Schipbreuk op de Eems

Nota bene: dit bericht dateert van vijf dagen na het ongeluk – toen gaf men de hoop kennelijk op. De Paap is de zandplaat pal ten noorden van Delfzijl temidden van de twee vaargeulen in de Eems.

“Delfzyl den 18 Maart. Tusschen den 12 en 13 dezer is op de Paap verongelukt, het schip van Roelf Jans van Delfzyl, die zyn ballast aldaar had ingenoomen, op welke 9 perzoonen geweest zyn, van welke men tot nog toe geene ontdekt heeft, dus allen zyn omgekomen. Het schip is ten eenemaal geheel verbryzelt, men kan het wrak by leeg water hier daaglyks zien,

Nog is in dezelve nagt aan de dyk verongelukt, een schip dat met steen aan de dyk had gevaaren, en by ongeluk zyn touwen gebrooken waren, dog de beide menschen zyn er levendig afgekoomen.”

Bron: Groninger Courant 19 maart 1782.


Een brandschattend leger, vlak over de landsgrens (2)

De Franse raid op Oost-Friesland komt ook ter sprake in de Groninger Courant, die berichten en brieven uit Bonda (Bunde) publiceerde. Daar woonden indertijd voorouders van mij, waaronder de man die zo’n beetje als eerste de achternaam Perton droeg. Reden om zulke berichten met extra belangstelling te lezen.

Eigenlijk reageerde de Groninger Courant eerst vrij laat op het oorlogsnieuws uit Oost-Friesland. De krant lijkt net zo verrast te zijn geweest door de Franse aanval, als de Oostfriese overheid in Aurich. Verschenen de Franse huzaren op de 22 september 1761 in Oost-Friesland, pas op de 29ste stond het eerste bericht over hun brandgang in het Groninger nieuwsblad. En dat terwijl er nog talloze personele, familiale en religieuze banden tussen Oost-Friesland en Groningerland bestonden: deels sprak men daar dezelfde taal, het calvinisme was er even dominant als hier en predikanten hadden hun standplaatsen nu eens aan deze, dan aan gene kant van de grens.

Dat eerste bericht breekt wel al ferm de staf over de Fransen, “onaangename gasten” die “barbaarschheeden” pleegden. Onder de “schandelijke behandelingen” die de Oost-Friezen moesten ondergaan, mat de krant ook breed uit de bejegening van vrouwen, waardoor immers ook de vlam in de pan sloeg:

“Geen vrouwspersoon is voor hunne spoorloze en verwoede driften beveyligt, dezelven worden door hen deerlyk mishandeld, geslaagen, onteerd of opgeslooten indien haare mannen gevlugt zyn. Zoo dat veele van die weerlooze sexe dikwils met haare zuigelingen hunne goederen en betrekkingen moeten verlaaten en elders hun wyk zoeken, om beveyligt te worden voor de allergruwelykste mishandelingen.”

Over Bonda meldt dit eerste bericht, dat de inwoners er 30.000 dukaten brandschatting moesten opbrengen, wat neerkomt op bijna 160.000 Nederlandse guldens:

“Vyf perzoonen der begoedste aldaar zyn als gyzelaars op waater en brood op den tooren gezet, en men telt hen alle daagen een goed getal stokslaagen toe. Zy eysschen van eenige derzelve om 500 ducaten op te brengen eer zy weder van den tooren ontslaagen konnen worden.”

Van de Pruisische Polder, even over de grens bij Nieuweschans, eisten de Fransen eveneens 30.000 dukaten, terwijl er maar 21 boerderijen in deze polder lagen, die dus elk een 7500 gulden moesten opbrengen. Voor zo’n bedrag kon je destijd in de stad Groningen een rijtje huizen kopen, om maar even aan te geven hoe exorbitant deze eis wel was.

Het dorp Weener kreeg van hetzelfde laken een pak.  Hier gijzelden de Fransen  zelfs de predikanten,

“…welke op eene deerniswaardige wyze behandeld worden. De gevangenisplaats is onder in den tooren, alwaar hen zon nog maan beschynd, moetende haare rustplaatze op de planken neemen.”

Op 2 oktober plaatste de Groninger Courant een brief uit Bonda van drie dagen eerder – het Oost-Friese nieuws kwam dus al wat sneller in de kolommen. De correspondent maakte gewag van de slag bij Leer, waarbij een Franse generaal gewond zou zijn geraakt. Intussen kon men zich in Bonda vrijelijk bewegen zonder dat men de kans liep lastig gevallen of uitgeschud te worden. Van deze adempauze maakten de inwoners gebruik, door hun kostbaarheden subiet over de landsgrens in veiligheid te brengen:

“In Bonde is geen een Fransche meer te vinden, zoo dat alles weggevoerd word na de Oude Schans.”

Ook meldde de correspondent dat de Fransen een huis van een voornaam ingezetene van Bonda finaal hadden gesloopt:

“’t huys van Lauwert Pieters ligt onder voet, de muiren zyn omvergeworpen.”

Enkele laatste berichten in dezelfde editie gewaagden van het ophangen, door de Fransen, van een paar boeren in Leer. In Bonda deden de Fransen overigens water in hun wijn:

“De persoonen die te Bonde als gyzelaars gevangen gezeeten hebben, zyn gisteeren, nadat men wegens dat dorp voor 10.000 ducaten geaccordeerd was, weder ontslagen en op vrye voeten gesteld.”

Maar de Fransen kwamen hier nog eens terug:

“Op dit ogenblik ontfangt men berigt, dat ’t by Bonde en daar omstreeks opgepropt van Franschen is, en de toestand aldaar is tot nog toe elendig.”

Dit betrof echter de troepen die de huzaren aflosten en die zich heel wat civieler gedroegen. Bovendien zouden zij op 5 oktober alweer inrukken. In dit geval was de angst dus onterecht.


Een brandschattend leger, vlak over de landsgrens (1)

De Zevenjarige Oorlog (1756-1763) is sowieso al een onbekende oorlog. Vrijwel niemand weet, hoe Oost-Friesland eronder te lijden heeft gehad.

Oost-Friesland viel sinds 1744 onder Pruisen, dat er een gematigd bewind voerde. Pruisen en Engeland stonden aan de ene kant in die Zevenjarige Oorlog, Frankrijk en Oostenrijk aan de andere. Terwijl Pruisen zich militair concentreerde op Silezië, in het hart van Europa, liet het westelijke territoria zoals Oost-Friesland nagenoeg onbeschermd liggen. In september 1761 rukten de Fransen en Oostenrijkers op naar deze achilleshiel van het Pruisische rijk.

Eenmaal gearriveerd, stuurden de Fransen detachementen huzaren brandschattend door Oost-Friesland. Van alle steden en dorpen eisten ze enorme sommen oorlogscontributie. Gelieve meteen te betalen, anders vliegt de boel in de fik. Op de 23-ste september plunderden ze Aurich, dat in hun ogen treuzelde.

Een dag later kon Emden maar een derde van het geëiste somma opbrengen. Ook hier gingen de Fransen over tot plundering.

Norden, op 25 september aan de beurt, bracht zestiende van de geëiste contributie op, maar dat wel in minderwaardige munt. Om hun eis kracht bij te zetten, dienden de Franse huzaren de belangrijkste lokale bestuurder in het openbaar op de markt stokslagen toe. Hij zou er vijftig krijgen, maar bij de veertiende drongen tierende burgers op, dreven de Fransen de markt af en het raadhuis in, waar deze haastig het al ingezamelde geld inpakten. Vanaf het raadhuis schoten ze zich de weg vrij, waarbij twee doden en meerdere gewonden vielen. Op de terugweg naar het zuiden hingen ze in enkele dorpen boeren op, ter afschrikking.

Ook ten oosten van Leer rees er verzet. Bij Holtland werden vijf huzaren die meisjes lastig vielen, door woedende boeren gedood. De rest van hun troep nam de vlucht. Noordelijker, bij Schirum vond er een schermutseling bij een geblokkeerde brug plaats, waar de Fransen het onderspit dolven tegen de boeren, wier moraal zo een aardige oppepper kreeg.

Op 27 september trokken de Fransen uit Aurich langs het trekdiep terug naar Emden. Ten zuiden van Aurich legden ze huizen in de as en schoten ze willekeurige passanten dood. Dorpen werden geplunderd.

De Fransen lieten zich nog verder terugvallen, op Leer bij de Eems. Maar een Oostfries boerenleger ging in de achtervolging met de bedoeling om de huzaren hun buit weer af te nemen. Onderweg kwamen de boeren een in hun ogen verdachte schoenmakersknecht tegen. Na een kort verhoor werd hij als spion gefusilleerd.

De minstens 500, 600 boeren marcheerden verder, op naar Leer. Vlak voor Leer, bij Loga, kwam het tot een schermutseling met ongeveer 500 Franse soldaten. Zo’n 40 boeren zouden hierbij omgekomen zijn, naast zo’n 30 soldaten. De boeren gingen weldra op de vlucht en de soldaten hielden vervolgens gruwelijk huis in Loga en omgeving. Bewoners werden uitgeplunderd en gemarteld en een 15-tal werd er vermoord.

De boeren hergroepeerden zich op 29 september, met versterkingen uit het noorden. De dag erop verlieten de huzaren Oost-Friesland. Ze werden afgelost door 2000 man Oostenrijkse militairen, die de boeren in alle richtingen uiteen deden stuiven, maar er verder heel wat menselijker methoden op na hielden. Zo kwam er een amnestie voor de boeren. De nieuwe troepen bleven ook maar een week.

Naast alle menselijke leed, veroorzaakten de Franse huzaren een miljoenenschade in Oost Friesland. Hun “excessen” baarden in heel Europa opzien. Naar hun aanvoerder heetten talloze Oost-Friese waakhonden naderhand Campfort.

Vervolg>

Bronnen:


Groningen, Bierum en Spijk in De Post van den Neder-Rhijn

De Post van den Neder-Rhijn mag dan nog zo bekend zijn als patriots opinieblad, wie zich bezighoudt met de patriottenbeweging in marginale gewesten als Groningerland, zal de delen niet gauw ter hand nemen. Het aantal artikelen over deze contreien is immers zeer beperkt, zo leert ook weer een quick scan van de delen die op Google Books staan. Maar wat erin zit, heeft soms toch wel waarde. Zo bevat de legger met de nummers uit het voorjaar van 1785 een prachtig standje van zaken over de vrijwillige burgerwapening in Stad & Lande door ene A.H.

Deze burgerwapening was een stokpaardje van de patriotten, die met hun exercitiegenootschappen (of milities, zoals we ze tegenwoordig zouden noemen) een tegenwicht wilden bieden tegen het reguliere leger, dat onder opperbevel stond van de stadhouder, prins Willem V.  Op Oudejaarsdag 1784 hadden  de Staten van Stad & Lande hun oproep tot burgerwapening doen uitgaan, die bij de oranjeklanten grote weerzin opriep. Vooral om manifestaties van oranjegezindheid de kop in te drukken, verboden de staten niet lang daarna het dragen van de lintjes en kokardes die iemand politieke kleur aangaven.

Een paar maanden later schreef A.H. dus zijn bericht aan De Post van den Neder-Rhijn. Hij meldde dat het in de provincie Groningen “zeer wel” ging met het exerceren, primair in de stad, waar inmiddels 300 man met de oefeningen meedeed. Daar waren ook al bestuurders gekozen en reglementen gemaakt, die ter goedkeuring bij het stadsbestuur lagen. Aan zo’n approbatie twijfelde A.H. niet, want:

“men heeft zich hier ook wel, gelijk elders, tegen de exercitie verzet en het in de war zoeken te brengen, dewijl het ons hier ook niet ontbreekt aan oranjeblazers, doch daartegen hebben wij hier ook braave burgervaders, gelijk de Heeren Burgemeesters Siccama en Van Hoorn, benevens de verdere weldenkende Raaden, welke den wapenhandel (= hantering van wapens HP) wel zullen doordringen.”

Ook in de officiële stedelijke burgerwacht kwam er nieuw elan. Sinds 1594 waren de katholieken buiten deze burgerwacht gehouden, maar er was sprake van dat ze er weer lid van mochten worden – een teken van de toegenomen religieuze tolerantie, vooral in patriotse kringen.

“Kortom het exerceeren, zoo onder persoonen van den eersten rang als onder die van den laagsten, jaa tot kinderen zelfs, is in deeze stad algemeen doorgedrongen en wordt met allen naarijver verrigt. Veele regenten zoo van de Stad en Raaden uit den Hove Justitie als de meeste Heeren der Ommelanden oefenen zich in den wapenhandel , de laatsten in het Stadhouderlijke Hof, en wel in ’s Prinsen eetzaal.”

Of de prins hiervoor toestemming gaf,  meldt de correspondent helaas niet, maar het valt zeer te betwijfelen. Volgens A.H. verliep het exerceren ook in de Ommelanden (= Westerkwartier, Hunzingo en Fivelingo)  “naar wensch op veele plaatsen” , maar daar dan

“voornaamelijk op zodanigen , welker Heeren voorstanders der Vrijheid zijn, want de verdervende hand werkt in de Ommelanden nog meer dan veele wel denken, voornamenlijk daar de hofgezinden hunnen invloed hebben.”

Als voorbeeld van die orangistische invloed noemt A.H. een versje, dat enige weken eerder op de pastoriedeur van de stokoude, maar “braaven patriottischen predicant” Jacob Venhuizen te Spijk geschreven stond:

“De Ingezetenen van Bierum en Spijk,
Jaagen de Staaten aan den dijk!
Maaken de Prins tot Heer en Koning van het Rijk.
De lichaamen der Staaten op staaken en de koppen op een pin,
Dan hebben de ingezetenen van Bierum en Spijk haar zin.”

Enige durf, ja zelfs politieke overmoed kan de auteurs van dit bloeddorstige poeem niet worden ontzegd. Ook vertoont hun orangisme een royalistische tendens, die je niet zo gauw zult aantreffen bij partijgenoten uit de betere kringen.

Hoe dan ook was Spijk een brandpunt van orangisme, want op de zondag dat ds. Venhuizen er vanaf de kansel het statenplakkaat tegen het dragen van politiek gekleurde lintjes etc. voorlas (iets wat standaard met alle overheidsrichtlijnen gebeurde) en men dat plakkaat op de kerkdeur hing,  werd erboven een oranje lint gespijkerd, terwijl er tijdens de middagdienst “een groot aantal van dat volkje met orangelinten en –leuzen” in de kerk verscheen.

Ook A.H. bevestigt overigens weer de scheiding der geesten tussen de meeste predikanten en een groot deel van hun kerkvolk.

“De predicanten in deeze provintie (eenige weinigen uitgezonderd) zijn regt vaderlandsgezind. Verscheiden hunner in de Ommelanden oefenen zich met de leden hunner gemeenten in den wapenhandel, daardoor toonende , dat de behoudenis van den Godsdienst gegrond is op de behoudenis der Vrijheid.”

Bron: De Post van den Neder-Rhijn VII no. 327 (mei 1785) p. 133.


Warm brood bij het kraambed

Het was nogal een geopinieerd mannetje, die C. Terne, medisch doctor en stadsvroedmeester van Leiden. Maar in het vuur van zijn betoog over vroedvrouwen (1784) stipt hij ook even een ouwe Groninger kraamgewoonte aan:

 “Was het de noodzaakelijke plicht niet van vroedvrouwen, door beeter voorbeelden haare leerlingen voor te gaan, om zodanige schandelijke gewoontens tegen te gaan, van bij nacht bij deftige lieden de zuikerbakkers of broodbakkers op te kloppen om warm brood, gelijk in Groningen en anderen plaatsen geschiet?”


Duitse graaf beschrijft Groninger trekschuit

In maart 1771 besloot graaf F.U. z L. vanuit het Oostfriese slot Evenburg bij Leer, waar hij logeerde, een plezierreisje te doen naar Nederland. Hij en een jongere vriend staken de Eems over en bereikten via Weener, waar de mensen destijds nog nauwelijks Hoogduits verstonden, in een krakkemikkige postkoets over buitengewoon slechte klei- en veenwegen  (“We deden ruim twee uur over iedere mijl”) naar Nieuweschans, waar de ‘Hollandse reinheid’ ze meteen opviel.

In het veerhuis van het vestingstadje dronken de heren een kopje thee, wat leidde tot een bespiegeling in de reisbeschrijving van de graaf over de prijzen in de Nederlandse horeca.  Dat men er vooraf alles goed moest afspreken, zoals in Duitsland beweerd werd, klopte volgens hem niet: geen waard zou daartoe willen overgaan. Wel was het oppassen geblazen met de sjouwers van bagage, die men beter niet uit het zicht kon verliezen.

Omdat de graaf en zijn metgezel de gewone snikke of trekschuit van 11 uur naar Winschoten misten, voelden ze zich gedwongen een eender huurvaartuig te nemen. Deze kwam in Winschoten op tijd aan voor de afvaart van gewone trekschuit naar Groningen, zodat de heren daar konden overstappen.  Intussen leidde een en ander tot een lange beschrijving van de Nederlandse trekschuiten in de reisbeschrijving van de graaf. Voor reizigers uit Duitsland, waar bij gebrek aan kanalen een dergelijk openbaar vervoersmiddel ontbrak, vormde de trekschuit immers een enigszins exotisch verschijnsel. Anderzijds waren de Nederlanders zo aan trekschuiten gewend, dat zij er in hun reisbeschrijvingen nauwelijks woorden aan vuil maakten.  Daarmee is de Duitse beschrijving tamelijk uniek, of althans bijzonder genoeg om te vertalen. Bij deze dan de passage van de graaf over de trekschuit:

“Hier, in de provincie Groningen, zijn de schuiten merendeels 16 à 20 voetstappen lang en 2 tot 4 passen breed. Verderop in Holland zijn  ze 24 tot 26 schreden lang en 4 tot 6 schreden breed. Ze kosten nieuw tussen de 400 en 500 gulden en 10 tot 12 schepen delen gemeenschappelijk de vrachtlonen en geven daarvoor jaarlijks iets aan de staat.

Binnenin deze schuiten kunnen ongeveer evenveel personen gerieflijk zitten, als ze passen lang zijn. Vaak neemt de schipper echter meer passagiers in en ik heb er met 30 of meer personen in gezeten. De passagiers hoeven dit echter niet te dulden, maar kunnen verlangen dat er nog een schuit bij komt. In Friesland zijn de schuiten iets groter en gerieflijker, maar in alle zeven de Provinciën  zijn ze dermate laag, dat men er niet in kan staan, wel echter kan zitten, tenminste als men niet langer is dan de gemiddelde man.  Voor regen en wind zit men beschut, want binnen is alles aan alle zijden bekleed. Het geheel is van hout, zonder vensters erin, maar met alleen toegangsdeuren aan beide kanten en in het midden op beide zijden een luik om spullen binnen te brengen, doch er wordt niet veel zware bagage aangenomen.

Het vrachtloon voor een mantelzak kost gewoonlijk per halte 2, ook wel 3 of 4 stuivers, verderop in Holland helemaal niets, maar een koffer kost steeds veel meer, waarbij ik alleen opmerk dat iemand bij de schipper nooit meer afdingen  kan, dan tot het minimum-bedrag dat de verordening aangeeft.

In de schuit staat in het midden een lange smalle tafel, waarop men gewoon is de bagage neer te leggen. Men zit op banken, die aan de wanden bevestigd zijn en men vindt steeds armbussen, een hangende luchter waarin ’s avonds een kaars of olielicht aangestoken wordt,  en soms alleen maar een voorwerp van aardewerk waarin vier of vijf gaten zitten, waar het licht doorheen kan schijnen. Verder ontbreekt er ook nooit, wegens de Hollandse pralende reinheid, een voorwerp van blik, porselein of zilver, dat op een bloemenvaas lijkt en dat kwispedoor genoemd wordt en en dat tot het uitspuwen dient. Men vindt zulke overal, niet alleen in  schepen en in herbergen, maar in alle gezelschappen bij de thee en eettafels. NB: op de tafel staande!

Bovenop de schuiten is er nauwelijks beschutting, toch kunnen er een paar mensen bij de stuurman staan. Langs het midden van de mast, die de schuiten bij het passeren van elke brug moeten neerhalen, loopt een lijn die achter bij de stuurman bevestigd is, en die van voren door een paard getrokken wordt, vandaar de naam trekschuit. Op dit paard zit een kleine jongen, elders een grote kerel, die echter altijd jagers of jongens genoemd worden, en die 1, 2 tot 4 duiten drinkgeld krijgen. Deze lui zien er gewoonlijk zeer haveloos uit, rijden zonder zadel en stijgbeugels en hebben in Friesland een oude koehoorn, waarop ze jammerlijk blazen als het schip voortgaat of als het door een dorp komt, opdat de mensen dit horen en een brief kunnen meegeven.

Als iemand er iets aan gelegen is om vroeger aan te komen op een plaats, hoeft men alleen aan de schipper te zeggen dat men de jager enige stuivers drinkgeld geven zal, dan gaat het gelijk al vlugger. Over de schuiten wil ik nog opmerken, dat hoewel iedereen daarin tabak rookt, men er meteen mee moet ophouden zodra een dame of respectabele vrouwspersonen zeggen dat ze het niet verdragen kunnen, dan beveelt de schipper, die orde moet houden, dadelijk dat men de pijpen weglegt. Als echter een manspersoon op zijn beurt zegt dat hij de lucht van de stoven niet verdragen kan, dan moeten de vrouwen deze ook wegdoen. Dergelijke stoven kan men van de ene plaats naar de andere huren en de schipper neemt ze dan mee terug. Dat geldt zelfs ook voor het koffie- en theegerei dat men, als de schuit niet even blijft liggen, uit een herberg kan meenemen, en dat men dan onderweg leegdrinken kan.”

Bron: Johan Bernoulli’s Sammlung kurzer Reisebeschreibungen (deel I, Berlin 1781) 97-104.

Wordt vervolgd


Veendammer drenkeling voor de dood weggehaald

Een van de nuttige en deugdrijke voortbrengselen van de vaderlandse Verlichting was de genootschappelijke aandacht voor het verdrinkingsgevaar. In de achttiende eeuw verdronken er heel wat meer mensen dan nu. Maar weinigen konden zwemmen, terwijl er juist veel meer mensen (vlak) op het water werkten en leefden. Bij gebrek aan straatverlichting donderde je vooral in een maanloze nacht of bij dikke mist zomaar de plomp in. En als men er je dan uithaalde, wist men vaak niet. wat men ermee aanmoest.

De Maatschappij tot Redding van Drenkelingen, opgericht in 1767, propageerde nieuwe, in onze ogen zeer opmerkelijke methoden van behandeling, en keurde tegelijkertijd de ouwe, traditionele af. Zoals bij onderstaande geval anno 1772 te Veendam, waar een apotheker redding bracht, toen een boerenknecht op Prinsjesdag  (de verjaardag van Willem V) omtrent ‘t kroegsluitingsuur het Westerdiep inlazerde:

“Te Veendam, een kerspel in de provintie van Groningen, den 8sten maart 1772, des avonds ten tien uuren, viel Jan Harms, een boerenknecht oud twee-en-twintig jaaren, in het zogenaamde Veendammer Westerdiep. Hy zonk naar den grond, en bleef een half uur onder water.

Toen hy er met een schippershaak was uitgehaald, rolde men hem, volgens eene zo oude als nadeelige gewoonte, op een turfvat, doch geheel vruchteloos. Men bragt hem in een huis, en zond op het aandringen van den Heere Nauta, Dokter in de Rechten, om den Heere Arnoldus Wyndels, Apotheeker daar ter plaatse. Dees vond den lyder in een allernaarsten toestand, volstrektelyk zonder pols, de oogen half gesloten en onbeweegelyk, het ligchaam yskoud, en alle de leden styf; in het kort, zodanig dat alles hoopeloos scheen.

De Heer Wyndels liet echter den moed. niet zakken. Men lag op zyn bevel den drenkeling, in een warme deken gewonden, voor een maatig vuur, en trok hern het drooge hembd aan van eenen der omstanders. Men blies hem, zo sterk als mogelyk was, door een tabakspyp in den aarsdarm. Men wreef het geheele ligchaam met een sterken spiritus.

Ondertusschen waren de tanden van den drenkeling zo digt op malkanderen gesloten, dat men veel moeite had om er eenige druppels Naphtus Fini door te krygen: ook beproefde men verscheide maalen, hoewel vruchteloos, een aderlaating.

Het was niet dan na verloop van twee uuren arbeids, dat men uit een flaauwen polsslag, eenige geringe beweeging, snikkingen en hoestingen, gegronde hoop van herstelling begon op te vatten. Men ging met de zelfde manier van behandeling voort, en hield hem ook de Spir. Sal. Armon. onder den neus. Nu bespeurde men meerder tekens van gevoel en leven, en de mond zich openende, liet men hem een dosis Napthce Vini op wat suiker gebruiken , gaf hem een drankje in, en lag hem te bedde.

Den volgenden morgen volkomen by zyn kennis zynde, deed men hem een aderlaating, het geen hem de borst merkelyk ruimer maakte, en hem een zachte rust bezorgde. ntwaakende, was hy redelyk wel, byna zonder koorts, en gebruikte een kandeeltje.

Des dingsdags den 10den , verklaarde hy van alles wat er sedert het oogenblik zyns ongevals tot den 9den des avonds gebeurd was, niets te weeten,

Hy is door de geduurige zorgen van den Heere Wyndels, die de gouden medaille ontfangen heeft, weder ten eenemaal hersteld.”

Bron: Historie en gedenkschriften van de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen, delen I t/m V in één band (ca. 1773) p. 364 (of hoofdstuk XXXVII).


Het spook uit de wiem- of: hoe de Slang verscheen te Eenrum

Onderstaande spookverhaal trof ik aan in een vertoog uit 1766 over de natuurlijke oorzaken van spokerijen, geestverschijningen en wat dies meer zij. Als het verhaal zich inderdaad heeft afgespeeld op de borg van Eenrum , zoals de vertellers het willen, dan moet het opgetekend zijn vanuit het geheugen van de oorspronkelijke verteller, want volgens het borgenboek van Formsma werd Oosterhuizen, de laatste borg van Eenrum, in 1740 op afbraak verkocht door de laatste eigenaar, een jonker Gerhard Alberda. Omdat de Alberdaatjes ’s winters, zoals bijna alle jonkersfamilies, in de stad woonden, paste die oorspronkelijke verteller, hun particuliere secretaris of schrijver, dan op in hun borg. Anders dan de mensen in de omgeving, geloofde hij niet dat het er spookte. Gezien het uitgangspunt zit er uiteraard een happy end aan het verhaal en terloops komt er een aardig spreekwoord over het spookuur voorbij:

“Dus heb ik van naby gekend zeker secretaris, gewoond hebbende tot Eendrum, een dorp in de provintie van Groningen. Deeze heer heeft my verhaeld, dat toen hy daer woonde, het casteel van de jonker van die plaets de naem had, dat het daer zeer spookte. Dat dien Heer des winters naer Groningen gaende met syn huisgezin, uit dien hoofde niemant kon krygen, om daer des, nagts te slaepen, maer weetende dat hy aen geen spook geloofde, zulks hem verzogt, dat hy ook aennam.

Dog wanneer hy op zekere avond syn soontje op een opkamer reets had te bed gebragt en tot over 12 by een lamp beneden in de keuken zat te breyden, zynde de gragt rontom het kasteel toebevrosen en met sneeuw bedekt, zoo dagt hy by zig zelven: “Als er eens over dezelve dieven quamen inbreken, hoe zoudet gy het maeken?” En terwyl hy dat dagt, quam er onverwagt een swaere slag op de tafel daer hy zat, zodanig dat de lamp omviel. Hy grypt er strax (=meteen) nae, en ten allen gelukke: de lampe was nog brandende. Waerop hy wilde de retraitte nemen naer syn soontje, dog in het omdrayen zag hy, zoo hy meende, een groote Slang met een gespikkelde huid en korte pootjes tegen de tafel overeynd staen.

Hy dagt: “Het is tusschen 12 en één, dan is het spook op de been, zegd het spreekwoord. Daer is nu de oude Slange, de duivel, en dat is een regtvaerdige straf voor uw, omdat gy de verschyning van den boozen altyd halstarrig ontkend hebt”, schoon hy eerst had gemeend, dat de slag door een stok verwekt was, waermede een schelm, over de gragt gekomen zynde, hem had tragten te slaen, of te gooijen.

Dog een weinig verder zig omdraeyende, kreeg die ingebeelde slang eenigzins een ander gedaente, dat hem vrymoedigheyd gaf, er nader nae te zien, en raad eens, mynheer, wat het was? Het was een stok met worsten! De darmen gevuld met vet en mager vertoonden de ronde gedaente van een gesprenkelde slang: de houtte piggetjes, waermede het bovenend der ronde worsten waren vastgemaekt, hadden de gedaente van de korte pootjes der Slange! Maer raed nog eens, mynheer, van waer dit quam?

Hy zelve dagt nog al, dat een schelm hem daermede het hoofd had tragten te quetzen, maer neen, dat was het niet. Wat dan? Boven syn hoofd was het spek, vlees, en worsten opgehangen met een lange stok tusschen de dwarslatten aen de solder. Nu was de stok met worsten, zoo het schynd, wat te kort en daer by door de hitte van het vuur met der tyd nog meer ingekrompen, en ziet: juist ’s nagts tusschen 12 en één uir was de tyd daer, dat die stok aen het glyden raekte, en viel eerst met het eene punt op de tafel, dat die slag verwekte, en straks met de andere kant op de grond, waer door zig de worsten opeenpakten, en zoo bleef die stok met worsten in de gedaente van een slang regt overeynd tegen de tafel opstaen.

Daer heb je nu het gansche spook. Egter zeyde hy tegen my: “Had ik zonder nader onderzoek uit het huis gevlugt, ik zou niet anders blyven denken, of het was de oude Slang.””

Bron: Derde briev aen den Wel Eerw. en Zeer Geleerde Heere Petrus Nieuwland (…) over de mogelykheyd en bestaenlykheid van spooken, spookeryen enz.  (’s Gravenhage 1766) pag. 15-16.


Romans, of het gevaar van de Franse kostschool voor jongejuffrouwen

“Het grootst bederf is het leezen der romans en wulpsche boeken. De jonge dogters, huwbaar wordende in dien tyd als zy te schoole leggen, zyn meest vatbaar voor dit bederf. En hoe zullen zy anders dan aan verliefdheid denken, daar de mademoiselIe nergens op let dan op haar kapsel, kleeding, dansen en zingen? Het is waar, zy worden naauw opgeslooten en belet buitenspoorigheid te begaan. Dikwerf evenwel worden meisjes in de schoolen gevryd, de pruikmaaker, de dansmeester,en de musykmeester brengen de billets doux over, wordt het lighaam niet bedorven, het hart lydt niet te minder, en dit eens vergiftigd door de slegte boeken en het kwaade gezelschap van anderen, wordt niet ligt geneezen wanneer zy in haar ouders huis terugkeeren.”

Bron: De Philosooph nr. 7 – 17 januari 1766, p. 52.


Politieke rokerij

Ik geloof dat mijn grootvader deze wel eens rookte:

a

Pas veel later werd ik me ervan bewust dat de fabriek van deze sigaren in Nieuwe Pekela stond, dat er een door Fré Meis geïnspireerde, succesvolle vrouwenstaking was geweest, en dat de fabriek een paar jaar daarna sloot (1971).

Tevoren kwamen uit zo’n sigarendoos grote sigarenbanden met de konterfeitsels van zeer gerespecteerde, zoniet hoog vereerde westerse politici die je kon sparen, zoals:

– Churchill (‘We will fight them on the beaches…”):

b Chrurchill

Kennedy (“Ich bin ein Berliner“):

c Kennedy

En Brandt (“Zu oft mit der Faust auf den Tisch zu schlagen, bekommt der Faust schlechter als dem Tisch“):

d Brandt

Zouden er aan de andere kant van het IJzeren Gordijn soortgelijke sigarenbanden zijn geweest, maar dan van communistische politici? Een dergelijk exemplaar met Fré Meis, dat had me nog wel wat geleken.


Schaatsen als wedstrijdsport

 

facebook affiche

Zie ook


“Zoo vele vlugge en vaardige meisjes, door eene loffelyke eerzucht gedreven”

Toen ik een paar jaar geleden het stukkie schreef over de allereerste grote schaatswedstrijd voor meisjes in Groningerland (1808), heb ik vast en zeker in de volgende nummers van de Ommelander Courant gekeken, of er nog een follow-upbericht was. Ik vond niets in de gedigitaliseerde legger.

Naar me nu gebleken is, verschilt de gedigitaliseerde Ommelander van 6 januari 1809 echter met de niet-gedigitaliseerde Ommelander van dezelfde datum die zich in de collectie van de Groninger Archieven bevindt. Blijkbaar heeft de drukker tijdens het drukken het zetsel gewisseld, zodat er meerdere versies van hetzelfde nummer zijn. Alleen de Gronarch-editie bevat het verslag van de alsnog gehouden wedstrijd, die dus niet definitief afgesteld, maar slechts uitgesteld was

Hieronder dit wedstrijdverslag, waarbij opvalt dat dienstbodes er vandoor gingen met de prijzen die door enkele heren uitgeloofd waren

“Zuidbroek den 3 January. De wedloop op schaatsen tusschen Oldambster meisjes, welke op den 26 der vorige maand moest worden gestaakt, is op heden hervat en gelukkiglyk uitgevoerd. De toevloed van aanschouwers, ofschoon niet zoo groot als by de vorige reis, was echter vry aanzienlyk. Het Gemeente-Bestuur had, ter verzekering van den geregelden afloop dezer vermakelykheid, de meest geschikte maatregelen genomen, en men had het genoegen, van dezelve met den besten uitslag bekroond te zien. De tegenwoordigheid van een Detachement Koninklyke Gens d’Armes, bragt hier niet weinig toe by, en diende tevens, om den luistrer te vermeerderen van een feest, het welk aan de verwachting, die men zich van hetzelve had voorgesteld, volkomen heeft bewantwoord.

Zoo vele vlugge en vaardige meisjes, door eene loffelyke eerzucht gedreven, door de hoop op eene ryke belooning ontvonkt en door de toejuiching der aanschouwers aangemoedigd, onderling te zien wedyveren in eene kunst welker eigene bevalligheid niet weinig wordt opgeluisterd door de bevalligheid der schoone sekse, leverde een toneel op, alleszins schoon en bekoorlyk, en men zal naauwelyks een winter-vermaak kunnen noemen. dat voor de Noordsche streken eigenaardiger is, en meer overeenkomt met onze vaderlandsche zeden.

De koude was op dezen dag streng en de wind hevig, doch de moedige wedloopsters trotseerden wind en koude, en de meesten munteden zoodanig uit, dat ieder van haar wel eenen eereprys was waardig geweest. De overwinning kon echter slechts door eene behaald worden.

Zy viel ten deele aan Ludgert Tammes, oud omstreeks 20 jaren, geboren op de Meeden in den Oldambte en thans wonende, als dienstmeid, bij Hendrik Alberts te Noordborke. De prys, bestaande in een buitengewoon fraai gouden ooryzer naar den nieuwsten smaak, werd aan haar toegewezen, en tevens aan Geertruida Koenes, oud byna 22 jaren, geboren te Midwolde en thans als dienstmeid wonende by Jan Edskes in de Eexta, een buitengewonen prys, zynde eene bevallige en sierlyke halsketen van goud, geschonken.

Een der commissarissen over dezen wedloop, de Heer Mr. H.A. Spandaw, Secretaris der jurisdictie van de beide Oldambten, reikte uit naam der Heeren Deelnemers, aan de verdienstelyke maagden de eereteekens op eene plegtigewyze openlyk over, en deed by die gelegenheid eene gepaste aanspraak, terwyl de aandoeningen van verrukking en erkentelykheid, welke de beide met goud bekroonde kunstenaressen bezielden en die zy zoo eenvoudig en welmenend lieten blyken, dit tooneel byzonder treffend en roerend maakten.

De bekroonde meisjes werden nu, met de verworvene eeretekens versierd, in triomf rondgevoerd en keerden vervolgens opgetogen van blydschap en met een dankbaar gevoel naar hare woonplaatsen terug.

Een ieder was te vrede met den afloop van dit onschuldig ys-vermaak en de avond werd verder in betamelyke vreuigd op eene vriendschappelyke wyze doorgebragt.”

Zoals gezegd had Zuidbroek de primeur van een dergelijke wedstrijd. Drie dagen later werd onmiddellijk buiten de A-poort van de stad Groningen de eerste schaatswedstrijd voor meisjes uit de hele provincie gehouden, waar Tryntje Scholtens uit Winschoten het gouden oorijzer won. Het Oldambt bracht blijkbaar nog wel meer talentvoolle schaatsenrijdsters voort, dan de winnaressen in Zuidbroek.


Groninger lekkernijen (nou ja)

Heftige mosterd van Witkop uit Winschoten (1923):
1923 witkop mosterd
Lieftallige juffrouw promoot kaakjes uit Musselkanaal (1925)
1925, 22 mei biscuits het Anker Musselkanaal
Altijd Je Pudding (1928)
1928 AJP hoe heerlijk
Surrogaatkoffie van Kahrel’s, dat proefde je (1944):
Drentsch Dagblad 28 juli 1944


Groningse mijnwerkers en hun cultuur in Zuid-Limburg

Staatsmijnen NvhN 26 januari 1957

Nieuwsblad van het Noorden 26 januari 1957.

Heeft u nog gehoord van die Limburgse solidariteitsbetuiging met Groningen, de afgelopen week? Met name de Limburgse letterkundige, schrijver en dichter Wiel Kusters riep op tot Limburgse solidariteit met Groningen, omdat de ervaringen van Limburg en Groningen nogal overeenkomen. Beide provincies hebben decennialang randstad Holland van energie voorzien, beide zijn met een fooi afgescheept, beide zijn economisch onderontwikkeld en beide hebben nu te maken met krimp.

Kusters merkte daarbij terloops op, dat er veel Groningers in de Limburgse mijnen hebben gewerkt, en dat er nog veel nakomelingen van die Groningers in de voormalige mijnstreek leven. Dat sloot naadloos aan bij iets wat ik vorig jaar hoorde van Ton Grotens, de oud-directeur (1983-1992) van de Gasunie. Voordat hij bij de Gasunie in dienst trad, was Grotens directeur geweest bij de DSM, het petrochemische bedrijf dat in Zuid-Limburg uit de Staatsmijnen voortkwam. Bij de Staatsmijnen begon Grotens’ carrière medio jaren vijftig. Hij vertelde dat hij er alle rangen doorliep vanaf letterlijk de onderste tree op de bedrijfsladder, te weten die van hulphouwer. Nog verbazender aan zijn verhaal was, dat zijn eerste collega’s beneden in de staatsmijn Maurits bijna allemaal van origine Groningers, Friezen en Drenten waren. Die hadden, vertelde Grotens me, nogal eens eigen ploegen, en ondergronds zelfs ook een eigen personeelschef, ene Klaas Gort, die tevens raadslid en wethouder van Heerlen was.

Die noorderlingen, aldus Grotens, werden aangetrokken in speciale wervingscampagnes. Sporen daarvan tref je inderdaad aan in de digitale leggers van regionale kranten. Zo hield Staatsmijnen vlak voor Kerstmis 1955 voorlichtingsbijeenkomsten over het werken in het ondergrondse mijnbedrijf in cafézalen te Annen, Roden en Een. In de eerste week van januari 1956 volgden soortgelijke sessies in Vriescheloo, Stadskanaal-Wildervank, Tolbert, Gasselternijveen, Midwolda, Wildervank, Noordhorn, Oude Pekela, Marum, Wedde, Veendam en Grootegast, terwijl in de tweede week van die maand Scheemda, Nieuwe Pekela, Groningem, Warffum, Beerta, Muntendam, Uithuizen Musselkanaal, Bierum, Winschoten, Siddeburen, Alteveer, Loppersum, Vlagtwedde, Ter Apel, Stadskanaal en Sellingen werden aangedaan. Al met al voornamelijk plaatsen met een hoog (potentieel) overschot aan landarbeiders die met de mechanisering van de landbouw hun werk verloren of nog zouden gaan verliezen en die al gewend waren aan zwaar lichamelijk werk. Desondanks vertoonden ze aanvankelijk blijkbaar nog te weinig animo, want Staatsmijnen gaf in maart ‘56 een kortstondig vervolg aan zijn wervingscampagne met bijeenkomsten in Leens, Uithuizen en Roden, terwijl het bedrijf eind januari ’57 nog eens zes avonden in vooral Oost-Groninger centrumplaatsen organiseerde (zie het bovenstaande knipsel).

Noordelijke werkkrachten die via zulke bijeenkomsten toehapten, moeten kompels zijn geweest van Grotens in diens tijd als hulphouwer. Maar de golf Noordoost-Nederlandse arbeidsmigranten naar Zuid-Limburg in het midden van de jaren vijftig was zeker niet de eerste, zo blijkt uit een artikel van Wim van der Linde dat op de NGV-website staat. In de eerste decennia van de twintigste eeuw was er ook een golf geweest.

Toen het Zuid-Limburgse mijnwezen zich rond 1900 enorm ontwikkelde, kwamen daar al veel werkkrachten uit Noordoost-Nederland op af. Vaak ging het om mannen, die in de voorafgaande decennia eerst naar het Duitse Ruhrgebied waren geëmigreerd en daar al ervaring met het mijnwerk hadden opgedaan. Door die ervaring, hun grotere geletterdheid en de aanvankelijk geringe animo van autochtone Limburgers voor mijnwerk, kwamen deze noordelingen ook nogal eens gemakkelijker hogerop, wat met hun calvinistsche directheid, hun eigen dorpen of wijken (bijv. Treebeek, Brunssum) en hun eigen kerkelijke leven wel eens zorgde voor irritaties. Van der Linde becijferde dat tussen 1900 en 1913 ongeveer 1600 geboren Noordoost-Nederlanders in de Limburgse kolenmijnen zijn gaan werken, dus ruim 100 per jaar. Vaak namen die een gezin van vier of vijf mensen mee, en kettingmigratie zorgde voor nog eens voor aanzienlijke vergroting van deze allochtone groep. Alleen al bij de Staatsmijnen werkten er in 1923 bijna 2300 personen, die geboren waren in Noordoost-Nederland, zo’n 15 % van het algehele personeelsbestand. Uit de jaarverslagen van de Staatsmijnen valt ook af te leiden, dat vanaf 1913 het aantal noordelingen dat daar per jaar nieuw in dienst trad, toenam tot enkele honderden per jaar in de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog. Vlak daarna, in 1919 en 1920, was er de piek, met in die beide jaren samen 742 nieuwe noordelijke mijnwerkers. Na 1926 was er geen groei meer, maar nam het aantal nieuwe mijnwerkers dat in Noordoost-Nederland geboren was juist af.

Een mooi voorbeeld van die eerste golf emigranten, kwam ik tegen in het Limburgs Dagblad van 19 november 1950, toen het van origine Groningse echtpaar Wolters zijn gouden bruiloft vierde. Volgens het artikel was de man, Jurrien Wolters (NH), in 1881 te Warffum geboren en trouwde hij in 1900 met de iets oudere Grietje Lesterhuis uit Middelstum. Na zijn huwelijk werkte Wolters, die al een half jaartje boerenwerk in Duitsland erop had zitten, eerst in een Duitse kolenmijn. In 1902 hield hij die voor gezien en verhuisde hij met zijn vrouw naar Zuid-Limburg, waar hij zo’n dertig jaar meester-houwer in de staatsmijn Emma was. Maar hun cultuur raakten hij en zijn vrouw intussen nooit kwijt. De kinderen kregen meest nogal Gronings klinkende namen als Geertruida en Aafke en ook de taal van hun geboortestreek lieten ze niet los. Toen de LD-journalist hem verzocht om pasfoto’s voor bij zijn artikel,  vroeg de gouden bruidegom namelijk “of de nicotiefen ok goed wazzen”.

Afgaande op een bericht in het Limburgs Dagblad van 25 oktober 1969 keerden “de zwijgzame Groningers, de stugge Friezen en de geharde Drenthenaren” die na de Tweede Wereldoorlog naar de Limburgse mijnstreek verhuisden, bij de mijnsluitingen vanaf 1965 vrij snel terug naar hun geboorteplaatsen, waar ze immers ook wel in een fabriek konden gaan werken. Van der Linde constateert echter, dat ook de nazaten van de eerste golf Noordnederlandse mijnwerkers minder aan de mijnstreek hingen, dan nazaten van autochtone Limburgse mijnwerkers: “Velen waaierden uit over heel Nederland en over heel de wereld.”

Als men in Limburg een praktisch gevolg zou willen geven aan de uitgesproken solidariteit met Groningen, dan zou een nader onderzoek, kwantitatief en kwalitatief, naar de Groningse mijnwerkers heel mooi zijn. Zo ben ik zelf erg nieuwsgierig naar het culturele aspect. Vaag staat me bij – en daar is ook wel een aanwijzing voor – dat er in de jaren vijftig een Grunneger Verainen actief was in de mijnstreek. Ook namen noorderlingen van de eerste golf hun eigen volksliedrepertoire mee. Zo vinden we met het trefwoord Brunssum op de Liederenbank de in Noordbergum (Friesland) geboren mijnwerker Klaas Reitsma met een stuk of wat opnamen, terwijl de uit Wildervank/Valthermond afkomstige zusters Greven er zelfs vertegenwoordigd zijn met regelrecht Groningstalig repertoire.


Ontspoorde jongen stierf in opvoedingsgesticht

Met dank aan een trouwe lezer uit Overijssel kan ik u melden dat de ontspoorde jongen  uit Muntendam officieel niet Anno, maar Hanno Slor heette . De kranten noteerden dus de naam, zoals men die op zijn  Gronings uitsprak.

Hanno Slor dan, was geboren op 31 mei 1883 aan de Middenweg in Muntendam en dus twaalf jaar oud ten tijde van zijn wandaad.

Anders dan ik meende, is de rechtszaak tegen hem wel degelijk in een openbare zitting behandeld. De kranten hadden daar echter opmerkelijk weinig belangstelling voor. Alleen in de helaas niet gedigitaliseerde Winschoter Courant vond ik een klein stukje, en dat pas vier dagen na het vonnis.

Die uitspraak heb ik nu ook gezien. Ze bevat nog enkele bijzonderheden ten opzichte van de krantenstukken uit oktober 1895. Het ging om de trein uit de richting Winschoten die ’s morgens om negen over acht de plaats delict passeerde. De jongen had de zware ijzeren platen vlakbij de ouderlijke keet bij een overweg over de rails gelegd “om te zien of de trein niet van de rails af zou raken”. Hij stond op een afstandje toe te kijken, werd de volgende dag opgepakt en bekende toen vlot.

Weliswaar achtte de rechter het opzettelijk veroorzaken van gevaar voor het spoorwegverkeer wettig en overtuigend bewezen, maar hij sprak ook een ontslag van rechtsvervolging uit. Daarbij overwoog hij dat Hanno Slor niet geregeld naar school ging sinds hij eens geruime tijd thuis was gebleven wegens het moeten oppasssen op een klein broertje of zusje. Hanno kon zelfs niet eens zijn eigen naam schrijven. Vanwege zijn “verwaarloosde opvoeding” en zijn “gebrek aan behoorlijke ontwikkeling”  had hij geen besef van de eventuele ramp die er had kunnen gebeuren. Hij handelde “zonder oordeel des onderscheids” en was daarom niet strafbaar.  Tegelijkertijd echter, ging de rechter over tot het opleggen van een soort TBS: hij plaatste Hanno Slor tot diens achttiende in een Rijksopvoedingsgesticht.

Voor Hanno betekende dat feitelijk levenslang. Want twee dagen voor zijn vijftiende verjaardag, op 29 april 1898, overleed hij in Avereest, waar hij opgenomen moet zijn geweest in het plaatselijke Rijksopvoedingsgesticht Veldzicht.

Bronnen:

  • Vonnis Hanno Slor: RHC Groninger Archieven, toegang 882 – archief Arrondissemenstrechtbank Winschoten, inv.nr. 421 rol nr. 461 dd 6 december 1895.
  • Winschoter Courant, zondags bijvoegsel van 8 december 1895 (laatste item rechtbankverslag).