‘De schrik van Muntendam’
Geplaatst op: 22 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesGister was het nog weer in Opsporing Verzocht: het gevalletje van de stalen buis op het spoor bij Lelystad, die zondagavond een gat sloeg in de bodem van de intercity naar Groningen.
Het deed me denken aan soortgelijk gevalletje dat zich in oktober 1895 voordeed bij Zuidbroek. Daar lagen toen zware ijzeren platen op de rails bij het station. De trein uit Nieuweschans stootte erop en daarbij vlogen de hulpmachinist de scherven ijzer om de oren. Net als bij Lelystad was het ijzer dat op de rails had gelegen totaal verwrongen. Het was een wonder dat de trein niet ontspoorde, aldus de kranten.
Weldra pakte de plaatselijke politie Anno Slor op. Noch hijzelf, noch zijn ouders wisten zijn leeftijd precies te noemen, maar hij was twaalf of dertien jaar oud. Zijn familie had wel vaker de kranten gehaald, en niet in positieve zin.
Zo stond dit bericht in het Nieuwsblad van het Noorden van 30 oktober 1894:
“MUNTENDAM, 28 Oct. De familie Slor huist hier reeds sedert den vorigen winter aan den Ouden Weg in eene woning, een hok of keet, zooals zoodanige luidjes in dergelijke omstandigheden, zoo primitief mogelijk natuurlijk, plegen op te slaan. Niemand wil de „Slorren” huisvesting verleenen, niemand, dan Vrouwe Justitia, bij wie de leden van het gezin het telkens weer verkerven. De menschen zijn te lastige personages, dan dat men ze in zijne nabuurschap zou wenschen. Zooals ze dan nu echter aan den weg wonen, veroorzaken ze weder veel last en schade ook, aan de omringende landbouwers. Vandaar talrijke klachten. Maar schoon onze raad een paar maand geleden een oommissie benoemde om in overleg met het bestuur der diakonie eene woning op te sporen, tot nog toe is zulks niet gelukt.”
In oktober 1895, ten tijde van het ijzer op het spoor, bleek de familie verhuisd naar even verderop, naar de Hondenlaan, op de grens tussen Zuidbroek en Muntendam. Onder koppen als ‘Een verwilderd gezin’ deden diverse landelijke kranten – bijvoorbeeld het Algemeen Handelsblad en De Tijd – nu verslag van haar woonsituatie:
“Reeds geruimen tijd heeft een zekere familie Slor haar tenten opgeslagen in de nabijheid van Zuidbroek. Deze familie, reeds voor een paar jaren uit eene woning op straat gezet, heeft sedert dien tijd geen woning meer kunnen huren, waarom zjj ergens aan den weg eene keet bouwde en daar verbleef totdat op last van den burgemeester van Muntendam dit getimmerde werd afgebroken en de primitieve woning met have en goed werd vervoerd naar de zoogenamde Hondenlaan. Hier heeft de familie zoo ongeveer het geheele jaar gehuisd.
Midden in het veld, omringd door weelderig graan, achtte zij het niet ondienstig eenige knorrige viervoeters er op na te houden, die ruimschoots hun dagelijksche behoeften vonden. Eenige malen werd proces-verbaal opgemaakt tegen een of meer bewoners, die over met vruchten bezaaiden grond liepen, doch de meeste malen bleef eene aanklacht wegens eene zelfde of nog erger daad uit vrees achterwege.
Natuurlijk laat de opvoeding der kinderen alles te wenschen [over]. Een er van werd voor jaren geplaatst in een rijksopvoedingsgesticht en heeft binnenkort zijn tijd „om”, om zoo terug te keeren in den schoot zijner familie in de ouderlijke woning.”
Welke straf Anno Slor kreeg, viel uit de kranten niet op te maken. De zaak zal wegens zijn leeftijd achter gesloten deuren zijn behandeld. Vrijwel zeker heeft hij, net als zijn oudere broer, een tijd doorgebracht in een rijksopvoedingsgesticht.
Zoals gezegd haalden leden van de familie Slor nogal eens de krant. Ze gold wel als “de schik van Muntendam” (De Grondwet 8 juni 1897). Een uitputtende opsomming van alle berichten zou de lezer maar vervelen, denk ik, maar vermeldenswaard is nog dat de mannen de kost verdienden als scheepsjager. Dat bleek althans bij een steekpartij die zich in 1897 in Sappemeer-Oost voordeed tussen vier neven Slor, die ruzie hadden gekregen over een paard, dat daarbij ook deerlijk gestoken was.
De naam Slor, en dit tot besluit, heeft waarschijnlijk te maken met die scheepsjagerij. Slor komt namelijk van sleuren. Als zelfstandig naamwoord staat slor voor versleten en gescheurd goed, een ouwe lap, vod of lor van linnen of katoen. Het bijvoeglijk naamwoord slordig is ervan afgeleid.
De Lethe in de Tweede Kamer
Geplaatst op: 21 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe Lethe kwam zelfs eens in de Tweede Kamer ter sprake. In 1853 was dat, na een rekest van 111 Oost-Groninger neringdoenden die naar eigen zeggen fors nadeel van de smokkelarij ondervonden. Zij voldeden immers wèl de accijnzen, die niet betaald werden over de gesmokkelde waren, zodat hun handel duurder uitviel en ze maar moeilijk tegen de illegale concurrentie opkonden. In de belangrijkste landelijke krant, de Haarlemsche, stond te lezen dat…
“…in de gemeente Bellingwolde, en wel in het gehucht Lete, onmiddelijk aan de Hanoversche grenzen, van eene bevolking van 240 à 250 hoofden, slechts vier huisgezinnen tot den landbouwersstand behooren, en al de andere inwoners, zoo mannen, als vrouwen en kinderen, zich bezig houden met het insluiken van aan accijns onderworpen goederen zonder ooit eenig ander bedrijf uit te oefenen, terwijl in hunne woningen altijd een voorraad van deze goederen gevonden wordt, juist berekend naar hetgeen volgens de wet van 1822 bij bijzondere personen ongedekt aanwezig mag zijn. Van dezen voorraad, welke gestadig door aanvoeren van buiten op de hoogte wordt gehouden, worden gedurig meer binnenslands gelegene gemeenten voorzien, zoodat men dagelijks geheele troepen dezer lieden ontmoet, die zich deels buitenwaarts begeven om de goederen af te halen en zich deels binnenwaarts in alle rigtingen verspreiden, zoodat aan de oostelijke zijde van Groningen naauwlijks eene gemeente bestaat, in welke men niet elken dag troepen van dusgenaamde dragers kan waarnemen.”
Bron: Opregte Haarlemsche Courant 16 februari 1853.
Foezel-smokkel niet altijd even populair
Geplaatst op: 20 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties“Eens was er een tijd, — ‘t is nog niet lange jaren geleden — dat „de duivel in oplossing”, aan gene zijde der grenzen gestookt, of, platweg ge[s]proken, de voezel, de voorloop, het blaasjesnat, langs onze oostelijke grenzen een zeer bekend, een al te bekend artikel was. Zelfs op uren afstand van de grenzen bijna geen woning, waarin de bewoner geen kostelijk plaatsje wist om de algemeene „traktatie” aan de Argusoogen van den ambtenaar te onttrekken. Smokkelen was dus een „dagelijksch tijdverdrijf” voor velen. De smokkelaars verdienden(?) een aardigen stuiver en kenden de hondepaadjes over heide en veld zoo goed, dat ze moeielijk te snappen waren.”
Aldus het Nieuwsblad van het Noorden van 24 maart 1895 in een rechtbankbericht uit Winschoten, dat meer wegheeft van een algemene beschouwing over smokkel in de regio. Volgens het stuk had “het avontuurlijk leventje van den sluiker zijn grootste bekoorlijkheid verloren” en stelde de smokkelarij nog maar weinig meer voor, al werden er nog steeds mensen met varkensblazen vol foezel aan de grens gesnapt.
Eerder schreef ik de afname van smokkel in deze tijd toe aan sterke maatregelen aan Duitse kant van de grens. Maar die kwamen er pas in 1896, terwijl de afname dus al een tijdje aan de gang was.
Nu ik nog weer eens in oude kranten rondkeek, maar dan met varianten op de term foezel, kwam me voor dat de drankbestrijding ook een rol gespeeld kan hebben. Deze was weliswaar sterk verzuild, maar ook zeer fanatiek en bovendien in de Groninger grensstreek actief.
Zo hield de NV, de in deze periode van vrijzinnig-protestants naar sociaal-democratisch evoluerende ‘Nederlandsche Vereeniging tot afschaffing van sterken drank’, in oktober 1897 een propagandaweekend in Westerwolde, dan door het Nieuwsblad omschreven als:
“het land van gering hoofdelijk verbruik aan Hollandsche jenever, maar …. zooveel te grooter aan Pruisischen voezel.”
In Vriescheloo bleek er al een geheelonthoudersgebouw te zijn. Hier speelden de propagandisten een thuiswedstrijd zou je zeggen. Toch was er geen groot, “maar wel een zeer dankbaar publiek”.
De bijeenkomst op zondagmiddag in de hervormde kerk van Sellingen daarentegen, werd “druk bezocht”, waarschijnlijk mede door toedoen van het lokale schoolhoofd, dat deze bijeenkomst opende en afsloot. Oorspronkelijk zou er ook nog een bijeenkomst zijn in Wedde, maar die ging niet door. Een geschikte zaal bleek bezet door een landbouwvergadering, terwijl de Wedder kerkvoogden weigerden om hun godshuis ter beschikking te stellen,
“en wel — en dat klinkt gek — omdat de eene kerkvoogd zoo’n socialistenboel niet in de kerk duldde en de andere „met dy fiene rommel nijt te moaken hebben wol“.
De krant concludeerde dat men hier nog niet zo goed van de geheelonthoudersbeweging op de hoogte was. De blauwe knoop kan, is mijn conclusie, dan ook nauwelijks van invloed zijn geweest op de afname van de dranksmokkel. Wellicht waren er toch nog weer andere factoren, die daarin een rol speelden: economische en hygiënische bijvoorbeeld.
De kluizenaar van De Lethe
Geplaatst op: 19 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties“Op de oostelijke grens van de provincie Groningen, 10 minuten van het gehucht de Lethe, gemeente Bellingwolde, leefde sedert een 30-tal jaren een man, genaamd Pieter Alberts, in den rechten zin des woords in den grond. Zijn hol was niet grooter dan een aardappelkuil, waarin ongeveer 25 H.L. geborgen kan worden. Dit hol had slechts ééne opening, welke tegelijk diende voor ingang van licht, lucht en voor den bewoner. Deze man is thans, na zulk een lange afzondering van de wereld, in bijna 70-jarigen ouderdom overleden. Jarenlang kwamen des zomers vele bezoekers naar zijn hol, om den kluizenaar te leeren kennen.”
Aldus het Het Nieuws van den Dag van 12 maart 1898 in een bericht dat een paar dagen later met huid en haar in De Tijd werd overgenomen. Verkort dook het op in de De Graafschapsbode van 19 maart, terwijl het een maand later nog eens in extenso in De Locomotief stond, een krant die verscheen in het Nederlands-Indische Semarang.
Ik wilde wat meer over deze quasi-wereldberoemde kluizenaar weten, maar het gekke is dat in het overlijdensregister van Bellingwolde over de eerste maanden van 1898 helemaal geen Pieter Alberts te vinden is, noch iemand wiens naam erop lijkt. Het zou natuurlijk kunnen dat de man over de grens stierf, al doet dat gemeente Bellingwolde in de eerste regel van het bericht zulks niet dadelijk vermoeden. Wordt mogelijk nog eens vervolgd.
De toiletgroep van het armhuis te Bellingwolde
Geplaatst op: 18 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 7 reacties
Graag bevelen wij onder uw aandacht aan dit luxe en van maar liefst vier gemakken voorziene, nog in uiterst authentieke staat verkerende conferentieoord, waar het voor een fundamenteel overleg verrekte goed toeven was.
Het betreft de latrine, oftewel het rijtje plees, dan wel ‘privaten’ van het diaconiegasthuis te Bellingwolde, ongeveer een eeuw geleden gefotografeerd door Tonnis Post (die ook mijn grootouders Perton eens voor de lens had).
Men merke op hoe functioneel-luchtig de bouwmeester het ontwerp heeft gehouden, bijvoorbeeld wat betreft het dak, dat door zijn open structuur het hergebruik van regenwater mogelijk maakte. Toen al!
Zelfs aan de behoeften van de kleinere mens is gedacht, getuige het formaat van de meest linkse zitplaats. Je moet er toch ook niet aan denken dat je dreumes achterover door zo’n volwassen gat zou tuimelen, want de capaciteit van de onderliggende opvang bedroeg maar liefst 10 kuub.
—
Bron van de foto: Jaap Kwak en Cees Stolk, Dorp toen & nu, deel I (Scheemda 1986) p. 62.
Bevrijdingspenning
Geplaatst op: 13 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 4 reactiesOnlangs via Marktplaats gekocht – deze penning:

Echt veel informatie is er niet over te vinden, maar hij is eind april 1946 geslagen bij de Rijksmunt in Utrecht om de Bevrijding van een jaar eerder te herdenken. Op de voorzijde staat volgens een krantenbericht uit die tijd niet zozeer de Nederlandse maagd, als wel
“…een Vrijheidsfiguur met vrijheidehoed, die zich een weg baant met zwaard en vredespalmtak uit een prikkeldraadversperring”.
Op de achterkant vertrapt de Nederlandsche leeuw een hakenkruis dat al aardig verbogen raakt:

De ontwerper van de penning, Oswald Wenckebach, zat in een nationaal comité voor oorlogsmonumenten. Hij heeft naderhand ook het provinciale oorlogsmonument (St-Joris en de draak) op het Martinikerkhof in Groningen ontworpen.
Volgens het aangehaalde krantenbericht kon een degelijke bronzen afslag van de penning in mei 1946 voor ƒ 4.50 gekocht worden bij hoofdpostkantoren in steden als Groningen, Winschoten, Assen en Meppel. Een koper kreeg er een statiefje bij waar hij de penning op kon plaatsen. Dat statiefje ontbrak bij mijn aankoop.
Het beruchte smokkelaarsoord De Lethe
Geplaatst op: 10 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 17 reacties
Er hangt een romantisch waas rond smokkel. De werkelijkheid echter, was niet romantisch maar rauw, zo blijkt uit oude kranten.
Omdat ik benieuwd was of het zaakje van Hindrik Perton ook nog de Winschoter Courant had gehaald, keek ik even in de legger van die krant over eind 1889. Het bleek jammer genoeg niet het geval. Wel viel mijn oog op een bericht van 6 december over De Lethe, een gehucht bij de Duitse grens achter Bellingwolde:
“Het om zijn sluikhandel zoo beruchte Lethe doet weder van zich hooren, Meermalen vallen er toneelen voor, waarbij kinderen en vrouwen zoowel als mannen op den voorgrond treden, waarbij het niet alleen bij woorden blijft, maar daden aan de vreeselijkste bedreigingen en scheldwoorden klem bijzetten. Gelukkig slechts zijn dit een paar famieljes die het bovengenoemd beroep uitoefenen, en soms, wanneer er ‘geen zaken te maken’ zijn, uit verpoozing zoo’n spectakelstuk opvoeren. Dooden komen er in den regel niet, hoogstens enkele gekwetsten, maar toch laten de sporen der verwoesting nog lang daarna zien, waar de veldslag is geleverd. Van deze ‘uitspanning’ wordt echter weinig notitie genomen: ’t is onder ‘de vrinden’.”
Enerzijds heet De Lethe dus berucht om de smokkel, anderzijds zijn het slechts een paar families die dat als beroep uitoefenen. Onderling gaan die nogal eens gewelddadig te werk.
Die gewelddadigheid blijkt ook wel uit andere berichten, zoals in Het Nieuws van den Dag van 20 januari 1886:
“Zaterdagavond kregen in de Lethe, gem. Bellingwolde, twee beruchte en bij de politie welbekende personen twist over het verraden van smokkelaars aan de administratie. De van verraad betichte J. Smit ging toornig naar huis, doch keerde spoedig daarop terug met een geladen geweer, waarmee hij op zijn makker aanlegde en dezen den rechterarm bijna geheel verbrijzelde. (…) De aanslag geschiedde aan de grens,’ onmiddellijk nabij twee Duitsche douanen.”
Diezelfde krant meldde een half jaartje later:
“Verleden week Dinsdag is door de Rijks-ambtenaren uit Bellingwolde huiszoeking gedaan bij een paar beruchte sluikers in de Lethe, bij welke gelegenheid een belangrijke hoeveelheid accijns-goederen werd verbeurd verklaard en in beslag genomen. De beide sluikers, die onder één dak wonen, beschuldigden vervolgens elkaar wederkeerig van ‘verraad’, en spoedig kwam liet tusschen hen tot grove handtastelijkheden. Glazen en deuren werden ingeslagen en verbrijzeld, waarna zij elkander ook persoonlijk te lijf gingen. De een, Jan Kuiper, werd zwaar gewond aan het aangezicht, terwijl twee ribben gebroken zijn en hij erg in de borst gekwetst is. Ook zijne vrouw is ernstig aan den arm verwond. Na een gestreng onderzoek is de andere sluiker, Jan A. van der Laan, in verzekerde bewaring genomen en door twee veldwachters naar Winschoten overgebracht. Zijne dochter, tegen wie insgelijks bevel tot inhechtenisneming was uitgevaardigd, is over de grenzen naar Duitschland gevlucht. In het huis van v. d. L. heeft men nog een pistool en een bijl gevonden, waarvan hij zich in zijne drift bediend had.”
Uiteraard was er nogal eens drank in het spel. De Lethenaren spuugden er niet in. Nogmaals het Nieuws van den Dag, maar dan van 4 september 1896:
“Uit Bellingwolde (Gr .) schrijft men ons eenige bijzonderheden over een brand nabij de Lethe, onder die gemeente, in een huis dat een paar meter maar over de scheiding stond en bewoond werd door R. Edens en diens gezin. In dat huis was eene drukke slijterij in sterke dranken (voorloop) en kandij. Zoodra de brand (…) bekend werd, kwam er veel volk op de been, en bij die gelegenheid werd zeer ruim gebruik — beter gezegd: misbruik — gemaakt van den aanwezigen voorraad sterken drank. Sommigen gingen zelfs de voorloop versnijden in een klomp bij de sloot. De gevolgen bleven niet uit. Sommigen kwamen in de sloot terecht en anderen moesten op een kar naar huis gebracht worden. Er volgde natuurlijk eene vechtpartij, totdat eindelijk de gendarmen uit Bunde verschenen en aan deze tooneelen een einde maakten.”
Datzelfde najaar namen de Duitsers geen halve maatregelen tegen de smokkelarij. Ze maakten het gebied aan hun kant van de grens goeddeels onbegaanbaar, aldus het Nieuwsblad van het Noorden:
“Tusschen Lethe (Gr.) en Oost-Friesland (Pruisen) bestaat gemeenschap langs een achttal kleine paden, zoogenaamde hondspaden, waarvan gebruik wordt gemaakt door de smokkelaars. Ten einde den smokkelhandel zooveel mogelijk tegen te gaan, is aan de overzijde der grens begonnen met alle verkeerswegen, uitgenomen de straatwegen, weg te maken.”
Aan het aantal krantenberichten af te lezen, heeft dit inderdaad het gewenste effect gehad. Maar niet definitief, want in januari 1926 was het weer even goed mis, als we afgaan op het Nieuwsblad:
“Op hooger bevel houden rijksambtenaren in de Oost-Groningsche grensplaatsen dagelijks onderzoekingstochten in woningen, waarin vermoed wordt, dat gesmokkelde spriet aanwezig is. Te Lethe, te Rhederweg enz. is reeds spriet in vele woningen in beslag genomen.”
Volgens het Nieuw Groninger Woordenboek van Ter Laan komt dat spriet van spiritus. Deze voorloop of foezel (jenever die bij het stoken het eerst overgaat) was dermate sterk dat mensen het meestal voor de helft verdunden.
Avonduren met elektra in de Ambachtsschool
Geplaatst op: 8 januari 2014 Hoort bij: Familie, Geschiedenis, Stad toen Een reactie plaatsen
Toen de gemeente Marum in 1920 de aanleg van alle elektrische leidingen etc. in de openbare gebouwen aanbesteedde, moesten de gegadigden beschikken over een elektrotechnisch installateursdiploma, om hun deskundige omgang met elektriciteit te garanderen. Toch bleken de meeste van de tien inschrijvers, die allemaal uit de directe omgeving kwamen, niet elektriciën van hun hoofdberoep te zijn. Dat waren er slechts drie. Maar liefst vijf van de gegadigden, dus de helft, was in hoofdzaak smid en dan maakten ook nog een fietsenmaker en een koperslager gading naar de klus.
Het grote aantal smeden verbaasde ook Geert Braam, die over de aanbesteding vertelt in zijn recente artikel over elektriciteit in Marum,. Toch is het bij nader inzien niet zo vreemd als het lijkt. Toen het er voor de Eerste Wereldoorlog nog naar uitzag dat er overal snel stroom zou komen, en er daarbij een tekort aan mankracht dreigde, sprong de Groninger Ambachtsschool daarop in door stoomcursussen elektrotechniek speciaal voor smeden te beginnen. Dat was tegen het zere been van de vak-elektriciëns, maar die dolven smadelijk het onderspit in de krantendiscussie over deze kwestie,
Ik trof die discussie aan, doordat Geerts artikel me nieuwsgierig maakte naar de opleiding van mijn grootvader Albert Vondeling, die ook elektriciën was. Ik wist al dat hij zijn monteurs- en installateurpapieren haalde als knecht van Beving, de elektriciën van Zuidhorn. Deze Beving, bij wie mijn grootvader zo’n dertien jaar lang heeft gewerkt, was waarschijnlijk geen smid geweest. Van hem vond ik dat hij in 1925 met een compagnon, Bleeker, failliet was gegaan. Hij was wel doorgegaan met zijn bedrijf, want in 1928 stond hij met een stand vol electrische apparaten en radio’s op een middenstandsbeurs in Zuidhorn, waar hij in 1933 een nieuwe winkel in radio’s en andere elektra opende. In dat laatstgenoemde jaar bleken de stroom-opwekkende en -distribuerende bedrijven in de provincie Groningen – P.E.B., G.E.B. en Laagspanningsnetten – een avondcursus in de Groninger Ambachtsschool te organiseren, die twee winterhalfjaren duurde en in totaal 50 gulden kostte. Ik 1938 slaagde mijn grootvader voor het installateursexamen, wat ook in de krant stond. Waar hij het diploma haalde staat er niet bij, maar volgens mijn moeder ging hij op de fiets naar Groningen en volgde hij daar dus zo’n tweejarige cursus in de Ambachtsschool. Hij zal er dan in 1936 mee begonnen zijn en is dus de deuren van dat prachtige schoolgebouw tussen de Driessen- en de Petersstraat menigmaal gepasseerd.
— (Tekst aangevuld en herzien op 11.1.2014.)
Geert Braam, ‘De aanleg van elektriciteit in Marum’, in: ’t Olde Guet, tijdschrift van de vereniging Heemkundekring Vredewold-West, nummer 19 (november 2013), pag, 8-15, in het bijzonder 12.
Hakke Diene en haar drieling
Geplaatst op: 4 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis 13 reacties
Heb de laatste dagen een stuk of wat streektaal-opnamen bij Soundbites beluisterd en mocht weer constateren dat er juweeltjes van verhalen tussen zitten.
Zo bevat de opname die in 1971 te Zuidhorn werd gemaakt een conversatie over dorpstypen van weleer (9:15-12:00 min.; transcriptie pag. 9-12). Een van die mensen was Hakke Diene. Deze vrouw had een drieling – louter meisjes – en met die drieling in een kinderwagen reisde ze stad en land af.
Volgens de zegsman die het meest over haar wist, een transportondernemer geboren te Noordhorn in 1925, werd een van Hakke Dienes dochters genoemd naar koningin Wilhelmina. Daarom zou de koningin geld hebben gestuurd, waarvan Hakke Diene die kinderwagen kon kopen. Op toernee met deze kinderwagen verkocht Hakke Diene ansichtkaarten waarop haar drieling stond.
In de omgeving van Zuidhorn was de vrouw vooral bekend van boeldagen. De lokale afmijner wilde niet met zijn werk beginnen, voordat Hakke Diene ook aanwezig was. Zij kreeg allerlei spullen toegeschoven waar niemand op wilde bieden, ook zijzelf niet, ze had er al de hele zolder ermee vol staan.
De man van Hakke Diene, “Haakke”, werkte bij de gemeente, aldus het latere verhaal. Het gezin woonde in een héél klein huisje en toen de dochters alle drie verkering hadden, bleven de vrijers in het weekend wel eens alle drie slapen. Buren vroegen Hakke Diene hoe ze dat deed, met die krappe ruimte. “O”, zei ze,
“Wie gooien d’heule kakkie bie mekoar ien en wie hebben er wat schotten en zo tussen zet, dat ze nie bie mekar komen kennen”.
Tot zover het verhaal op Soundbites. Natuurlijk was ik benieuwd, hoe Hakke Diene in het echt heette, en wanneer dit verhaal zich dan afspeelde, maar om nu meteen bij Alle Groningers te gaan zoeken, leek me gezien haar (bij-)naam onbegonnen werk. Drielingen waren echter, voordat de anticonceptiepil gemeengoed werd, tamelijk zeldzaam en zij haalden daarom gewoonlijk de krant. Dat bleek ook hier het geval. De eerste hit was een bericht in De Grondwet van 30 juni 1905:
“GRONINGEN, 22 Mei. Ze was te voet heel van Noordhorn gekomen, haar kinderwagen voortschuivende, waarin drie zusjes van denzelfden leeftijd, een drieling dus, een vreemde zaak, op de kermis op hare plaats. Althans zoo denkt de moeder er over, want zij rijst (sic) met haren schat over de marktpleinen om haar moederzegen den volke te vertoonen. ln het vertrouwen, dat het publiek voor het bekijken van deze merkwaardigheid een kleinigheid zal laten glijden in het blikken busje, dat zij wel zoo vriendelijk is u voor te houden. Met zekeren trots vertelt zij daarbij dat koningin Wilhelmina niet lang geleden van haar belangstelling in het welvarende drietal heeft doen blijken door toezending aan de ouders van f 25 bij gelegenheid van den eersten verjaardag van het trio, waarvan een naar H.M. is genoemd.”
Een soortgelijk, maar wat korter bericht – getiteld “Op de kermis te kijk” – bleek ruim een maand eerder in de Gooi en Eemlander te hebben gestaan en met deze berichten als uitgangspunt was het zoeken in Alle Groningers een peuleschil. Barberdina Kremer, de vrouw van de (gemeente-)arbeider Harke van Sloten, beviel op 19 juli 1904 te Noordhorn van de drieling. Terwijl de oudste naar de koningin Wilhelmina Paulina Helena Maria genoemd werd, heetten haar twee jongere zusjes respectievelijk heel eenvoudig Luiktje en Renske. Hoewel de zegsman van 1971 van een generatie later was, bracht hij het verhaal (uit overlevering) dus wel redelijk goed over. Alleen was de drieling niet op de verjaardag van de koningin geboren, zoals hij geloofde – Koninginnedag viel destijds immers op 31 augustus.
Nu louter zoekend met de zoekterm Noordhorn in de gedigitaliseerde krantenleggers van 1904, bleek dat de geboorte van de drieling toch ook niet onopgemerkt was gebleven. Het Nieuwsblad van het Noorden berichtte op 21 juli:
“NOORDHORN, 19 Juli. De vrouw van den arbeider H. v. S. alhier schonk heden aan drie meisjes het leven. Moeder en kinderen zijn zeer welvarend!”
Terwijl het Rotterdamsch Nieuwsblad een week later een enigszins kritisch kopje boven zijn ultrakortje plaatste:
“Van ’t goede te veel
Een werkmansvrouw te Noordhom vermeerderde haar gezin met een drieling: meisjes.”
Overigens was de vernoeming van het staatshoofd absoluut niet uniek. Toen in 1906 bij het gezin Heres te Bedum een drieling geboren werd, kreeg het meisje de naam Wilhelmina Helena Paulina, terwijl een van beide jongens naar de prins-gemaal Hendrik Wladimir Albert ging heten (het andere jongetje kwam er bekaaid af als: Jan). En bij een behoeftig huisgezin uit de Amsterdamse Jordaan kregen anno 1910 de drie gelijktijdig geboren kindertjes deze namen: Wilhelmina, Hendrik en Juliana! Mogelijk rekenden arme families, waar een drieling natuurlijk een hevige aanslag op het gezinsbudget vormde, met dergelijke vernoemingen bij voorbaat op een douceur van ons vorstenhuis.
Verder googelen leverde nog op dat Harm Renkema bovenstaande prentbriefkaart van de drieling op zijn Flickr-account heeft staan. Bij Zuidhorn-in-Beeld is zelfs nog een tweede te vinden (op tweederde van de gelinkte pagina). Blijkbaar heeft Hakke Diene meermalen een foto laten maken. Volgens het bijschrift op de Zuidhornster website, die de namen niet helemaal goed weergeeft, schonk de koningin de drieling zelfs heel wat meer dan enkel die 25 gulden, waarvan anno 1905 in de kranten sprake is:
“Wilhelmina werd naar de koningin genoemd. Hare Majesteit werd hiervan in kennis gesteld, die hierop reageerde door hun ieder jaar een cadeautje te zenden, tot hun 21e verjaardag. Op deze dag ontvingen de kinderen een naaimachine, onder de mededeling dat, nu zij meerderjarig waren, gestopt werd met het zenden van verjaardagsgeschenken.”
Volgens Vincent Sleebe, die zich daarvoor baseerde op een brief in het gemeentearchief van Zuidhorn, lieten Hakke Diene en haar man hun drieling nog in 1909 voor geld op de kermis zien.
Bij nazaten van de drieling blijkt het verhaal ook nog wel bekend.
Reclame voor diverse vermakelijkheden
Geplaatst op: 2 januari 2014 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenHet begin van de filmvertoning in Groningen (zie het artikel van Frans Westra en Karel Dibbets in de laatst verschenen Stad & Lande):

Nieuwsblad van het Noorden 28 december 1895.
Bedum had ooit een eigen fietsenfabriek – VEENO – waar ze toen al deden in opoefietsen:

Nieuwsblad van het Noorden 22 mei 1925.
Curieuze vacantie-aanbieding van Zwartsenberg:

Nieuwsblad van het Noorden 27 juli 1926.
Dit fonds, Festa in Winschoten, opgericht in 1923 als niche van muziekhandel Hekman, bestaat formeel nog steeds.

Drentsch Dagblad 28 juli 1944.
Vraag me gezien de datum af of het ook aangesloten was bij de Kultuurkamer. Veel zal het niet om hakken hebben gehad, Na de oorlog adverteerde het rustig door.
Toch zijn we een poos van dat geknal afgeweest
Geplaatst op: 31 december 2013 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe traditie van het geknal met Oud & Nieuw is een onderbroken traditie. Ooit deed men het niet met vuurwerk, maar met vuurwapens, tot men verstandiger werd, zoals blijkt uit dit krantencitaat:
‘De goede Groninger hangt aan oude gebruiken, waar dat pas geeft, dat kan ieder zich voorgezegd houden. En alleen de minder goede tradities, het zij gesproken zonder hem een veer op den hoed te steken, laat hij schieten zonder er nog naar om te zien. Het oudejaarsgebruik dat van het oude in het nieuwe de verroeste pistolen wil doen knallen en de teertonnen ontsteekt, is ter ruste gegaan. Voor zoover bekend, is er dit jaar slechts één duim afgeschoten door een gesprongen moordgeweer, zoodat ook dit zaakje weer goed is afgeloopen.’
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 4 januari 1903, rubriek ‘Los en Vast’.
Nieuwjaarslopen en de drankduivel in Veendam
Geplaatst op: 31 december 2013 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“De eenvoudige mededeeling, dat gisteren en vandaag ongeveer 400 groote en kleine bezoekers met meer of minder succes hunnerzijds, hun „veel zegen in ’t Nieuwe jaar” hebben afgekondigd ten huize van uw briefschrijver, mag als voldoende beschouwd worden om de lezers buiten de Veenkoloniën een denkbeeld te geven van den omvang, dien het „Nieuwjaarsloopen” hier nog steeds heeft. Ik voeg er dan ook enkel aan toe, dat uw briefschrijver in een dicht huis woont en laat den belangstellenden lezer zelf begrooten hoeveel bezoeken de winkels ontvangen.
Aangezien het veelal regel is, dat alleen „bekenden” iets tot nieuwjaar krijgen, hebben de nieuwjaarsloopers met bewonderenswaardige vindingrijkheid opgediept, welke relaties er kunnen worden aangewezen waaruit de „bekendheid” blijkt. „Veul zegen in ’t Neie joar” van den schoorsteenveger die bij ons de schoorsteenen veegt; van de vrouw die ons een enkelen keer kool of andere groenten verkocht heeft in den loop van het verstreken jaar; van den snikjongen, die hier een pakje heeft afgegeven; van „buren” die minstens een kwartier ver weg wonen, enz., enz.
’t Ligt voor de hand. dat er zulke dagen héél wat gegeven en ontvangen wordt, maar of de gaven wel altijd aan ’t rechte adres bezorgd worden, staat minstens te betwijfelen. Hoewel betrekkelijk weinig nieuwjaarsloopers in „kennelijken staat” op den openbaren weg verkeerden, mag nog niet worden aangenomen, dat het „spatje” vergeten is. De personen en de gewoonte in aanmerking nemende, moet veeleer het tegendeel gebleken zijn. Als de kracht van alle zegenwenschen samen kon dienstig gemaakt worden aan het „verlos ons van den drankduivel” dan zou 1895 voor honderdduizenden, ja voor ons geheele volk ten zegen zijn!”
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 6 januari 1895 – E., ‘Brieven uit de Veenkoloniën’ VI, 2 januari 1895.
Nieuwjaarsviering in de Biedermeiertijd
Geplaatst op: 31 december 2013 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesHet vieren van Oud & Nieuw, de schoolmeester van Zevenhuizen had er in 1828 weinig mee op, In zijn rapport voor de provinciale onderwijscommissie schreef hij:
“Vermaken en uitspanningen zyn hier niet weinig, vooral onder de jongelieden, niet alleen Paasch, Pinkster en Nieuwjaar: maar omtrent alle Zondags avonds en dat duurt tot aan den morgen, dit nog niet alleen, maar dan gaat het op een vloeken, schreeuwen, slagen en glazen in stukken slagen, ja het gebeurt menigmaal als ik des morgens naar school ga, dan zitten de kroegen nog vol.”
Zijn ambtgenoot in het even verderop gelegen Tolbert was er nauwelijks beter over te spreken.
“Vermaken en uitspanningen worden hier vele genoten, vooral door de jonge lieden, en wel dan 2den Kerstdag, Nieuwjaar, St Pieter, Paasch, Pinkster en veeltyds ook des zondags avonds, als wanneer jongens en meisjes zich in de herbergen begeven, en daar een groot gedeelte van den nacht doorbrengen.”
Nee, dan Haren. Daar was het er heel wat beter mee gesteld:
“Na nieuwjaar komen veelal des avonds de naburen by rondgaande beurten elkanderen bezoeken en houden dan de zoogenaamde Nieuwjaars visites, wanneer men den tyd door gepaste gesprekken en betamelyke vrolykheid zoekt te veraangenamen.”
Zeemeermin sterft in visnet
Geplaatst op: 23 december 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Media 1 reactie
Gevelsteen Amsterdam
“Nykiobbing op het Eyland Moors in Jutland den 15 Augusty. Deeze Plaats heeft thans de Eer de Nieuwsgierige Weereld een singulier Voorval te berigten, van yets ’t geen van veelen voor ongelooffelyk en maar voor bloote vertellingen word gehouden, waar van de waarheyd egter gansch duydelyk blykt. Namentlyk niet verre van hier aan de West-Kust geleegen streeks Lands, Haarbot genaamd, hebben 4 Visschers in den nagt tusschen den 11 en 12 deezer Maand, in hun Net teegens alle vermoeden een zoo genaamde Meer-Min of Zee-Wyf gevangen en opgehaald. Dit Zee-Wonder, is van boven een Mensch gelyk, dog van onder een volkoomen Visch. De Couleur van het boven Lyf is wat geelagtig en blas. Het heeft zeer kleyne en byna toegeslooten Oogen, en op het Hoofd lang Zwart Hair, de Leeden die de Handen verbeelden, zyn tusschen de Vingeren met een huyd, als de Ganse-Pooten, te zaamen gegroeyd: Dog op het Land getrokken zynde was dit Schepzel reeds gestorven.”
Bron: Groninger Courant 9 september 1749.
Volgens dit boek (waarin ik zocht op Nykøbing) was het wijdverspreide nieuws afkomstig uit een Kopenhagense krant en kwam er een ongekende massa boeren, schrijvers en schilders op de zeemeermin af. Overigens wordt het wezen meestal voor een wat onbekendere soort zeerob gehouden.
De helse reis van een slavenschip
Geplaatst op: 23 december 2013 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“GRONINGEN den 22 Maart. Men heeft hier tyding dat Kapiteyn Juriaen Gustaaf Lindenborg, gelaaden met Slaaven in 4 Maanden en 20 daagen van Argoin op de kust van Guiné in Africa, den 28 December des voorleden Iaars behouden te Suriname gearriveert was, zynde onderweegs 71 Slaaven gestorven.”
Bron: Groninger Courant 23 maart 1745.

Recente reacties