Hoe het anarchisme verdween uit Finsterwolde
Geplaatst op: 24 september 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenToen in 1937 de communistische partijkrant Het Volksdagblad de eveneens communistische wethouder Harm Jan Siemons van Finsterwolde interviewde, beaamde hij dat de bevolking van Finsterwolde ooit ”veelal anarchistisch gezind” was, terwijl er inmiddels een communistische meerderheid bestond. Siemons gaf ook de reden voor die overgang aan –
Dat komt, omdat het belangrijkste deel heeft ingezien dat het anarchisme de arbeiders in het slop voert.
– en hij raamde het aantal anarchisten dat nog resteerde:
Met de laatste verkiezingen werden negentig stemmen blanco uitgebracht. Dat is het deel dat nog anarchistisch is.
Helaas valt Siemons’ raming niet te controleren aan de hand van krantenverslagen, want die noemen zelden het aantal blanco stemmen. Maar bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1935, die de communisten in Finsterwolde de meerderheid brachten, werden daar in totaal 1355 geldige stemmen uitgebracht. Als we daarbij die 90 blanco stemmen optellen, komen we op een opkomst van 1445 kiesgerechtigden, waarvan de anarchistisch angehauchten zo’n 6,2 % uitmaakten.
Zoals ik al eerder vertelde, kwam het communisme vlak na de Eerste Wereldoorlog van de grond in Finsterwolde en omgeving, waar ’t het anarchisme spoedig zou overvleugelen. Bij de eerste na-oorlogse gemeenteraadsverkiezingen, die van 1919, waren er in Finsterwolde nog 710 kiezers geweest, waarvan er 615 een geldige stem uitbrachten. Een 95 deden dat niet, waarmee we het anarchistische aandeel van het Finsterwoldiger kiezersvolk dat jaar op 13,4 % zouden kunnen becijferen.
Van de gemeenteraadsverkiezingen in 1927 en 1931 zijn de proces-verbalen bewaard gebleven in het archief van de voormalige gemeente Finsterwolde (inv.nr. 456). In 1927 kwamen er 1386 kiesgerechtigden opdagen in de drie stembureaus van deze gemeente (Finsterwolde, Ganzedijk en Ekamp). Al met al 145 stemmen bleken van onwaarde, maakt 10,8 %. Terwijl in 1931 er 101 waardeloos gemaakte stemmen bleken te zijn op een totaal van 1319 opkomende kiezers, dus 7,6 %.
De resultaten nog even op een rijtje:
1919 – 13,4 %
1923 –
1927 – 10,8 %
1931 – 7,6 %
1935 – 6,2 %
Wanneer we dus Siemons’ criterium (van blanco stemmen = anarchisten) hanteren, verdween het anarchisme zeker niet subiet in Finsterwolde – het stierf er een vrij zachte dood, na een langzaam verval van krachten.
En toch, dit zijn nog minimumcijfers. Ook in Finsterwolde ijverden anarchisten in 1918 tegen de stemplicht die gepaard ging met de invoering van een algemeen kiesrecht. In 1927 en 1931 waren er zelfs wat anarchisten, zoals de Broesders en Hindrik Meulenkamp, die wèl de moeite namen om naar het stembureau te komen, maar daar demonstratief weigerden het stembiljet in ontvangst te nemen. In Finsterwolde waren er echter veel meer, ja frappant veel stemgerechtigden, die überhaupt niet op kwamen dagen in een stembureau. In 1927 werden er, ondanks de stemplicht, van de 1606 oproepingskaarten een 220 niet bij een stembureau ingeleverd, terwijl dat in 1931 van de 1606 een 308 waren. Natuurlijk zaten hier ook wat mensen bij die met een geldig excuus (ziekte, rouw, op reis etc.) absent bleven. Maar een ferm deel zal toch uit anarchisten hebben bestaan. Tellen we voor 1927 en 1931 de aandelen niet-opgekomenen op bij die van de blanco stemmen, om die te delen op het totaal aantal opgeroepen stemgerechtigden, dan komen we 22,7 respectievelijk 25,1 %. En dan lijkt het anarchisme in het Finsterwolde van rond 1930 nog behoorlijk sterk, zo niet springlevend.
Het Pekelderdiep, vol blauwe vlammetjes
Geplaatst op: 12 september 2014 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesGister kwam heel even de veranderde waardering voor de veenkoloniën ter sprake.
In de agrarisch-ambachtelijke era, de achttiende en een goed deel van de negentiende eeuw, zijn reizigers vaak opmerkelijk positief over de Groninger veenkoloniën. Ze roemen de welvaart, het nijvere aspect. Ze houden van het rechtlijnige, rationele landschap waar bijna alles zijn nut heeft.
In de industriële era met zijn aardappelmeel- en strokartonfabrieken en de ernstige watervervuiling van dien werd dat heel anders en kwamen de veenkoloniën in een steeds kwadere reuk te staan. Tenminste bij buitenstaanders.
Bij de veenkolonialen zelf niet altijd. De halve meter schuim met zijn rotte eierenlucht op de kanalen bood namelijk ook vertier.
Want dat schuim bevatte methaan. Als je daar een aansteker bij hield, ging het branden. Volgens degene die me dit vertelde zag hij als kind in Oude Pekela zo eens een heel kanaal vol met blauwe vlammetjes. Denk je dat eens in, bij donkere avond moet zoiets een welhaast magisch gezicht geweest zijn.
Omdat ik even bang was dat ik bij de neus genomen werd, zocht ik in de gedigitaliseerde leggers van het Nieuwsblad van het Noorden of er ook voorbeelden van zo´n kanaalbrand die krant haalden. Dat bleek inderdaad het geval, zij het wat laat. Een kader op een pagina over veenkoloniale nostalgie uit 1977 meldt:
“De soms decimeters dikke schuimlaag die het Pekelder diep vanuit de verte altijd op een slecht gelegde asfaltweg deed lijken, was niet alleen maar een bron van ergernis. Je kon er ook lol aan beleven. Want het schuim van het fabrieksafval en de gasvorming op de bodem van het diep wilde heel goed branden.
Vooral op mooie zomeravonden als het gas in het schuim vrij kwam en boven het water zweefde. Een krant aangestoken op het schuim gegooid bezorgde de aanwonenden een prettig avondje. Kleine blauwe vlammetjes lekten dan van brug naar brug en als het een beetje donker aan het worden was, viel daar best van te genieten.
Het leukste was (voor de Pekelder jeugd, maar ook volwassenen deden er gretig aan mee) het gooien van stenen in het brandende schuim. Er ontstonden dan heuse steekvlammen van wel twee meter.
De schippers waren die dagen minder te spreken over deze grappenmakerij van de Pekelders. Meer dan eens vloog een schip vol stro in brand en moets het brandende diep geblust worden. Wat lang niet altijd lukte.”
Er was dus zelfs nog een overtreffend effect met steekvlammen. Mogelijk naar aanleiding van deze publicatie meldde zich een paar weken later een oude heer Kannegieter bij de krant. Als zesjarige had hij op Sint Maartensdag 1916 met een lampion gelopen. Op zich niets bijzonders, maar:
“Na afloop streken we de overgebleven lucifers af. Tot onze grote schrik stond in een oogwenk het hele kanaal in brand. Gelukkig lagen er geen stro-schepen in de buurt.”
Uitstapjes naar Leek
Geplaatst op: 10 september 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe advertentie die ik zocht, over de recreatieve mogelijkheden te Leek en omgeving, vond ik helaas niet terug. Maar deze wel:

NvhN 25 juni 1908.
Bij dit prille toerisme alweer een salonboot. Met de familiën zullen geen arbeidersgezinnen bedoeld zijn. De reis duurde twee uur, zodat men zich van 11 tot 15 uur te Leek kon vermeien.

NvhN 14 juli 1927.
De voornaamste bekoorlijkheden van deze landstreek zijn dat deels nog steeds. Telefoon 1 echter, bestaat niet meer, net zo min als de serres en waranda’s.
Clement over de trekschuiten (1845)
Geplaatst op: 8 september 2014 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesIn Groningerland, Friesland en Holland wordt gewoonlijk per trekschuit gereisd, weinig te voet, nog meer met een wagen dan te voet, namelijk meest met opvallend gevormde eenspannen (sjezen, HP).
(…)
Er is geen gerieflijker manier van reizen dan per trekschuit, hoewel het niet snel gaat, hoogstens een kleine Duitse mijl per uur.
(…)
Vergelijkbaar met de huidige Engelse flyboats , waarmee ik ook in Schotland en Ierland gereisd heb, zijn de nu onlangs in Holland ingevoerde bargen, die scherp gesneden zijn en daarom sneller en lichter varen, en ook langer zijn dan de trekschuiten. Beide worden door paarden getrokken, gewoonlijk door een, soms door twee. De schuiten zijn 40 à 50 voet lang en bijna 8 voet breed, de bargen echter tegen de 60 voet lang. Enige schuiten hebben twee roeven, een voor de eerste en de ander voor de tweede klas, andere hebben er maar eentje. De schuiten in Groningerland zijn aangenamer om te zien en gerieflijker, dan die in Friesland. Een grote schuit neemt wel eens tegen de honderd passagiers mee, wat zelden voorkomt en waarbij het reizen per trekschuit niet aan te raden is. Tussen Groningen en Winschoten varen er 15 trekschuiten, 8 van Groningen en 7 van Winschoten. Tussen Groningen en Delfzijl zijn het er 14, namelijk 7 van Groningen en 7 van Delfzijl en tussen Groningen en Stroobos op de grens van Friesland 12, welke allemaal te Groningen thuishoren. Nog weer andere schuiten varen van Groningen naar nog weer andere dorpen in Groningerland. De gewone prijs, zo zei me een Groninger, is 1200 gulden. Een schuitenvoerder van Friesland verzekerde me echter dat zijn schuit hem 3000 gulden had gekost. De schuitenvoerders bezitten hun eigen paarden, zo’n paard doet gewoonlijk 60 tot 100 gulden. De lijn, waaraan het paard trekt, kost ongeveer 4 gulden en is in de regel 40 tot 45 vadem lang. Van Groningen tot Dokkum wordt in de trekschuit per persoon 25 stuivers (ƒ 1,25) betaald, namelijk van Groningen tot Stroobos 15 stuivers, en van daar naar Dokkum 10 stuivers, bovendien betaalt men op deze trajecten 4 stuivers voor een koffer. Van Dokkum naar Harlingen kost de vracht een paar stuivers meer. Dus voor anderhalve Pruisische thaler legt men in Groningerland en Friesland een afstand af van 18 tot 20 Duitse mijlen (…).
Andere vaartuigen moeten behoorlijke sommen voor het bevaren van de kanalen betalen, de schuiten betalen in verhouding weinig, de 12 van Groningen (naar Stroobosch) dragen met elkaar jaarlijks 200 gulden af, waarvan100 in Groningen en 100 in Stroobos worden betaald aan de daar woonachtige commissarissen van het veer. Bovendien betaalt een schuitenvoerder voor de vaarbiljetten in het geheel jaarlijks ongeveer 25 gulden. In Friesland geeft de schuitenvoerder voor iedere passagier 3 stuivers aan de commissaris, waarvan de wegen, kanalen enz, in stand worden gehouden. Omdat het verkeer in Zuid-Holland natuurlijk drukker is dan in Noord-Holland, Friesland en Groningerland, is daar vanwege de grote hoeveelheid reizenden het reizen, hetzij met trekschuiten, diligences of per spoor, niet zo gerieflijk als hier. Ook wordt men in het noorden des lands beter behandeld aan boord van de schuiten, dan in het zuiden. De Friese schuitenschipper is in de regel ook veel interessanter, want intelligenter, dan een Hollandse.
Bron: Knut Jungbohn Clement , Reise durch Frisland, Holland und Deutschland im Sommer 1845 (Kiel 1847) pag. 36-39.
Nog een andere Duitse reiziger over de trekschuiten.
Een ode aan de vrouwen van Appingedam
Geplaatst op: 7 september 2014 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
Volgens de zeer eigengereide en bruuske taalgeleerde en veelschrijver Knut Jungbohn Clement (1803-1873) vormden de Noord-Friezen, en dan met name die van zijn geboorte-eiland Amrum, “het edelste ras der mensheid”. Toch zag deze chauvinist in zijn voorkeursregio niet de allermooiste vrouwen. Die ontwaarde hij namelijk toen hij in 1845 met de trekschuit op doorreis was in Appingedam:
“Het eerste stadje, dat men met de schuit van Delfzijl doorkomt, is Appingedam. Men komt midden door de stad; wij des namiddags tegen drie uur. Overal uit de vensters boven ons knikten uiterst hupsche en slanke vrouwen en meisjes, uitnemend schoon van gelaat, wier schoonheid het gouden oorijzer nog verhoogde. Ze waren veel knapper dan ik tot dusver nog ergens gezien had. Haar teint is onvergelijkelijk helder en zuiver, de huid als doorschijnend, de gestalte rijzig en slank, het gezicht langwerpig, het voorhoofd hoog en bizonder welgevormd, de oogen blauw en veelzeggend, de neus gestrekt en fijn besneden, mond en kin vriendelijk, de tanden echt en blank.
Een buitengewone evenredigheid vertoont zich in haar ganschen bouw, welke de schoonheidslijn in hooge mate kenmerkt. Haar trekken zijn regelmatig, maar meer gezond dan bij andere Friezen; zij hebben geen uitstekende wangbeenderen, het vrouwelijk geslacht in Oost-Friesland en ook in Holstein is grover dan dat in Groningerland; de vrouwelijke schoonheid in Groningen nadert reeds meer tot de Engelsche. Appingedam is de eerste plaats, waar ik het gouden oorijzer der Friezinnen zag. Dit is de fraaiste vrouwelijke hoofddracht, die ik ergens gezien heb en past volmaakt bij de soort van schoonheid en de onvergelijkelijke gelaatstint der vrouwen in deze streken.”
Bron: Knut Jungbohn Clement , Reise durch Frisland, Holland und Deutschland im Sommer 1845 (Kiel 1847) pag. 35. De vertaling is van T. (Jacob Tilbusscher) in het Nieuwsblad van het Noorden d.d. 30 mei 1914.
Bakkers aan de schandpaal
Geplaatst op: 5 september 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesIn december 1920 was de graanprijzen weer wat gedaald. Maar dat betekende nog niet dat de broodprijs ook zakte. In de gemeente Finsterwolde heerste daarover grote ergernis:
Tot prijsdaling gedwongen
De bakkers te Finsterwolde (Gr.) hielden den prijs van het grof roggebrood maar steeds op 60 cent per 2,8 KG., niettegenstaande de roggeprijs aanmerkelijk was gedaald.
De burgemeester heeft daarom (…) den bakkers aangeschreven om den prijs spoedig en belangrijk te verlagen, daar anders zal worden voorgesteld dat de Gemeenteraad in de broodprijzen regelend optreedt.
De bakkers hebben daarop den prijs gebracht op 56 cent.
Bron: Het Centrum 3 december 1920.
Als het niet linksom kan, dan maar rechtsom, dachten de bakkers van Finsterwolde blijkbaar, want een paar maanden later viel er een nieuwe klacht te horen:
Bakkersgeknoei
De burgemeester der gemeente Finsterwolde (Gr.) heeft zich gewend tot de bakkers met betrekking tot het gewicht van het brood, dat lang niet in overeenstemming is met den prijs. Daartegen wordt ernstig gewaarschuwd. Ter bestrijding van dat kwaad zal (…) op ongeregelde tijden door de politie een onderzoek worden ingesteld en mocht het dan voorkomen, zoo zullen de namen der betrokken bakkers ter openbare kennis worden gebracht.
Bron: De Tijd 23 februari 1921.
Kinderen kwamen van de honger over de Dollard
Geplaatst op: 3 september 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesVoor de Eerste Wereldoorlog kostte grof roggebrood – “een zeer veel gebruikt volksvoedsel in de provincie Groningen” – 8 cent per kilo te Finsterwolde. Na de Eerste Wereldoorlog, in september 1920, was dat 27 cent per kilo geworden, dus ruim drie maal zoveel.
Heerste hier schaarste, aan de andere kant van de landsgrens was het nog veel beroerder. Zo berichtten de kranten in juli dat jaar:
Hongerige kinderen
Een visscher uit Finsterwolde (Gr.) trof dezer dagen op da Dollardsaanwassen vier Duitsche kinderen aan van 11 tot 13 Jaar, die te Ditzumerverlaat (Oost-Friesland) een boot hadden weggenomen, om daarmee over de Dollard naar ons land te varen. Ze waren van honger uit Emden gekomen. In de marechausseeskazerne te Finsterwolde werden de hongerigen gevoed. De burgemeester van Finsterwolde droeg den visscher op, de Duitsche boot binnen den dijk te halen, doch toen hij kwam, was de boot niet meer te vinden. De kinderen zijn over Nieuwe Schans weder naar Oost-Friesland gebracht.
Ik denk dat de ouders heel blij waren dat ze hun kinderen terugzagen.
Door de oorlog en nadien nog de voortdurende blokkade en de aan Duitsland opgelegde herstelbetalingen heerste er een chronische ondervoeding in Duitsland, soms overlopend in een regelrechte hongersnood. Her en der in Duitsland bedelden haveloze en uitgehongerde kinderen om eten bij de Britse en Amerikaanse legerkampen. Soms konden militairen dat niet meer aanzien en vroegen overplaatsing aan.
Een huldeblijk voor de sluiswachter van Ganzedijk
Geplaatst op: 29 augustus 2014 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesINGEZONDEN
Jan Rotmans
M. de Red. !
Een zeer bescheiden en toch hoogst belangrijk persoon gaat de gem. Finsterwolde met Mei a.s. verlaten, ’t Is de heer Jan Rotmans, sluiswachter bij de sluis van Reiderland. In 1847 te Bellingwolde geboren, kwam hij in 1852, toen zijn vader sluiswachter werd van de sluis van Bellingwolde te Ganzedijk. Van ’52 tot ’66 beheerde deze de Bellingwoldster sluis, toen hij in ’66 door ’t Hoofdbestuur van Reiderland aangesteld werd als wachter bij de Dollardsluis. In ‘98 trad de vader wagens hoogen leeftijd, af. Natuurlijk werd toen zijn zoon Jan Rotmans zijn opvolger. Ik zeg: „natuurlijk”, want wie zou beter dien veteraan hebben kunnen opvolgen? Al was nu de zoon de chef in naam, de ziel van alles bleef toch de oude man tot zijn dood in 1905. Na dien tijd treedt de jonge Rotmans meer op den voorgrond. Reeds op 10-jarigen leeftijd hielp hij zijn vader de buitendijksche vaargeul “ploegen”, en was sindsdien zijn vader !n alles behulpzaam. Hij groeide als met de Dollard op. Hij herinnert zich nog levendig de hoogo vloeden van ’77 en ’83, toen de heele familie moest vluchten, maar zij — vader en zoon — bleven. Hij schildert u levendig, hoe de Kerkhovenpolder bij dien laatsten vloed overstroomde, en hoe die doorbraak van gunstigen invloed was op „hun” sluis. Ja, wie ’n oogenblik tijd heeft en met den heer Rotmans praat over den Dollard en zijn ontstaan, die gaat met ’n schat van opmerkingen en wetenswaardigheden weer heen. —
Achtereenvolgens dienden ze drie voorzitters: eerst den heer Alb. Waalkens, daarna den heer H.B. Muntinga, beiden overleden, en thans den heer H.P. Waalkens, burgemeester van Blijham. Noch zijn vader, noch hij heeft in al die jaren ooit wegens ziekte gemankeerd. ’t Was dan ook steeds ‘n eenige huishouding, waar ieder graag een poosje zich ophield. De „oude vrouw”, bij velen nog zoo goed bekend, was de gulheid, de vriendelijkheid, de voorkomendheid in persoon. Toen zij in 1909 overleed, was dat dan ook een groot verlies voor de familie. Gelukkig — de tijd heelt alles. Langzamerhand herstelde alles zich weer.
En zoo zijt gij heden, vriend Rotmans, er dan nu toe gekomen, uw ontslag te vragen, dat u met 1 Mei a.s. op de meest eervolle wijze is verleend. Zestig jaren waart ge hier werkzaam, onvermoeid en steeds tot groote tevredenheid uwer superieuren. Was er soms verschil van inzicht, gij kwaamt steeds rond en eerlijk voor uwe meening uit. Vaak bleek die meening de juiste. —
Welnu, al gaat gij ons verlaten, uw naam blijft bestaan; „Rotmans huis” en „Rotmans ziele”, ze zullen nog duizenden malen worden genoemd. Geniet, onder de meest gunstige omstandigheden, uw welverdiende rust en neem bij uw vertrok naar Nieuwolda, dat trotsch mag zijn op zulk een inwoner, den oprechten dank mee van allen, die u hier kennen. Het ga u ook daar wel! De Ganzedijksters wenschen het u van ganscher harte toe.
Met vriendelijken dank voor de plaatsing,
Uw dw.:
O.
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 1 mei 1918.
Jan Rotmans overleed in 1932 te Nieuwolda, 84 jaar oud.
Omkeerbare ontginningen
Geplaatst op: 25 augustus 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Het Noorden, Onlanden 1 reactie
Dit speciale nummer van Natura uit 1935 bevat onder meer een overzicht door G.A. Brouwer van natuurgebieden in en zeer nabij de provincie Groningen. Een paar frapperende citaten:
Uit de paragraaf over laagveenmoerassen:
“Onder de veengraverijen namen tot voor enkele jaren de prachtig begroeide Tolberter Petten (ca, 300 Ha.) in het Westerkwartier de eerste plaats in. Verschillende moerasvogels w.o. Zwarte Stern en Witgesterde Blauwborst, vonden hier een ideaal broedterrein, maar helaas is dit gebied in 1931 en volgende jaren als werkverschaffingsobject drooggelegd en volkomen geëgaliseerd.”
Voor een groot deel is dit gebied al lang en breed weer natuur. Er hebben maar drie generaties op geboerd. Min of meer geldt dat ook voor de Eelder- en Peizermaden;
“Ook de uitgestrekte madelanden (onbemeste hooilanden) die in de zomer een uitverkoren broedgebied voor de verschillende weidevogels vormen en die enige winters geleden, toen zij nog ten deele onder water kwamen, talrijke troepen ganzen (anser albifrons, brachyrhinchus en fabalis) tot zich trokken, komen langzamerhand in cultuur. In het westen werden het Peizer- en Eelder diepje in de laatste jaren genormaliseerd en voor de gelijknamige maden werd een waterschap opgericht. Aan verbetering van de hooiwegen wordt hard gewerkt (werkverschaffing) en met den bouw van boerderijtjes is reeds begonnen, zoodat binnenkort het aantal menschen zal toe en dat der Grutto’s zal afnemen, terwijl aan de baltsvluchten van den Wulp boven de Eeldermade wel heelemaal een einde zal komen.”
Rusland op doorreis in Finsterwolde
Geplaatst op: 23 augustus 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesNaar het westen:
FINSTERWOLDE, 23 Aug. Hedenmorgen werden door een der kommiezen bij ’s rijksbelastingen alhier te De Wolf aangetroffen twee uit Duitschland gevluchte Russen, die krijgsgevangen waren. Zij zijn bij Statenzijl over de grens gekomen en werden gebracht naar de marechaussee-kazerne, vanwaar zij naar Rotterdam zullen worden overgebracht.
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 24 augustus 1916.
Naar het westen:
FINSTERWOLDE. 9 Juli. Hedenvoomiddag werd hier aangebracht een uit Duitschland ontvlucht[e] Russische krijgsgevangene. De man was doodmoe en had ongeveer een uur in den Dollard gezwommen, gedurende welken tijd hij zich van een gedeelte van zijne kleeding had ontdaan. Hij had bij zich een gouden horloge met dito ketting en eenig geld, Vannamiddag werd hij door de marechaussees naar Groningen gebracht en van daar gaat hij naar Rotterdam.
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 10 juli 1917.
Commentaar: in beide gevallen ging het om Russen, die kennelijk even over de grens in krijgsgevangenenkampen vast zaten. De man uit het tweede bericht ontdeed zich mogelijk van kampkleding. Blijkbaar werden Russen tijdens de Eerste Wereldoorlog in Rotterdam geïnterneerd.
Naar het oosten:
Te Finsterwolde zijn Woensdagavond twee vreemdelingen opgesloten, die werden aangehouden en op hun passen den naam van het kamerlid Wijnkoop hadden vermeld en zeiden naar Rusland te gaan.
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 10 januari 1919.
Commentaar: In het laatste geval ging het waarschijnlijk om communistische verbindingsmensen. David Wijnkoop had zich kennelijk garant voor hen gesteld. Hij zat in de Tweede Kamer voor de communistische partij.
Blauwmaanzaadsnoepertjes komen te pas
Geplaatst op: 21 augustus 2014 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
FINSTERWOLDE, 8 Sept. Twee zoontjes van den handelaar H. Mulder alhier aten zooveel blauw maanzaad, dat de gevolgen niet uitbleven. De jongens vielen in slaap en sliepen ongeveer 36 uren achtereen.
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 9 september 1916.
Commentaar: Het moet haast wel om medicinale blauwmaanzaad of vogelvoer gegaan zijn, want bakkers deden indertijd nog geen blauwmaanzaad op brood, dat is pas iets van de laatste decennia. Er zal dus ook nog de volle mep aan opiaten in hebben gezeten.
‘Wat de oorlog ons leert’, mocht oostelijk Groningen niet weten
Geplaatst op: 20 augustus 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“De militaire gezaghebber van de in staat van beleg verkeerende gemeenten Beerta, Bellingwolde, Finsterwolde en Vlagtwedde heeft in die gemeenten de verspreiding verboden van de brochure ‘Wat de oorlog ons leert’, een uitgave van het Groningsch-Drentsch comité van den Alg. Ned. Geheelonthoudersbond.”
Aldus De Tijd op 14 november 1914, in een berichtje dat nieuwsgierig maakt naar de inhoud van de verboden brochure. Wat voor les trokken de anarchistisch angehauchte geheelonthouders van de ANGOB destijds uit de oorlog? Helaas viel dat zo een twee, drie niet te achterhalen, maar naar het zich laat aanzien was de christen-anarchist Jac van Rees de auteur van het geschrift, dat in een unieke, wat latere versie nog aanwezig is bij het IISG in Amsterdam. Daar wil ik dus graag kopietjes of scans van, ook omdat de brochure mogelijk iets zegt over de wereldbeschouwing van mijn anarchistische oudoudoom Harm Tuin, die immers secretaris was van de geheelonthoudersclub van Finsterwolde en Beerta.
Gezien de ongeveer 350 mensen die in 1913 een meeting van geheelonthouders in Finsterwolde bijwoonden, bestond er in principe ruime belangstelling voor de verboden brochure. Of zo’n verbod op verspreiding dan wel zin had? Tien kilometer verderop heerste er geen staat van beleg en kon je vrijelijk aan het boekske komen, zonder belemmering door de lokale militaire bevelhebber.
Toch werd volgens het blad De Grondwet van 15 december nog een proces-verbaal opgemaakt “wegens het verspreiden van lectuur, die is verboden door den majoor-commandant, uitoefen[en]de het militair gezag in de grensplaatsen in oostelijk Groningen”. Ongetwijfeld ging het om dezelfde brochure van de ANGOB, in dit bericht ook weer met name als uitgever genoemd, al zou een Groningsch-Drentsch comité van deze bond de brochure hebben ondertekend.
Het Grondwet-bericht duidt de geverbaliseerde aan met H.G. te Finsterwolde, wiens initialen voorlopig niet te herleiden zijn, bijv. via de lijst met staatsgevaarlijke individuen uit 1924. Misschien was er ook wel een vergissing in het spel, en betrof het H.T. Een veroordeling heb ik evenmin gevonden, mogelijk werd het zaakje geseponeerd.
Overigens licht De Grondwet een tipje van de sluier op wat betreft de inhoud van de verboden brochure. Het geschrift deelde “een en ander” mee “over het optreden der Duitsche militairen in België”. Laatst viel me al op dat Nederlandse kranten in augustus en september 1914 nauwelijks iets over de Duitse terreurdaden in plaatsen als Aarschot en Zemst publiceerden, kennelijk bestond er wat dat betreft (zelf)censuur in Nederland, waar men de neutraliteit niet wilde riskeren door al te veel ruchtbaarheid te geven aan de waarheid. Waarschijnlijk schreven de geheelonthouders van het ANGOB de Duitse terreur in België (mede) toe aan drankmisbruik. En daar zuillen ze vast geen ongelijk in hebben gehad. Maar dat laat zich dus pas toetsen als ik weet wat er in die brochure staat.
Scheepsjagers opgeschrikt door concurrent
Geplaatst op: 19 augustus 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“TER APEL, 13 Dec. Al te modern!
Voor een paar dagen passeerde te Ter Apel een echte stoomsleepboot met vijf groote, met steenkool geladen schepen, uit Duitschland komende, achter zich. Geen alledaagsch gezicht; een sleepboot was in deze kanalen der Gron. Veenkoloniën tot nu nooit gezien. De scheepsjagers scholden de boot dan ook hartelijk uit.”
Bron: De Grondwet 9 januari 1917.
Via de krant in Winschoten (1916)
Geplaatst op: 17 augustus 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenImmenga’s mineraalwaterfabriek, bierbrouwerij en bottelarij, een bedrijf dat van zeker 1905 tot 1941 heeft bestaan:

De stereotype bejaarde in een advertentie voor het hoestdrankje Abdij Siroop:

Loodgieter E. Huizinga wist wat zijn primaire doelgroep was:

Uit Oude Pekela kwamen de kruidenmengsels van Jacoba Maria Wortelboer. Probaat huismiddel volgens haar nazaten, je reinste kwakzalverij volgens de medische stand:

Bron: Alle advertenties uit de Winschoter Courant, de edities van resp. 12 maart, 21 april (2 x) en 23 juni 1916.
Van Moskou naar Bellingwolde
Geplaatst op: 12 augustus 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenEind 1920 komen twee joodse jongens vanuit het revolutionaire Moskou aan in Bellingwolde. De reis, die ze grotendeels te voet aflegden, duurde zes weken. In een quaranntainekamp bij Enschede vertelden de jongens aan een correspondent van De Tijd over de verschrikkingen die ze achter zich lieten.
Men schrijft ons uit Enschedé:
In het quarantainekamp alhier zijn twee jeugdige Russische Joodsche jongens opgenomen, die, komende van Moskou, een groot gedeelte van den weg naar Nederland te voet hebben afgelegd.
Dankzij de bereidwilligheid van den directeur van dit kamp, waren wij hedenmorgen in de gelegenheid een onderhoud met deze jongens te hebben, waarvan de oudste, dankzij het gymnasium-onderwijs dat hij genoten had, vrij goed Duitsch sprak.
In een afzonderlijk vertrek van een der kampgebouwen kregen wij hen onder het genot van een sigaret spoedig aan het praten, waarbij de oudste, de 17-jarige A. het woord voerde, af en toe aangevuld door opmerkingen van den 14-jarigen B.
Wat den tegenwoordigen toestand in Moskou betreft (al is die wat het moorden betreft beter dan in 1918/19), waar beiden geboren werden vertelden ze ons, dat dit elke beschrijving te boven ging; het was gewoonweg niet te vertellen en nu ze hier eenigen tijd in Holland waren, kwamen hun de verschrikelijke gebeurtenissen in hun geboorteplaats voor als in een droom. De moeder van A. werd op straat door de Bolsjewieken doodgeschoten, omdat ze in het bezit van meer dan 3000 roebel was. Het lijk, dat op straat bleef liggen, werd later door hen weggehaald en met eigen handen op de Joodsche begraafplaats aan den schoot der aarde toevertrouwd. Deze straf wordt op iedereen toegepast, die op straat wordt aangetroffen en die meer dan genoemd bedrag bij zich heeft (= draconische maatregel tegen kapitaalvlucht, HP).
Met de voeding, kleeding en verwarming was het in de groote stad treurig gesteld. Wie niet bij de bolsjewieken is aangesloten, moet het met een kwart pond brood per dag stellen, doch de bolsjewieken zelf hebben aanspraak op het dubbele rantsoen. Wie buiten deze rantsoeneering op straat met brood wordt aangetroffen, wordt doodgeschoten.
Doch dit alleen is niet voldoende, want het „vrouwenbataljon” weet wel uit te vinden waar dit brood gehaald werd, en ook die persoon of personen krijgen den kogel. Dit „wijvenbataljon”, zooals A. het noemde, trekt naar de huizen der meergegoeden, die er van verdacht worden, nog geld of sieraden verborgen te hebben. Alles wordt onderzocht, binnens- en buitenshuis, af- en losgebroken, en wee hun, wanneer er iets te voorschijn mocht komen. Die z.g. rijken zijn van de distributie van voedsel uitgesloten. Het vroegere Russische geld, dat thans is vervangen door bolsjewiekenpapier, is niet meer gangbaar, maar wordt in het geheim toch nog in betaling aangenomen.
Voor nu twee maanden geleden, toen de jongens den tocht ondernamen, was de toestand in Moskou zóó, dat iedereen een goed heenkomen zocht. A. wist niet waar zijn vader heengetrokken was. De ouders van B. en een jonger broertje zijn eveneens deze stad, waar alle familieverband schijnt verdwenen te zijn, ontvlucht. Waarheen? hij wist het niet.
De Zionistenbond waar A. lid van was, is in Rusland, waar buiten de Bolsjewisme-organisaties niets erkend wordt, een verboden organisatie, en het lidmaatschap daarvan wordt bij ontdekking met den kogel gestraft.
Sluit men zich bij de bolsjewieken aan, dan zijn daar direct, vooral wat de voeding betreft, tal van voordeelen aan verbonden. Een boer, die in de stad komt en met een bolsjewiek in aanraking komt, ziet tegen hem op als iets buitengewoons. De soldaten ontvangen in de eerste plaats voedsel en menigeen is blij, ook al is hij geen bolsjewiek, voor den dienst opgeroepen te v/orden, omdat dat beteekent kleeding en voedsel. De troepen, die tegen Wrangel vochten (aldus A), gingen in het vuur met een ongekend elan, omdat hun onder aanvoering van de kopstukken der bolsjewieken, overvloed van voedsel was toegezegd. In Moskou telde men onder die kopstukken schoenmakers, huisknechten e.d.
De beide knapen waren de stad ontvlucht, met het vooropgezette doel Holland te bereiken en met de gedachte, dat ze daar vrij zouden zijn. Nu ze van ons vernamen, dat dit niet het geval was en dat ze vermoedelijk naar het kamp te Harderwijk zouden worden overgebracht, kwamen ze in opstand; vooral A., die verklaarde dat hij geen boosdoener was en dat hij niet naar „Herderwiek” wilde.
Wat de tocht zelf betreft, hadden ze kans gezien per trein de grens van Letland te bereiken. Een keer in Letland werd de tocht te voet voortgezet tot ze in Duitschland kwamen. De nachten werden veelal doorgebracht in nabij de stations staande goederenloodsen. Verder Duitschland in ontvingen ze hier en daar geld en dat stelde hen in staat af en toe per trein te reizen. Zoo ging het verder tot ze eindelijk, na een tocht van 6 weken, in de buurt van Bellingwolde over de Hollandsche grens kwamen en door de grenswacht werden opgepikt.
Hoe het hun hier beviel? Ze lachten toen we die vraag stelden en betuigden dat ze nog nooit in zoo’n goed land waren geweest; iedereen gaf hun geld en eten kregen ze volop. Toch kon A het niet goed zetten, dat hij eigenlijk een gevangene was. Hij wilde vrij zijn en evenals zooveel andere landgenooten, die naar Amerika trekken, hier in het vrije Nederland werken om den kost te verdienen.
We bemoedigden deze beide slachtoffers van den ontzettenden wereldoorlog met een enkel woord, zoodat ze ons bij het heengaan dankbaar de hand drukten, misschien in de meening, dat we iets voor hen zouden kunnen doen. Toen we nog een oogenblik buiten bleven toeven, zagen we de beide jongens, zoons van welopgevoede en eertijds welgestelde menschen, in de lichte kampkleeding, met groote klompen aan de voeten, de hun aangewezen barak weer binnengaan, om straks, o wreede werkelijkheid, op transport gesteld te worden naar Harderwijk. En dan
Naschrift –
Toen we het bovenstaande hadden opgesteld, gewerd ons door bemiddeling van den directeur van het quarantainekamp het verzoek, de namen der jongens achterwege te laten. Dit verzoek was speciaal gedaan door A. (gefingeerd evenals B.) omdat hij, zoo de door hem verstrekte inlichtingen onder de oogen mochten komen van den bolsjewieken-spionnagedienst, vreesde, dat zijn broer, die in Rusland soldaat is, daarvan de dupe zou worden.
Bron: De Tijd 10 december 1920 (in de dagen erna door vele kranten overgenomen).

Recente reacties