Kikkers die een koning willen
Geplaatst op: 10 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
De fabel zou van Aesopos zijn en deed in het middeleeuwse en vroeg-moderne Europa in allerlei varianten de ronde. Ze gaat over kikkers die een koning willen. Die kikkers bléven er maar om zeuren en om er vanaf te zijn, smeet Jupiter ze uiteindelijk een holle boomstronk toe. Maar daar waren de kikkers al gauw op uitgekeken. Ze hadden liever wat meer leiderschap gehad. Of Jupiter daar asjeblieft voor kon zorgen? Dit keer stuurde de geïrriteerde oppergod een reiger op ze af en dit monster vrat de ene na de andere kikker op. Moraal van het verhaal, zoals verwoord door Vondel in diens Vorstelijcke Warande der dieren (pag. 45):
“Ziet toe, en wacht u wel van licht te muytineren,
Noch wilt zoo onbedacht verwerpen u Lands Heeren.
Zoo d’eerste reedlijck is, of al wat strenge viel;
Een tweede koomt al haest en neemt u lijf en ziel.”
In de Groninger geschiedenis speelt de fabel van de kikkers ook nog een rolletje, want in april 1748, in de weken voor het roemruchte Boerencongres dat zou aandringen op een erfelijk stadhouderschap voor Oranje etc., was er een dominee die daar vanaf de kansel tegenin durfde te gaan. Het verhaal komt in twee pamfletten voor, maar dit is de versie van Rust uit Onrust (pag. 44/45):
“Zeker predikant, zondag voor de aanstellinge der volmagten tot zyn voorafreden gebruikende de fabel van Esopus dat de kikvorschen een koning begeerden te hebben, werd dat van zyn hoorders zoo wel opgevat, dat zyn Wel Eerw[aarde] tot scriba van hunne vergadering wierd aangesteld, hebbende die bedieninge, doch zonder tractement, moeten aannemen en bekleden.”
Deze aldus vernederde predikant was hoogstwaarschijnlijk ds. Tjaarda de Cock van Nieuwolda, in wiens kerkeraadsprothocol over de jaren 1748-1750 we diverse notities aantreffen over de inning van de vijftigste penning, iets wat de boerenvolmachten eveneens regelden. In geen enkel ander kerkeraadsprothocol zag ik dergelijke notities staan.
Ds. Tjaarda de Cock hoorde politiek gezien bij het staatsgezinde kamp. Hij was geboren als zoon van een stad-Groninger Gezworene, die in 1737 als stadssecretaris stierf. Een oudere broer bracht het in de stad tot Raadsheer, niet in de laatste plaats dankzij een sinds de studietijd onderhouden vriendschap met de machtige leider van de Groninger staatsgezinden, Burgemeester Geertsema, wiens promotie hij ook opluisterde met een eerdicht, en wiens zuster hij huwde. Geertsema had een buitenplaats vlakbij Nieuwolda, waar hij invloedrijk was, bijvoorbeeld bij de aanstelling van predikanten. Maar die buitenplaats was begin april 1748 op een avond door een menigte Oldambtsters geplunderd en de burgemeester door zijn ambtsbroeders afgezet, waarmee de beschermer van ds. De Cock wegviel.
—
Andere bronnen dan de gelinkte: het kerkeraadsprothocol van Nieuwolda zit enigszins verscholen in retro-acta Burgerlijke Stand 319 bij RHC Groninger Archieven. Verder verwijs ik nog naar mijn boekje Het loeit in het Oldambt, hoofdstuk ‘Religie in de coulissen’, pag.nr. onbekend omdat het boekje hier even onvindbaar is.
Zwijnewapen
Geplaatst op: 9 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Anders dan het wilde zwijn, aldus Rietstaps Handboek der Heraldiek, komt het gedomesticeerde varken weinig op wapens voor. Toch vond ik zo’n blazoen. Het is dat van de Groningse familie Sijlman en het staat in een genealogisch handschrift uit 1815.
Bij een familienaam als Sijlman verwacht je eerder sluisdeuren in het wapen dan varkens. Ik neem aan dat de boom een (bijgesnoeide) eik is, aangezien varkens graag eikels lusten, wat hun vlees op een dermate heerlijke smaak brengt dat ekkelhammen vroeger als een ware delicatesse golden.
Misschien zaten de Sijlmannen ooit in de ekkelhammenhandel?
Man laat z’n vrouw veilen, met haar toestemming
Geplaatst op: 6 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieVind je de ene avond een maagdenveiling als satire, heb je de volgende avond, terwijl je heel ergens anders naar zoekt, opeens een werkelijk waar gebeurde veiling van een vrouw voor je neus staan:
“L.l. Maandag heeft een zekere Thomas Moore op de markt van Evesham zijne vrouw willen verkoopen. Onder een ontzaggelijken toeloop van volk en door den stads-omroeper voorafgegaan , zag men den man inderdaad zijne wederhelft met een touw om den hals naar het marktplein geleiden. Nadat aldaar zoowel hare deugden als ondeugden waren uitgebazuind en de koopprijs was ingesteld, kwam de policie tusschen beide en belette den openbaren verkoop, die echter alstoen, met volle goedkeuring der vrouw, in eene nabij gelegen herberg plaats had , waar zij voor de som van 2 sh. aan haren eigen schoonvader werd toegewezen.”
Bron: Groninger Courant 1 mei 1849.
Sigarenzakje met swastika alarmeert Alkmaarder antifascisten
Geplaatst op: 4 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesWinkelier in moeilijkheden.
Hoe men tegenwoordig onbewust ïn politieke moeilijkheden kan geraken heeft dezer dagen een eerzaam sigarenwinkelier in Alkmaar ondervonden, vertelt de „Standaard”. Deze winkelier had ruim een jaar geleden sigarenzakjes laten maken. De fabriek had voor een aardig zakje gezorgd. Behalve naam en adres van den winkelier kwam er een teekening op voor; met eenige figuratie waren open blijvende vlakken gevuld. De winkelier was met zijn zakjes best tevreden en geen enkele klant maakte aanmerkingen.
Totdat er korten tijd geleden op een avond een oploop voor den winkel ontstond. „Dood aan de Nazi’s”. „Weg met Hitler”. „Rood front”, werd er geschreeuwd. Den volgenden morgen was de winkelpui met een groot hakenkruis versierd.
De winkelier stond stom-verbaasd over de herrie. Hij had zich nooit met het nationaal-socialisme bemoeid. Hij informeerde bij de communisten wat dat beteekenen moest en deze hielden hem een van zijn sigarenzakjes voor: „Ziedaar je brandmerk”. In de figuratie op het sigarenzakje was een hakenkruisje verwerkt.
Een jaar geleden gold de „Swastika” In Nederland nog als een onschuldig figuurtje, waar geen mensch naar keek. Nu is het ineens een politiek embleem geworden, dat een doodonschuldig mensch den grootsten last kan bezorgen.
—
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 20 september 1933.
Sigarenzakjes van Nanninga
Geplaatst op: 3 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 2 reactiesIn het archief van de familie Nanninga bevindt zich een fraaie verzameling sigarenzakjes. Het zal verreweg de meeste mensen niets zeggen, maar tabaksverkopers leverden in zo’n zakje een stuk of wat sigaren, voordat de sigarendoos de functie overnam. Vanaf 1840 zijn de zakjes ruim een eeuw in gebruik geweest. In 1941 echter, verbood de bezetter het vervaardigen van een bepaalde soort wegens beperking van het papiergebruik en na de oorlog raakten ze in vergetelheid.
Of de zakjes van meet af aan al bedrukt waren, onttrekt zich aan mijn waarneming, maar waarschijnlijk gebeurde dat pas met de opkomst van de commerciële snelpers, na ca. 1860, 1870. Aan de voorzijde stond gewoonlijk de sigarenleverancier en aan de achterzijde een rebus. Juist dat drukwerk vormde tussen 1890 en 1930 reden om deze zakjes te verzamelen – uit die periode stammen ook de exemplaren van de familie Nanninga. Daarbij kan je goed zien, waar deze familie woonde: Ten Post en Garrelsweer zijn goed vertegenwoordigd, evenals de stad Groningen. Ook de Ommelanden tussen Reitdiep en Damsterdiep leverden vrij veel puutjes aan de collectie, Oost-Groningen en Drenthe komen er ook nog wel in voor, maar gebieden daarbuiten praktisch niet.
Uit de kantine van de kazerne te Assen kot dit exemplaar, mogelijk vervulde de collectioneur hier zijn militaire dienst:

H. Tigelaar, na 1903 op het station van de Eerste Drentsche Stoomtramweg-Maatschappij te Nieuweroord, koos voor een Jugendstil-achtig ontwerpje:

Veel sigarenleveranciers kozen echter voor uitsluitend letters op hun puutjes, zoals ook deze aan de Nieuweweg in Groningen:

Zoals gezegd stond achterop zo’n sigarenzakjes vaak een rebus. Nanninga zette de oplossing met potlood nogal eens voorop het zakje, wellicht vormden deze raadseltjes voor hem het motief om de zakjes te bewaren:

Kappers verkochten ook sigaren, dit plaatje van een kapperszaak kan je op meerdere sigarenzakjes uit de stad Groningen aantreffen:

Een vakgenoot uit Appingedam hield het weer sober:

Op het puutje van een kruidenier in Garrelsweer staat links in kleine lettertjes “Zakkenfabriek W. Kamerlingh Groningen”. Het blijkt te gaan om een drukkerij uit de Pelsterstraat, die o.m. in 1896 en 1903 reclame maakte voor haar sigarenzakjes:

Overigens was Kamerlingh lang niet de enige handelsdrukker die sigarenzakjes leverde. In de stad Groningen waren dat er ettelijke. In 1894 en 1895 ging het bijvoorbeeld om een Ottenhoff uit de Warmoesstraat, in 1896 om een Aldershoff met een drukkerij aan de Jacobijnerstraat, in 1904 om een Ubbens aan de Herebinnensingel, in 1912 om een Meijer aan het Zuiderdiep, en in 1911 om een Heijkens aan de A-Kerkstraat. Dat laatste bedrijf bestaat nu nog steeds.
Terug naar de zakjes zelf. Alweer een tramstation, dit keer te Harenermolen:

Een café in Ten Post waarvan de uitbater ook in hooi en stro deed:

Diens concurrent van Veelust had weer een manege en een dekstation:

Terwijl een kruidenier in Veendam reclame maakte met de nabijheid van het gemeentehuis (zo hij er niet in woonde):

Tot slot een specialist uit dezelfde plaats, die op zijn zakje een vakje liet aanbrengen waarin hij vooraf merk en prijs van de sigaren kon invullen:

Ook HJRNoorden heeft een verzameling op zijn Flickr-pagina’s staan.
De rarekiek en zijn uitbater, een kapstok voor satire
Geplaatst op: 1 februari 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Taal Een reactie plaatsen
Dit tafereeltje staat op een voorgedrukte nieuwjaarsbrief uit 1812. De kist op de schraag is een rarekiek of rarekiekkas, waarin gaten met vergrotende lenzen de toeschouwers zicht geven op taferelen en personages, die op dat moment in de belangstelling staan. Getuige het schoorsteenpijpje is de kast in dit geval voorzien van toverlantaarntechnologie. Verder bevinden zich waarschijnlijk draai- en/of verschuifbare spiegels, panelen en opticaprenten in het inwendige. Deze attractie beleefde haar hoogtijdagen in de tweede helft van de achttiende eeuw, maar viel nog tot diep in de negentiende eeuw op kermissen en jaarmarkten te bekijken.
De mannen die er stad en land mee afreisden, stonden niet bepaald in hoog aanzien. Zo bevat een Groninger Courant uit 1767 het verhaal over de dochter van een Noord-Duitse rijkaard. Ze ging er vandoor met een kerel die rondzwierf met een rarekiek. Het bericht suggereert dat ze voor haar reisgeld een greep in de kas van haar papa had gedaan,
”wyl zy ongetwyffelt niet voorneemens zal geweest zyn, op hunne kunst te reizen”.
Met andere woorden: de verdiensten hielden niet over. De lage status van de rarekiek en zijn uitbater blijkt overigens eveneens uit een aflevering van De Vriend des Vaderlands uit 1832, waarin gezegd wordt dat de belangrijkste Schouwburg van het land zich verlaagd heeft tot een rarekiekkas.
Naar de rarekiek zijn in de achttiende eeuw tientallen politieke pamfletten genoemd. Wat betreft Groningen kennen we De Groninger Rarekiek, die in de jaren 1780 in een reeks vervolgen allerlei vooraanstaande personen te kijk zette. Als gefingeerde auteur werd opgevoerd een Steven Walon en uit een steekproefje bij Google Books blijkt, dat dit de gangbare praktijk was: afgezien van een enkele Savoyaard en Tiroler zijn het altijd Fransen en Walen die als vertellers en explicateurs in deze teksten figureren. Daarbij heten ze in de eerste decennia van de achttiende eeuw nog steevast Harlequin, naar de Italiaanse commedia del’arte-figuur. Dat ze ook wel als zodanig uitgedost zijn, dus met een ruitenpak, blijkt uit een enkele afbeelding. Na 1740 verdwijnt echter de naam Harlequin en daarmee waarschijnlijk ook de uitdossing. Aannemelijk is dat deze ontwikkeling in teksten de werkelijkheid op kermissen volgt.
Toen ik ergens in de jaren 80 de Groninger Rarekiek voor het eerst las, had ik aanvankelijk wat moeite met de taal. Ook die moet ontleend zijn aan de werkelijkheid. Het betreft een met Frans idioom doorspekt koeterwaals dat moeilijk leesbaar is als je geen rekening houdt met het vette Franse accent. De g bijvoorbeeld, wordt zo hard uitgesproken dat ze door een k wordt vervangen, terwijl de h nog wel eens wil ontbreken. Te pas en te onpas valt de uitroep “Fraai Curieus”, waarmee de rarekiekman het waarachtig belang van zijn attractie wilde aanprijzen.
Vooral in de opmaat van de pamfletten komt dit talige aspect tot uiting. Daar wordt vaak even de situatie opgeroepen van de rarekiekman die pas op de kermis is gearriveerd. Zo begint de eigenlijke tekst van Harlequin reysende met zyn rarekiek uit 1709 met:
“Mooy fraai kurieus; wie wil ze kyk,
De raritee, niete gelyk?
Allon messieurs, hier is mervelje,
’t is maar twie duit, ze is nonparelje…”
Een andere Franse Harlekijn heeft in 1732 deze introductie:
“Ik hebbe nou al fer kenoek ketorst en kesukkel met die kas
Ikke wil die pardie ier neersette, op oope of er ook nok wel een liefebbre was,
Fan die fraai curjeus en die foor een liard mon mooi spul wou beskouwen,
O! Ditte is un spul zonder weerka, keloof my fry te koeder trouwen,
Ikke kom daarmee zo rekelrekt fan Parys, die kroote en folkryke stad,
Daar ikke eb lank verkeert en met allerlei folke omkank keadt.”
De gebooren Hollander die in 1781, tijdens de Vierde Engelse Oorlog, zogenaamd zijn opwachting maakt in Londen, begint zijn verhaal zo:
“Je suis François, moi foi! en ik vertoon parbleus!
Een freemde rarekiek, o die is fraikerjeus! (…)
De vinding is gantsch vreemt, en nieuwerwets van steil,
Zy is sur mein parool! in alles sans pareil!
Kom Engelandertjes! Wilt my nu niet ontwyken,
Gy kunt hier, o zo mooi! door myne gaatjes kyken…”
Dat de toeschouwers geld moesten geven voor ze een blik door de glaasjes mochten werpen, blijkt nog eens uit De vrolyke Walon met de rarekiek-kas op de Amsterdamsche kermis, uit 1782:
“Alon folkje, keef my de handkeld, ze eb nok niete ontfang. Ha! jey, zel jou my keef andkelte? Zegge jy jae.”
De rarekiek-uitbater die in een krom Frans-Nederlands de in zijn kast getoonde actualiteiten becommentarieerde, vormde destijds dus een populaire kapstok voor satire. Aan de ene kant kon je hem personen en toestanden over de hekel laten halen, aan de andere kant hoefde men hem er niet al te zeer op aan te kijken en serieus te nemen. Dat de werkelijkherid van de kermis door zulke satire heen schemert, is mooi meegenomen, want daardoor krijgen we zicht op een professie, waarover anders nauwelijks iets bekend zou zijn..
Swastika, een tennisclub te Oldehove (1976)
Geplaatst op: 31 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesNaar aanleiding van het stukje Sweet Swastika-home, vroeg I. of ik wel wist dat er in de jaren 70 nog een tennisclub Swastika bestond in Oldehove? Nee dus. Volgens I. had een nieuw lid van die club een jaar lang tevergeefs geprobeerd om die naam veranderd te krijgen, voordat het in de publiciteit kwam. De oudere garde liep in die periode zelfs expres in bruine hemden rond op een soort van clubfeest.
Ik wilde dit eerst niet geloven, maar Delpher is my friend. Inderdaad blijkt er een tennisclub met de naam Swastika in Oldehove te hebben bestaan.
De vereniging was in 1924 opgericht als notabelenclub met een eigen baan, zoals je er wel meer had in de provincie Groningen. De naam Swastika was toen nog onbesmet. Getuige meldingen in het Nieuwsblad van het Noorden deed de club tot 1939 ook nog gewoon onder die naam mee aan wedstrijden van de noordelijke tennisbond.
Na de oorlog, toen de naam wel degelijk besmet was, werd niet meer aan externe competities meegedaan, men was zelfs niet eens aangesloten bij de tennisbond. Men moest hard werken in de wederopbouwperiode, de besloten club lag een poos op zijn gat. Pas toen in de jaren 60 de trek naar het platteland begon, het Oldehoofster tennis extern democratiseerde en nieuwe, talentvolle leden zich aandienden, die ook graag in competitieverband tegen andere clubs wilden spelen, kwam de controverse op.
Een eerste stemming over naamsverandering verloor de jonge garde nog met 53 tegen 7 stemmen. Maar de tennisbond weigerde de naam Swastika te accepteren, en dat beslechtte uiteindelijk het pleit. Pas sindsdien heet de tennisvereniging uit Oldehove officieel TC Oldehove, al doet ze het op haar website voorkomen dat dat altijd de naam is geweest.
Een heetgebakerd heerschap op de kansel van Lutjegast
Geplaatst op: 30 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieDat onze tijd zeker niet het alleenrecht heeft op politieke heftigheid, blijkt wel uit dominee Bruins van Lutjegast. Hij zat in 1788 al veilig in het buitenland, toen hij bij verstek tot eeuwigdurende verbanning werd veroordeeld, omdat hij zich schuldig had gemaakt
“aan verregaande lastering van den Hoogen Persoon van Zijne Doorluchtige Hoogheid den Heere Erf-Stadhouder der Vereenigde Nederlanden, alsook van diegenen welke den Prins aankleeven.”
In mei 1787 had Bruins namelijk “ten aanhooren van veele Ingezetenen” de prins een “schelm, hoerenjaager en wynzuiper” genoemd. Diens aanhangers waren volgens Bruins van hetzelfde laken een pak.
Ook stookte Bruins in september 1787 de mensen op om om tegen de Pruissische troepen te gaan vechten bij Utrecht, want als die de prins en de prinsgezinden weer aan de macht hielpen, zou een boer niets overhouden dan zijn kiel. De prins was immers “een moordbeul, erger dan Alva, een duivel uit de hel”.
Zelfs op de kansel deed Bruins dergelijke politieke uitlatingen. Prins Willem V en zijn aanhang noemde hij daar een “hels gespuis” en “vloekgespan”, dat het beste maar kon worden uitgeroeid.
Met zijn ambtgenoot Bacot van Eenrum behoorde Bruins tot de top 3 van patriotten in de Ommelanden.
Het begin van de radio in Baflo
Geplaatst op: 29 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Notitie d.d. 2 maart 1926 in het dagboek van Aafke Sijtsma uit Baflo.
Dat was in de pionierstijd van de radio. Ga maar eens na wanneer de oudste omroepen werden opgericht: de NCRV (1924), de KRO en de VARA (1925), de VPRO (1926) en de AVRO (1927).
De leverancier, C. Veldman, was eigenlijk de dorpssmid van Baflo. Hij handelde in tweedehands maai– en schoffelmachines en kachels. Het merk radio dat hij leverde was Philips. Vrij standaard, lijkt me. Philips was in die tijd ’s wereld grootste fabrikant van radiobuizen, las ik ergens.
De 346 gulden die de Sijtsma’s voor hun radio neertelden zou volgens het tooltje van het IISG nu meer dan 2600 euro zijn. Een behoorlijk bedrag!
Hoe belangrijk Aafke de aanschaf vond, blijkt ook uit de rest van haar dagboek. Ze hield het bij in de jaren 1915-1919, jaren van oorlog en andere ellende zoals hoge prijzen en distributie. Daarna hield het op en pas in 1926 schreef ze er weer wat in dankzij de komst van de radio, maar na dat jaar liet ze het definitief liggen. Kwam dat doordat ze haar aandacht nu geheel door de radio opgeslokt werd?
Bij een weggekapt wapenschild in Niekerk
Geplaatst op: 28 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden Een reactie plaatsenEen jaar of wat terug was het monumentenfonds van de vereniging Stad & Lande op zoek naar een nieuw project. Ik opperde de zilvervloot-plaquette uit 1629 op de toren van Niekerk (Marne), met als motivatie dat de letters in verval en de tussenliggende beeltenis al helemaal weg was, zodat enig geld hier heel goed van pas zou kunnen komen:

Op mijn suggestie hoorde ik niets. Maar daar kon ik me ook niet druk om maken, er zou vast wel een urgenter project zijn.
Inmiddels begrijp ik het stilzwijgen wat beter , want naar me nu blijkt, is die beeltenis, welke uit een dubbel wapenschild met het wapen Lewe bestond, al héél lang weg. Pathuis meent dat het “waarschijnlijk” in 1795 weggekapt is, maar dat lijkt me stug, omdat de Bataafse revolutionairen hier in eerste instantie helemaal niet zo voortvarend te werk gingen tegen aristocratische verschijningsvormen. Het jaar 1798, toen radicale democraten het even voor het zeggen kregen, komt volgens mij veel meer in aanmerking.
Bij die revolutie van 1798 werden we zeer tegen onze zin een eenheidsstaat, wat vooral betekende dat er geen enkele rem meer was op Hollandse machtshonger. Hoogst ironisch is het dan, dat hier in Niekerk het wapen Lewe met zijn rode leeuw op een goudgele ondergrond weggekapt werd, terwijl dat in wezen hetzelfde wapen was als dat van Holland, ook al klimt die Hollandse versie de andere kant op.

Afschrift (18e eeuw) van het Niekerker opschrift uit 1629. RHC Groninger Archieven, Toegang 657 (Verzameling Keiser) inv.nr. 164.
‘Huisvriendjes en speelkameraadjes’
Geplaatst op: 27 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten Een reactie plaatsenDe vondst van de dag is dit kinder-voorleesboek uit 1896:

De verhaaltjes spelen zich af rond een boerderij. Alle gangbare huisdieren komen erin voor. Naast poesjes bijvoorbeeld hondjes:

En paardjes:

Het meest nog paardjes:

Het past dus uitstekend in een presentatie of tentoonstelling over de Groningse leefwereld van Otto Eerelman, waarvoor ik momenteel materiaal bij elkaar zoek.
Eerelman maakte met zijn paarden en honden werk naar de smaak van de elite en de gegoede burgerij. Zo’n prentenboek kostte ƒ 1,25, wat ongeveer het dagloon van een arbeider geweest zal zijn. Zo’n boek was dus niets iets wat arbeiderskinderen gewoonlijk in handen kregen. In dit geval komt het exemplaar uit het archief van de bankiers- en kunstenaarsfamilie Van Mesdag.
Overigens, om misverstanden te voorkomen: de illustraties uit dit prentenboek zijn niet van Eerelman, maar van ene Beata, die er ook best wel wat van kan.
Een vroege veenstaking in Westerbroek
Geplaatst op: 25 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Westerbroek met zijn laagveenderij. De baggelputten of petgaten (blauw) zijn duidelijk te onderscheiden. Fragment van een kaart in de Atlas van Huguenin, ca. 1825. (Editie uitgeverij Heveskes.)
Uit een vonnis, dat de richter van Selwerd en Sappemeer in 1796 uitsprak, valt op te maken dat een veenhut (of turftent) in Westerbroek destijds onderdak bood aan een ploeg van een man of tien. Dit uiteraard alleen tijdens het seizoen dat er turf gegraven of gebaggeld werd. Gewoonlijk duurde dat van eind maart, begin april tot de langste dag – rond 21 juni keerden de seizoensarbeiders of baggelaars dan terug naar hun vaak ver verwijderde woonplaatsen, en gingen de turfmakers, d.w.z. de vaste arbeiders die dicht op het veen woonden, bezig met het drogen van de turf, door deze op een bepaalde manier op het zetveld in “vuren” te stapelen.
Daar in Westerbroek was april dat jaar ene Eildert Sybrands (26) aan het werk als “trekker” (baggelaar) in het “baggersveen” (de laagveenderij) van de lokale veeneigenaar Fokke Heerkes. Van origine was deze Sybrands een Reiderlander, want afkomstig uit Weenermoor, maar hij woonde al een poos in Scheemda. Tijdens het baggelseizoen nam hij echter zijn intrek in een veenhut van Fokke Heerkes, in welk onderkomen een veenstaking uitbrak.
Op dinsdag 12 april was dat. Sybrands stapte die ochtend met zeven of acht mede-arbeiders de deur van de veenhut uit, althans volgens het verhaal dat naderhand het gericht bereikte. Buiten lieten twee anderen, namelijk Johan Hindrik Bolman en Geert Hindriks ten Lage, nog op zich wachten Daarom keerde Sybrands in de hut terug. Aanvankelijk bleek geen van beide achterblijver bereid “om met de troep naar ’t veen te gaan”. Volgens het verhaal probeerde Sybrands ze daartoe over te halen,
“zeggende tegen den eenen dat hij met hun zoude gaan omdat hij een oud trekker was, en tegen den anderen “doe zelste ook met” , er wijders bijvoegende “en zal niemand in de hut blijven”.“
Bolman ging inderdaad mee, Ten Lage kennelijk niet. Toen de ploeg buiten de deur zo zijn maximale sterkte bereikt had, zou Sybrands de leiding op zich hebben genomen. Tegen een collega zei hij:
“Neem doe een romp (= hemd) en zet hem op een stok, ik zal een emmer nemen.”
Als vaandrig en tamboer gingen beide mannen voor in een “optogt”, wat ze volgens het gericht deden “op een oproerige en zamenroottende wijze”. De emmer waarmee Sybrands “veel geraas” maakte en de stok met het “hemdrock” als vlag in de handen van zijn collega golden, althans volgens het gericht later,
“als tekenen van opstand onder het werkvolk in de venen”.
Eerst ging de troep naar het veen van de eigen veenbaas, Fokke Heerkes. Dat het werkvolk niet bij voorbaat een eenheid vormde, blijkt uit het feit dat daar al mannen aan het werk waren. Met name een Hindrik Derks en een Derk Grote werden vanuit de troep verzocht om aan de staking mee te doen. Blijkbaar ging het om wat oudere baggelaars met overwicht op een achterban.
Nu gaven veeneigenaren uit een bepaalde streek vaak dezelfde, onderling afgesproken lonen. Bij een loonconflict kon dan de ene naar de andere wijzen, zodat stakers ook de veenarbeiders op naburige velden moesten zien over te halen, wilden ze een vuist kunnen maken. Dat gebeurde hier eveneens, want Sybrands ging dezelfde dag met enige van zijn ”cameraden” naar het veen dat onder toezicht stond van de veenbaas Berend Luitjes Wolf,
“om de aldaar aan ’t werk zijnde arbeiders in hunne belangens over te halen, of zelfs met geweld ertoe te nootzaaken.”
In verband met de inzet van dat geweld dreigde een van die kameraden arbeiders uit een naburig veen op te halen als de arbeiders van Berend Luitjes Wolf “niet goedwillig wilden uitscheiden”. Denkelijk was dat naburige veen het baggelveld van Heerkes, waar de arbeiders al overgehaald waren.
Dit dreigen met geweld vormde waarschijnlijk de aanleiding voor het gericht om Sybrands vast te zetten in de Stadsgeweldige te Groningen. Hij werd er echter vooral van verdacht dat hij met enige mede-arbeiders afsprak
“om hun werk in ’t veen gezamentlyk te staken teneinde hun meester Fokke Heerkes tot een verhoging van arbeidsloon te nootzaken.”
Bovendien zou hij als “voornaam aanvoerder” en “opstoker” schuldig zijn aan de
“zamenrotting en oproerige bewegingen die onder een gedeelte van het werkvolk (…) om andere veenarbeiders op te rujen en het werk te doen staken en daardoor de eigenaars der baggerveenen tot het uitbieden van hogere arbeidslonen, dan er toen gewoonlijk gegeven wierden, op een ongeoorloofde en strafbare wijze te nootzaken.”
Na tien weken voorarrest, kreeg Sybrands zijn sententie voorgelezen door het gericht van Selwerd en Sappemeer. Er waren verscheidene getuigen tegen hem geweest, maar hij had zelf steeds de beschuldigingen ontkend. En aangezien sommige getuigen zelf ook verdacht waren en de getuigen elkaar onderling tegenspraken, viel Sybrands’ schuld niet zonder twijfel vast te stellen. Daarmee was er gebrek aan wettig en overtuigend bewijs en kon de richter niet “welverdiende straffe” opleggen die hij eigenlijk in de zin had..
Aan de andere kant, zo overwoog de richter, stond ook Sybrands’ onschuld allerminst vast. Daarom liet het gericht van Selwerd en Sappemeer Sybrands vooralsnog vrij, met de waarschuwing dat hij zich ter beschikking van het gericht moest houden voor het geval dat er alsnog voldoende bewijs zou komen.
Deze uitspraak dateert om precies te zijn van zaterdag 25 juni 1796, dus een paar dagen na de langste dag. Het baggelseizoen was toen al voorbij. Voor Sybrands viel er dat jaar niets meer in het veen te verdienen.
—
Bron: Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitiekamer) inv.nr. 1988 (register vonnissen vreemde gerichten) op de aangegeven datum.
Grafschrift voor Kuilmans, zich noemende Erfprins van Oranje
Geplaatst op: 23 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenGRAFSCHRIFT
VOOR
KUILMANSGevangen genomen te Zuidbroek den 18 april 1802, als zich noemende Erfprins van Oranje, aldaar gestorven 10 dagen daarna, en begraaven.
Staa Wandelaar! en leez’ wat schelm hier ligt begraaven.
’t is Kuilmans, die er een van ’s Prinsen Lyfwagt was –
Bedrieger was hy – en een schandvlek voor Bataven!
Van niemand niet bemind als van zyn eigen ras.
Te Zuidbroek heeft men hem verdienstelyk gevangen,
Terwyl hy onbeschaamt zich Erfprins noemen deed –
En voor zyn schurkery verdiend had opgehangen
Te zyn – maar neen! hy stierf den dood van een Profeet.Zuidbroek den 30 april 1802,
M…..
Vullertje in de Nieuwe Onverwagte Courier van 4 mei 1802. Inderdaad werd een week eerder de “gerechtsgevangene” Jakob Kuilman in Zuidbroek begraven, al heb ik verder niets over hem in het rechterlijk archief van het Wold-Oldambt kunnen vinden. Mogelijk was de man bij zijn aanhouding al te ziek om te kunnen verhoren.
Destijds was net de Vrede van Amiens gesloten tussen enerzijds Frankrijk en de Bataafse Republiek en anderzijds het Verenigd Koninkrijk en zijn bondgenoten. De oude stadhouder, prins Willem V, die bij de Bataafse Revolutie in 1795 naar Engeland gevlucht was, voerde in Parijs besprekingen over zijn nieuwe positie. Er gingen al geruchten over zijn terugkeer. Hangende een vergelijk, kwamen ook de hoofden van de vroegere partijen (orangisten en staatsgezinden/patriotten) nader tot elkaar. Machtsdeling en een partiële restauratie hingen, kortom, in de lucht. Op die situatie zinspeelde het grafschrift, vooral ook door dat laatste woordje: profeet.
Tegen de terugkeer van het oude verzetten zich nog enkele democratisch-gezinde patriotten, die in Groningen het radicale weekblad De Onverwagte Courier lieten herleven. Net als de voorganger (1795-1798) fulmineerde het hevig tegen orangisten. Waarschijnlijk omdat het ook ons bevriende staatshoofd Napoleon niet spaarde, werd het spoedig verboden.
Mannen die zeiden namens de prins te handelen, of zich voor hem uitgaven, dan wel de mensen in de waan lieten dat ze werkelijk te maken hadden met de prins of diens afgezant, liepen er wel meer rond in Oost-Groningen, in jaren dat patriotten het er voor het zeggen hadden. Zo maakte in het voorjaar van 1787 Hindrik Hecket, alias de Huzaar, er furore. In 1796 ging het om een Prins Frederik. In volgende stukjes zal ik over hen iets vertellen.
Zwarte ooievaars uit het archief en in oude kranten
Geplaatst op: 18 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties
Foto: Sergey Yeliseev (2009). Flickr creative commons.
Op 6 september meldde ik hier dat ik een zwarte ooievaar had gezien bij de Kopaf, tussen Nieuwolda en Wagenborgen. Van de week kwam ik weer een zwarte ooievaar tegen, maar dan in het archief, op een briefje daterend van 6 augustus 1846.
Destijds vloog de ciconia nigra, naar het zich laat aanzien, niet ver van de plek waar ik hem ruim anderhalve eeuw later zag. Dat laat zich tenminste afleiden uit het feit dat heer Gockinga jr. op de buitenplaats Veenhuizen onder Noordbroek in het bezit kwam van een exemplaar, dat hij cadeau deed aan het Museum voor Natuurlijke Historie van de Hogeschool te Groningen.
In genoemd briefje nu, bedankt prof. Theodorus van Swinderen hem namens het museum. Dat gebeurde op een voorbedrukt formulier, waarop de datum, de schenker, het geschonkene en de dankzegger konden worden ingevuld. Maar de hoogleraar voegde er ook nog wat aan toe over de zwarte ooievaar:
“Het is een zeldzaam dier, dat, zoover ik weet, vroeger slechts eens in de provincie voorkwam. Ik heb er slechts een exemplaar van in het museum en dat nog zeer slecht; en dit geschenk is mij dus dubbel welkom .”
In een latere hand, denkelijk die van Gockinga, is er nog een notitie aan het blad toegevoegd over een paartje zwarte ooievaars in Helmond, 1852, waarover men kon lezen in het Algemeen Handelsblad.
Door die notitie kwam ik op het idee om via Delpher en de Krant van Toen in oude Groninger kranten te kijken naar de verschijning van zwarte ooievaars in Groningen en directe omgeving. Pas na de Tweede Wereldoorlog duiken ze hier op:
| Jaar | Maand/Periode | Lokatie | Bijzonderheden |
| 1957 | augustus | Hornhuizen, Spijk | Beide verzwakt. |
| 1962 | oktober | Bierum, Spijk, Uithuizermeeden, Haren, Groningen | Veelal uitgeput. |
| 1965 | mei | Schiermonnikoog | 3 exemplaren. |
| 1975 | augustus | Paterswolde | 7 exemplaren. |
| 1985 | augustus | Schiermonnikoog | Met veel buizerds. |
| 1991 | juli | Zuidlaren | Geland bij noodweer. |
| 2000 | augustus | Eemshaven | Meerdere exemplaren. |
| 2000 | september | Noorddijk, bij de stad | Dit jaar veel. |
| 2002 | juni | Bij het Anderse Diepje | |
| 2007 | augustus | Roodeschool, Uithuizermeeden, Finsterwolde | Op een gemaaid graanveld. |
| 2008 | voorjaar | Sellingen | |
| 2009 | ? | Bij Slochteren | |
| 2010 | juli | Exloo | |
| 2010 | herfst | Lauwersmeer | |
| 2011 | augustus | Piccardthofplas bij stad | |
| 2012 | augustus | Ter Borg |
Tot 2000 zijn er een , hooguit twee meldingen per decennium, daarna wordt de frequentie opeens veel hoger. Meestal verschijnen de vogels, die afkomstig zijn uit Oost-Europa, in augustus of een maand of wat later tijdens hun trek op oostenwind en termiek naar het zuiden, een enkele keer gebeurt dat in het voorjaar. De verschijningsplaatsen liggen meestal vrij dicht bij de kust, de laatste jaren echter, worden ook wat meer binnenlands gelegen plaatsen bezocht. Vooral in de beginjaren is er sprake van verzwakte exemplaren, wat zou kunnen samenhangen met weinig optimale vliegcondities.
De grotere verschijningsfrequentie, het ook opduiken in het voorjaar en de meer binnenlands gelegen verschijningsplaatsen zouden misschien de hoop kunnen voeden op een terugkeer als broedvogel van de zwarte ooievaar, die hier ooit wel inheems moet zijn geweest.

Cartoon Nieuwsblad van het Noorden 17 augustus 1957.
Gesneuveld voor Napoleon
Geplaatst op: 16 januari 2015 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesIn Drenthe is er een lijst teruggevonden van alle Drentse jongens die in dienst van Napoleon gesneuveld zijn tijdens de veldtocht naar Rusland (1812) en de Volkerenslag bij Leipzig (1813). In totaal gaat het om 160 à 170 man, alleen al voor Drenthe!
Destijds telde Drenthe in totaal ongeveer 40.000 inwoners. Van die bevolking vormden de gesneuvelden bijna een half procent.
Voor Groningerland zou dat percentage destijds neerkomen op ruim 500 jongens die dankzij Napoleon vroegtijdig aan hun einde kwamen.
Je zou denken dat er ook voor Groningen een lijst moet zijn met hun namen, maar ik weet dat verschillende onderzoekers ernaar uitgekeken hebben, zonder hem te vinden, helaas.

Recente reacties