Enige nadere bijzonderheden omtrent het torentje van Spijk
Geplaatst op: 7 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden Een reactie plaatsen
“In 1676 is te Spijk eene nieuwe kerk gebouwd; de oude was eenige jaren te voren, benevens verscheidene belendende huizen, door een ongelukkig toeval, afgebrand. In 1711 is deze kerk met een fraai torentje versierd.”
Bron: A. Smith (arts te Beerta), Geschiedenis der provincie Groningen van het begin onzer tijdrekening af tot aan den jare 1848 (Groningen 1849) pag. 282.
v
Vermaak in de regio, vlak voor de oorlog
Geplaatst op: 6 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie– 3 juni 1939: op reis met de Grootegaster Autobus Maatschappij:

– 15 juli 1939: Zelfs de kleinste dorpen hadden een kermis, al toonden de kermisexploitanten zich niet altijd even enthousiast om zich derwaarts te begeven:

– 7 oktober 1939 – Op cursus bij de dansleraar Heiman Israëls, die nog geen drie jaar later in Auschwitz om zou komen:

– 23 maart 1940: Peerdespul ien Roon:

Een polderjongen had ook zijn trots
Geplaatst op: 6 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Nog een hoogtepuntje uit de proto-Leekster Courant, jaargang 1939: het interview met de bijna honderdjarige Zevenhuister Girbe Buist, zoals dat in de editie van 4 november afgedrukt stond, en hier gereproduceerd is. Hij was in 1839 geboren, in 1864 getrouwd en stierf vlak na zijn honderdste verjaardag. Twee citaten:
“Ben je jong getrouwd , Buist?”
“Jao, dat gong nogaal. Maor cinten hadden we niet. Toen we trouwd wassen, kochten we ien ’t gemeentehuus elk twee borrels en toen hadden we nog 25 stuvers over. Een bed hadden we niet; wat stroo met een laoken er overhèn en ’n paor dekens, die warren ons geven. Maor wie hemm er altied lekker op slaopen en goed rust heur!”
Van zijn beroep was hij, zoals dat heette, “polderjongen” – een kanaal- en wijkgraver. Ook zo iemand kon met een zekere trots achterom kijken:
“Jao jong, alle zummers naar ’t kenaol hèn baggeln; die ’n rieksdaolder had, die had één. maor ’n ander leende één en daormet naor ’t kenaol. We kregen sums ien zeuven weken geen kleeren uut; maor het ging om ’t verdienst.
Dat waark heb ik twintig jaor daon; dat was mien vak: baggeln en wiekgraoven. “Joa jong, ’t was altmets zwaor waark. Mor wij hemm ons redt.”
Permanentje voor Sinterklaas
Geplaatst op: 5 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Algemeen Nieuws en advertentieblad voor Westerkwartier en Noordenveld (na de oorlog de Leekster Courant), 18 november 1939.
Roderoede krijgt ruim elf jaar geen salaris uitbetaald
Geplaatst op: 4 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn het najaar van 1760 klaagt Jan Holscher, de roderoede (= veldwachter) van Noordhorn, bij Grietman Fruytier dat de Noordhorner schatbeurder Teij Alberts wel roderoedensalaris voor hem beurde bij de boeren in het kerspel, en dat op basis van de grastallen (hun grondgebruik), maar dat de schatbeurder dit verzuimde te doen bij de dorpsbewoners, die voor hun huizen werden aangeslagen. Drie jaar eerder had de schatbeurder dit nog wel gedaan, samen met de wedman, en dat op last van de vorige richter, maar noch over het roderoedengeld van de boeren, noch over dat van de koop- en ambachtslui legde Alberts ooit rekening en verantwoording af. Om Holscher te citeren:
“sonder daarvan aan hem eenige rekeninge te doen, ofte ooit enig geld uytte keeren, maar waaren uyt syn winkel an betalinge gevende, sonder dat hij roderoede immer konde gewaar worden hoeveel te goede ofte te quade was.”
Zodoende kreeg Holscher bijna geen salaris in klinkende munt in handen, voor hem reden om de hulp van het Gericht in te roepen, “temeer daar in armoede leven moeste”.
Grietman Fruytier bood de roderoede inderdaad de helpende hand. Hij gelastte schatbeurder Teye Alberts om op de volgende rechtdag rekening en verantwoording af te leggen over het door hem gebeurde roderoedengeld.
Door de leveranties in natura, waarvan het citaat getuigt, ben je bijna geneigd te denken aan gedwongen winkelnering, met de bijkomende malversaties en knevelarij, maar dat de zaak toch wat genuanceerder lag, bleek op 20 oktober, toen de Grietman, de schatbeurder en de roderoede om de tafel gingen zitten.
Schatbeurder Teye Alberts, dit keer ook koopman genoemd, voldeed aan het rechterlijke bevel en gaf inderdaad de van hem verlangde opening van zaken. Na een check van de registers met de grastallen en de huizen in het kerspel bleek, dat de schatbeurder ruim 827 gulden aan roderoedengeld ontvangen had.
Daarentegen was de roderoede de schatbeurder ruim 1072 gulden schuldig “soo wegens winkelwaren als anders”. De roderoede stond na aftrek van het gebeurde roderoedengeld dus nog voor bijna 245 gulden in het krijt bij de koopman-schatbeurder.
Maar bovenstaande ontvangst betrof louter het geld dat de schatbeurder wèrkelijk ontvangen had. Hij toonde de Grietman en de roderoede ook nog twee “restantensedels” met achterstallige bedragen.
Het eerste lijstje bevatte posten met een totaalbedrag van bijna 321 gulden. Deze achterstallige sommen had de roderoede zèlf al met debiteuren verrekend, waarmee hij eigenlijk de inningsprocedure verstoorde. Impliciet blijkt hier dat hij niet alleen van de schatbeurder voorschotten in natura kreeg, maar ook wel van andere dorpsgenoten. Dat maakte de zaak er voor de schatbeurder natuurlijk niet eenvoudiger op. Aan zuivere restanten, dus èchte betalingsachterstanden, waren de kerspelgenoten de roderoede nog ruim 167 gulden schuldig.
Deze zuivere restanten, nog door de schatbeurder te beuren, besloot men hangende de inning nog even te laten staan, evenals het geld dat de roderoede nog schuldig was aan de schatbeurder.
Heel interessant is de opmerking dat hiermee het roderoedensalaris van Allerheiligen 1748 tot mei 1760 was verrekend. In totaal ging het dus om 11,5 jaar salaris. Tellen we nu de daadwerkelijk ontvangen roderoedegelden, de verrekende restanten en de zuivere restanten bij elkaar op, dan komen we op een bedrag van ruim 1315 gulden oftewel ruim 114 gulden per jaar. De roderoede van Noordhorn verdiende daarmee minder dan zijn Oldambtster collega’s en zelfs minder dan het bestaansminimum. Dat maakte de noodzaak om bijverdiensten te genereren er in dit Ommelander dorp natuurlijk niet minder op. Het vrij forse verrekende bedrag doet ook vermoeden dat de roderoede bij vrij veel mensen over de vloer kwam. Hoe meer zo iemand ingebed was in de dorpssamenleving en het op allerlei akkoordjes moest gooien, hoe meer hij waarschijnlij ook door de vingers zag.
Overigens, door de zuivere restanten te delen op het geheel aan geïnde, verrekende en achterstallige roderoedegelden, blijkt dat 12,7 % van de som achterstallig bleef. Dat is toch vrij veel.. Niet iedereen zag de zin van het roderoedenwerk in.
Om te voorkomen dat er nog eens zo’n administratieve warboel zou ontstaan, bepaalde Grietman Fruytier dat de schatbeurder het roderoedengeld van de grastallen voortaan elk half jaar, en dat van de huizen voortaan elk kwartaal aan het Gericht moest afdragen. Het Gericht zou dan dus het salaris aan de roderoede betalen, en niet meer de schatbeurder. Een soortgelijke regeling bestond al veel langer in het Wold-Oldambt. Wie betaalt bepaalt is de zegswijze – de zeggenschap over de roderoede verschoof zo van het dorpsniveau naar het meer regionale niveau van de magistraat.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (archief rechtbanken Westerkwartier) inv. nr. 2: civiel prothocol van het Gericht of de Grietenij Oosterdeel-Langewold.
Een vroege manifestatie van Fries-Groningse animositeit
Geplaatst op: 3 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 5 reactiesOp maandag 27 mei 1771 liet procureur-generaal Van Menninga zich vinden in het Noordhorner tolhuis bij de Trekweg langs het Hoendiep. Hij kwam er om te kijken naar “sekere inscriptie met een diamant of een andere scherpe steen gesneden” in een ruitje, dat zich in de rechter voorkamer bevond, vlakbij de gang. Op het ruitje bleek een vers te staan, dat de procureur-generaal liet copiëren:
“Geen gratie voor een Groninger
is in Friesland te vinden,
omdat de onschuld, door hun aangetast,
zelf rechtvaardigheid vind op de aarde.Dit tuig dit glas,
Of ’t hier niet was
dog sonder vreesen,
Mag elck dit leesenop dat geen laffer nageslagt,
door Groningers werd voortgebragt.
Dus wens ik ouderens schuld, met hunne dood begraven
En Groningen verlost van Eereroovend’ slaven.”
In de ruit ernaast, stond ook nog iets, “na alle gedagten op die selfde manier gesneden”:
“Ex tempore (= voor de vuist weg)
quod felix faustumque eveniat (= hetgeen gelukkig en gezegend moge aflopen)”
De kamer waar het om ging, kon worden afgehuurd door gezelschappen. Zo’n tolhuis was namelijk ook een kroeg, met naast de gemeenschappelijke jachtweide vaak een meer besloten, exclusieve ruimte. Over de inscriptie verklaarde kastelein Pieter Jans Boeikema dat op woensdagmiddag 22 mei zijn huis was bezocht door de heer Wydenbrug (ook wel Widenbrug) met diens vrouw, twee kinderen, “nog een die madamoiselle genoemd werd” en bovendien een manspersoon, mogelijk de klerk van die heer. Dit gezelschap vertrok dezelfde middag nog, en ‘s avonds en ’s nachts was er niemand op die kamer geweest. Pas toen die de volgende dag betrokken werd door een ander gezelschap, ontdekte de kastelein dat het vers in kwestie op het raam gesneden stond. Wie daarvoor verantwoordelijk was, kon hij niet met zekerheid zeggen, maar hij meende toch dat dat de de heer Wydenbrug moest zijn.
Waarschijnlijk ging het om Ernst Willem van Wydenbrug, de Grietman en Dijkgraaf van Hemelummer-Oldephaart en Noordwolde. Hij hield van poëzie en had een wapen met een latijns motto. Dat er geen gratie voor Groningers in Friesland zou zijn, zoals de eerste regels van het ingekerfde poeem wilden, zou dan kunnen getuigen van een onrecht, door deze Wydenbrug in Groningen ondervonden: de Groningers hadden de onschuld aangetast, ze zouden er in Friesland voor boeten. Eigenlijk vond de auteur Groningers maar lafaards en eerrovende slaven, getuige het slotcouplet, al hoopte hij op hun karakterverbetering in de toekomst.
Ik heb nog geprobeerd na te gaan of Wydenbrug zelf in Groningen in een proces was verwikkeld, maar dat lijkt er niet op. Op de civiele rol van het HJK komt zijn naam in deze tijd niet voor. Mogelijk was hij zijdelings betrokken bij andermans proces? Bijvoorbeeld bij dat van Van Rikkenga, een Ommelander volmacht die geprobeerd had een belasting-actie op gang te brengen en doorvoor al ruim twee jaar vastzat?
Hoe dan ook, op dinsdag 28 mei las de procureur-generaal het vers voor in de Hoge Justitiekamer, het provinciale gerechtshof aan de Boteringestraat. Van Menninga meende “dat de Hoge Overigheid en Heerlijkheid van Stad en Lande hier bij ten uitersten te zijn gepraejudiceert”. De heren Hoofdmannen wilden graag van hem weten wat er precies moest worden gedaan. Ook moest hij de kastelein berichten dat beide glazen absoluut niet mochten worden gebroken of weggehaald.
Op 29 mei vroeg en kreeg de procureur-generaal toestemming om “sigh so veel mogelijk omtrent den autheur van die inscriptie te informeren”. Aan Gedeputeerde Staten werd gevraagd of ze het raam met het vers wilden laten uitnemen, “om secuur als een corpus delicti te worden bewaart”. Omdat de procureur-generaal het vers voorstelde als “ten uitersten laesyff … voor de Hoge Overigheyd deze provincie”, willigden de heren dit verzoek graag in. Ze gaven hun commies Brugma opdracht om het glas uit te laten snijden, en ook te zorgen voor een nieuw glas ter vervanging van het verwijderde. Hiervoor schakelde Brugma op zijn beurt de timmermansbaas Brondsema in. Dezelfde avond om half tien ging het trio voor deze missie per gevorderde schuit naar Noordhorner Tolhek, en de volgende ochtend rapporteerde de procureur erover in de Hoge Justitiekamer, waar de Hoofdmannen besloten dat het glas “boven op de secrete secretarie sal worden gebragt en bewaart”.
Helaas horen we verder niets meer van de zaak, althans niet in 1771. Misschien is Grietman van Wydenbrug later eens op het vers aangesproken?
In elk geval is dat stukje spontane poëzie te beschouwen als een vroege manifestatie van Fries-Groningse animositeit.
—
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 136 (archief Hoge Justitiekamer) inv.nrs. 690 en 1995.
De volslagen afgang van Lewe van Aduard
Geplaatst op: 2 december 2014 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieHoewel het stadhouderschap in mei 1748 monarchale trekjes kreeg en er op fiscaal gebied veel naar wens verliep, waren de Ommelander orangisten er nog lang niet gerust op. Op andere terreinen kwam er weinig van de toegezegde hervormingen. De heren van de provincie leken de zaken nogal te traineren. Toen ze eindelijk de nieuwe bevoegdheden van de prins formuleerden, ging dat de Ommelanders lang niet ver genoeg.
Ze zonnen op actie. Net als in mei wilden ze de Staten van de provincie hun eisen voorleggen. Maar dan moesten die Staten wel eerst bijeenkomen. Daarom kozen de Ommelander dorpsvolmachten op maandag 26 augustus twee afgevaardigden, die naar Aduard moesten om daar de heer Lewe, de Ommelander president, te verzoeken om het bijeenroepen van de Ommelander Staten
Die afgevaardigden waren Egbert Luitkens van Visvliet en Jan Clasen Nieboer van de Zeerijp. Vooral de laatste was niet op zijn mond gevallen. Te paard vertrokken beide naar Aduard en in de borg daar werden ze bij Lewe aangediend door zijn knecht, die ze meldde dat zijn heer op bed lag en niet te spreken was. Op nadere instantie kregen Luitkens en Nieboer te horen “dat ze zich konden verpakken”. Datzelfde ogenblik kwam Lewes militie in de wapens – volgens Luitkens en Nieboer ging het om zo’n 70 man, “van allerhande natie”. Deze militie bleek deels voor de herberg geposteerd, waar beide afgevaardigden hun paarden hadden gestald. Een ander deel stond verdekt opgesteld, “in de bosschen”. Bij het vertrek van Luitkens en Nieboer schoten deze huurlingen allemaal in de lucht, zodat de volmachten wel af moesten stappen om hun paarden aan de teugel Aduard uit te leiden.
De volgende dag, dinsdag 27 augustus, kwamen beide terug in Aduard. Pas na veel aandrang verleende Lewe ze gehoor. De kamer waar dat gebeurde, bleek “wel voorzien van gewapende manschap” en ook buiten de borg stond er het een en ander. Toen beide afgevaardigden hadden verwoord waarvoor ze kwamen, brandde de Heer van Aduard op ze los:
“Dat ze door hem wierden aangemerkt als de grootste rebellen dezer provincie, en dat ze ten hoogste strafbaar waren, waarom hij haar dierhalven het placcaat van de Staten van Stad en Lande tegen de oproermakers in de maand maart gepubliceert, eens wilde voorlezen. En na zulks gedaan was, wierde hetzelve placcaat in zijn volle beslag op haar toegepast, met verzekering dat zyn Wel-Geb. als Richter haar in alles by vervolg van tyd zou recht doen (…)
Waarop door de volmacht Jan Clasen Nieboer wierde geantwoord dat haar eigenltlyke oogmerk waar om recht te doen en recht te erlangen, en dat dit ook de reden was waarom zy zyn Hoog Wel-Geb. kwamen verzoeken: als mede om zyn Hoogheid den Prins van Orange in der daad te verheffen, gelyk voor dezen (so het scheen) alleen in naam geschied was.
Waarop de Heer Lewe van Aduard antwoorde dat hy Jan Clasen Nieboer een fynen Sinjeur was en den allergrootsten rebelmaker die ooit meer gekend was.
Waarop Jan Clasen Nieboer andermaal antwoorde dat zyn Hoog-Wel Geb. konde verzekerd zyn dat alle ingezetenen van de drie Ommelander Quartieren de verheffinge van Zyn Hoogheid den Prins van Orange en het redres van hare rechten zouden ter uitvoer brengen, welken geweld zyn Hoog Wel-Geb. daartegens ook mochte gebruiken.
Hierop antwoorde zyn Hoog-Wel Geb.dat schoon hy een man was van by de tagtentig jaren, hy noch moed genoeg had, om zich aan het hoofd zyner bende te stellen en haar met kruit en loot terdegen t’onthalen en dat ’t hem noch aan volk, noch aan geweer ontbrak.
Des nietegenstaande dit (antwoorde Jan Clasen Nieboer) zullen wy en alle Ommelanders onze zaken uitvoeren.
En na enige woorden over en weer gesproken te hebben, zyn de volmagten vertrokken zonder haar oogmerk te bereiken.”
Op woensdag 28 augustus, vergaderden de Ommelander dorpsvolmachten in Middelstum. Het verslag van de bezending naar Lewe verwekte grote beroering. De vergadering besloot nu via de stad te gaan werken en stuurde er een gezantschap heen dat het op een accoordje gooide met de orangistische aanvoerders daar. Die vroegen aan het stadsbestuur om de provinciale Staten bijeen te roepen en kregen dat gedaan ook. En zo zag men dan op donderdag 29 augustus duizenden Ommelanders de stad binnen trekken, “hebbende knodzen in plaats van snaphanen op hare schouderen”. De dag zou werkelijk perfect geweest zijn, ware het niet dat een kleine onvolkomenheid de gemoederen prangde: de heer Lewe was niet van zins te komen. Hij stuurde een briefje dat bij zich voorbaat bij alle besluiten neerlegde en die zou tekenen ook.
Maar daar namen de Ommelander volmachten geen genoegen mee. Ze wilden perse dat de Lewe persoonlijk in de statenzaal zou compareren. In die zaal kwamen meerdere collega’s van Lewe alvast in onzachte aanraking met knuppels en ook namen de boerenregimenten twee zoons van Lewe, de heren van Kantens en Bierum, in gijzeling. Het eerste voorstel was om ze beide als levend schild naar Aduard te laten marcheren, voor een boerenleger aan. Dit ging niet door. Uiteindelijk mochten beide heren plaatsnemen in een wagen die een een escorte kreeg van 30 man uit het garderegiment. Zo ontstond er een gevarieerde optocht: “Deze zeldzame vertoninge lokte een menigte menschen naar Aduart”.
’s Avonds om zeven uur arriveerde de Heer van Aduard eindelijk hier ter stede in een koets, omringd door gardsesoldaten. Maar op de Grote Markt drong het volk zo op, dat de paarden niet verder konden. De spiegelglazen van de koets gingen aan diggelen, de deur werd uit de sponning gerukt en de Heer van Aduard aan zijn arm uit de koerts gesleurd. Lopend naar de statenzaal nog steeds omringd door de gardesoldaten, vingen die de vele knuppelslagen op, welke voor hem waren bestemd. De menigte riep: “Sla hem dood!, Sla hem dood!” en niemand gaf er nog een duit voor dat Lewe het er levend af zou brengen. Toch bereikte hij de statenzaal en trof daar bijna alle Ommelander heren aan . Een “menigte landvolk” drong echter scheldend en tierend achter hem aan de statenzaal binnen, en sloeg nu werkelijk op de onbeschermde Lewe in,
“zoodat dien Heer voor het geweld moeste bukken, vallende onder de schoorsteen ter aarden; zyn aangezicht zeer bebloed zynde, en zyn paruik en hoed was reeds verloren.”
Er kwam zelfs een praatje van dat hij werkelijk de geest had gegeven. Dat was niet zo, drie personen wisten hem uit de mêlee te trekken en hem ongezien in veiligheid te brengen, eerst in de herberg onder de Poelepoort, naderhand dwars door een tuin naar het huis van de gezworene Tiddens aan het Schuitendiep.
“Het gemeen onvergenoegt zynde” dat Lewe ontkomen was, begon diens huis op de Vismarkt te plunderen, wat gestuit werd door de stedeijke burgerwacht. Een onweer hield veel mensen verder van de straat, er viel die avond alleen nog een relletje onder de Poelepoort te melden.
Op vrijdagochtend de 30e augustus ontdekte men dan toch de plaats waar Lewe zich schuilhield. Hij had willen ontsnappen in een verdekte wagen, maar de voermansvrouw stak er een stokje voor dat haar man met hem vertrok. Er ontstond een oploop voor het huis van Tiddens. De eis was dat Lewe alsnog in de statenzaal verscheen om daar de ingewilligde petities van de vorige dag te tekenen. Maar liefst acht compagnieën van de burgerwacht brachten hem erheen. Ook dit keer was het spitsroeden lopen. Meteen nadat Lewe in de statenzaal zitting nam, diende een volmacht het voorstel in dat hij alle verteringen van de Ommelander knuppelregimenten van de vorige dag zou betalen. Dit zegde hij toe. Ook werd van hem geëist dat hij “zich mogte ontdoen van alle snaphanen, kruit en loot, zoo op het slot te Aduart ter defensie van zyn persoon en goederen hadde verzamelt”. Hij tekende grif een verklaring van die strekking en werd vervolgens door de acht compagniene burgerwacht naar zijn huis aan de Vismarkt geleid, “onder een confluentie van duizenden menschen”.
Op zaterdag 31 augustus zou Lewe nog één keer een Ommelander statenvergadering mogen voorzitten. Dit keer ging hij onder een escorte van beroepssoldaten naar de statenzaal. Daar liet Jan Clasen Nieboer, de volmacht van Zeerijp, zich aanstonds aandienen met het voorstel namens alle Ommelander volmachten, dat de heer Lewe niet alleen zou ontwapenen en de soldaten bij hem op de borg van Aduard zou afdanken, maar ook als “onweerdig” voor altijd uit al zijn ambten zou worden gezet. Een verzoek van die strekking ging inderdaad naar de Stadhouder, die zo geruisloos een van zijn belangrijkste Ommelander tegenstanders kon lozen.
Het twistgesprek op de borg van Aduard op 27 augustus 1748, leidde zo binnen vier dagen tot de volslagen afgang van de heer Lewe.
—
Voornaamste bron: Groningen ten tweede maal in onrust (pamflet, Groningen 1748)
De paardenbeul van Kronenfels
Geplaatst op: 28 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Achter Oldekerk heb je de Zandumerweg en de Kroonsfelderweg. Fijne fietsroutes zijn dat, met boerderijen, houtwallen en restanten van het Kolonelsdiepje.
Die Kroonsfelderweg is genoemd naar Kroonsfeld, een verbastering van Kronenfels, een buitenhuis dat hier midden achttiende eeuw verrees en twee pagina’s kreeg in het Ommelander borgenboek van Formsma.
Erg leven gaat de omgeving niet van Formsma’s nogal beknopte relaas, maar ik vond onlangs een verhaal, dat ik me vast en zeker zal herinneren, als ik op mijn fiets weer die omgeving doorkruis.
Eind 1755 liet de Grietman van het Oosterdeel-Langewold namelijk de heer Smellentijn van Kronenfels voorkomen in zijn gericht, omdat Smellentijn een half jaar eerder had geschoten op twee paarden en een veulen van streekgenoot Pieter Mindels. Deze liepen op Smellentijns dijk, vandaar. Alle drie de paarden raakten gewond. Bovendien sloeg Smellentijn een stok of hark op een van de paarden stuk. Een merrie was de volgende dag aan haar verwondingen bezweken.
De heer Smellentijn liet zich werkelijk in persoon in het gericht vinden, bekende daar grif het hem ten laste gelegde feit en verklaarde het graag qua boete op een akkoordje te willen gooien met de Grietman, die hem veroordeelde tot een boete van 40 daalder met de kosten van het proces. Vrij uniek mag Smellentijns betalingsmoraal heten, want hij pakte “anstonts” zijn beurs en telde het geld voor de rechter uit.
De heer Smellentijn was nogal een rusteloos type: hij bleef nooit lang ergens wonen. Oorspronkelijk kwam hij uit Duitsland en van zijn beroep was hij eigenlijk medisch doctor. In 1745 vinden we hem ergens in Oost–Indië, waar hij tevens als administrateur van een apotheek fungeerde. In 1748 woonde hij even met zijn vrouw kind en vier bedienden bij Deventer. Drie jaar later benoemde de Keizer van Oostenrijk hem tot rijksridder. Was dat vanwege een succesvolle behandeling? Niet lang daarna woonde hij in Amsterdam als “Geheyme Commercie-Raad” in dienst van de Koning van Pruissen.
In 1752 betaalde hij er zijn schulden en verhuisde naar Groningen, waar hij een huis in de Oosterstraat betrok en een drukkerij van sitzen en katoenen begon. Begin 1753 kocht hij een heem met 103,5 gras land op ’t Oosterzand onder de klokslag van Oldekerk uit de failliete boedel van De Mepsche van Faan. Het land verhuurde hij, op ’t heem liet hij een buitenhuis met een “tweegoelde schuur” bouwen, dat hij naar zichzelf Kronenfels noemde. Later dat jaar kocht hij nog diverse heerlijke rechten uit de boedel De Mepsche – de bedoeling was duidelijk om zich ter plaatse een aanzienlijke positie te verschaffen.
Maar in de zomer van 1756 had Smellentijn er alweer genoeg van en verkocht hij al zijn goed hier op het Oosterzand aan een VOC-kapitein. Bij het huis Kronenfels zitten dan stallen, een schuur, een (water)molen, wei-, hooi- en veenlanden, alles tesamen 117, 5 gras (of bijna 60 hectare) groot, een klauw of ommegang in de Grietenij Oosterdeel-Langewold en diverse zijl-, boer- en visrechten.
Of het akkefietje met de paarden van invloed is geweest op de wens opnieuw te verhuizen, is onbekend. Maar de boeren en andere buurtbewoners zullen de handelswijze van deze heetgebakerde nieuwkomer niet erg op prijs hebben gesteld. Hij maakte zich hier aardig onmogelijk. Wellicht gold dat ook voor andere woonplaatsen.
Overspelige wedman
Geplaatst op: 27 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 6 reacties
Brief uit 1789 aan kastelein Sicco Gerber van de Slingerij die het epistel getuige het gevouwen en sterk vervuilde adresvak een poosje op zak hield, voordat het in een gerechtelijk dossier belandde. De brief kwam van Sicco’s vriend, de wedman van Hoogkerk die er vandoor was met andermans vrouw. Ben op het moment bezig zijn zaak uit te spitten. In een andere brief legt hij uit wat er aan zijn vlucht vooraf ging. Je waant je in een roman.
‘Onnozele’ vechtersbazen verzoenen zich voor strafkorting
Geplaatst op: 25 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk Een reactie plaatsen“Hoogkerk den 2 November 1798.
Bij het Gerichte gelezen zijnde het Request van Klaas Jacobs Gerber en Pieter Vosdingh (houdende:)
hoe de Suppl[ian]ten zich bevinden in de ongelukkige omstandigheden, van bij het Gerichte te zijn aangeklaagd over eene tusschen Suppl[ian]ten plaats gehad hebbende questie op zondag den 7 October jongst ten Huize van Renger Rijkels te Hoogkerk, waarbij zij onderling handgemeen zouden zijn geweest. Dat Suppl[ian]ten met leedwezen bekennen, dat zij dat zij dadelijk in quaestie zijn geweest, dan het zij de Suppl[ian]ten vergund, aan het Gerichte dienaangaande ter hunner verschoning in te brengen, dat zij wel voor een ogenblik handgemeen zijn geweest, egter van geene van beide zijden met voornemen om elkanderen te kwetsen en zonder voornemens te zijn den Castelein ofte jemand anders daardoor te benadeelen en alzoo in hunne onnozelheid niet hebben voorzien het kwaad dat uit deze hunne handel heeft kunnen voortkomen. En het is in dat licht dat de Suppl[ian]ten verzoeken dat het Gerichte hun gedrag zal gelieven te beschouwen, en hun dus te beschouwen, als meer uit onnozelheid dan uit kwaad opzet in dit hun ongeval zijnde gekomen. Verzoekende de Suppl[inan]ten zeer ootmoedig aan het Gerichte, ten einde ter zaake voorschreeven in submissie te mogen worden geadmitteerd.
(Heeft het Gerichte daar op geapostilleerd:)
Het Gerichte het verzoek accordeerende, heeft de Remonstranten ieder in de breuke van een daler ten voordeele der armen te betalen gecondemneerd.”
Vertaling en interpretatie:
Klaas Gerber (19) een doopsgezinde boerenzoon die later op Kleiwerd zou boeren en Pieter Vosdingh (18), zoon van de herbergier bij de sluis van Vierverlaten – hij zou daar later zijn vader opvolgen – zaten op zondag 7 otober in de kroeg van Renger Rijkels in Hoogkerk, waar ze kortstondig met elkaar handgemeen raakten. Er kwam een zaak van, en om te voorkomen dat beide een hoge boete zouden moeten betalen, wendden ze zich gezamenlijk (!) tot het lokale gerecht, waar ze het feit ruiterlijk toegaven, maar de intentie erachter voorstelden als tamelijk onschuldig – ze hadden niet de bedoeling gehad om elkaar te verwonden of de kastelein of iemand anders te benadelen, het was maar een onnozel gedoe van hun geweest. Daarom vroegen ze ootmoedig om een lichtere straf, dan normaal in dit soort gevallen opgelegd werd. En dat gebeurde: ieder hoefde slechts een daalder aan de armen van Hoogkerk te betalen
Ik heb heel wat oud-rechterlijke prothocollen gezien, maar herinner me niet dat ik zoiets eerder tegenkwam.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (Gerechten Westerkwartier), inv.nr. 769: rechtdagnotulen Hoogkerk 1789-1803, notitie d.d. 2 november 1798.
WesterwOldambtster geschiedenisdag
Geplaatst op: 22 november 2014 Hoort bij: De actuele wereld, Geschiedenis 6 reactiesIn Wedde vond vandaag de Dag der WesterwOldambtster Geschiedenis plaats. Ik kwam het kerkje binnen tijdens de openingsceremonie – beneden was er geen plaats meer, op de orgelbeun nog één:

De oeroude folkformatie Folkcorn speelde grouwzame misdaadballades:

Ties Tepper vertelde over de totstandkoming van het nieuwste deel in de Oldambt Historische Reeks: Naar het gerecht. Criminele zaken in het Oldambt 1750-1800:

En trof daarbij een aandachtig gehoor:

Uitreiking eerste exemplaar:

Nadat de kerk leegliep omdat iedereen naar de historische markt in het tegenovergelegen dorpshuis ging, was er mooi even gelegenheid om naar de grafzerken op het koor te kijken. Al het goeie gaat in drieën – hoewel?:

Bak met losse letters voor het schuifbord waarop de te behandelen Bijbelteksten aangekondigd staan voor een dienst:

Vogel op grafsteen in tegenlicht:

In het dorpshuis blijkt het intussen nog steeds poepiedruk:

Letterlap uit 1903 van het conventionele Groningse type:

Postzak met hakenkruis:

Een wat minder beschaamde Vrouwe Justitia:

Discussie tussen heren:

Terug in de kerk – dolfijn op de burggravenbank (die overigens prima zit):

De oud-kantonrechter mr. Gerrit Cazemier bentwoordt vragen na zijn lezing:

Verschillende aanwezigen spreken hun verontrusting uit over de criminaliteit, terwijl die toch zo’n dankbaar onderwerp vormt:

Op het moment zelf kwam ik er niet op, maar achteraf viel me de vraag in of de rechter misschien ooit bedreigd is. En jawel, hij kreeg in 1982 eens een steen ter grootte van een kippenei tegen het voorhoofd gegooid, waardoor hij minutenlang buiten bewustzijn was. Daarna vervolgde hij de zitting gewoon. Bikkel!
Rattenkruid in het pannekoekenbeslag
Geplaatst op: 21 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesHet boerderijtje heette de Oude Watermolen, omdat er eerder een grote watermolen op het heem had gestaan. Dit bevond zich aan de Katerhals, een watertje aan de zuidkant van het Hoendiep, maar nog wel onder het kerspel Noordhorn. Op de plaats woonden Albert Jacobs, zijn vrouw en de twee kinderen die zij uit haar vorige huwelijk had.
Dit hele gezin werd vergiftigd. Op zondagavond 26 juli 1778 aten man, vrouw en kinderen gezamenlijk pannekoeken, zoals ze dat ook op de vorige avond, op zaterdag 25 juli, hadden gedaan. Vrijwel direct na de maaltijd werden ze alle vier misselijk en voelden ze zich ellendig. ’s Nachts stierf eerst de dochter, en op maandagmiddag Albert Jacobs. Ook de hond ging dood – hij had eveneens een stuk pannekoek gegeten. Alberts vrouw en haar zoon waren toen nog voortdurend aan het overgeven en de buren die erbij geroepen waren lieten dokter Bolt van Grijpskerk komen. Hij constateerde dat het weer de goeie kant op ging met beide overlevende patiënten, maar ging ook op onderzoek uit.
In een restantje pannekoekenbeslag vond Bolt rattenkruid. De vrouw des huizes verklaarde dat ze dat spul in geen drie jaar in huis had gehad. Zaterdagavond hadden zij, wijlen haar man, haar zoon en wijlen haar dochter nota bene van hetzelfde meel pannekoeken gegeten, en toen was er niemand ziek van geworden. Dat meel kwam van koopman Luitien van Weperen in Niezijl. Dokter Bolt liet navraag doen. Er bleken meer huishoudingen in de omgeving dat meel van Luitien te hebben gekocht, maar nergens werd er iemand ziek van.
In het huis van de slachtoffers waren tussen zaterdagavond en zondagavond alleen de broer van Albert Jacobs, Jan Jacobs, en diens tien- of elfjarige zoontje Jacob op bezoek geweest. Dat zoontje ging met het latere vrouwelijke slachtoffer erwten en peulen plukken in de hof – en zo was Jan Jacobs even alleen in huis geweest. Nadat grietman Fruytier op woensdag 29 juli de slachtoffers en enkele andere betrokkenen had gehoord en ook nog een lijkschouwing had laten verrichten door twee medici uit de stad, beschouwde hij deze Jan Jacobs als verdachte nummer één.
Maar Jan Jacobs woonde in Enumatil, onder het Vredewold, een andere jurisdictie. En het was midden in de zomervakantie: de grietman van Vredewold bleek noch in zijn rechtsgebied, noch in de stad te vinden. Daarom moest Fruytier noodgedwongen wachten met de arrestatie van Jan Jacobs tot 1 augustus, de dag dat diens broer begraven werd.
Bijna drie maanden later, op 29 oktober 1778, wees grietman Fruytier vonnis tegen de gedetineerde Jan Jacobs, ca. 42 jaar oud, geboren te Midwolde (Wk.) en laatstelijk woonachtig te Enumatil.
Fruytier overwoog dat Jan Jacobs zich zeer verdacht had gemaakt. Het schoteltje rattengif dat dokter Bolt uit het pannekoekenbeslag had gehaald en bovenop een kast had gezet, verplaatste Jan Jacobs daar uit zicht achter een kerkbijbel. Hoewel dit door buren gezien was, ontkende Jan Jacobs dit gedaan te hebben. Eerst beweerde hij dat hij niet eens wist dat het schoteltje daar stond, vervolgens gaf hij die kennis toe maar niet het verplaatsen, en toen hij ook dat laatste in confrontatie met de buren moest bekennen, zei hij dat hij dat deed omdat het schoteltje anders maar voor het grijpen stond.
Bovendien had Jan Jacobs bij zijn arrestatie tegen de roderoede (veldwachter) Ype Boon en nog iemand gezegd, dat het gericht een broedermoord nooit zou kunnen bewijzen zonder zijn bekentenis. Ook dat gold als zeer verdacht.
Grietman Fruytier moest echter knarsetandend toegeven, dat er wel veel aanwijzingen voor de schuld van Jan Jacobs waren, maar dat die met elkaar nog geen doorslaggevend bewijs vormden. De verdenking bleef van dien aard dat Fruytier de verdachte niet als gezuiverd wilde ontslaan van rechtsvervolging. Daarom moest Jan Jacobs plechtig beloven zich ter beschikking te houden van het gericht. Zodra hij een oproep kreeg om daar te verschijnen, moest hij komen. Zoniet dan zou dat als een bekentenis worden opgevat.
Op 5 november, na een toetsing van het vonnis door de Hoge Justitiekamer in de stad, kreeg Jan Jacobs het stuk voorgelezen in de gevangenis aldaar. Ik neem aan dat hij vervolgens onmiddellijk op vrije voeten is gesteld.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 6: notulen van rechtdagen in criminele zaken.
Schuddeldouk roept gemengde gevoelens op
Geplaatst op: 18 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis 6 reactiesDe vaatdoek was weer in het nieuws. Gister begon minister Schippers van volksgezondheid een campagne om mensen te wijzen op alle keukenbacteriën. Volgens de minister moeten we elke dag ons vaatdoekje uitkoken.
Is onze hygiëne de laatste halve zo sterk achteruit gegaan? Dat dacht ik niet. Ruim vijftig jaar geleden promoveerde de arts-dichter Jan Boer op besmettingen met spoelworm in zijn Oost-Groninger dorpspraktijk. En hij wijdde een aparte passage aan de schuddeldouk, zoals de vaatdoek daar heette:
“Op de keukentafek in vrijwel ieder gezin in Tange-Alteveer bevindt zich een natte doek, de zogenaamde “schuddeldouk”, die voor zeer verschillende doeleinden gebruikt wordt.
Naar het woord al aangeeft, zal de primaire functie zijn het afwassen, en soms ook afdrogen van “schotels”, dat zijn etensborden.
Daarna wordt de doek op de keukentafek gedeponeerd en gebruikt om er de tafel nu en dan mee af te vegen en om de vuile handen van de kinderen provisorisch mee te reinigen.
Na het eten veegt ieder der gezinsleden zijn mond af aan deze doek als aan een gemeenschappelijk servet.
Vaak is door mij opgemerkt, dat de huismoeders deze schoteldoek ook gebruiken om de kleuters, die zich met faecaliën verontreinigen, snel even mee schoon te maken.
Deze reiniging vindt dan door de beperkte ruimte in de woonkeuken dikwijls plaats op de keukentafel. In vele gezinnen wordt de tafel niet gedekt en speciaal bij de broodmaaltijd wordt geen gebruik gemaakt van etensborden.
De boterham wordt van de houten tafel gegeten, waarop even tevoren de reinigiging van de kleuter plaats vond – uiteraard werd de tafel voor de maaltijd afgeveegd met de schoteldoek.”
Van 71 gezinnen, waarvan leden besmet bevonden waren met spoelworm, onderzocht Boer de vaatdoekjes. In 28 gezinnen bleken deze de eieren van spoelwormen te dragen. In grote gezinnen gebeurde dit wat meer dan in de kleine.
Overigens wekt de schuddeldouk ook warm-nostalgische gevoelens op. Uit Onstwedde stamt een Lofzang op de Schuddeldouk. Dokter Boer zou er zijn wijze hoofd over hebben geschud (als hij het lied niet schreef).
—
Bron: J.J. Boer, Ascaris Lumbricoides L. in een dorpspraktijk (Groningen 1963), pag. 81 e.v. Met dank aan Henk Scholte voor het lenen van dit proefschrift.
Inkle en Yariko, of: liefde staat boven slavernij
Geplaatst op: 15 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten Een reactie plaatsen
In de portefeuille van de heer Wolthers zit ook deze Duitse prent naar een tekening van de Neurenberger edelsmid Johann Samuel Vigitill (1733-1789), die dat ontwerp op de drukplaat liet brengen door zijn stadgenoot Christoph Daniel Henning (1734-1795). De prent toont in silhouet vier dames in verschillende poses links en rechts van een schildersezel met daarop een voorstelling. “Wie verschieden ausert sich nicht der Eindruk den einerlei Gegenstand auf das menschliche Gefühl macht”, staat er ter toelichting in sierlijke krulletters onderaan de prent. Vertaald: “Hoe verschillend uit zich niet de indruk die één en hetzelfde onderwerp op het menselijke gemoed maakt”. Daar weer onder vinden we nog een Latijnse spreuk in blokletters: “Non omnes pariter tanta infortuna terrent”, wat zoveel betekent als: “Niet iedereen schrikt even erg van ongeluk”.
De prent intrigeert, omdat ze haar strekking ondanks de toelichting niet meteen prijsgeeft. Uiteraard zien we wel meteen, dat de vier dames op de voorgrond met verschillende gemoedsaandoeningen behept zijn, immers: de meest linkse wringt haar handen in wanhoop, de tweede heft haar vuisten in woedende onmacht, de derde en oudste bekijkt min of meer verbaasd nog eens het tafereel op de schildersezel door haar lorgnet en de vierde wendt zich in afschuw daarvan af, met haar zakdoek paraat voor de tranen die mogelijk komen.
Uiteraard worden de emoties opgewekt door de voorstelling op de schildersezel. Zoomen we daarop in:

dan zien we getuige het fort en de schepen een koloniaal tafereel, met twee heren, waarvan de linker geld geeft aan de middelste die tegelijk wijst naar een geknielde, smekende, donkergekleurde vrouw, terwijl achter haar een man met handboeien klaar staat. Als niet ook onder deze voorstelling tekst had gestaan, zou de hele prent een raadsel gebleven zijn, maar dankzij de namen Ynkle und Yarcko (boven), en de verwijzing naar het eerste deel van Gellerts Fabeln und Erzaelungen, bladzij 29 (onder), komen we er uit.
In het Duits verscheen dat werk van Gellert, het eerste van een zeer populaire trilogie, voor het eerst in 1746. Een geïllustreerde Nederlandse vertaling volgde in 1772, en die versie staat op Google Books, met een plaatje dat sterk doet denken aan de geëzelde voorstelling op de Duitse prent:

In Gellerts omlijstende verhaal reist de zeer op winst beluste Britse koopman Inkle, wiens voornaamste deugd zijn rekenkunde is, naar Amerika. Vlak voor de kust belandt zijn schip echter in een storm en het breekt op een strand. Inboorlingen vallen er op de overlevende bemanningsleden aan – Inkle is de enige die in het oerwoud weet te ontkomen. Na dagenlang rondzwerven vindt Yariko, een “jonge negerin” hem daar en prompt raken ze verliefd op elkaar. Yariko vangt Inkle op in een hutje, waar ze hem liefdevol in leven houdt. Van zijn kant belooft hij haar gouden bergen, als hij eens met haar naar Londen weet te ontkomen. Daarom kijkt zij voor hem uit naar schepen en inderdaad verschijnt er op een dag een aan de horizon. Hand in hand gaan ze aan boord, het schip zet koers op Barbados, maar eenmaal weer aan wal vergeet Inkle zijn plechtig beloofde eeuwige trouw. De oude winzucht komt weer in hem boven en hij verkoopt Yariko als slavin. Dat ze hem smekend voor de voeten valt en roept dat ze van hem zwanger is, kan hem niet vermurwen. Het haalt alleen maar uit dat hij een nog hogere prijs voor haar bedingt.
Deze hufterige rotstreek is het dus, die bij de dames op de Duitse prent de emoties wanhoop, woede, verbazing en afschuw oproept.
Gellert was destijds een veel gelezen auteur, maar van het verhaal over Inkle en Yariko bestond ook een Nederlands toneelstuk (1781) dat op zijn beurt weer aanleiding gaf tot het maken van prenten. Volgens een bespreking in de Vaderlandsche Letteroefeningen van 1789 had Gellert het verhaal ook niet zelf verzonnen, maar ontleend aan een Engelse Spectator. Inderdaad staat het verhaal in de Spectator van Steele, jaargang 1711. Het werd vanaf 1787 tevens opgevoerd als opera in Londen. Naar het zich laat aanzien bleef dat stuk in Engeland nog lang populair, zo is er nog een affiche uit 1799 van een theater in Bristol. Overigens bleek Steele het verhaal evenmin van zichzelf te hebben, hij ontleende het weer aan een geschiedenis van Barbados uit 1657, waarin het wordt opgevoerd als waar gebeurd.
In elk geval vormden Inkle en Yariko voor geletterden uit het laatste kwart van de achttiende eeuw een uiterst bekend motief. Voor hen viel de prent meteen te begrijpen. Door de hevige emoties van de dames op zijn prent laat de Duitse maker zien dat voor menige vrouw de liefde van een hogere orde was dan de slavernij.
Maar of invloedrijke mannen er ook zo over dachten? “Toevallig” werd in 1789 in Engeland een eerste wetsontwerp ingediend tot afschaffing van de slavenhandel, dat het Lagerhuis nog met tweederde van de stemmen verwierp. Eenzelfde ontwerp haalde drie jaar later wèl de meerderheid, maar werd tandeloos gemaakt door een amendement dat die afschaffing héél geleidelijk wilde laten plaatsvinden.
Intussen kwamen Inkle en Yariko ook voor op politieke prenten welke inspeelden op een happy eind aan het drama:

Welvaart bracht schik in het ornament
Geplaatst op: 14 november 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 3 reacties
Dit vignetje bevindt zich in een portefeuille met schetsen, tekeningen, aquarellen en gedrukte prenten van Wolter Wolthers (1814-1870), een jurist van zeer notabele komaf die het tot burgemeester van diverse Groninger gemeenten zou brengen. In het vignetje kruist boerengereedschap en visgerei achter een zonnehoed met een slinger van rozen. We zien een visnet, een zeis, een hengel met een vis, een schoffel, een ‘rieve’, een fluit, een dorsvlegel, een korenschoof en een schop. Een soortgelijke voorstelling meen ik ook eens gezien te hebben in op de voorgevel van een grote boerderij, ergens in Groningerland. Maar waar?
Mogelijk niet in het Oldambt, zoals ik eerst dacht. Hoewel je daar wel soortgelijke voorstellingen op de voorgevels van grote boerderijen ziet:
– Ceres met korenschoven, een bijenkorf en boerengereedschap te Finsterwolde:

– Een boerenwagen, een ploeg, een bijenkorf en gereedschap te Midwolda:

– Korenaren, en een zonnehoed met bloemen en gereedschap te Nieuw-Beerta:

– Vaas met overvloedig fruit aan de Scheemder kant van Midwolda:

Wat de voorstellingen zeggen: hoe genoeglijk is het landmansleven. Het vignetje van Wolter Wolthers zou biedermeyer kunnen zijn (ca. 1840). Wat er op de gevels zit is mogelijk van iets later datum, uit het derde kwart van de negentiende eeuw, oftewel de Champagnejaren voor de Groninger graanboeren. Voorheen waren die landbouwers nogal sober geweest, maar met de welvaart kwam de schik in het ornament.
Naschrift 22 november 2014:
Ik denk dat ik het gevonden heb, in Blijham aan de Winschoterweg:


Recente reacties