TV Noord: Zwarte Piet was vroeger wit

Zie ook


Blanke boeman was voorganger van Zwarte Piet

1536_4777blog1

Groninger Archieven 1536-4777: reclame J.H. van de Weijer.

In de geschiedenis van Zwarte Piet, voor zover nu bekend, zijn vier stadia te onderkennen:

  1. In de late Middeleeuwen werd de Sint Nicolaasviering een kinderfeest met cadeautjes en correcties, koek en gard.
  2. Eeuwenlang opereerde Sinterklaas in zijn eentje als kindervriend en boeman, maar in de achttiende eeuw kreeg hij gezelschap van een knecht. Hoe die helper eruit zag, is tot nog toe onbekend.
  3. Vanaf het tweede kwart van de negentiende eeuw werd de knecht zwart. Hij nam – tegelijkertijd of al eerder – de boemantaken van de Goedheiligman over.
  4. Na de nationalisering en commercialisering van het Sinterklaasfeest, zo tussen 1870 en 1920, raakte de figuur alom ingeburgerd ten koste van vroegere helpers van Sinterklaas, die nog zeer verschillende namen droegen.

Over de stadia 1, 3 en 4 heb ik weinig nieuws te melden.  Wat betreft het tweede stadium echter, waarin de knecht van Sinterklaas nogal slecht uit de verf kwam, vond ik jaren geleden een beschrijving  in het  allereerste nummer, uit 1797, van het Weekblad voor den zoo genaamden Gemeenen Man. Dit was een uitgave van het Nut in Groningen en volgens de later bijgevoegde inhoudsopgave in het deel dat de afleveringen samenbindt, werd het bewuste artikel geschreven door Mattheus van Heyningen Bosch, dan nog een zeer verlichte en patriotse student die zich ook wel Burgerhart noemde.  Later kreeg Van Heyningen Bosch nationale en zelfs internationale bekendheid als schrijver van kinderboeken, maar ook in zijn vroegste schrijfsels had hij al pedagogische aspiraties, wat ook blijkt uit zijn openingsstuk in het Weekblad voor den zoo genaamden Gemeenen Man.

In dat artikel verzet Van Heyningen Bosch zich tegen de zijns insziens “zeer wreedaartge” bangmakerij van kinderen door verklede en vemomde figuren,  vooral met Sinterklaas. Hij vertelt daarbij over een traumatische ervaring die hij zelf als kind had. Omdat hij in 1773 geboren was, en uit zijn tekst blijkt dat hij al wat Sinterklaasvieringen had meegemaakt, kunnen we die ervaring dateren op omstreeks 1780. Dit is zijn relaas:

“Eens bragt ik, met myne zuster, naar oudere gewoonte, op een Sint Niklaas avond een schotel by onze Grootmoeder. Wat gebeurt? Nauwelyks waren wy in den woonkelder, welke eenige trappen diep in den grond is, gezeeten, of daar wierd een geraas, als van iemand welke zeer zwaar stapt, boven in het voorhuis gehoord. – Dat geraas naderde meer en meer – Daar kwam iets klos, klos, klos met een verward gerinkel, als van yseren ketenen, en een angstig gebrom de trappen afstommelen. Nog heden ril ik er van. Eindelyk wy allen zagen verwonderd naar de deur en nu trad er iets in, dat meer de gedaante had van een monsterdier dan van een mensch. Het spook, beter weet ik het niet te noemen, had zoo veel wy zien konden eene koehuid omgeslagen, zoodat de hoornen vlak boven het gezicht kwamen, dat achter een yselyke scherbilskop of mombakkes verborgen was, en de staart kronkelde achter aan. ’t Geklos van de zwaare houten klompen, welke hetzelve  om de voeten droeg, gevoegd by het gerinkel der ketenen, om het midden geslagen en op den grond sleepende,  alles saam genomen gaf zulk een vreeslyk geraas en aanzien, als ik voor of na nimmer weer gezien heb. Hooren en zien verging ons allen. Het ondier ging langs den muur het vertrek rond, trad toen by de tafel in ’t licht, en vroeg met een holle stem: Zyn hier ook stoute kinderen? – Wy kleinen gaven een gil en vielen meer dood dan leevendig, mag ik wel zeggen, onze moeder en Grootmoeder op den schoot, die beiden, evenals wy, ook doodlyk ontsteld waren. Het monster vertrok gelyk het gekoomen was  en dit had, om kort te gaan, ten  gevolge, dat wy dien nacht geen ogenblik rust hadden. De eerstvolgenden waren niet veel beter en van toen af hebben wy, als kinderen, nimmer weer alleen durven slaapen. Veele jaren bleef ons, als wy aan dat geval dachten, een benaauwde beklemdheid by, en nu nog, zoo als ik reeds zeide, kan ik er koud van worden.”

Kortom, een zeer luidruchtige boeman met koeienhoorns, –huid en -staart, met een mombakkes op zijn gezicht, zware kettingen  om zijn lijf, en lopend op klompen, ging in Groningen (waar de auteur opgroeide) vooraf aan de verschijning van Zwarte Piet.  Deze boeman was niet zwart, anders zou Van Heyningen Bosch dat zeker gezegd hebben. Weliswaar noemt hij in zijn stuk ook “den zwarten man met den langen baard”, maar dat was een boeman die ouders uitdrukkelijk “by andere gelegenheden” van stal haalden om indruk te maken op hun ongehoorzame kroost.

Van het “monsterdier” of  het “spook”, zoals Van Heyningen Bosch de kinderschrik met Sinterklaas dus noemde, is helaas geen contemporaine afbeelding  bekend. Maar als er vanaf 1846 vignetjes bij de Sinterklaas-advertenties in de Groninger Courant verschijnen:

GrC 30.11.1849 a

Groninger Courant 30 november 1849

herkennen we hem nog aan zijn klompen:

GrC 30.11.1849 b

Als tekens van zijn waardigheid draagt hij een mand met presentjes (zoals een molentje) en een roe. Maar zijn mombakkes of gezicht – een verschil kan je hier niet zien – is overduidelijk wit.

Uit 1849 is toevallig ook een strooibiljet voor Sinterklaas-artikelen van een Groninger boekhandelaar bewaard gebleven:

1536_4777blognu echt

Groninger Archieven 1536-4777 reclame J.H. van de Weijer

(Zie tevens bovenaan dit stuk.) In dit geval heeft de figuur nog steeds klompen aan, maar lijkt zijn kleding meer op die van de latere Zwarte Piet. In plaats van de roe zien we een soort van staf. Maar het alleropmerkelijkst is toch zijn gezicht, dat sterk doet denken aan een mombakkes, en ontegenzeggelijk blank is.

Onze huidige Zwarte Piet verving dus een blanke boeman. Wat de reden was voor de substitutie weten we niet, maar het zou best eens zo kunnen zijn dat verlichte geesten, die hun kinderen pedagogisch verantwoord wilden opvoeden, de figuur een zachter aanzien wilden verschaffen, door hem de trekken te geven van de aloude moorse page die ze kenden van schilderijen.

De hele Zwarte Piet-historie toont weer eens aan, hoe sterk bepaalde tradities, die we bijna als een vast gegeven zijn gaan beschouwen, aan veranderingen onderhevig zijn geweest. De dynamiek hoort bij de traditie, en gezien dat feit mogen ook wij best wel veranderingen in de traditie doorvoeren.  Niet wij zijn onderworpen aan de traditie, maar de traditie is onderworpen aan ons.

NB: nog tot 6 december is in de hal van de Groninger Archieven, Cascadeplein 4, een presentatie te zien van historische prenten, foto’s, teksten en tekeningen die te maken hebben met de sinterklaasviering in Groningen.


‘Men juicht: er is een Mensch gebooren!’

Jaren geleden gelezen op de zaal Oude en Kostbare Werken van de UB, en nu zomaar op internet te vinden in de DBNL: het derde deel van de Natuurlyke Historie van Holland door Johannes le Francq van Berkhey, welk deel tussen 1772 en 1776 in afleveringen verscheen.

Na het zesde hoofstuk bevat het een fantastische antropologische beschrijving van de Hollanders. De auteur verwijlt bij hun voorkomen, kleding en karakter, hun zeden en gewoonten bij geboorte, huwelijk en dood, hun volksvermaken (schaatsen!), hun natje en droogje en hun ziekten.

Ik las het werk destijds om de passages over de vroedvrouw en de geboorte. Ook nu nog, spreken die me door hun aanschouwelijkheid zeer aan. Om de liefhebber een indruk te geven. zet ik hier wat citaten uit de pagina’s 1213-1233 op een rijtje:

“Onder de opgemelde schikkingen )…) nadert al vast de stond der smerte en der vreugde. De hoopende Moeder, de verlangende Vader, en de moedgeevende Ouderen reikhalzen na de uitkomst. Intusschen worden de bezoeken der Moeders en Vriendinnen verdubbeld; een ieder poogt de zwangere Vrouw met opbeurende troostredenen moed te geeven. Eerlang genaaken de voorbooden der weedommen. De Man, Knegt of Meiden loopen ten adem uit om de Vroedvrouw te haalen en te maaken dat de Baker by de hand is. De barenssmerten vermeerderen; ’t Huishouden geraakt in rep en roer; de Moeders, Meiden en Gebuuren draagen zorg, dat Vuurmand, Bed, Wieg, Luiers, en alles klaar is. De Vrouw begint, het spant ‘er, de verdubbelde wêen drukken ’t benaauwde zweet op het aanschyn, en men verwagt, naast den bystand van God en dien der natuurlyke kragten, uitkomst en hulp van de Vroedvrouw.

(…)

Als deeze Vroedevrouw gehaald is, onderzoekt dezelve den toestand der zwangere Vrouwe, en geeft hier van, naar omstandigheid van zaaken, berigt aan de Moeders, of Naastbestaanden. De gevoelens der Vrouwen zyn dan dikwils, naar ieders ondervinding, zeer verschillend; en ‘er gaan niet zelden veele belachelyke Wyvepraatjes om; vooral is ‘er by de Boerenvrouwen aan snappen en klappen geen gebrek; onder ’t welke de Vroedvrouw, als een Professor, het hooge woord voert. Intusschen word de Vrouw ter gemaklyker baaringe geschikt; het zy door haar op een Stoel, veeltyds een grooten Leuningstoel, te doen zitten; of haar op een Bedde of Matras, een Lang-Bed genoemd, ter neder te leggen. Hier toe is by de Landlieden, en ook hier en daar in de Steden, nog wel in gebruik, een zoogenoemd Kort-Bed. Het zelve bestaat uit één of twee Stoelen, die op de Bedstede, of des noods ook wel op den grond, in dien stand geleid worden, dat de Leuningen met het einde op den grond liggen, en de agtereinden om hoog schooren: hier tegen stuwt men dan Kussens of een Bed, waarop, of -tegen de Kraamvrouw zig in een gemaklyken stand bevind..

(…)

Zoo dra de Vrouw verlost zy, is het eerste werk, bekend te maaken wat ‘er jongs is; ’t welk het handige Wyf (de vroedvrouw HP) de geboorte afscheidende, dadelyk meld, door een geluk met een Zoon of Dogter; als eene tyding, naar welke het gantsche Huisgezin verlangt. Nu is ’t gevaar in zoo ver voorby; men juicht; ‘er is een Mensch gebooren! en ieder werkt mede, om het jonggebooren Hollandertje, en der Kraamvrouwe, het noodige te bezorgen. Op het ontvangen van de Vrugt langt men terstond warme Luiers; en brengt dezelve, lugtig ingewonden zynde, in den schoot der Grootmoeder, of der naaste in den bloede, of der Peetemoei, die zulks met een steekpenning beloont. Intusschen brengt men ook de afgematte Moeder, na de vereischte zuivering, en de behoorlyke sluiting der Lendenen, in een warm Bed.

 Terwyl dit geschied, worden de afgescheiden deelen der Geboorte, door de Grootmoeder, de Nabestaanden, en eene of andere Buurvrouw, naauwkeurig nagezien om op te merken, of er ook eenig gebrek in de behandeling zy; en nog wel byzonder, om dezelven ten vuure te bezorgen, ten einde alles door ’t vuur verteerd worde. Men houd, naamlyk, elkander, hoe ongerymd het ook zy, in den waan, dat het der Kraamvrouwe nadeelig zal zyn; wanneer dat alles, (…) niet geheel tot asch verbrande of verteere. Dan dit is ’t niet alleen; ‘er volgt nog eene tweede zwaarigheid; als men zegt dat het Kind met een Helm gebooren is. Hier omtrent zyn onze Hollanders veelal overbygeloovig; te weeten; men wil dat zulke Kinderen, indien dit niet verbrand worde, betoverd blyven; dat ze, geduurende hun leeven, zullen kunnen voorzeggen, in welk Huis eerlang een Lyk zal weezen. Zy zien, zegt men, de geheele Lykstatie van daar komen; kennen de persoonen, in den rang, in welken zy het Lyk volgen; en ’t is hun onmogelyk, dat Huis of de Lykstatie voorby te gaan; zy moeten, om zig van een doodlyken angst te bevryden, te rug keeren. Dit gevoelen, hoe zeer de reden daar tegen pleite, is hun, althans ten platten Lande, en onder ’t Gemeen, niet uit het hoofd te praaten; zelfs niet, schoon men ten duidelykste toone, dat die gewaande Toverhelm niets anders is, dan de verkeerde, of liever eene byzondere, plaatsing van het Vlies, op of om het hoofd van ’t Kind.

(…)

Zoo dra het jonggebooren Wicht (= kind, HP) dus (…) op de Vaderlandsche wyze gebakerd is, neemt de Vroedvrouw, die gewoonlyk de eerste Bakering verrigt, het Kind in den arm, om het den Vader aan te bieden; die het zelve, met de tederste kussen ontvangt, en aan de Vroedvrouw een steekpenning, welke op deezen tyd niet gering is, vrolyk toereikt. Deeze gewoonte, om het Kind den Vader te overhandigen, is zeer oud (…)

Terwyl Vader (…) het Kind dus wettigt, staan Grootmoeder, Moeien, Nigten, Vrienden en Buuren rondsom den Vader. Elk heeft het oog op het lieve Bekje; deeze, als zag het alrede, zegt: Wat kykt het my lief aan? Eene andere, als konde het al hooren, praat ‘er mede; en een derde schynt zich te verbeelden, dat het reeds lacht. De geestigsten der Vrouwtjes tuuren op de gelykenis naar Vader of Moeder. O! zeggen ze, wat lykt dat lachebekje naar Vader! Zie, ’t heeft oogjes als gittjes; wat ziet het snugger! Het mondje is Moeders proper mondje; het neusje is Vaders neusje; ja zelfs is ‘er Grootjes Voorhoofd in te kyken. De vreugd is dan zoo doordringend, en de sprookjes zyn zoo aartig, dat de Moeder agter ’t Gordyn, ondanks haare smerte, zelfs lache; en Vader, hoe verstandig anders ook, op dien tyd al zeer ligt gelooft, wat men hem zegt. Eindelyk treed de blyde Vader (…) met zyn lieve Telgje, naar het Kraambedde, en geeft het Moeder, met een hartlyken kus, over. Zy zegenen beiden hunne Vrugt met een stillen Ouderlyken Zegen, en looven God voor de verzagting der smerten, en de gelukkige uitkomst.”


Topstukken in Delfzijl

Delfzijl associeer ik niet onmiddellijk met oudheden, maar het ‘Muzeeaquarium‘ daar herbergt een alleszins aardige collectie archeologie en geschiedenis. De topstukken zijn wat mij betreft:

– Het hunebed dat in 1982 totaal onverwacht onder Heveskesklooster werd gevonden:
2013-10-24 001
– Een doedelzak spelende baardman:
2013-10-24 010 072
Heiligenkopje, aangetroffen binnen kerkfunderingen (ca. 1200):
2013-10-24 012
Middeleeuwse tinnen klepkan met het wapen van de stad Groningen in het deksel:
2013-10-24 013
Bord uit de achttiende eeuw met vrome wens:
2013-10-24 016
Het paardje dat op de toren van het verdwenen dorp Oterdum stond:
2013-10-24 035
De collectie maritiem neemt de meeste ruimte in. Model van de zelfrichtende reddingboot Insulinde, waarvan ik de legendarische kapitein ooit heb mogen ontmoeten:
2013-10-24 054
Romantische voorstelling van de driemastbark Pieter A. Koerts, die tussen 1956 en 1964 fungeerde als jeugdherberg in Delfzijl:
2013-10-24 063

Aan dit schip is nog een familieverhaal verbonden. Het geld voor het schip was de gemeente Delfzijl gelegateerd door de naamgever ervan, die in Amerika fortuin had gemaakt met een glashandel, maar graag herinnerd wilde worden in Delfzijl. Deze Pieter Albert Koerts was via zijn vrouw Trijntje Vondeling een oom van mijn grootvader Albert Vondeling, en heeft ook geprobeerd om die naar Amerika te krijgen. Dat ging echter niet door wegens de ziekte van mijn oma. Een broer van mijn grootvader ging wel, en begon na verloop van tijd een eigen succesvolle glashandel in  Michigan. Over hem heb ik het nog wel eens een keer.


Dubbel verzwaarde grensbewaking

Naar aanleiding van het stukje over de hondenvordering in de Eerste Wereldoorlog stuurde een trouw lezer me deze prentbriefkaart toe. Ziehier hoe de trekhonden van de kleine middenstand hun dienstplicht vervulden:

honden mitrailleur

 


Vordering van honden voor de oorlog

2013-10-17 052

Dit drukproefje, waarschijnlijk voor een bericht in de Winschoter Courant, kwam ik tegen in hetzelfde dossier dat ook de verlofaanvraag van mijn grootvader bevatte. Ik had er nog nooit van gehoord, van die hondenvordering, maar vond het fenomeen toch ook weer niet zo vreemd. Een soortgelijk bericht, maar dan van een paar maanden eerder daterend, vond ik voor de gemeente Groningen.

Aan de vereiste schofthoogte van 65 centimeter is te zien, dat het om vrij forse honden ging. Ze waren dan bestemd om karren met mitrailleurs te trekken, de bekendste toepassing van de hond voor oorlogsdoeleinden.  Voor de opsporing van mijnen zijn kleinere honden immers even geschikt. Mogelijk waren de grotere honden ook in het burgerlijk bestaan al trekhonden. In de gemeente Finsterwolde meldden zich 16 eigenaren aan, waaronder zich op het eerste gezicht meer namen van middenstanders dan van boeren bevinden.

Volgens stukken in de archieven van de gemeenten Leeuwarden en Utrecht (1942) en een affiche dat uit Rotterdam bewaard bleef (1944) hebben de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog honden gevorderd.


Het bedrogen Sodom

“Te Winschoten werd donderdagmiddag j.l. door den stadsomroeper bij bekkenslag bekend gemaakt dat ’s avonds in het lokaal van het Heilsleger de grootste oplichter en verleider van Winschoten zou ontmaskerd worden. Velen spoedden zich naar het lokaal, om er een plaatsje te veroveren. Ze werden echter leelijk teleurgesteld. Een der leiders deelde n.l. den aanwezigen mede, dat de grootste oplichter en verleider van Winschoten was … de Satan, die ook Eva in het paradijs verleid had. Hoewel er op deze mededeeling een hevig rumoer ontstond, liep alles nog in vrede af!”

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 27 november 1894 (die weer de Telegraaf als bron aanvoerde, waar het bericht echter niet gevonden werd.)


Een optocht van geheelonthouders

2013-10-17 024

Nog een leuk episteltje uit dat Finsterwoldiger dossier betreft de vergunningsaanvraag voor een “optocht met ontplooid vaandel”, door de geheelonthoudersvereniging THOS op touw gezet voor Hemelvaartsdag 1915. Het briefje is ondertekend door Harm Harms Tuin (1866-1950), de anarchistische broer van mijn overgrootmoeder, die vlakbij haar aan de Klinkerweg in Finsterwolde woonde en bij wie Domela Nieuwenhuis wel eens gelogeerd heeft.

Omdat de Territoriaal Bevelhebber van het Noorden geen bezwaar aantekende, kon veldwachter Duut twee weken voor de optocht aan Tuin meedelen dat de optocht door kon gaan. In het gedigitaliseerde Nieuwsblad vind ik er niets over, maar ik zal eens gaan kijken in de papieren Winschoter Courant.

De naam THOS is hedentendage vooral bekend door de voetbalclub uit Beerta. Volgens de clubgeschiedenis is die vereniging in 1920 opgericht als Zwart/Wit, maar werd ze nog hetzelfde jaar herdoopt in THOS (Tot Heil Onzer Spieren). Dit voorkomen van twee verenigingen in de buurt van elkaar met een en dezelfde afkorting als naam, doet haast vermoeden dat er een personele band is geweest – tussen de wandelaars-geheelonthouders en de voetballers bestond aanvankelijk mogelijk een overlap.

Naschrift:

Als geheelonthoudersvereniging bestond THOS al op 13 juli 1913, want toen organiseerde ze een openluchtmeeting in Finsterwolde, waar zo’n 350 mensen op af kwamen. Vooraf vond een optocht plaats met de vaandels voorop van de diverse  zusterverenigingen uit de omliggende dorpen. Harm Tuin was destijds, aldus de Winschoter Courant, voorzitter van de vereniging, die in 1919 nog eens van zich deed spreken, doordat ze de verkoop van sterke drank tijdens de jaarlijkse schoolfeesten wilde verbieden, iets waarin het gemeentebestuur van Finsterwolde echter niet meeging..


Hoe Nederlandse schippers hun afkomst verloochenden

d85c7f48-969b-43c6-9a84-426ad36a8c75

Tegeltableau met een kofschip. Collectie Fries Scheepvaartmuseum, Sneek.

Vanavond bij de lezing van Jan Willem Veluwenkamp over o.a. de Oostzeevaart van Pekelder schippers, me weer verbaasd over de grafiekjes, die enorme stilstand van de vaart lieten zien tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1790-1784) en de Bataafse Republiek (1795-1801). Je weet: Engeland heerste buitengaats en daar durfde zich geen schip met Nederlandse vlag meer te vertonen. Dankzij allerlei overheidsstatistieken uit de vergelijkbare oorlogsjaren 1806-1813 weet je ook, hoe slecht het met allerlei fabrieken en trafieken was gesteld, die voor aanvoer of afzet afhankelijk waren van de zeevaart. Maar een dergelijke volkomen stilstand, als Veluwenkamps grafieken voor die jaren tonen?

Natuurlijk was er een uitwijkmogelijkheid. Een schipper kon het probleem van de Engelse vijandschap op zee omzeilen door te gaan varen onder vreemde vlag, bijvoorbeeld de Pruisische. Maar dat gaf weer een ander probleem, dat anno 1814 aangestipt werd in de Zedelijke bedenkingen aan het volk van Nederland, een dichtwerkje van de orthodox-hervormde oud-schulte van Groningen H. Nix. In de enige noot op dat poeem memoreert Nix de valse eden uit het Bataafs-Franse tijdperk, dat dan net is afgesloten. Met die valse eden bedoelt hij juist niet zozeer die tegen het stadhouderschap, de aristocratie, het federalisme, de regeringloosheid en wat dies meer zij, nee, hij heeft het oog op schippers, toch vaak net zo orthodox en orangistisch als hij:

“Ik herinner mij bij dezen (en wie wordt niet met mij huiverig om hier van te gedenken?) alle die valsche eeden welke er gedaan zijn door onze Nederlandsche Schippers ten tijde des sluikhandels. Kwam men in Engeland, men moest zweren, 1) dat men geen Hollander was, 2) dat men niet uit Holland kwam, 3) dat de lading geen Hollandsch product was, 4) dat het schip niet in Holland gemaakt was. Kwam men in Holland, hetzelfde – Ik heb ook wel eens gedacht dat het sluiten der havens, en het stremmen der zeevaart, door Napoleon, niet als een bijzonder straf hierover konde worden aangemerkt. God beware ons, dat iets dergelijks niet weer moge gebeuren!”


Dansberen langs de Trekweg

Vroeger kwamen er ook in onze gewesten wel eens dansberen langs. Vooral ’s zomers zag men ze wel met hun bazen langs het oude Winschoterdiep naar Groningen kuieren.

Voor het eerst wordt van zo’n passage melding gemaakt door de Groninger Courant van dinsdag 24 juni 1868:

“Gisteren morgen kwamen hier van buiten het Kleine Poortje binnen 12 Zigeuners (zoogenoemde zwervende Heidenen) bestaande uit 5 mannen, 4 vrouwen en 3 nog jeugdige kinderen. Het voorkomen dezer lieden, die 4 beeren en 2 kleine paardjes met zich voerden, was zoo vreemd en tevens zoo deerniswaardig, dat men onwillekeurig tot medelijden werd gestemd. Van den fungerenden burgemeester de vergunning ontvangen hebbende aalmoezen bij de ingezetenen in te zamelen, hebben zij, na daarmede buitengewoon goede zaken gemaakt te hebben, den gepasseerden nacht buiten de Kranepoort onder den blooten hemel doorgebragt en heden morgen de reis naar Friesland voortgezet.”

De kennismaking met dit reisgezelschap gaf bij de stadjers gemengde gevoelens, want in dezelfde krant staat ook een boze ingezonden brief. De inzender, ene A-Z, vroeg zich af of de loco-burgemeester zomaar de gemeentelijke verordening tegen de bedelarij terzijde kon schuiven door een vergunning af te geven voor “openbare bedelarij”. Bovendien laakte hij het dat de “zich Zigeuners noemende” bedelaars dankzij de loco-burgemeester “hulp en bescherming der politie” genoten.

Dat liet de loco-burgemeester niet over zijn kant gaan. Al de volgende dag had de krant zijn reactie op het artikel en de ingezonden brief, waarvan de kern op de 26-ste in de vorm van een rectificatie werd afgedrukt:

“…dat aan de Zigeuners geene vergunning is gegeven tot bedelen, maar alleen om zich zelven en de beeren die zij met zich voerden, te vertoonen”.

Met andere woorden: de berenleiders mochten dan geld vragen, maar ze leverden daar wel degelijk een tegenprestatie voor.

Al zo’n anderhalve eeuw, sinds de moorddadige vervolgingen van begin achttiende eeuw, waren hier te lande geen groepen zigeuners meer geweest. Dat ze in juni 1868 in Limburg, Gelderland en Groningen weer opdoken, baarde dan ook veel opzien. De Groninger Courant kwam dadelijk aan de grote publieke belangstelling tegemoet met een historisch achtergrond-artikel over de “heidenen, Zigeuners, Bohemers en Egyptiërs, onder welke namen zij veelal voorkomen”. Voor het overige stelde ze zich pontificaal achter de gewraakte loco-burgemeester op:

“De gelegenheid dezer dagen hier gegeven dit zoo oude volk te zien en te leeren kennen heeft dan ook teregt aan velen een hoogst belangrijke vertooning verschaft. Wel verre van in te stemmen met hen die het berispen, dat die gelegenheid is verleend, (…) stellen wij het op veel prijs dat zoo eigenaardige volk van nabij te hebben kunnen zien en spreken.”

Elders was de houding minder positief, en vond het Groninger vergunningenbeleid geen navolging. Drie dagen na Groningen kwam de groep in Leeuwarden aan, waar de autoriteiten zich heel wat strenger toonden:

“De politie, van hunne aankomst verwittigd, ging hun tegemoet. Twee begaven zich naar het politie-bureau, maar konden geen verlof bekomen zich hier op te houden, waarna zij onder den toeloop van een groote menigte volks naar Harlingen optrokken, tot aan de grens van de naburige gemeente Menaldumadeel door de politie begeleid.”

De berenleiders en hun families waren van plan om met de stoomboot Harlingen-Amsterdam de Zuiderzee over te steken. In de dorpen tussen Leeuwarden en Harlingen deden ze wel weer goede zaken:

“Hier en daar op hun togt zamelden zij nog al eenig geld, ofschoon zij daaraan, naar verzekerd werd, alles behalve gebrek hadden”.

Waarschijnlijk heeft de groep ook in het westen van Nederland nog een poos rondgezworven. Uitgeleid en over de grens gezet werd zij echter niet, want dat gebeurde in 1868 nog met geen enkele berenleidersfamilie.

LIEFDEGAVEN

Wellicht omdat deze eerste groep vrij succesvol was, kwamen er een jaar later, in de zomer van 1869, meerdere groepen naar Groningen. De eerste diende zich aan op zondag 13 juni. Aan de berichtgeving is dan al enigszins te merken dat het routine begint te worden, en ook is er geen spoortje meer over van de officiële tolerantie van een jaar terug:

“Evenals ten vorigen jare een troep Zigeuners in onze stad door hunne vreemdsoortige vertooning veel opschudding veroorzaakten, zag men ook l.l. Zondag weder een dergelijken troep, schoon in kleiner aantal, deze stad naderen. Op last der stedelijke regering echter werd hun onmiddellijk door de politie geleide door en uit de stad gedaan, zoodat de kans om goede zaken te maken hun werd benomen.”

Net als de groep van het vorige jaar ging deze groep eerst naar Friesland. Versterkt met nog een ander gezin dat ook een beer meenam, arriveerde zij op 21 juni te Meppel, waar het fenomeen weer nieuw was, en de plaatselijke overheid coulant:

“Na vergunning gekregen te hebben, trokken zij de straten door om hunne beeren op de maat van de muziek te doen dansen en daarvoor liefdegaven in te zamelen. Eene groote menigte, zoo oud als jong volgde hen. Er was eene geheele oploop.”

Na Meppel deed de groep Steenwijk aan, en Gorredijk:

“Met vergunning van het Bestuur hebben zij daar de beeren doen dansen en daarmede eene nog al aanzienlijke som opgehaald.”

En via Olderberkoop en Smilde kwamen ze in Assen terecht, waar de kennismaking de Provinciale Drentsche en Asser Courant wat tegenviel:

“Kleeding en uitzigt leverden het bewijs, dat het eerste weinig kostbaar is en zij zigh om het tweede niet veel bekommeren. Het gebruik van zeep en water scheen hun zoo goed als onbekend te zijn. En toch hebben zij een zeker schoon, dat onwillekeurig aantrekt.”

Denkelijk dankzij die attractiviteit deed de Drentse krant verslag van hun algehele verblijf:

“Kinderen van de natuur, en dus met weinig tevreden, legerden zij zich daar onder den blooten hemel, vòòr eene houten loods, waarin ze hunne beeren op stal zetten. Zonder zich te bekommeren om de hen omringende menigte, die toestroomde om de ‘heidens’ te zien, legden zij zich met vrouw en kroost ter ruste, even kalm en bedaard als een eerzame burger zijne gemakkelijke sponde bestijgt. Zij bragten daar den nagt door onder de vaderlijke hoede der politie, door wier welwillende zorg zij hedenmorgen buiten de gemeente zijn geëxpedieerd, den kant naar Groningen op, in de hoop zeker, daar een beter veld voor hunne werkzaamheden te vinden.”

In Groningen kwam de groep gelijk aan met een vier beren bezittende groep die even eerder nog in Beerta te zien was geweest. Van de plaatselijke correspondent aldaar plaatste de Groninger Courant een wat uitgebreider verslag:

“In het dorp gekomen was de toeloop van nieuwsgierigen – daar ’t juist Zondag was – zoo groot, dat geen harddraverij of kermis daarbij halen kan. Zij hebben dan ook goede zaken gemaakt; overal was het medelijdend hart en de milde hand open, eerst voor de leiders en mededansers der beeren en toen voor de een weinig achterna komende vrouwen; in ’t bijzonder toen een van haar op een jong kind wees, dat in een massa pakken gewikkeld, schommelde op den rug van de moeder. Aan deze scheen dan ook voornamelijk de finantiële administratie te zijn opgedragen, althans zij hield niet op van allen eene fooi te vragen, en telkens weer. Weigerden dan sommigen voor de derde of vierde maal contributie te geven, dan werd hun een ‘val dood’ of een ander vrome Hollandsche wens naar de ooren geslingerd. Zoo togen ze door de gemeente tot ze juist bij de grenspaal een stuk weideland ontdekten. Zij ontdeden nu den beeren hun muilbanden en lieten deze grazen in de weide, want tot verwondering der menigte voedden de beesten zich met gras en distels.”

Omdat de veldwachter doorgaf dat ze Beerta uit moesten, trokken ze naar het buitengebied van Winschoten. Daar legden ze in een stuk land een kampvuur aan en overnachtten ze in de open lucht. Langs het Winschoterdiep ging deze groep vervolgens naar Groningen, waar de politie haar op last van het stadsbestuur doorgeleidde richting Zuidhorn. De andere groep, vanaf Assen gekomen, kreeg tegelijkertijd politiebegeleiding in de richting van Appingedam.

URSARI

Tot zover de eerste Groningse en Drentse persberichten over vreemde en haveloze groepen van berenleiders met hun gezinnen, die hier en daar, zoals aanvankelijk in de stad Groningen, vergunning kregen om zichzelf en hun dansende beren te vertonen voor geld. Voor deze attractie bestond er een dermate grote belangstelling, dat kermissen en de harddraverijen – normaliter de grootste publiekstrekkers in deze contreien – erbij verbleekten. Maar naast mededogen, vooral voor de kinderen, was er van meet af aan sprake van weerzin bij het publiek, ook omdat het wel eens brutaal werd bejegend. Weldra bleken de lokale overheden minder genegen tot het afgeven van vergunningen en kreeg de politie, zeker die in de grotere plaatsen, opdracht om de groepen te verwijderen. Vanaf 1869 werden ze ook wel uitgeleid en over de grens gezet.

Onder andere over deze berenleiderfamilies schreef Leo Lucassen in zijn proefschrift En men noemde hen zigeuners…; de geschiedenis van Kaldarasch, Ursari, Lowara en Sinti in Nederland (1750 – 1944). Volgens Lucassen heten de berenleiders en hun families Ursari, naar Urs, wat beer betekent. In Nederland doken ze gelijk op met Hongaarse ketellappers of Kaldarasch, die veel rijker waren en die in het algemeen, maar dus niet in het noorden, veel meer aandacht van overheden en media naar zich toe trokken. Net als de Kaldarasch werden de Ursari beschouwd als zigeuners, al spraken ze geen jota roma.

Eerder waren er wel Franse en Poolse berenleiders in Nederland geweest, en later kwamen er ook Italiaanse, maar die zwierven nooit met hun gezinnen rond en werden dus niet als zigeuners gezien. De Ursari waren doorgaans afkomstig uit Noord-West Bosnië, de streek rond Banjaluka. Omdat die regio nog tot 1878 deel uitmaakte van het Turkse rijk, heetten ze in de wandeling ook wel Turco’s of, zoals rond 1930 nog: Turken. Zelf noemden ze zich trouwens menigmaal Ottoman, terwijl in de uitleidingsregisters familienamen voorkomen als Lajarovic, Stancovic en Theodorovic.

Aanvankelijk droegen ze slechts lompen en liepen ze barrevoets. Later kwamen ze met meer conventionele kledij en schoeisel aan, al vertoonden sommige zich ook wel in een ietwat folkloristisch aandoende, Turkse outfit. Volwassenen liepen met dikke stokken van wel twee meter lang, en hadden een leren tas aan een riem om het lijf. Aanvankelijk hadden ze verder alleen bepakte paarden of ezels bij zich, en sliepen ze in de open lucht. Maar omstreeks 1880 maken de kranten melding van de eerste overdekte woonwagens, waarvoor dan wat hitten lopen. Een ander teken dat op toegenomen welvaart wijst, is dat ze de beren eerst alleen op de maat tamboerijnen lieten dansen, terwijl daarvoor later ook wel doedelzakken werden gebruikt. “Nog zij gezegd, dat (…) de Zigeunerinnen hare pijpjes opstaken en even als de mannen lustig dampten.” De zoontjes rookten zelfs bij elkaar geschooide sigaren. En jenever gebruikten ze allemaal “als de beste Nederlander”.

De beren kwamen uit de Karpaten of een hooggebergte van de Balkan. Ze waren als jong gevangen, nadat hun moeders met een dot honing van het hol waren weggelokt. Als jong raakten ze vaak hun hoektanden en ook wel hun klauwen kwijt, kregen ze een ring door de neus, en een dubbele ketting om de nek. Soms waren ze geblind. Gedresseerd werden ze met gloeiende poken, maar zeker ook met suiker. “Welke van de twee methoden het meest gangbaar was, kan uit de schaarse literatuur niet worden opgemaakt”, concludeert Lucassen:

“Er dient echter gewaakt te worden voor de anachronistische beschuldiging van dierenmishandeling. Dit niet alleen vanwege het bekende stereotype over de vermeende wreedheid van zigeuners, maar ook omdat uit andere bronnen blijkt dat de berenleiders verzot waren op hun dieren, deze goed verzorgden en veelal met koosnamen aanduidden.”

Martin, zo luidde vaak die koosnaam. En Martins act bestond uit dans – met name van de ursareasca of berendans – maar ook uit mime. Martin ging bijvoorbeeld liggen als een bruid voor haar bruidegom, op de rug en met gespreide benen. Of Martin zat met de arm gevleid tegen een nee-schuddend hoofd, wat de hoofdpijn van een pas getrouwde vrouw moest verbeelden. Niet iedereen stelde deze humor op prijs.

De mannen uit het publiek kregen nog de unieke kans om zich worstelend met Martin te meten. Had het gebruikelijke haantje de voorste verloren, dan collecteerde de beer of zijn bazin bij de dankbare omstanders een lieve cent, waarmee het hele spul naar een volgende pleisterplaats vertrok.

Wellicht vanwege de Balkan-oorlogen vertoonden de Ursari zich begin twintigste eeuw nog naar sporadisch in Nederland. Maar in de jaren 1920 was er weer een opleving. In Limburg gaven burgemeesters vrij gemakkelijk vergunningen af, daar traden Ursari zelfs voor lagere scholen op.

In 1930 beet een dansbeer te Franeker een tweejarig kind van een hotelhouder dood. Een paar jaar later kwamen de Ursari nazi-Duitsland niet meer door. Hitler was erg begaan met dieren en verbood het berendans-amusement. De Ursari stuurde hij in de oorlog naar concentratiekampen, net als andere zigeuners, al spraken de Ursari dan geen jota roma. En daar in die concentratiekampen, daar gingen ze meestal rechtstreeks de gaskamer in.

Harry Perton

Eerder verschenen in De Oosterpoorter van november 2002 en op een opgeheven website (2004).


De fakir en de kerkeraad

2013-10-10 006 Hachek fakir en kerkeraad b

Met dit simpele briefje maakte Anne Schaap, alias de fakir Hachek, op 13 oktober 1964 kenbaar dat hij lidmaat wilde worden van de hervormde gemeente Oosterwijtwerd en dus graag in een openbare dienst belijdenis wilde doen. Al in de aanhef is er sprake van een vergissing. De gecombineerde gemeente Oosterwijtwerd-Eenum had namelijk geen predikant op dat moment. Via de pastoraal werker, de kandidaat Jan ter Steege, bereikte het briefje de kerkeraad van Oosterwijtwerd en daarmee diens archief.

Een maand later kwam de aanmelding van Schaap ter sprake in de Oosterwijtwerder kerkeraad. Er werd “nogal een poosje” over gediscussieerd,

“de vergadering zag nl. graag wat meer kerkelijk meeleven van de heer Schaap en besloot dus om Schaap nog eens te bezoeken en hem aan de tand te voelen wat hem ertoe bracht om belijdenis te doen.”

Met deze weinig welwillende missie belastten zich Ter Steege en een ouderling. Terzijde zij opgemerkt dat Ter Steege later voorzitter was van de Confessionele Vereniging, een behoudende pressiegroep in de kerk die tegen de Gereformeerde Bond aanschurkte. Mogelijk zegt dit ook iets over de richting die in de kerkeraad van Oosterwijtwerd de dominante was.

Hoe dan ook, begin 1965 handhaafde de kerkeraad zijn bezwaar tegen de fakir, die in het dorp uiteraard als een vreemde vogel gold. Volgens de kerkeraad leefde hij te weinig mee met de kerk en moest hij eerst maar eens een jaartje wachten. Als hij dan wat meer medeleven met de kerk toonde, kon hij alsnog belijdenis doen.

In het vroege voorjaar vertrok de afgestudeerde Ter Steege als predikant naar Vrouwenparochie in Friesland. Het leek erop dat Anne Schaap in zijn voorlopige afwijzing berustte, want we horen er pas weer iets over in februari 1966. De provinciale kerkvisitatoren bezochten toen Oosterwijtwerd om de “kwestie” van de afwijzing, die intussen almaar voortwoekerde, “tot op de bodem” uit te zoeken. Schaap en zijn vrouw, de christelijke kinderboekenschrijfster Nettie Streef, nodigden ze met de gehele gemeente uit voor een gesprek, maar daarbij kwam er niemand opdagen. In het formele gedeelte van de visitatie – met de kerkeraad – kwamen de visitatoren (mede daarom) tot de conclusie dat de kerkeraad “volkomen correct” gehandeld had:

“Hier is geen sprake van baasspelerij, maar wij konden volkomen billijken dat men aan de heer Schaap de raad gaf nog een jaar te wachten, omdat deze slechts een zeer geringe mate van kerkelijk medeleven vertoonde.”

Volgens de visitatoren hadden Schaap en zijn vrouw teveel waarde toegekend aan de woorden van de pastoraal werker en een ouderling die Schaaps aanmelding hadden aangenomen. Alleen de voltallige kerkeraad was beslissingsbevoegd en niet slechts een commissie uit de kerkeraad. Als Schaap “inniger” met de kerk zou meeleven, had de kerkeraad geen bezwaar tegen diens toelating tot de belijdenis, aldus de visitatoren in hun brief aan mevrouw Schaap-Streef, die al wel belijdend lidmaat was en die haar man, zoals later zou blijken, “in zaken van bijbel en geloof” had “onderricht”. Een afschrift van hun brief stuurden de visitatoren aan de kerkeraad van Oosterwijtwerd, waarbij ze “vurig” hoopten dat een commissie uit de kerkeraad het echtpaar Schaap zou gaan bezoeken “om de bestaande wanverhoudingen te verbeteren”.

Dat bezoek bleef uit. Schaap legde zich niet bij de situatie neer, en deed zijn beklag bij de Provinciale Kerkvergadering, waarvan het breed moderamen (algemeen bestuur) in zijn vergadering van 13 juni 1966 de zaak behandelde. Begin die maand was een commissie uit het breed moderamen naar Oosterwijtwerd afgereisd, om in een “pastoraal gesprek” te onderzoeken of het probleem niet in der minne op te lossen viel. Dit maal echter, liet de kerkeraad nogal opzichtig verstek gaan. Zelfs toen de afgevaardigden van het moderamen bij enkele kerkeraadsleden aan de deur kwamen vragen om mee te gaan naar het huis van Schaap, bleken die daar niet toe bereid:

“…een houding die het breed moderamen ten zeerste moet afkeuren als zijnde onbroederlijk en getuigend van weinig bereidheid om gerezen geschillen in het gezin van de gemeente op een bijbels-evangelische wijze op te lossen.“

Het moderamen noemde de gang van zaken “de kerk onwaardig”. tegenover de commissie bleef Schaap bij zijn jaren eerder ingediende, en al enkele malen herhaalde verzoek. Ook waren er wat andere gemeenteleden in zijn huis, die een boekje open deden over het bestuur van hun gemeente:

“Zij beklaagden zich over liefdeloze dan wel beledigende bejegening van de kant van de kerkeraad of een lid van de kerkeraad.”

Met de wèl aanwezige consulent – een predikant die toezicht hield op de vacante gemeente – spraken de afgevaardigden van het moderamen af dat hij alles zou doen om de betrokkenen hun onderlinge grieven –“die de verhoudingen in de gemeente vertroebelen” te laten uitpraten, zodat het oud zeer zou kunnen verdwijnen. Het breed moderamen zelf wilde daar echter niet op wachten. Omdat Schaap zich “ten zeerste gegriefd en gedupeerd” voelde, zette het de zaak op scherp en vroeg de kerkeraad binnen een week te berichten of hij onvoorwaardelijk kon toestemmen in de openbare geloofsbelijdenis van Schaap.

Dat kon de kerkeraad niet en daarom kwam het moderamen in september 1966 tot de conclusie dat het “een niet meer op te lossen plaatselijk probleem” betrof. Het hakte de knoop door: Schaap kon op zondag 2 oktober 1966 belijdenis doen in de Oosterkerk te Groningen, in een dienst van de bepaald niet orthodox opererende ds. J. Matzer van Bloois, de schipperspredikant. Dat zou dan volledig onder verantwoordelijkheid gebeuren van het moderamen, dat van mening was dat de zaak ook geen verder uitstel gedoogde omdat Schaap in het ziekenhuis moest worden opgenomen.

Inderdaad deed Schaap die bewuste dag belijdenis in Groningen. Zoals gewoonlijk ging de gemeente na de schippersdienst even verderop koffie drinken in het Sophiahuis, een kerkelijk wijkgebouw aan de Sophiastraat, en daar vertoonde de fakir, die zijn spijkerbed en zijn aquarium met goudvissen mee had genomen, zijn kunsten aan het aanwezige kerkvolk. Daarbij wekte de act van het inslikken en weer uitspugen van de goudvissen nogal afgrijzen op – sommige mensen moesten er zelfs van kokhalzen en overgeven (dit vernam ik tenminste van iemand die erbij was).

Mochten de provinciale kerkbestuurders hopen dat de gekozen oplossing naar tevredenheid van de Oosterwijtwerder kerkeraad was, dan vergisten ze zich deerlijk. De kerkeraad klaagde dat hij voor een voldongen feit gesteld werd. Het had geen toestemming gegeven, integendeel, en vroeg zich af welke functie hij dan nog had.

Toen de hervormde gemeente Groningen Schaaps attestatie van lidmaatschap naar Oosterwijtwerd stuurde, zond de kerkeraad daar die verklaring dan ook meteen terug. Aan de Groninger kerkeraad schreef hij, dat Schaaps belijdenis in de gemeente Oosterwijtwerd had moeten plaatsvinden, maar dat de kerkeraad aldaar dit ontoelaatbaar achte vanwege “onkerkelijk medeleven” van Schaap “en ook zijn handel en wandel”. De kerkeraad was gepasseerd door het moderamen dat de verantwoordelijkheid op zich nam, kortom, de kerkeraad vond dat de attestatie bij hun aan het verkeerde adres gericht was en weigerde Schaap als lidmaat in Oosterwijtwerd in te schrijven.

Op de vraag wat dan nog zijn functie dan nog was, kreeg de Oosterwijtwerder kerkeraad nooit antwoord. Wel beantwoordde het moderamen deze vraag met een wedervraag: welke pastorale functie de kerkeraad bereid was te vervullen voor Schaap? Nogmaals zette de kerkeraad zijn positie uiteen, maar nu wat scherper: zowel qua kerkgang als financieel leefde de fakir niet mee met de kerk en dat deed hij evenmin in zijn “dagelijkse handel en wandel”. Zo zou hij een of meerdere kerkeraadsleden niet groeten,

“maar wel uitjouwen van leugenaar, zelfs Gods leugenaars en wel aan de openbare weg.”

Als Schaap geaccepteerd werd als lidmaat en er voor het avondmaal morele censuur over de lidmaten gehouden werd, dan kon dat “wel weer eens moeilijk worden”. In zijn brief aan het moderamen rakelde de kerkeraad de hele geschiedenis nog eens op – eigenlijk achtte hij de zaak al afdoende behandeld in de allereerste vergadering met de visitatoren, die hem immers nog gelijk gaven. Als Schaap in de Oosterwijtwerder kerk wilde kerken, dan was hij daar echter welkom:

“ja als daar nog een walmende vlaspit brand, willen wij het natuurlijk graag brande[nd] houden, zelfs tot een grote vlam, maar daar moet geloof voor zijn en als dat geloof er is komt het in orde.”

In maart 1967 stuurde de Groninger kerkeraad nogmaals de attestatie van lidmaatschap op naar die van Oosterwijtwerd. De Oosterwijtwerders bleven echter onvermurwbaar, noemden de lidmaatsaanneming van Schaap “onwettig” en stuurden de attestatie per omgaande retour.

Zo kwam weer de Provinciale Kerkvergadering in beeld, waarvan het breed moderamen in een briefwisseling van mei en juni dat jaar nog eens volmondig zijn verantwoordelijkheid erkende. Dat Schaap geen lidmaat in Oosterwijtwerd kon worden, had in die gemeente echter ook een praktische consequentie:

“Als u blijft volharden in uw weigering om de meermalen van u gevraagde pastorale zorg te geven aan genoemde persoon, dan is dat uw zaak, die geheel voor uw verantwoording komt”

Nogmaals deed het moderamen een beroep op de kerkeraad om pastorale zorg aan Schaap te verlenen. Ook vond het dat de kerkeraad verplicht was om Schaap als lidmaat in te schrijven en stuurde deze daarom nogmaals de attestatie toe. Wat het moderamen betreft mocht de kerkeraad erop aantekenen dat Schaaps belijdenis voor de verantwoordelijkheid van het moderamen was. Dit keer hield de kerkeraad het stuk, althans, het bevindt zich nog steeds in het Oosterwijtwerder kerkarchief, niet alleen met de toegestane toevoeging, maar tevens met de handgeschreven notities dat er, anders dan de attestatie beweerde, wel degelijk “gegronde bezwaren” tegen Schaaps kerklidmaatschap bestonden en dat Schaap “zonder goedkeuring van de kerkeraad” belijdenis had gedaan.

De kerkeraad van Oosterwijtwerd heeft nooit pastorale zorg aan Schaap willen geven. Tussen de partijen kwam het nooit meer goed. Bijna drie jaar na de belijdenis van de fakir, op 9 augustus 1969, schreven Schaap en vrouw aan de secretaris van het breed moderamen:

“Wij vinden ons tot onze grote spijt genoodzaakt, ons lidmaatschap van de Ned. Herv. Kerk op te zeggen.”

Een copie van hun briefje ging naar de kerkeraad van Oosterwijtwerd. Dit is ’t laatste stuk in het dossier, maar wordt in de kerkeraadshandelingen niet eens genoemd.

Bronnen: RHC Groninger Archieven, archief NH Gemeente Oosterwijtwerd (toegang 282), de inv.nrs. 3 (handelingen kerkeraad) en 27 (dossier lidmaatschap A. Schaap).


Boer uit Oostum schreef Paul Kruger

“Door liefde aan ons oud Nederlandsch volk gevoel ik mij gedwongen U Edele eenige letteren te schrijfen.”

Aldus Klaas de Boer uit Oostum, in een brief die hij op 30 mei 1881 schreef aan Paul Kruger, de president van de Zuid-Afrikaansche Republiek, oftewel Transvaal.

Voor de afgescheiden-gereformeerde, nationalistische boer vormde de ZAR een soort pendant van Nederland waarmee hij solidair wilde zijn:

“…vanwege het onregt door Engeland U aangedaan is ook onze liefde voor onze Broeders aangewakkert”

Hij dacht erover om naar Krugers land te emigreren, maar zat met een heleboel vragen, die hij op Kruger afvuurde.  Zo wilde hij weten of hij er welkom was als boer met maar liefst elf kinderen, of Nederlanders wel tegen het warme klimaat konden en of het in Transvaal veilig was qua wilde dieren etc.…

“…want om met vuurwapens om te gaan zijn wij hier niet veel bekend”

Zijn motivatie om eventueel naar Zuid-Afrika te verhuizen was tweeledig. Enerzijds voelde hij zich als cocksiaan gediscrimineerd. Hij sprak van:

“…het gruwelijk ongelijk en onregt dat ons door den staat wordt aangedaan. [De] staat spant alle kragten in, om de Christelijke Godsdienst uit te roeijen, nu weer met de Godonteerende schoolwet. De bijbel mag op school van de staat niet worden gelezen en over God of Godsdienst mag niet worden gesprooken.”

Anderzijds waren De Boers redenen economisch van aard: de hoge grondprijzen in zijn geboortestreek en de almaar hogere belastingen, al met al maakte dat het leven voor De Boer bijna ondragelijk.

Helaas is niet bekend of Paul Kruger hem ook terugschreef. Bij nazaten van de landbouwer uit Oostum bleek een dergelijke brief onbekend. Die nazaten leven nog in Nederland, omdat Klaas de Boer uiteindelijk nooit zou emigreren en al in 1884 overleed.

Zijn brief wordt aangehaald door Gerrit Schutte in een artikel over J.W. Fockens, een burgemeester van Leek, die wèl naar de Transvaal emigreerde. Het stuk van Schutte kan je vinden in het zaterdag jl. verschenen Historisch Jaarboek Groningen 2013.


Een prinsenliedje gereconstrueerd

Eind maart 1795, toen de patriotten dankzij de Fransen nog maar pas in het zadel zaten, vond er in Feerwerd een grote boeldag plaats.  Aan het eind van die boeldag begon het nog resterende volk Oranjeliedjes te zingen en wedman Derk Sissingh van Ezinge deed daar maar wat graag aan mee. Volgens de inlichtingen die het gerecht naderhand inwon, luidde het belangrijkste vers:

“Al is ons Prinsje nog zo klein,
evenwel zal hij stadhouder zijn”

Ook werd er ‘Oranje Boven’ geroepen en dwong men mensen tegen hun zin mee te dansen. Dit was een forse overtreding van het placcaat op het bewaren van orde en rust, waaraan juist de wedman als gezagsdrager de hand zou moeten houden. Voordat men hem kon arresteren, ontsnapte Sissingh echter met een bootje bij Aduarderzijl over het Reitdiep, om bij de Schaphalsterzijl uit zicht te verdwijnen.

Een paar maanden later, op 3 juni 1795, zingt ene Hindrik Hindriks van Bierum in  Appingedam oproerige liederen, “welke in den jare 1787 de hoogste toon uitmaakten”. Een deel van de tekst komt inmiddels bekend  voor:

“Al is ons prinsje nog zo klein,
al evenwel zal hij stadhouder zijn”

Maar Hindriks had hier nog een aanvulling op:

“Zo lang de zon en de maan zal staan
Zal nooit de Oranje stam vergaan”

Op 6 maart 1796, een paar dagen voor de verjaardag van prins Willem V, die inmiddels veilig in Engeland zat, kwamen de stuurman Fokke Pieters  en Hiltje Benes, de roggemulder van Farmsum, met hun scheuvels van het ijs in een herberg te Delfzijl. Het duurde maar even, of ze begonnen te zingen. Ook hier ging het om ‘Al is ons Prinsje nog zo klein’, maar nu met weer een ander couplet:

“Al buigt de stam, al kraakt het riet
Al evenwel treurt Orange niet.”

In Feerwerd, Appingedam en Delfzijl werd dus een en hetzelfde lied gezongen. Dat lied, zo leren we, bestond al in 1787, toen Pruissen een interventie in ons land pleegde en met 20.000 man troepen de prins in zijn oude macht herstelde. Maar feitelijk was het lied nog ouder. De Groninger schippers zongen het namelijk al in maart 1748, toen ze met een versierde boot door de straten van de stad trokken om de geboorte van Willem V te vieren. Die geboorte was het sein voor een groot oproer, omdat he stadsbestuur eigenlijk geen feest wilde. Dat oproer zorgde er vervolgens voor dat dat het stadhouderschap erfelijk werd verklaard in mannelijke en vrouwelijke lijn. Bovendien kreeg de stadhouder aanzienlijk meer macht. Met het liedje ‘Al is ons Prinsje nog zo klein’ liet de Oranje-aanhang dan merken dat tegenwerking niets uit zou halen en dat Oranje toch weer boven zou komen drijven. Het lied stond in de grootste helft van de 18e eeuw voor het ongebroken geloof in Oranje.

Het aardige is dat de melodie ook terug te vinden is, want omdat het liedje indertijd zo populair was, werden tal van andere liedjes getoonzet op zijn melodie. In totaal heeft de Nederlandse Liederenbank maar liefst 440 van zulke contrafacten, die deels uit Groningerland afkomstig zijn. Het vroeger zeer bekende verjaardagslied ‘Wie in januari geboren is, sta op’, werd bijvoorbeeld op de wijs gezongen. Zodoende weten we ook hoe het prinsenlied van Feerwerd, Appingedam en Delfzijl geklonken heeft. Met enig luisteren naar de voorbeelden op de Liederenbank, kunt u dus dat prinsenliedje uit Feerwerd, Appingedam en Delfzijl vast wel zingen::

Al is ons prinsje nog zo klein,  hoezee
Al is ons prinsje nog zo klein,  hoezee
Al is ons prinsje nog zo klein
Al evenwel zal hij stadhouder zijn
Hoezee hoezee hoezee,
hoezee hoezee hoezee!

Zo lang de zon en de maan zal staan, hoezee
Zo lang de zon en de maan zal staan, hoezee
Zo lang de zon en de maan zal staan
Zal nooit de Oranje stam vergaan
Hoezee hoezee hoezee,
hoezee hoezee hoezee!

Al buigt de stam, al kraakt het riet, hoezee
Al buigt de stam, al kraakt het riet, hoezee
Al buigt de stam, al kraakt het riet
Al evenwel treurt Oranje niet
Hoezee hoezee hoezee,
hoezee hoezee hoezee!


Jonkheer gaat met het circus mee

circus - Toulouse-Lautrec

Het waren niet alleen volksjongens als Hachek die met het circus meegingen. Dat deed ook Reneke Meinaard Adriaan de Marees van Swinderen (18571889), de zoon van een gelijknamige stad-Groninger jonkheer en notaris, en daarmee de telg uit een eeuwenoud Groninger regentengeslacht, dat ’s zomers op de Allersmaborg in Ezinge resideerde.

Réné, zoals zijn roepnaam luidde, was dan wel keurig opgeleid als jurist en netjes getrouwd met een dame uit de betere standen, maar zijn hart ging uit naar paarden, en dan niet zozeer harddravers, als wel dressuurpaarden. In het opleiden en trainen van die paarden bereikte hij ook een bepaalde faam – hij werd “als schoolruiter met eere genoemd”. Hij stak zelfs zoveel geld in zijn sport, “dat hij geruïneerd werd”. Wat zijn vader niet op prijs stelde – met die leefde hij in onmin, die gaf hem geen cent meer…

Uit armoe besloot Réné om zich professioneel met de dressuur bezig te gaan houden:

“Zijn vrouw (…) offerde haar kostbaarheden en Réné kocht drie schoolpaarden van een stoeterij in Z.-Rusland. Het waren Koneylan, volbloed schimmelhengst, schoolpaard; Wladimir, isabel Orlofhengst met manen van ruim 1 M., school- en vrijheidspaard; en Arabi Pascha, een Arabische volbloed schimmelhengst, school- en springpaard, dat o.a. een hindernis van 1.50 M. zonder aanloop nam.”

Réné en zijn vrouw bereden samen de paarden “en voerden ook een correcte Troika uit”. Zelf volgden ze nog weer lessen. Daarna namen ze als Monsieur en Madame Réné een engagement aan bij het Italiaanse circus Mariani, waar ze met “groot succes” een half jaar lang werkten, tot René een longziekte kreeg.

Zijn vrouw ging alleen door met hun nummer en werkte ongeveer twee jaar bij de circussen Mariani, Bourbonnel en Pierantoni in Italië en Zuid-Frankrijk. In Alois kreeg Réné het zo zwaar te pakken, dat hij niet langer met zijn vrouw mee kon reizen.

“Mevrouw telegrafeerde haar schoonvader. Deze toog direct naar Alois, verzoende zich met z’n zoon en beloofde hem, voor mevr. Réné te zullen zorgen. De stervende schoolrijder liet zich daarna door z’n vrouw beloven, dat zij de drie paarden zou laten afmaken, daar hij ze niet aan een ander gunde. Réné overleed — 1889 — en mevrouw telegrafeerde direct naar Montpellier, waar het circus zich bevond, dat de dieren moesten worden afgemaakt. De directeur weigerde echter gevolg aan de opdracht van mevr. te geven. Mevrouw reisde nu zelf naar Montpellier. Hier was de zaak uitgelekt en in de couranten verschenen lange artikelen pro en contra mevr. Réné. De directeur van het circus bood 25000 francs voor de paarden. Tevergeefs. De veearts weigerde de paarden te dooden. Zekeren morgen liet mevr. Réné de drie paarden buiten de stad brengen, en schoot ze zelf dood.”

Als weduwe hertrouwde ze later met ene Otto, die hoofdredacteur was van het Duitse blad Der Artist.

Bron,


Typografische misverstanden

2013-09-27 054 reclame Bolt latijn latijn Nl gotisch

De Groningse drukker Jacob Bolt gebruikt in 1751 twee lettertypes voor zijn lijstje met werk van zijn onverbiddelijke succesauteur, de theoloog Cornelius van Velzen. Diens latijnse titels, die voor de geleerde wereld bestemd waren, heeft Bolt in een antiqua romein gezet, de Nederlandse en populaire daarentegen in een gotisch type van Nederlandse snit.

We zijn zo gewend aan de romein, dat de keuze van gotische, voor ons veel moeilijker leesbare letters juist voor die volksuitgaven ons verbaast. Maar dan moeten we wel bedenken dat het ooit andersom was, en dat het volk toen veel gemakkelijker gotisch schrift las.

We zijn misschien ook geneigd dat gotische schrift voor het oudste te houden, maar ook dat is een misvatting. Enigszins snobistische humanisten grepen in het Italië van rond 1400 terug op een Karolingisch schrift, dat daar al twee, drie eeuwen niet meer gebruikt werd. Ze vonden dat oude schrift, de lettera antiqua veel mooier, dan het schrift waar iedereen zich van bediende. Ze gingen antiqua schrijven en lieten na 1450 hun in het latijn geschreven werken ook in die letter drukken.

De antiqua veroverde Europa niet bepaald stormenderhand. De mensen konden hem niet meteen lezen, er bestond veel weerstand tegen. In Groningen bijvoorbeeld, gingen klerken zich pas rond 1700 van de antiqua bedienen. Wat betreft drukwerk ontstond er een verschil tussen de geleerde wereld en die van het volk. Juist teksten met het grootste bereik, zoals bijbels en overheidsafkondigingen, bleven nog tot na 1800 met gotische letters gedrukt.

Het hardnekkigst bleek de gotische letter in Duitsland. Daardoor ontstond de idee dat het een typisch Duits schrift was. Niet alleen buiten Duitsland was dat zo, Duitsers namen die gedachte maar wat graag over. Toch schaften juist de nazi’s in 1941 het gotische schrift af, onder het mom dat het een joodse uitvinding was. Toegeven dat het een drempel opwierp voor het lezen van hun antisemitische teksten, deden ze liever niet.

Sindsdien leidt het gotische schrift een gemarginaliseerd bestaan in krantekoppen, pseudo-oorkonden, restaurants in het populaire marktsegment en heavy metalkrochten.

Uiteindelijk hebben de humanisten en geleerden dan toch gewonnen. Op dit ene punt.

Bron: P. Gumbert, ‘Tussen scriptorium en sneldrukpers: brug of breuk?’ in Madoc 1996.