendamster schapendief dus niet alleen in Friesland, maar ook op het platteland in een wijde omtrek van Groningen verspreid. Of er één van die drukwerkjes bewaard bleef, is echter zeer twijfelachtig.

Aan de hand van Jantien Bosch’ afschriften heb ik het liedblad gereconstrueerd. Het vers, dat tien coupletten telt, werd gezongen op de melodie van, voluit: ‘Al van een boer buiten de stad woonachtig, van geld en goed zeer rijk en machtig’. Een regelrechte schlager die weer te vinden is in de liedbundel ‘De Mey-blom of de Zomerspruyt; (…) zijnde de nieuwste en aangenaamste liederen die hedendaags gezongen worden…’ De oudst bekende versie van die bundel dateert van 1743, maar er verscheen een Amsterdamse herdruk in 1762, hetzelfde jaar dat Greydanus het lied over de Onderdendamster schapendief drukte.

Wat betreft de inhoud van het Groninger lied gaat het om een tamelijk veel voorkomende, maar zelden opgeloste misdaad. Kennelijk beperkten gezongen nieuwsberichten zich niet tot ijselijke moordverhalen, en kon ook een ordinaire schapendiefstal de aanleiding vormen. Moord, zeker moord met voorbedachte rade, was ook een zeldzaam fenomeen in Stad en Lande en kan dus niet zo vreselijk vaak aanleiding tot nieuwsliederen hebben gegeven. Kennelijk moesten de schrijvers zich wel eens behelpen met een minder spraakmakende stof. Al dienen we de actieradius van diefstalberichten niet te onderschatten, op den duur trad er toch sleet op ten gunste van memorabeler criminaliteit. Terwijl men de leideren die minder uitzonderlijke materie behandelden, gauw vergat en niet bewaarde en niet bundelde, kwam door dit natuurlijke selectieproces later de nadruk te liggen op liederen vol moord en doodslag.

Nog even doorgaand op de inhoud van het lied zou men verwachten dat de hoofdpersoon van de ballade, de Onderdendamster schapendief, na zijn vlucht, mede vanwege zijn bekentenis en die van zijn vrouw, door rechter Nauta veroordeeld zou zijn, al was het maar bij verstek. Helaas laat het rechterlijke archief van Menkeweer zeer te wensen over. Maar gelukkig is er een andere bron, want de Hoge Justitie Kamer van Stad en Lande (HJK) registreerde vanaf 1749 alle vonnissen van plaatselijke rechters. Maar ook in de HJK-registers vindt men geen veroordeling van een Dirk uit Onderdendam. De hoogste rechtbank van de provincie Stad en Lande registreerde wel een sententie door richter Nauta van Menkeweer, maar in dat geval gaat het om heling, een ander delict, waaraan een heel andere naam dan Dirk is verbonden.

Zoals gezegd, is het moeilijk voor te stellen dat er geen (verstek-)vonnis geveld zou zijn wegens zo’n toegegeven schapendiefstal. Alle stad-Groninger en Oldambster sententies van rond 1762 die ik ooit eens onder ogen heb gehad trof ik in de HJK-registers aan. Uiteindelijk ben ik zo gaan twijfelen of de schapendiefstal zich anno 1762 wel voordeed in Onderdendam. Misschien bracht de Friese vrouw wel een veel ouder en gepostdateerd vers bij Greydanus – haar voddige blaadjes papier doen daar aan denken – of sloeg het lied op een elders gepleegde schapendiefstal. De plaatsnaam in de titel en voorrede of aanhef kan immers best wel verbasterd zijn dankzij de interventies van de afschrijfster en de letterzetters van Greydanus.

Vanwege de tussenpersonen kan men ook alleen maar speculeren over de auteur van het lied. Dat was waarschijnlijk niet de Friezin, want het lied bevat maar een enkel Friesisme (namelijk: “redjer”). In het eerste en laatste couplet duiden enkele woordjes als “met” en “wort” juist op een Nedersaksische, mogelijk Groninger herkomst. Die Groninger had dan wel een redelijk vaardige hand van schrijven, want metrisch en qua rijm zit het lied goed in elkaar. Mogelijk verwerkte hij een loos gerucht tot een lied. Opzettelijke kwaadsprekerij ten koste van richter Nauta is uit te sluiten, dunkt me, omdat het lied afgezien van de moralistische passages een feitelijke toedracht van zaken weergeeft, en dat doet zonder satirische of verontwaardigde ondertonen. Dirk is ook de hoofdpersoon, en niet het justitie-apparaat.

Aan de ten onrechte zwart gemaakte èn toch op zijn teentjes getrapte richter Nauta danken we dan een kleine uitbreiding van ons volkslied-archief. En dat niet alleen, want deze geschiedenis laat ook weer eens zien hoe drukkers te werk gingen. Bovendien toont ze ons wie zoal die liedbladen uitventten. Omzwervende lieden die scharen slepen of almanakken verkochten hadden er een bijverdienste aan, die opliep naarmate hun gezongen vertolkingen het publiek meer onthutsten en dus bevredigden.

Harry Perton

Eerder in een iets andere, geannoteerde versie verschenen in Stad en Lande; cultuurhistorisch tijdschrift voor Groningen, Jrg. 9, nr. 4 (2000).


‘Een nieu Liet over het geval tot Onderdendam’

GvN centsprent Huisingh Winschoten KONB14_BORMS0834_X blog

Een nieu Liet over het geval datter geschiet is tot Onderdendam, van een Man genaamt Derk, die de Boer een schaap heeft afgestolen, daar neegen gulden voor geboden was en heeft het geslagt.

De Boer daarover na hem toegaande, en de weddeman en de Redjer, heeft het eerst onkent, maar door het beschuldigen van haar heeft hij het bekent, en een test met vuir nemende, om haar Ligt an te steken, soo is hij voort ter deuren uitgevlugt, en is gaan lopen, en bekent hebbende dat hij het gedaan hadde, en sijn vrou heeft ook bekent, en is ook gaan vlugten, hebben Huis en goet verlaten, so dat de goederen sijn opgeschreven,

dit is gebeurt in de maand van november de 13, in den jare 1762.

kan gesongen worden op de wijs al van een Boer, soo Rijk en magtig

 

1
Wat hoort men al, in Dese Dagen
van boosheijt, Listen ende Lagen
en loeren op sijn naasten goet
hoe men daar best sal angeraken
om sig daar mede te vermaken
dat men sijn lust daar met voldoet

2
Derk was belust op vleesch van schapen
Hij kon daarom des nagts niet slapen
soo maalde Hem dat in den sin
heeft van den Bour een schaap gestolen
Hij dagt het blijft gewis verholen
Hij kwammer met ten Huise in

3
Hij slagt het sonder te vertoeven
en meend daarvan het vleesch te proeven
Straks komt de Boer hem nagegaan
Steelt gij mijn schaap van neegen Gulden
wel maat, hoe kan men u dog dulden
hij segt: ick heb het niet gedaan

4
De weddeman komt bij hem treden
om hem daar wat te over reden
en hij ontkent alsnog het feijt
de Redjer isser bij gekomen
maar doe begint sijn hert te schromen
dat hij het Stuk haar open leijt

5
hij segt ick heb het feijt bedreven
sij eisschen vier om ligt te geven
Hij heeft een test met vier gebragt
en is ter Deur als uitgevlogen
en soo ontkwam hij uit haar ogen
is wech gelopen als met kragt

6
hier op komt ’t Edele gerighte
om dese saken van gewighte
te ondersoeken an sijn vrouw
en Sij bekent die bose stukken
en denkt niet wat voor ongelukken
en naar gevolg het hebben sou

7
dog sij begint hier op te schromen
heeft met haar kint de vlugt genomen
en soo verlaten Huis en goet
de Goederen sijn op geschreven
geen mensch weet waar sij sijn gebleven
gaan Dolen met een Droef gemoet

8
dit is de straf der Bose Dingen
te dolen als Elendelingen
en om te lopen Agterlant
en hadt gerigte haar gekregen
dan hadden sij nog harder wegen
betreden na den lighaams stant

9
oorlof gij vrienden en bekenden
wilt u niet tot het kwade wenden
sijt op geen Anders goet belust
dan hoeft gij niet verschrikt te wesen
en ook voor geen vervolger vresen
dan kont gij leven stil in Rust

10
bidt godt dat hij u wil bewaren
dan sal geen kwaad u wedervaren
en luijstert na sijn woort en stem
Hij geef u sijnen milden seegen
geleijd u op die Heijlge wegen
die gaan na ’t nieu Jerusalem

Ballade, aangetroffen in een procesdossier. Meer hierover.


Muizenplaag in het Oldambt

“In 1823 werd door de veldmuis en slak alles aangetast en ontzettend beschadigd, waarop in het najaar de veldmuis van buitendijks, waarschijnlijk uit Oostfriesland, naar binnen rukte en zich zoo vermenigvuldigde, dat het aankomende zaad en winterkoren aanzienlijk werden benadeeld.

De buitengewoon zachte winter van 1823 en 1824 bragt weinig bij tot vernietiging van het ongedierte, en alzoo vermenigvuldigde hetzelve zich in het voorjaar zóódanig, dat eerst de graslanden en de jonge granen en vervolgens bij den oogst de haver, rogge, het koolzaad (schoon op den wortel door sterken groei onaangeroerd gebleven) afgemaaid zijnde, echter door de veldmuis als het ware werd uitgedorschen.

Ook de binnenlanden van het Oldambt werden spoedig geheel overstroomd door myriaden van veldmuizen; en ook hier werden niet alleen nieuw bezaaide akkers herhaalde reizen weder afgevreten, maar zij vervolgden den landman in de schuren en vernielden aldaar het nog overgebleven koren.”

Bron: A. Smith, Geschiedenis der provincie Groningen (Groningen 1849) pag. 422.


Ook in 1756 aardbeving gevoeld in Groningen

Trouwens, niet alleen in 1640 en 1692 voelde men aardbevingen in Groningerland,  ook op 18 februari 1756 was dat het geval. De Groninger Courant berichtte ruim een week later:

“In deeze provintie van Stad en Lande heeft men op dezelve dag en uur, namentlyk op den 18 deezer, ’s morgens ten 8 op zommige plaatzen van gelyken eenige ligte aardschuddingen gevoeld, als te Delfzyll, in de Wildervang, in Sappemeer, in het karspel Haaren en op andere plaatzen meer, dog niet algemeen zynde ook niet in alle de huvzen van yeder gevoeld, gelyk dan ook van zommige perzoonen in deeze stad betuygt word dat zy insgelyks eenige ligte beweegingen zyn ontwaar geworden.”

De krant bracht destijds niet of nauwelijks plaatselijk nieuws en dat het in dit geval zo laat gemeld werd, kwam – zoals uit de eerste zin van het citaat al blijkt – doordat het een internationaal en geen noordelijk, laat staan een specifiek Gronings fenomeen betrof, terwijl de berichten van elders maar langzaam doorsijpelden:

“Voor het overige verneemd men byna uyt alle hoeken van ons Nederland en het aangrenzende Duytsland, dat men op dien zelven dag, namentlyk den 18 deezer ’s morgens van 7 tot 8 uuren op de eene plaats wat eerder op de andere wat laater eenige ligte schuddingen van aardbeevinge heeft gevoeld, in de eene plaats wat ligter op de andere wat zwaarder, dog alles zonder veel schaade van belang, maar overal groote ontsteltenis te veroorzaaken; te weeten in de Nederlanden te Maastricht, Antwerpen, Oirschot, Boskoop, Bergen op Zoom, Heusden, Gorinchem , ’s Haage, Dordrecht, Delft, Leyden, Amsterdam, Haarlem, Spaarendam, Hoorn, Enkhuyzen, Schiedam, Woerden, Leerdam, Utrecht, Amersfort, Nymegen, Campen, Zwol en op meer andere plaatzen, te lang om alle te noemen. Voorts in Duytsland te Kleef, alwaar de schuddingen zoo zwaar zyn geweest, dat daardoor verscheyde schoorsteenen zyn omgevallen, keukengereedschappen en porceleyn in eenige huyzen door malkanderen geworpen, deuren opengesprongen, klokken vanzelver geluyd, muuren gescheurd enz. Dog Gode zy dank verder geen ongeluk of schaade veroorzaakt. Den 13 deezer ’s nademiddaags ten 4 uuren, had men diergelyke schuddingen van ’t aardryk insgelyks gevoeld te Luyk, Aaken , Dusseldorp, Limburg, Verviers, Spa, tusschen de Maas en Rhyn tot aan Keulen toe en mogelyk wel verder. Zoodat het schynd dat de beweegingen van onzen aardbol op verscheyde plaatzen nog niet opgehouden heeft.“

Zoals Derdeprijs onder aanhaling van Buisman in zijn reacties bij mijn eerdere logje aanvoerde, lag het epicentrum in 1640 in het Duitse Rijnland en in 1692 in datzelfde Rijnland en het Waalse Maasland. In beide gevallen ging het om oude aardbreuken, terwijl de magnitude in 1692 een 6 op de schaal van Richer zou zijn geweest. Getuige het kranteverslag van 1756 lag ook toen het epicentrum in die zuidelijke omgeving, wat niet wegneemt dat de aardbeving dus ook toen tot in Groningen toe gevoeld werd.

Naschrift 18.2:

Het ging om de aardbeving van Düren, met 6,1 op de schaal van Richter de zwaarste van Duitsland ooit. (Met dank aan Derdeprijs.)


In de Zuidbroekster petoet

Willem van der Velde zette net een prachtige foto op Twitter, van de toegangsdeur tot het cachot in de toren van Winschoten. Hoewel de samenstellende delen niet allemaal even solide meer ogen, gaat er nog steeds een suggestie vanuit: ‘Gij die hier naar binnen treedt, laat elke hope varen’.

De foto bracht de erfgoedredacteur van de Leeuwarder Courant op een idee: “Is misschien leuk om alle noordelijke oude kerkers eens op rijtje te zetten”. Zelf noemde hij alvast Joure en Leeuwarden, de Sneuper van Dokkum kwam in een eerste reactie op het hounegat (hondegat) van Anjum.

Opeens herinnerde ik mij dat Jan Pieter Koers me jaren geleden eens vier interieurfoto’s stuurde, die hij maakte in de petoet, welke zich in de toren van Zuidbroek bevindt. Volkomen terecht veronderstelde Jan Pieter dat ik daar nog nooit in geweest was,

“…maar de muren en deuren laten heel mooi zien hoe de opgesloten lieden zich probeerden te vermaken: de muren zitten vol namen en in het houtwerk zijn tal van bootjes gekerfd. Misschien een verwijzing naar de vrijheid. Of zouden het zeelieden zijn geweest?  In ieder geval zijn er geen paarden of koeien afgebeeld…”

SV105266

SV105267

SV105268

SV105270

Zo’n cachot was een soort Huis van Bewaring, in dit geval van 1709 tot 1803 voor het hele Oldambt. Er zaten dus in principe verdachten, geen veroordeelde criminelen.

Daarnaast zullen er veel kwajongens een poosje in opgesloten zijn geweest wegens appelgapperij en dat soort vergrijpen.

Het meest gangbaar waren echter mannen die zich schuldig hadden gemaakt aan openbare dronkenschap. En daar zullen best wel eens passagierende zeelui bij hebben gezeten, onderweg tussen de stad en de veenkolonies.

Naschrift 16 mei 2016

Bij resolutie van Burgemeesteren en Raad van 6 december 1709 werd besloten om een gedeelte van de Zuidbroekster toren geschikt te maken als Oldambtster gevangenis “van sodanige sterckte dat de gevangens met weijnige moijte secuir konden werden bewaackt ende bewaart”. Een commissie moest hiervoor zorg dragen.