Hekserij in Beerta
Geplaatst op: 11 juni 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Ten bewijze, dat het geloof aan toovenaars en hekserijen, zelfs in de schijnbaar meest beschaafde en verlichte gedeelten dezer provincie niet is uitgeroeid, kan onder anderen het navolgende dienen:
In den morgen van den 8 Mei ll. vervoegde zich ten huize van R. L. van Dijk, arbeider te Beerta, een vreemdeling, die onder voorwendsel van zijne tabakspijp te willen aansteken, met de huisgenooten een gesprek aanknoopte en van dezelve vernomen hebbende dat het dochtertje van genoemden van Dijk sedert lang in een ziekelijken toestand verkeerde, te kennen gaf, dat hij haar wel zoude kunnen genezen, en dat het hem voorkwam dat zij behekst was.
Op zijn verzoek stelde men hem een linnen draad ter hand, dien hij het kind, op de borst legde en ten deele om den hals wond. Daarna deed hij door de ouders van het kind knoopen in dien draad leggen en vervolgens denzelven in stukkeu hebbende gesneden, legde hij dien tezamengevouwen in de hand van het zieke meisje, en deed toen door den vader de hand van het kind in de zijne sluiten.
De vreemdeling, na zich daarop, gedurende eene wijle tijds, te hebben verwijderd, nam bij zijne terugkomst den draad wederom uit de hand van het meisje, als wanneer, tot groote verwondering der omstanders, bleek, dat al de knoopen uit den draad waren verdwenen, waardoor de ouders der lijderes het volkomenste vertrouwen op het geneeskundige vermogen des vreemden bezoekers opvatteden.
Na verloop van eenige oogenblikken verzocht deze om een ei, een vrouwenrok en een zakdoek, en dezelve bekomen hebbende, wikkelde hij die in elkander en legde dezelve alzoo onder het hoofd van het zieke kind. Den volgenden morgen nam de vreemdeling den rok en zakdoek weder uit elkander roerde het ei, ’t welk daarin was gewikkeld geweest even met een stokje aan, en deed hetzelve vervolgens door den vader in stukken breken, als wanneer daaruit eene pad te voorschijn kwam, waardoor het geloof der ouderen, dat hun kind werkelijk was behekst en tevens hun vertrouwen op den vreemde nogal meer en meer werd versterkt.
Ten gevolge daarvan stelden zij hem op zijne aanvrage den gebezigden rok en zakdoek, benevens nog een vijfstuiverstuk gereedelijk en zonder eenigen argwaan ter hand, terwijl hij hun beloofde dat zij die goederen na verloop van eenige dagen, uitgenomen het geld, zouden terugontvangen, onder bijvoeging, dat hij die goederen nu moest medenemen, om de algeheele genezing van het kind te bewerkstelligen, ’t welk volgens zijne toezegging, na verloop van negen weken volkomen hersteld zoude zijn.
De vreemdeling is daarop vertrokken , en men heeft, na dien tijd, noch van hemzelven, noch van de door hem medegenomene goederen iets hoegenaamd meer kunnen te weten komen.
Zekere F. W. Blumstein, oud 56 jaren, van beroep blaauwverwer, herkomstig uit Hessenkassel, zonder vaste woonplaats, onder verdenking geraakt van de bedrijver te zijn van voorzeide opligting, heeft te dier zake heden voor het Provinciaal Geregtshof, regt doende in hooger beroep van correctioneele zaken, teregt gestaan, doch is bij gebreke van een voldoend regterlijk en overtuigend bewijs der identiteit des daders, van het hem als voren te laste gelegde feit vrijgesproken.”
Bron: Utrechtse Courant 24 september 1847.
Een windhoos bij Woltersum
Geplaatst op: 9 juni 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Uit Woltersum: Terwijl gisternamiddag plm. 2 uur de donder vreeselijk ratelde en de bliksem de lucht doorkliefde, zette zich ten Zuiden van ons dorp een windhoos op. Hij nam een aanvang ongeveer bij de voormalige Westzijdermeer, slingerde aldaar eenige hokken vlas van den landbouwer J. Smit uit elkaar en omhoog, vervolgde den weg vandaar over Luddeweer naar Hooghammen en kwam onderweg met verschillende stukken in hokken staande rogge en met op ruiters staande erwten in aanraking, waarvan sommige als vogels door de lucht vlogen.
verscheiden meters over den grindweg midden in een stuk land is geslingerd. Een paar arbeiders, uit ons dorp, die juist daar op de plaats, waar het instortte een schuilplaats hadden gezocht, kregen eenig letsel aan arm en been. Hun hoofddeksels, vertelde men, zijn door den wind opgenomen en hebben ze niet weer gezien.
Vanaf Grauwedijk ging hij meer noordelijk en liet zijn macht eerst in het Eemskanaal tusschen brug 7 en 8 gevoelen. Daarna moest de boerenbehuizing van den heer W. Knotnerus het ontgelden. Hier werd de schuur verzet, vele ruiten werden stuk gedrukt, boomen ontworteld, etc. Vandaar ging het naar de plaats van den landbouwer Keijer, alwaar hij ook, doch in minder mate schade aanrichtte.
Waar het eind van de verschrikkelijke verwoesting was kan de verslaggever niet melden, maar wel dat velen van een dergelijk bezoek in ’t vervolg verschoond wenschen te blijven. Het gebeurde overal in een tijd van slechts twee minuten- In ons dorp was het op dat moment bladstil geweest.”
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 11 augustus 1906. (Er omheen staan soortgelijke berichten uit omliggende plaatsen, zoals Loppersum).
Wat leest de boer en wat zit er in zijn flesje?
Geplaatst op: 3 juni 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 14 reactiesIn ruim een jaar tijd heeft RM Prenten, het Twitter-account van het Rijksprentenkabinet oftewel de prentenafdeling van het Rijksmuseum, slechts 18 volgers verworven. Veel te weinig voor de juweeltjes waarop het account ons attendeert, maar ook begrijpelijk gezien het feit dat RM Prenten het sociale medium vrijwel uitsluitend als een zender opvat.
Zo had RM prenten onlangs dit juweeltje in de aanbieding van een lezer op leeftijd, die ingespannen tuurt op een vel papier in zijn linkerhand, terwijl hij in zijn rechterhand een vierkant flesje halfvol vocht vasthoudt::

Volgens RM Prenten maakte Cornelis Dusart (1660-1704) deze prent die als titel kreeg: ‘Brieflezende boer’. Dat blijkt conform de opgave van het Rijksmuseum, dat de voorstelling dateert op de periode 1679-1704.
Op mijn tweet dat de uitgebeelde senior geen brief leest, maar drukwerk, namelijk de bijsluiter bij dat flesje met medicinaal drankje, vermoedelijk Haarlemmer olie, gaf RM Prenten helaas geen sjoege. Het is natuurlijk ook maar een kreet van iemand, zo op Twitter, waarom zou je daar op reageren?
De kwestie liet mij echter niet los, ik keek eens in mijn documentatiemapjes en vond inderdaad enig materiaal dat mijn getweete stelling adstrueerde, maar toch ook nuanceerde.
Allereerst het flesje in ’s mans rechterhand. Het is niet rond maar rechthoekig en heeft een hals die smaller is dan de schouders. Een soortgelijk flesje zien we op een tekening van een straatventer, toegeschreven aan dezelfde Cornelis Dusart die bovenstaande prent maakte, welke tekening berust in het British Museum:

Mij zijn geen voorbeelden bekend van het venten met alcoholica. Op alcohol wilde de overheid – vooral ook om fiscale motieven – een strakke greep houden en daar paste ambulante handel niet zo bij. Venters die medicijnen aan de man brachten, vormden daarentegen een bekend verschijnsel. Vooral ging het om Haarlemmer olie, dat immers overal tegen hielp. Zo ventte ene Harmen Simons (69) in 1771 vanuit de stad Groningen met Haarlemmer en andere oliën en medicijnen in het noorden van Drenthe, waar hij Zuidlaren, Annen, Gieten, Bonnen en Eext aandeed. Onderweg logeerde hij in herbergen.
Dat het flesje op de prent van de lezende boer een medicijnflesje is, staat voor mij vast, temeer daar het om een oude man gaat. Het flesje zit ook niet voor niets in zijn rechterhand, de belangrijkste in een tijd dat linkshandig schrijven je met de plak afgeleerd werd en je met je rechterhand nog dure eden zwoer. Al gaat de aandacht op de prent primair uit naar het vel papier, dat flesje staat niet voor niets centraal in de voorstelling.
Ik meen dus dat er een medicinaal drankje in dat flesje zit. Maar of dat Haarlemmer olie is, ben ik gaan betwijfelen. Want Haarlemmerolieflesjes hadden nauwelijks schouders – die leken nog het meest op reageerbuizen, getuige enkele plaatjes, ooit van Marktplaats geplukt:

Uiteraard zal het wat jongere exemplaren betreffen, maar deze vorm hebben de Haarlemmerolieflesjes zeer lang gehad. Alleen weet ik niet wanneer die vorm werd ingevoerd, het kan best zijn dat Haarlemmer olie in de jaren na haar introductie (1696) eerst nog in geschouderde flesjes zat.
Dat de man op de prent naar een bijsluiter tuurt, daar blijf ik ook bij. Het is in elk geval drukwerk en geen handgeschreven brief. De tweekoloms opmaak wijst op drukwerk, het beeldmerk midden boven in de kop doet dat evenzo. Zonder dat medicijnflesje zou je kunnen denken dat het om een krant ging. Maar ook bijsluiters die betoogden dat het middel onder goddelijke zegen werkte en dat men zich moest hoeden voor imitaties, kenden een dergelijke opmaak. Zo zag, anno 1791, de bijsluiter van de Haarlemmer olie er uit:

Medio jaren tachtig vond ik deze in het Drents archief, maar helaas ben ik het mapje met de bijbehorende, papieren notities momenteel even kwijt. In elk geval betrof het een casus van merkvervalsing te Meppel, dat weet ik nog wel. De fabrikant van de Haarlemmer olie riep de hulp in van de Drentse of de Meppeler overheid, om dit ook elders veel voorkomende euvel te beteugelen.
Souvenir met gevleugelde wielen
Geplaatst op: 15 mei 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 2 reactiesMijn kamergenoot bekeek vanmiddag recente aanwinsten van de Groninger Archieven, dit met het oog op een kleine presentatie in de hal. Onder andere kwam dit vetlederen album tevoorschijn, dat een gevleugeld wiel op zijn voorkant draagt:

Eerst denk je dat het een receptie-album is, maar er staan alleen maar net afgeschreven namen in een enkel handschrift in. Terwijl een receptie-album zeer ongelijke handtekeningen èn gebruikssporen bevat. Het is dus nog maar de vraag of er überhaupt een receptie voor deze spoorwegjubilaris is geweest:

Op een volgende blad vinden we dat controleur D. Schuitema dit souvenir kreeg aangeboden door het personeel. Onder de bloemen zien we opnieuw een gevleugeld wiel, zij het in een wat andere uitvoering dan op het omslag:

In deze vorm komt het gevleugelde wiel overeen met een ornament dat het Groninger Hoofdstation bekroont:

Schuitema moet een aardig stuk spoorweghistorie hebben meegemaakt. Hij trad in dienst toen Groningen nog maar een paar jaar een directe lijn naar het westen had.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 2698 inv.nr. 2: Album aangeboden aan D. Schuitema, controleur der lopende dienst bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen te Groningen, ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum, 1898.
Engelsen claimen ten onrechte uitvinding landmetersketting
Geplaatst op: 14 mei 2014 Hoort bij: Geschiedenis 8 reacties
Landmetersketting aan de muur in museum ’t Rieuw, Nuis.
Rare jongens die Engelsen. Ze schrijven de uitvinding van de meetket of landmetersketting toe aan een meneer Edmund Gunther, die deze geodetische innovatie in 1620 zou hebben geïntroduceerd.
Dertien jaar eerder, in 1607, kwam er een kaart van de Hollandse Beemster (toen nog een watervlakte) tot stand. Linksonder op die kaart staat een landmeter. En wat heeft de beste man aan zijn rechterhand hangen en tussen zijn voeten liggen? Juist ja, een meetket:

Landmeter met instrumenten op een kaart van de Beemster door Pieter Cornelisz Cort (1607).
Dan lijkt me toch dat die meneer Edmund Gunther het ergens afgekeken heeft.
Rest het antwoord op de vraag, wanneer de landmetersketting dan wèl voor het eerst gesignaleerd is.
Een knoeperd van een barnsteen (2)
Geplaatst op: 14 mei 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Wadden 4 reacties
De barnsteenmeldingen stromen binnen. Vandaag nam Henk Scholte deze oranjerode jongen mee naar het werk. We hebben hem op de brievenweger gelegd en hij bleek ruim 107 gram, dat is dus flink wat zwaarder dan het heldergele Groningse exemplaar dat even voor 1786 in het stadhouderlijke naturaliënkabinet belandde en dat mogelijk nog steeds in Naturalis bewaard wordt.
Henk vond zijn barnsteen jaren geleden bij een flinke noordoostenwind vlak in de buurt van paal 10 op Schiermonnikoog. Hij dacht eerst dat het een gewone steen of zo was, schopte er een paar keer tegenaan en besloot het ding toen op te rapen en aan een nadere inspectie te onderwerpen, Met het gelukkige gevolg dat het hier nu getoond kan worden. Met dank!
Knoeperd van een barnsteen gevonden aan de Groninger kust
Geplaatst op: 12 mei 2014 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesEen goede kennis die regelmatig de vloedlijn van vooral Terschelling, maar ook wel die van andere wadden-eilanden afstruint, vertelde me laatst dat hij eigenlijk nooit barnsteen tegenkwam. Hij leek ook nauwelijks te willen geloven dat het er ooit redelijk veel lag.
En toch wordt dat met zoveel woorden beweerd in een vervolg op Chomels woordenboek uit 1786.
“Men heeft ze (=barnstenen) ook voormaals aan onze kusten, inzonderheid aan het eiland Urk in de Zuiderzee, in aangespoelde veenbonken, tamelyk veel gevonden, zynde helder geele stukjes, doch naar ’t schynt niet groot. Een stuk van vyfthalf lood, aan ’t Groninger zeestrand voor eenige jaaren opgeraapt, zich in ’t Stadhouderlyk Kabinet bevindende, muntte in deezen uit.”
Vijfdehalf lood, dat Groningse stuk zal dan 4,5 x 15 gram = 67,5 gram geweest zijn. In 1786 kwam alleen nog maar rode barnsteen aan de Nederlandse stranden voor, en dat dan nog maar zeer sporadisch en van buiten meestal nog ruw ook. Naast de kwantiteit, was de kwaliteit er dus op achteruitgegaan. Des te meer viel dat helder gele brok uit Groningen op.
Je vraagt je af of dit stuk barnsteen nog ergens bewaard is, je zou haast denken van wel. Van het stadhouderlijk naturaliënkabinet, waarin het zich bevond, weet ik inmiddels (p. 359) dat het omstreeks 1800 door de Fransen onder Napoleon geroofd werd, maar dat het na de slag bij Waterloo weer naar ons land teruggekeerd is. Daarna zal het een koninklijk kabinet geworden zijn, maar ik kom zo een, twee, drie niet aan de weet bij welk museum of instituut de collecties beland zijn. Iemand die dit raadsel voor me kan oplossen?
Naschrift 1:
Per Twitter wijst Redacteur Erfgoed LC erop, dat er nog wel degelijk barnsteen langs de kust van de Waddeneilanden ligt:
- Kirsten Buddeberg speurt naar barnsteen (NvhN 1999)
- Robert Joustra vindt brok barnsteen van 4,5 kilo (Drachtster Courant 2013)
Naschrift 2:
Met dank aan E. lijkt het raadsel al opgelost. In 1820 gingen de stadhouderlijke naturaliëncollecties naar het Rijksmuseum voor Natuurlijke Historie, in 1878-1893 scheidden de geologische en mineralogische verzamelingen zich daarvan af om te worden ondergebracht in het Rijksmuseum van Geologie en Mineralogie, maar in 1998 bracht men al deze verzamelingen weer bijeen in Naturalis, eveneens te Leiden. Daar gaat dus een mailtje heen.
Een korte verhandeling over de vorm en kleur van doodskisten
Geplaatst op: 1 mei 2014 Hoort bij: De actuele wereld, Geschiedenis, Het Noorden 2 reactiesDe noordelijke landschaps- en uitvaartorganisaties laten doodskisten maken van noordelijk hout, zo is vandaag in het nieuws. Een Dokkumer kistenmakerij maakt zulke ‘Landschapskisten’. Van elke kist beurt het landschapsonderhoud 100 euro.
Volgens een informatieblad van het Groninger Landschap wordt het kisthout alleen maar geschaafd en geschuurd en niet geverfd. De speciale site van de Landschapskist laat slechts één enkel model zien, een plat exemplaar van de spreekwoordelijke zes planken.
Dit is niet het model dat in het noorden vanouds in zwang is geweest, begreep ik onlangs. Heel lang prefereerde men hier de zogenaamde huusholten, kisten met zeg maar een schuin dakje erop. Bovendien stigmatiseerde onbehandeld hout, omdat het voorbehouden was aan een bepaalde categorie overledenen. Om een encyclopedisch woordenboek uit 1786 te citeren (p. 432):
“In de provinciën van Friesland, Overyssel, Groningen en andere plaatzen van ons Gemeenebest, maakt men egter gewoonlyk het dekzel der doodkisten met twee schuins tegen elkander opstaande planken, by wyze van een huisdak, ook wel uit vyf stukken, zynde alsdan een smal plat middelstuk tusschen de beide schuinse planken ingevoegd (…). Wordende deeze kisten in voornoemde provinciën meestal uit eikenhout vervaardigt. In Friesland egter wordt aan geringe behoeftige lieden om de goedkoop witte vuurenhouten kisten met platte dekzels gegeeven, daar alle de overigen zwart worden gemaakt (’t welk te Amsterdam ook plaats vindt) daar men het zelve genoegzaam voor een schande zou rekenen in eene witte kist begraaven te worden.”
Het zwart als rouwkleur is allang uit de mode, omdat het maar cru gevonden werd, maar ik meen dat enkele van mijn grootouders in de jaren zeventig nog in zo’n huisjesachtig model zijn begraven. Vanwege de grotere bewerkelijkheid en de daarmee gepaard gaande meerkosten zal dit in de laatste decennia dan wel verdwenen zijn, neem ik aan (want ik heb me verder niet in dit aspect van de funeraire cultuur verdiept). In elk geval zouden onze voorouders die Landschapskist maar een armoedig kavalje gevonden hebben…
Belangstelling voor geschiedenis neemt af
Geplaatst op: 29 april 2014 Hoort bij: De actuele wereld, Geschiedenis Een reactie plaatsenIk hoor en lees nogal vaak dat de belangstelling voor geschiedenis toeneemt. Volgens mij is dat een cliché en ik had er altijd al twijfels bij, maar die worden nu bevestigd door een klein onderzoekje. Afgemeten aan de aantallen zoekopdrachten, zoals geregistreerd door Google Trends, neemt de laatste tien jaar de belangstelling voor geschiedenis namelijk danig af en dat niet alleen in het Nederlands, maar ook in het Engels, Duits en Frans:

Het Hoendiep hield niet van hotemetoten
Geplaatst op: 27 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe Nederlandsche Jaerboeken memoreren in hun aflevering van maart 1753 dat er een maand eerder nieuwe Gecommiteerde Raden, zeg maar dagelijks bestuurders, van de Ommelanden waren verkozen. Voor het Westerkwartier ging het onder meer om Jacob Kornelis, die zijn vader Kornelis Jacobs in die functie opvolgde. Beide waren afkomstig van Hogemeeden. Over de zoon zegt het jaarboek echter, dat hij “sedert overleden” was.
Die zoon was geen natuurlijke dood gestorven, zo blijkt even later uit dezelfde kroniek, die vertelt over een ongeluk dat plaatsvond op het Hoendiep nabij de Kerkewegsbrug:
“Op den 22 der vorige Sprokkelmaend, ging alhier in een klein schuitje zekeren Kornelis Jacobs, onlangs afgegane Gecommiteerde Raed wegens de Ommelanden , in gezelschap van nog een ander persoon , [bij] welk gezelschap op de hoogte van de Oostwolder pastorie zich voegden de zoo-even genoemden thans verkoren Gecommitteerden Raed Jacob Kornelis en deszelfs huisvrouw , allen met oogmerk om naer hunne woonplaetse te Hoog- en Laeg Meden te reizen. Dezen ter hoogte van de Oostwolder Til of Brug komende, viel een van het gezelschap buiten boord, waerop de anderen straks (= dadelijk HP) toeschooten om hem, ware het mogelyk, te redden; doch by deze gelegenheid alle degenen die in ’t schuitje waren, zich op deszelfs zyde schikkende, sloeg het onderst boven, waerdoor zy niet alleen allen in het water geraekten, maer ook allen ongelukkig verdronken, behalven alleen de bovengemelde Kornelis Jacobs (de vader HP), die ter naeuwer nood door een hem te hulp komenden schipper nog gelukkig gered werd. De persoon van Gecommitteerden Raed, wegens de Ommelanden, hier door ontbrekende, zal daervoor weder een ander verkooren moeten worden.”
Ruim anderhalve eeuw voordat de jonkersfamilie Van Panhuys in het Hoendiep verdronk, was vijf kilometer verderop iets dergelijks dus al eens gebeurd met een andere vooraanstaande familie uit het Westerkwartier. Het Hoendiep, zo zou je kunnen zeggen, hield niet van hotemetoten
Lavater in Hoogkerk
Geplaatst op: 26 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Stad toen Een reactie plaatsen

Op de intekenlijst (1780) voorin de Nederlandse vertaling en samenvatting van Lavaters werk over de gelaatkunde, vindt men staan (p. 5):
“Francke en dogter (J.H.) zeepzieders by Groningen.”
Bedoeld zijn de ondernemers van de zeepziederij op het terrein van de voormalige borg Elmersma, bij de brug te Hoogkerk. De dochter, Geertruida, is wel voor een savante gehouden. Uit zo’n notitie als bovenstaande blijkt dat ze haar veronderstelde weetgierigheid niet van een vreemde had.
In totaal waren er 42 Groninger intekenaars op dit werk. Als we de 10 studenten gemakshalve even voor academici tellen, dan behoorde een ruime meerderheid tot de geleerde wereld: 8 juristen, 4 stadsbestuurders en –ambtenaren, 7 theologen, 4 medici. een letterkundige en een mathematicus. Van de niet-academische intekenaren bleken er 7, een grote meerderheid, boekhandelaar. Waarschijnlijk waren die vanuit een commercieel motief in de uitgave geïnteresseerd. Afgezien van deze boekhandelaren en de Frankes was de handelsstand slechts vertegenwoordigd door 3 kooplieden en een jeneverstoker. In hun belangstelling voor Lavater sloten de Frankes dus meer aan bij (een segment van) de geleerde wereld, dan bij hun eigen stand.
Lavater, een Zwitserse predikant, was in geleerde kringen destijds het gesprek van de dag met zijn Physiognomischen Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe (4 delen, 1775-1778). Volgens hem kon je iemands karakter uit diens gelaatstrekken afleiden. Met zijn theorie zou hij bijgedragen hebben aan de populariteit van silhouetportretten in de laatste decennia van de achttiende eeuw.
Plaggeturf en baggerturf
Geplaatst op: 24 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesHet verbruik van de twee hoofdsoorten turf en de regionale verschillen daarin, over dat onderwerp staat er een interessante observatie in Le Francq van Berkeys verhandeling over de turfas (1779).
In Groningen en Friesland, zo geeft hij aan, werd “in menigte” de gewone “plagge-turf”gestoken, dus uit hoogveen. Deze diende hier op het platteland als huisbrand.
De stedelingen van Groningen en Friesland daarentegen, verstookten thuis baggerturf, ook wel zwarte turf genoemd. Deze kwam uit laagveen (dus vanonder de (grond)waterspiegel). Ook Amsterdammers gebruikten thuis veel noordelijke baggerturf.
In Hollandse fabrieken werd echter een “ontzachelyke menigte” plaggeturf gebruikt, misschien nog wel meer dan het totale verbruik van deze turfsoort in de provincies van herkomst. Terwijl er dan ook nog noordelijke plaggeturf naar de zuidelijke Nederlanden ging.
Individualistische waterbeheersing
Geplaatst op: 18 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Stad toen 2 reacties“De laage landen onder Groningen staan doorgaans van het begin van november, of somtyds nog vroeger, tot aan april, ook wel laater, onder. Dat veel afhangt van de menigte van den gevallen regen; doch voornamentlyk van de westewinden, die den afloop van het water beletten; en de oostewinden, die het spoediger ontlasten. Terwyl men op zeer veele plaatsen de opdrooging als aan het geval (= toeval HP) overlaat. Want op weinige plaatsen heeft men tot de ontlasting gemeenschappen en goede molens; maalende doorgaans ieder landman voor zich zelven met slegt gereedschap maar tot 2 voeten. Men heeft molens tot 3 en een half, hetgeen men meent het uiterste te zyn.“
Met andere woorden: bij Groningen liet men in de achttiende eeuw de lage landen gewoonlijk van november tot april onderlopen. Soms begon dat al in oktober, soms eindigde het zelfs pas in mei, wat vooral afhing van de windrichting en de mogelijkheid om via de zijlen naar zee te spuien. Slechts hier en daar waren er collectieve molenpolders, met grote molens. De meeste boeren maalden slechts voor zichzelf met kleine molentjes.
Bron van het citaat: Iman Jacob van den Bosch, ‘Natuur- en geneeskundige verhandeling van de oorzaaken, voorbehoeding en geneezing der ziekten uit de natuurlyke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende’, in: Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, Deel 18 (Haarlem 1778) pag. 316.
De tarieven van de beul (1729)
Geplaatst op: 17 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis 6 reacties
| Wurgen en verbranden |
ƒ 145 |
| Ophangen |
ƒ 126 |
| Radbraken |
ƒ 125 |
| Levend verbranden |
ƒ 119 |
| Geselen en brandmerken met strop om de hals |
ƒ 104 |
| Onthoofden |
ƒ 92 |
| Geselen |
ƒ 46 |
(Enkele bedragen met halve guldens zijn afgerond naar boven.)
Wat me verbaast aan dit tarievenlijstje voor de Ommelander scherprichter uit 1729, is dat onthoofden zo goedkoop was en ophangen zo duur. Onthoofden was een straf die niet onteerde en maar zelden werd toegepast, en dan uitsluitend op mensen uit de hogere standen. Schorriemorrie uit de heffe des volks liet men gewoonlijk bungelen aan een touw. Dat was routine, als je de frequentie vergelijkt met die van onthoofding.
Op zich maakte de eigenlijke handeling qua kosten niets uit, zo leren de specificaties achter deze bedragen. Zowel het decapiteren als het ophangen bracht de scherprichter op zich 12 gulden op. Hier kwamen veel kosten bij, voor een groot deel ook weer standaard, zoals de reis- en verblijfkosten van de beul en twee knechten gedurende drie dagen, het bouwen en weer afbreken van het schavot enz. De bedragen gingen uiteenlopen door specifiek bijkomende materialen en handelingen, zoals bij een ophanging het touw, het richten van een ladder en het in kettingen hangen van een lijk, of bij het radbraken de bijl en de knuppel en het zetten van het hoofd op een paal.
Naast dit stukloon, dat hij in voorkomende gevallen bij Ommelander rechtstoelen verdiende, genoot de scherprechter nog een vast traktement van 200 gulden ’s jaars. Hij was tevens scherprechter in de stad en bij de provincie, waar hij soortgelijke bedragen zal hebben verdiend. Al met al moet hij heel aardig hebben geboerd. Tegelijkertijd echter, oefende hij een infaam beroep uit en zou hij buiten de samenleving staan.
Naschrift 30.4.2014:
De Amsterdamse beul was duurder.
Brandslachtoffers krijgen overheidssteun
Geplaatst op: 16 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Op het ingediende request van Geert Beerends en Grietje Cars ehel[ieden], woonagtig onder Dorquert, hoe suppl[ian]ten den zwaren ramp hebben getroffen van op gepasseerde maandag den 24 april jongst, door den blixem hunne boerebehuizing en schuur, met alle boerebeslag, mobiliën, lijfstoebehoren, benevens negen beesten en drie varkens in puin en asch te zien verteeren, waardoor supplten met hun gezin in den diepsten armoede zijnde gedompeld, een waarheid welke UedelMog[ende] alleszins uit nevensgaande getuigschrift door den kerkeraad daar ter plaatse gepasseert zal kunnen consteren. De supplten in deeze hunne behoeftige omstandigheden hoe eerder zo beter een ander behuizinge en schuire nodig hebben, tot welke opbouw ten eenemaal onmagtig zijn, dan wijl de supplten door sommige medelijdende menschen, alle mogelijke redding en ondersteuning zal tragten te bekomen, waarom ook de supplten de vrijheid neemen Uwer Edele Mogende grootmoedig mededogen te imploreren en onderdanig te verzoeken teneinde UedMog de supplten gunstiglijk met eenig oud provincie post of paalwerkhout zullen gelieven te beneficiëren.”
Anno 1786 was er in onze omgeving alleen een brandverzekering voor molens. Andere mensen dan molenbezitters zaten in zak en as na een brand en waren aangewezen op de liefdadigheid van familie, vrienden en buren. Dat was ook het geval met Geert Berends en zijn vrouw, wier boerderij te Dorkwerd na een blikseminslag compleet met alle inboedel, koeien en andere levende have verbrandde. Ze vroegen de heren van GS om wat oud waterstaatshout voor de bouw van een nieuw huis en schuur. Daarna wilden ze nog steun proberen te krijgen van particulieren.
Op 1 mei 1786, een week na de brand, machtigde het college van GS zijn kamerbewaarder Gout om tien zilveren dukatons aan Berends en vrouw uit te tellen. Dat was ruim 30 gulden, blijkbaar vond GS dat beter dan een gift in tweedehands hout. Overigens moest Gout het echtpaar om een “behoorlijke quitancie” vragen, opdat er geen misverstand in de rekenkamer zou ontstaan.
—
Bron: Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 449: rekestboek GS.

Recente reacties