Doortrapte propaganda uit 1914

Op affiches van vlak voor de Eerste Wereldoorlog, zoals deze uit de collectie van het Vredespaleis, probeerde Duitsland al zijn aanval op België aan den volke te verkopen. De Britten konden maar zo door België heen lopen, heette het, en binnen tien dagen stonden die dan in het Rijnlands-Westfaalse industriegebied:
Dld 0
Een ander affiche wil aannemelijk maken dat België in een toekomstige oorlog fungeert als basis voor Britse luchtaanvallen. Duitslands industrie zou meteen aan vernietiging blootgesteld zijn:
dld 1
In feite lagen de Duitse aanvalsplannen allang klaar en was het ook Duitsland dat het neutrale België aanviel, onder andere met vliegtuigen en luchtschepen. Met het brute geweld en de terreur tegen gewone Belgische burgers verspeelde Duitsland veel krediet. En dankzij de taaie tegenstand van de Belgen, verzandde het geplande Duitse offensief, zodat de uitkomst van de oorlog eigenlijk in de eerste maanden al vast stond. Er moesten alleen nog miljoenen mensenlevens doorgedraaid worden, voordat de aanvaller er eindelijk aan wilde geloven.


‘Op je gezondheid, Beschaving!’ en wat andere cartoons uit de Eerste Wereldoorlog

Ben bezig met de beeldredactie voor de volgende Stad & Lande, een themanummer over de Eerste Wereldoorlog. Op voorhand had ik er een hard hoofd in, maar het valt ontzettend mee. Er is veel meer beeld dan je denkt.

Wat me bijvoorbeeld weer een beetje verrast (en toch ook weer niet), is de grote hoeveelheid voortreffelijke cartoonisten uit die periode. Iedereen kent natuurlijk Louis Raemaekers, over wie vorig jaar al een boek verscheen en zo meteen weer een. Al ligt de partis-pris er in zijn werk soms duimendik op, Raemaeker maakte ook tekeningen met een wat subtielere, Goya-achtige kwaliteit. Bijvoorbeeld deze, die nog steeds actueel is, als je bijvoorbeeld kijkt naar het oosten van de Oekraïne, de Gaza-strook of het Noorden van Irak: ‘Op je gezondheiod, Beschaving!’:
1 - Louis_Raemaekers, Beschaving, op je gezondheid 1916

Voor de krant, de destijds zeer Engelsgezinde Telegraaf, zat Raemaekers natuurlijk wat dichter op de actualiteit met zijn tekeningen. Hier hekelt hij het doorsluizen van door Engeland geleverde oliën en vetten naar Duitsland (1915). Kijk eens hoe verlekkerd die leeuw zich om zijn bek slikt, zo worden ze tegenwoordig niet meer gemaakt:

2 - telegraaf 11 sept 1915 Het zoete winstje te Rotterdam

Iemand die zich sterk met de ruim één miljoen Belgische vluchtelingen vereenzelvigde, was Leo Gestel. Deze prent van hem uit 1914 sierde een affiche voor een fondswervingsactie:

3 - Vlucht u belgie Tentoonstelling van illustraties en teekeningen door Leo Gestel georganiseerd door het Comité de Secours aux Victimes Belges 1914

Albert Hahn, oorspronkelijk een Groninger, kennen we vooral van zijn politieke tekeningen voor De Notenkraker, een bijvoegsel van de socialistische krant Het Volk. Toen de Belgische vluchtelingen teruggekeerd waren naar hun vaderland, kwamen daar meerdere rijen prikkeldraad omheen. Deze barrière kostte menige nieuwe vluchteling het leven:

4 - aan de belgische grens

 


Een anecdote over Prins Hendrik

“Op Texel met den Prins (Red. Prins Hendrik). De Prins is een zeer weinig ontwikkeld man, niet ontbloot van gezond verstand, wel sympathiek, zéér eenvoudig. Toen wij te Koog aankwamen juichte het volk hem toe. Hij steeg uit het rijtuig en … ging een plasje doen tegen een heg. Het gejuich verstomde. Toen hij klaar was begon het weer.”

Bron: aantekening bij de data 1, 2 en 3 juni 1911 in het dagboek van Hendrik de Booij, destijds secretaris van de Noord- en  Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij.


Agrarische repercussies van een wereldbrand

Honderd jaar geleden begon de Eerste Wereldoorlog. Nederland bleef neutraal, maar dat betekende niet dat je hier niets van die oorlog merkte. Integendeel, denk maar eens aan ruim het miljoen Belgische vluchtelingen, op een bevolking die veel kleiner was dan nu. In een bij uitstek agrarische provincie als Groningen, waar zelfs de industrie voornamelijk agro was, gaven de maatregelen voor mobilisatie en voedselvoorziening ook heel wat extra rompslomp.

Gemotoriseerd vervoer was er nog nauwelijks, dus had het leger paarden nodig om kanonnen, veldkeukens en wat dies meer zij van de ene plek naar de andere te krijgen. In Finsterwolde, waar mijn grootvader op 1 augustus gemobiliseerd werd, om bijna drie jaar lang onder de wapens te blijven, werden bijvoorbeeld alle huishoudens met paarden opgeschreven. Dat waren er 86:

2013-10-17 009
Omdat heel veel jongens en mannen in het leger zaten, was er in drukke perioden voor de landbouw, zoals de hooitijd, veel minder mankracht. Daarvoor werd dan weer een speciale verlofregeling opgetuigd:
2013-10-17 030
Nog afgezien van de legale of illegale verkoop naar Duitsland, was er sowieso minder voedsel door de mindere mankracht. De prijzen van dat voedsel stegen dus de pan uit. Daarom kwamen er maximum-prijzen voor bijvoorbeeld vlees. De burgemeester van Finsterwolde, die het natuurlijk veel drukker had dan gewoonlijk,  nam gewoon de publicaties van zijn ambtgenoot in Winschoten over en vulde daarbij dan eventueel ook nog de nieuwe pondsprijzen in:
2013-10-17 044
De legerpaarden aten wel hooi, terwijl het leger geen hooiland had. Daarom was er hooivordering:
2013-10-17 080

Bron: Archiefbewaarplaats gemeente Oldambt in Scheemda, archief voormalige gem. Finsterwolde, inv.nr. (moet ik nog even weer opzoeken).


“Onze aanvankelijk gedrukte stemming verdween spoedig”

2014-07-20 064

INGEZONDEN

OPENLIJKE DANKBETUIGING

Geachte Redactie!

Wij, soldaten van het Grenswacht Det[achement] Bellingwolde, zouden het zeer op prijs stellen, wanneer U eenige regels van dank in Uw veelgelezen blad zoudt willen plaatsen.

Den 11den April werden wij met zijn zesentwintigen, allen „stadjers”, naar den Carel Coenraadpolder gestuurd en we waren het er volmondig over eens, dat „de wereld hier dicht was geplakt met krantenpapier”. We hadden ons echter al gauw ln ons lot geschikt en onze aanvankelijk gedrukte stemming verdween spoedig, dank zij de gulle hartelijkheid, waarmede boer Uil en zijn vrouw ons behandelden en die er voor zorgden, dat wij menig uurtje ln gezelligheid versleten. Verder danken wij den sluiswachter Luppens en zijn vrouw voor de vele kopjes thee en koffie, waarmee zij ons de lange wachturen heel wat dragelijker hebben gemaakt. Ook een woord van dank tot de bevolking van Drieborg is op zijn plaats, in het bijzonder tot de Drieborger vrouwen, die ons des Zaterdags op cake, pinda’s en cigaretten onthaalden. Het was werkelijk met een bezwaard hart, dat wij deze, zoo vertrouwd geworden omgeving moesten verlaten. We hopen echter, dat ons nieuwe „home”, Finsterwolde, even gezellig voor ons zal worden.

Met dank voor de plaatsing,

DE SOLDATEN UIT DEN CAREL COENRAADPOLDER

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 16 juni 1939.

 


Staatsgevaarlijk in Finsterwolde

Op een justitiële lijst met Nederlandse revolutionairen uit 1924, komen 11 namen uit Finsterwolde voor. Het gaat om een anti-militarist (lid van de IAMV), drie leden van de lokale, anarchistisch angehauchte Hongerlijderspartij en zeven communisten. Van de staatsgevaarlijke sujetten, was 63,6 % dus communist, hoewel dat in alle gevallen niet stalinistisch hoefde te betekenen, want Beeno Tuin stond ook als communist op de lijst, terwijl hij een paar jaar later door de volbloed-CPH-ers als “renegaat” werd verketterd.

Op een soortgelijke lijst uit 1939 vinden we de naam van dit verre familielid van me niet terug.  Intussen was volgens de Crimineele Inlichtingen Dienst (CID) het aantal staatsgevaarlijke sujetten te Finsterwolde in 1939 meer dan verdrievoudigd. Van de 34 personen dat jaar op de lijst, was er 1 anti-militarist, 3 anarchist en 30 communist.  Die laatste groep maakte dus 88,7 % van de staatsgevaarlijke populatie uit, waarmee ze een nog een forsere meerderheid had dan in 1924. Daarentegen slonk het anarchistische aandeel.

De relatieve cijfers maken duidelijk hoe het communisme in het Interbellum veld won te Finsterwolde. Ook laten ze zien dat het bevoegd gezag de communisten in 1924 al het meeste vreesde en dat die angst in de loop der jaren alleen maar toenam. Zoals gezegd verkreeg het communisme vlak na de Eerste Wereldoorlog hier anklang.

Met dank aan Henk van der Meer voor het attenderen op de lijsten.

 


Hoogkerker communisten en de internationale politiek

Luisteravond Radio Moskou.

HOOGKERK, 3 Jan.

Elken Dinsdagavond is er luisteravond voor Radio Moskou in het gebouwtje van de C.P.H. Het begint ’s avonds om 7 uur. Entree is er vrij. ledere arbeider kan dus komen.

Bron: De Tribune 5 januari 1933.

Fascisten-praatjes

HOOGKERK 2 Febr.

(Arcor) Zaterdag 28 Januari had hier een vergadering der fascisten plaats, welke ten doel had propaganda te maken voor het Nationaal-Socialisme.
Je moet maar durven om met dergelijke frases bij de arbeiders te komen.
Kam[eraad] Hoiting kwam ln debat en maakte de arbeiders duidelijk wat zij van het Nationaal-Socialisme te verwachten hadden n.l. nog veel meer onderdrukking en uitbuiting. Het was voor ons een succesvolle avond.

Bron: De Tribune 4 februari 1933.


De geboorte van het communistische Oldambt

In De Tribune van 7 juni 1919 staat dit staatje met afdelingen van de Communistische Partij Holland en de aantallen leden die deze afdelingen hebben:

CPH 1919 lm n- 1 CPH 1919 lm n- 2

Globaal is het nog piepkleine partijtje in het halve jaar tussen september 1918 en april 1919 bijna verdubbeld in ledental. De verschillende communistische revoluties zoals in Rusland en Duitsland hebben de aantrekkingskracht sterk vergroot. Voor november 1918 heette de Communistische Partij Holland nog Sociaal Democratische Partij (SDP), met de naamsverandering volgden de vaderlandse communisten het Russische voorbeeld. Ook werd de CPH in 1919 lid van de Komintern, de communistische Internationale.

Wat meteen opvalt in het staatje, zijn de nieuwe Oost-Groninger afdelingen: Beerta (20 leden), Finsterwolde (19), Hoogezand (22), Nieuweschans (25), Stadskanaal (7), Winschoten (15).  De Oldambster dorpen hebben in dat halve jaar na de Eerste Wereldoorlog even grote afdelingen gekregen als middelgrote steden als Delft, Dordrecht Gouda en Haarlem.

De auteur van het verslag waarin deze cijfers opgenomen zijn, partijsecretaris Jan Ceton, schreef de ledenaanwas toe aan de gevoerde propaganda. Wat betreft de groei in het Noorden merkte hij op

“dat de Groninger arbeiders zijn gaan beginnen het communisme te begrijpen”.

In Beerta en Finsterwolde was de grond voor het communisme rijp gemaakt door de oude socialistische beweging, die in anarchistisch vaarwater belandde, wars raakte van alle organisatie, en daarom een machteloze indruk achterliet. In deze contreien leek de bezittende klasse – lees de boeren –  heel wat benauwder voor de communisten.

Welke CPH-propagandist hier de geesten bewerkkte, weet ik nog niet, maar het zou best wel eens de onderwijzer Geert Sterringa geweest kunnen zijn.

 


Oproep tot boycot kinderfeest bleek subversief drukwerk in Finsterwolde

“FINSTERWOLDE, 27 Aug. Door de politie zijn bij den veldarbeider H.M. alhier 200 exemplaren van „De Oranjegids” in beslag genomen. De inhoud is beleedigend voor H.M. de Koningin.”

Aldus meldt het Nieuwsblad van het Noorden op 28 augustus 1923. In feite ging het om belegen nieuws, omdat het voorval zich al een poos eerder had voorgedaan. Wèl was er op 27 augustus een ander drukwerkje in beslag genomen, een ‘Manifest tegen het a.s Jubileumfeest van Mevr. van Mecklenburg’, maar of dat nou zo beledigend voor de monarchie was, als het Nieuwsblad-berichtje op gezag van de politie beweerde?

Dit Manifest speelde net als  de eerder geconfisqeerde Oranjegids in op het 25-jarig ambtsjubileum van koningin Wilhelmina, dat eerdaags zou plaatsvinden en waarvoor allerlei voorbereidingen in volle gang waren. De middenstand probeerde ook toen al een graantje mee te pikken:

“In alle mogelijke winkels wordt er aan, liever gezegd in het jubileum gedaan. Men verkoopt jubileum-koek, -glaswerk, -bonbons, -gordijnen, -kleedjes, -borden, -penningen enz.”

Het Manifest wilde fabrikanten en winkeliers dit voor eigen baat gebruik maken van zo’n feest niet kwalijk nemen, maar dat arbeiders erin vlogen, vond het onbegrijpelijk. Want die hadden helemaal niets aan het koningschap, dat slechts een ornament was om de bestaande, onrechtvaardige maatschappij een “schijn van waardigheid” te geven. Bovendien ging het om een symbool van behoudzucht en was het nog duur ook:

“in deze tijden van armoede en gebrek is het een schande, dat jaarlijks handen vol geld worden weggesmeten aan hofhouding, ja zelfs millioenen, waar het volk niets aan heeft.”

Volgens het Manifest had het feest slechts de bedoeling om de arbeiders weer in het “reactionair gareel” te krijgen. Vooral probeerden de koningsgezinden de qua feesten niet bepaald verwende arbeiderskinderen te paaien. Vandaar dat het Manifest in de boycot-oproep, waarmee het besloot, zelf ook speciaal aandacht aan die kinderen schonk:

“Arbeiders van Nederland, zult ge u op deze wijze laten gebruiken voor reaktionaire, kapitalistische doeleinden, voor iets dat tegen uw eigen wezenlijk belang ingaat? Wij wekken u op om niet mee te doen aan de oranjepret, om ook vooral uw kinderen niet te laten gebruiken en op die dagen iets anders te geven, een andere genieting, waardoor hun aandacht van den oranjezwendel wordt afgeleid.”

Het Manifest schold het staatshoofd zeker niet uit, riep ook niet op tot geweld, maar verpakte slechts een boycot-oproep in anarchistisch-politieke retoriek. Mijns insziens werd het volkomen ten onrechte in beslag genomen, al bleef het zodoende gelukkig ook bewaard.

Dat het tot die inbeslagname kwam, lag vooral aan de politie ter plaatse. Op 25 augustus kwamen deze wachtmeester der marechaussee Pieter Dijkstra en veldwachter Jan Duut ’s avonds om tien uur in het café van Berend de Boer. Daar merkten ze dat in het vergaderzaaltje achter het café nog een vergadering aan de gang was:

“Aan schaduwgestalten konden wij waarnemen dat hier te Finsterwolde woonachtige leden van het sociaal anarchistisch verbond aanwezig waren. Wat er besproken werd kon slechts vaag door ons worden gehoord. Wel konden wij uit brokstukken opmerken, dat het ging over de te Finsterwolde te houden Oranjefeesten, en de verdeeling van geschriften en dat zooveel mogelijk propaganda gemaakt moest worden, dat arbeiderskinderen aan de dan te houden kinderspelen niet deelnamen en dat meer samenwerking en organisatie tusschen de afdeelingen van het sociaal anarchistich verbond te Finsterwolde, Beerta en Woldendorp gewenscht was. Er heerschte ter vergadering ernstig verschil van meening.”

De wachtmeester en de veldwachter wisten tot hun eigen verbazing niet dat deze SAV-vergadering zou plaatsvinden. De volgende dag vroegen ze er kastelein De Boer naar,  die ze vertelde dat hij dat van tevoren ook niet had geweten en evenmin wist, waarover de anarchisten vergaderden.  Dit keer hadden die zich eerst schijnbaar spontaan in het café verzameld en zich daarna teruggetrokken in het zaaltje – ze vergaderden er wel vaker, eind juli hadden ze hem nog om toestemming gevraagd, maar nu dus niet. Er waren ongeveer vijftien man aanwezig, ook onbekenden, onder andere twee timmerlui uit Woldendorp.

Naar aanleiding van deze bevindingen kwam op 27 augustus de driehoek van burgemeester, officier van justitie en regionale politiebaas bijeen, die de wachtmeester en de veldwachter opdracht gaf om een nader onderzoek in te stellen. Hun eerste gang was naar de woning van Hindrik Meulenkamp , waar een dochtertje open deed dat vertelde dat pa en moe in de Reiderwolderpolder op het land aan het werk waren. Desondanks traden de politie-beambten huize Meulenkamp binnen,  waar ze weldra op een boekenplankje aan de muur enige exemplaren ontwaarden van het Manifest tegen het Jubileumfeest.

Met die kennis in hun achterhoofd trokken beide agenten de polder in. Meulenkamp (33) probeerde zich eerst nog van de domme te houden, maar zag al vlug het onhoudbare van deze eerste verdedigingslinie in en gaf toen toe dat hij als secretaris van het SAV een week eerder duizend exemplaren van het Manifest ontving, Volgens hem waren deze op zaterdag de 25-ste allemaal al  verspreid. Een derde bleef in Finsterwolde, twee andere, maar gelijke porties gingen naar Beerta en Woldendorp. Namen van helpers en adressanten wilde Meulenkamp niet geven. Ook de Amsterdamse afzender van de pamfletten bleef wat hem betreft geheim. Hij kondigde alvast aan dat het hele verzendingsnetwerk over de kop zou gaan, en dat heel andere namen straks de taken op zich zouden nemen. Eigenlijk nam hij de politie-inspanningen niet of nauwelijks  serieus:

Het baat toch niet dat inbeslagname plaats heeft, want ik durf u met zekerheid te zeggen dat ook de “Oranjegids” waarvan jullie laatst 200 exemplaren bij mij in beslag hebben genomen, toch voor de Jubileumfeesten hier te Finsterwolde in september e.k. verspreid worden.”

Meulenkamp zei niet te weten of hij zelf nog een exemplaar van het Manifest in huis had, maar als dat het geval was, dan kon de politie  dit wel van hem krijgen. Na afloop van de “veldwerkzaamheden” volgden de agenten Meulenkamp daarom naar diens huis en namen daar alsnog de al eerder aangetroffen exemplaren in beslag.

In hun rapportje aan de autoriteiten liepen ze alvast vooruit op de herstructurering van het anarchistische verzendingsnetwerk. Als Meulenkamp uitviel, meenden ze, dan nam Jan Bakker, Jurjen Bakker, Adolf Houtman of Harm de Jonge diens plaats in.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 896 (archief Arrondissementsrechtbank Winschoten), inv.nr. 19.


‘De verweerde stem van onzen ouden kameraad’ of: Stakingsmartelaar blijkt familie

Dat de broer van mijn overgrootmoeder, Harm Tuin, in 1929 bij de grote landarbeidersstaking aan het graf van de doodgeschoten Eltjo Siemens sprak, is weer zo’n ontdekking, die mede mogelijk gemaakt wordt door de krantendatabank Delpher.

Al menigmaal heb ik het hier over die Harm Tuin gehad. Hij was boerenarbeider, vrij socialist en  secretaris van de geheelonthoudersvereniging THOS te Finsterwolde en hij verschafte meermalen logies aan Domela Nieuwenhuis, die hem als dank een geschilderd portret gaf, dat tot Harms dood in 1950 boven diens schoorsteenmantel hing.

De enige krant in Delpher, die Harm Tuin expliciet noemt in haar verslag van Siemens’ teraardebestelling, is De Tribune, het weekblad van de Communistische Partij. De Tribune karakteriseert Harm in opmerkelijk positieve termen:

“Nog klinkt in ons na de verweerde stem van onzen ouden kameraad

HARM TUIN,

toen hij met ingehouden woede, terwijl de verbittering zijn mannnelijk gezicht tot haast onherkenbaar wordens toe vertrok, woorden van troost en bemoediging sprak. In de eerste plaats tot “het lieve, zachte vrouwke”, zoals hij met tranen in de ogen Eltjo’s jonge weduwe noemde.”

De waarderende kenschets moeten we, denk ik, ook zien tegen de achtergrond van de plaatselijke politieke verhoudingen van destijds. In de gemeenteraad van Finsterwolde werkte Harms zoon Beeno, eveneens een vrij socialist, nog samen met de communisten. Toen die meer en meer aan de leiband van Moskou gingen lopen, spoorden ze weer uiteen en werd Beeno als “renegaat” in De Tribune verketterd.

In het Tribune-verslag volgt onmiddellijk na de passage over Harm Tuin het neerlaten van de kist, waarbij die jonge weduwe op de rand van het graf neerzeeg, terwijl ze haar doodgeschoten man “in hartbrekende smart” nariep: “Eltjo! Eltjo! Eltjo!”

Voor de begrafenis, die bijgewoond werd door zo’n duizend mensen, hoofdzakelijk landarbeiders uit Finsterwolde en Beerta, moest er een uitzondering gemaakt worden op het samenscholingsverbod, dat in verband met de landarbeidersstaking afgekondigd was. Burgemeester Roelofs van Finsterwolde, zelf een dikke boer, bleek daartoe alleen bereid als men aan enkele voorwaarden voldeed. Van belang is hier vooral de eerste, dat slechts drie mensen aan de groeve mochten spreken: een vertegenwoordiger van de moderne landarbeidersbond, een predikant en een familielid. De burgemeester was duidelijk bang dat de begrafenis uit zou monden in een demonstratie, want de sprekers mochten samen slechts drie kwartier aan het woord zijn en de mensen moesten meteen na de begrafenis weer naar huis.

Harm Tuin was niet de predikant. Geen krant noemt een predikant, die ontbrak dus waarschijnlijk op deze begrafenis.  Harm Tuin was ook niet de vertegenwoordiger van de moderne landarbeidersbond. Dat was Pieter Feddes Hiemstra, in het Tribune-verslag neergezet als een reformist die de weg voor het fascisme baande. Voor Harm Tuin blijft dus de rol van bloedverwant over. Dat blijkt ook als we het beknoptere verslag van het Nieuwsblad van het Noorden ernaast leggen, want dat noemt alleen de speech van Hiemstra en een dankwoord door een anoniem gelaten familielid.

Wel vraag ik me af hoe Harm Tuin dan familie van Eltjo Siemens kon zijn, want een korte sondering bij Alle Groningers gaf wat dat betreft geen aanknopingspunten. Maar wellicht is de Winschoter Courant wat uitvoeriger. Die krant staat helaas niet in Delpher, maar zal ik eerdaags eens in de papieren vorm gaan raadplegen.

Naschrift vrijdag 18 juli 2014:

De Winschoter Courant bevat geen nadere bijzonderheden. Zijn verslag is nagenoeg gelijkluidend aan dat van het NvhN.


Paniek in Beerta: kerkdak stort in

“In de maand Augustus (1783 HP) stortte gedurende de godsdienstoefening een gedeelte van het dak der kerk te Beerta naar beneden op het gewelf, waardoor eene groote opschudding en verwarring onder de toehoorders ontstond, dewijl ieder het eerst naar buiten poogde te komen. Echter wegens het openslaan der kerkdeuren naar binnen, en nu door den aandrang des volks tegen dezelve, werd de uitgang bemoeijelijkt en eerst onmogelijk gemaakt. Gelukkig echter kwamen de meesten er met den schrik af. — Het dak en het gewelf dezer kerk werden nu vernieuwd.”

Bron: A. Smith (arts te Beerta), Geschiedenis der Provincie Groningen (Groningen 1849) pag. 282.

Dit geval haalde zo te zien geen enkele krant. Wel stond in de Groninger Courant van 8 augustus 1783 deze aanbestedingsadvertentie:

“Kerkvoogden en Volmagten van de BEERTA gedenken op Vrydag den 15 Augustus 1783 ’s nademiddaags om 2 uur, ten Huize van Wubbelt Pieters Swart, uit te Besteden het maken van een nieuw Dak op de Kerk, met daar in een Gewulfte, als mede eenig Metzelwerk; waarvan de Bestekken en Tekening twee dagen, voor de Uitbesteding zyn te zien by J. Timmer in de Eexta en in de Beerta ten Huize voornoemd.”

In het secretariearchief van de stad Groningen zijn de kerkvoogdijrekeningen over deze periode in afschrift bewaard. Hoeveel de reparatie van het dak gekost heeft, is dus na te gaan.


Een hardnekkige hersenspoeling

Als zelfs Groningers, zoals nu onlangs weer bij het WK voetbal, over Hollanders gaan spreken, terwijl het toch duidelijk om Nederlanders gaat, waar Hollanders maar een beperkt deel van uitmaken, dan is er nog steeds veel zendingsarbeid nodig om deze helaas niet onderkende hersenspoeling ongedaan te maken. Inderdaad is dit een kwestie van lange adem, want in 1831 werd de kwaal al gediagnosticeerd:

Aan de Redactie der Groninger Courant.

Waarom roemt men thans in alle tijdschriften, na de scheiding van België, de Noordelijke Provinciën van het Koningrijk der Nederlanden met den enkelen naam van Holland — ja, waarom gaat men zelfs zoo verre, dat men Zijne Majesteit ook Koning van Holland noemt, daar Hoogstdezelve toch in alle publieke staatsstukken Koning der Nederlanden heet? Dat men in buitenlandsche bladen dus te werk gaat, laat zich begrijpen wegens derzelver onkunde, zoowel in deze als in andere inrigtingen van onzen Staat; doch dat onze inlandsche nieuwstijdingen dit zoo getrouw napraten, komt den schrijver dezes vrij zonderling voor, en gaarne zoude hij hiervan de reden weten of onderrigt worden indien Zijne Majesteit Hoogstdeszelfs titels mogt hebben veranderd; opdat bij hierin meer verlicht worde en zijne dwaling hem in dezen moge blijken. Zoolang dit niet gebeurt, blijf ik onzen Koning te regt Koning der Nederlanden en onze getrouw geblevene Provinciën Nederlanden noemen. Het zoude mij en vele anderen Uwer lezers zeer aangenaam zijn , dat in Uwe geachte Courant dit ook opgevolgd wierd, te meer, daar er tot nog toe geene redenen schijnen te bestaan , om willekeurig eenen naam af te leggen, waaronder ons klein plekje Lands overal bekend is. (…)

Groningen
den 28 Julij 1831

Eenen Uwer Geabonneerden.

Bron: Groninger Courant 29 juli 1831.


Drama in Hoogkerk

(Bericht uit Peize.)

“In de vorige week heeft in het naburig Hoogkerk een meisje van omstreeks 30 jaren door ophanging een einde aan haar leven gemaakt. De redenen van deze wanhopige daad zijn onbekend. Zij had ’s avonds te voren nog met haar minnaar staan praten, die niets bijzonders aan haar gemerkt had, dan dat zij soms zwaar zuchtte. Haar naar de reden daarvan gevraagd hebbende, had zij niets anders geantwoord, dan: “Het moet toch maar zoo”. Kort nadat hij haar verlaten had, heeft zij de daad verrigt.  Vroeger heeft zij nog al eens getracht, zich te verhangen, maar is toen door haar broeder losgesneden. Nooit heeft zij echter de reden daarvan willen zeggen.  Men denkt evenwel dat dezelve in onbeloonde of trouwelooze liefde moet gezocht worden.”

Bron: Drentsche Courant 30 augustus 1850.


Fortaleza droeg ooit een Groningse naam

Een hoornwerk is het enige wat nog resteert van Fort Schonenborch in Fortaleza.

Een hoornwerk is het enige wat nog resteert van Fort Schonenborch in Fortaleza.

Morgen speelt het Nederlands Elftal in Fortaleza tegen Mexico. Misschien is het mij ontgaan, maar in de overstelpende berichtgeving over het WK voetbal ontbrak tot nu toe een historische excursie over Brazilië als Nederlandse kolonie in de zeventiende eeuw. In zo’n kader had dan ook aandacht kunnen worden geschonken aan het feit, dat Fortaleza zijn ontstaan als stad dankt aan Nederlandse vestingwerken. In 1649 werd hier immers het Fort Schonenborch gesticht, dat genoemd was naar een uit Groningen afkomstige gouverneur.

In 1646 trad deze Wolter Schonenborch namens de West-Indische Compagnie (WIC) aan als president van de Hoge Raad van Nederlands Brazilië, zulks als opvolger van de welbekende Johan Maurits van Nassau. Lang zou de Nederlandse heerschappij over Brazilië niet meer duren, want Portugese kolonisten kwamen massaal in opstand en in 1654 viel de hoofdstad Recife ze in handen. Met zijn opperbevelhebber werd Schonenborch naderhand in het vaderland van hoogverraad beschuldigd, maar de juridische procedure die deze aantijging zou moeten waarmaken, kwam nooit goed op gang en Schonenborch stierf in 1671 als vrij man in Groningen.

In het regeringsboek van de stad Groningen staat hij dan genoteerd als oud-burgemeester. Volgens Leendert Joosse, die een artikel schreef over de Schonenborchs familiale, politieke en religieuze achtergronden, groeide Wolter op in de schaduw van diens oudere broer Hendrick. Deze Hendrick Schonenborch ontwikkelde zich vanaf 1609 tot stadsbestuurder van Groningen. Hij had zeer goede betrekkingen met de stadhouders en was in 1633 zelfs executeur-testamentair van de Friese stadhouder Ernst Casimir geweest.

Net als zijn oudere broer studeerde Wolter rechten in Franeker. In 1623 trouwde hij in zijn vaderstad Groningen met Clara Wicheringe, de zuster van de zeer invloedrijke burgemeester Barthold Wicheringe, die tevens bewindhebber van de WIC was. Toen Clara in 1640 stierf, hertrouwde Wolter met Louise van Solms, de aangetrouwde nicht van stadhouder Frederik Hendrik. De derde vrouw van Wolter kwam weer uit Groninger bestuurskringen, want dat bleek in 1660 Isabella Canter.

Maken die huwelijken al veel duidelijk over Wolter Schonenborchs vooraanstaande positie, zijn bestuurlijke loopbaan doet dat evenzo. Van 1624 tot 1628 was hij gedeputeerde in de Amsterdamse Admiraliteit en in 1629 werd hij drost van het Wold-Oldambt, een functie die hij in 1636 verruilde voor die van Gronings vertegenwoordiger in de Staten-Generaal. Als zodanig onderhield hij 1638 de contacten tussen de Staten-Generaal en veldheer Frederik Hendrik. Ook was hij namens Groningen de gezant die in 1645 tekende voor het hernieuwde Hanze-lidmaatschap van deze stad.

Volgens Joosse zette Wolter Schonenborch zich in Brazilië in voor de gereformeerde zending, tot ‘uitroeijinge van alle pauselijk bijgeloof en bekeringhe van de blintheden’. Ook kwam de Groningse gouverneur op voor het gebruik van het Nederlands in de Braziliaanse kerken. Schonenborchs voorganger had juist nog gepleit voor een gematigde religie- en taalpolitiek. Ongetwijfeld leidde de beleidsombuiging in deze tot de verbittering van katholieke Portugezen en Indianen.

Bron: Leendert J. Joosse, ‘Een Groningse blik naar het westen: de broers Schonenborch’, in: Stad & Lande 2010 nr. 2, pag. 6-9.

Frans Post - Braziliaans landschap.

Frans Post – Braziliaans landschap.

 


‘Jongeluy haar werk’

E. en ik waren vanmiddag de provincie in om een patriotse sabel op te halen bij een familie, wier voorvader deze sabel omstreeks 1800 met recht en rede gedragen had. Er zat ook nog een witte uniformbroek bij met lange rijen knoopjes. De familie schonk de sabel en de broek aan het Groninger Museum dankzij de Stad & Lande van eind vorig jaar, waarin een soortgelijke, maar iets latere sabel uit de collectie van het Rijksmuseum afgedrukt stond.

We hebben er genoeglijk koutend een uur of wat vertoefd. Tijdens het gesprek bleek, dat de familie ook nog andere belangwekkende oudheden bezit. Zoals deze prent, uitgegeven te Amsterdam in (afgaand op een notitie op de achterkant) 1797:

005

Vanmiddag noemde ik het stuk een centsprent, bestemd voor jonge kinderen, maar daar kom ik nu toch wat op terug. De taal lijkt me te moeilijk voor kinderen. Ben behoorlijk bekend met Nederlands uit de achttiende eeuw, maar ik moest nu een paar dingen opzoeken.

De prent gaat over een trouwerij. Op het bovenste plaatje rijdt het aanstaande bruidspaar een slee vol met flessen hipocras rond. Hipocras, ook wel bruidstranen, was een wijn gemengd met honing en diverse kruiderij (recept) en de bruiloftsdrank bij uitstek in beter gesitueerde kringen.

Op het tweede plaatje zien we het inmiddels getrouwde stel in een slee met een mooi opgetuigd paard ervoor.  Het wordt vergeleken met Teeuwis en Kniertje, waarschijnlijk een paar uit een klucht, waarbij de conclusie is dat de stellen niet op elkaar lijken, wat positief lijkt voor het stel op de prent..

Intussen is er een morele boodschap opgediend in de beschrijving van de bruid:

Ze is Hebgraag; Dit geeft zy te kennen,
Door ’t buigen van haar Hand naar ’t Geldt:
Men kan ’t ontfangen haast gewennen;
op Voordeel is tog elk gesteld.

In de partnerkeuze van de vrouw prevaleerden materialistische motieven. Bij ons komt dit enigszins onsympathiek over. Toch werd daar niet de staf over gebroken. Zulke motieven waren nog heel gewoon.