Het kluchtig postuur van een gebochelde snijder

Een paar van de allereerste circusgezelschappen deden ook Groningen aan. Ze brachten vooral paardennummers, serieuze, maar ook komische. De plek waar ze die vertoonden was het weiland achter herberg de Vonk aan het Winschoterdiep.

Anders dan vaak wordt gedacht is het circus zoals wij dat kennen nog helemaal niet zo oud. Het bestaat minder dan 250 jaar. De term circus zoals wij die hanteren werd voor het eerst gebruikt in 1782, toen iemand in Londen een permanent circustheater opende, dat hij The Royal Circus noemde. De man was een voormalige employee van Philip Astley, die vlakbij, maar al veel langer, een soortgelijk gebouw had. Alleen noemde Astley dat geen circus, maar amfitheater of rijschool.

Met deze Astley (1742-1814), wiens circustheater ook beschreven is in The Old Curiosity Shop van Charles Dickens, hebben we de ware grondlegger van het moderne circus te pakken. Tijdens zijn leven was hij al een legende om zijn paardendressuur en -acrobatiek. Feitelijk was hij de eerste die paarden op muziek liet bewegen.

Als jongen viel Astley al op door het gemak waarmee hij paarden wist te manipuleren. Dat talent kon hij helemaal gaan botvieren, toen hij zich tijdens de Zevenjarige Oorlog liet inlijven bij een Engels regiment dragonders, dat de Pruissische koning Frederik de Grote langs de Elbe hielp in zijn strijd tegen de Fransen. Daar in Duitsland onderscheidde Astley zich door zijn moed, en schopte hij het tot sergeant-majoor.

hoed onder knie door

Eenmaal weer uit het leger zette hij zijn zinnen op een rijschool voor de betere kringen. Hij verdiende het daarvoor benodigde geld door het vertonen van allerlei kunsten met paarden. Bij het rijden van rondjes in zijn manege ontdekte hij, dat hij zich dankzij de centrifugale krachten op het paard in balans kon houden, en zo ontstond de allereerste ring. In 1768 verwezenlijkte hij zijn droom.

Paardennummers vormden dus de kern van het moderne circus. Maar Astley, die aanvankelijk alleen optrad, wilde meer variatie. Nou raakten juist in die tijd de traditionele Engelse jaarmarkten danig in verval. De daar nog apart opererende muzikanten, acrobaten, koorddansers, goochelaars en clowns verdienden steeds minder. Zij traden graag bij Astley in dienst en zo bracht Astley de mix van nummers tot stand, die nu nog steeds de circusvoorstelling vormt.

In 1772 liet Astley de ring in zijn amfitheater overkappen. Het gebouw, vlakbij de Westminster Bridge, trok van heinde en verre publiek. Maar Astley maakte met zijn mensen ook reizen naar Parijs, Brussel, Wenen en Belgrado, waar ze aan vorstenhoven furore maakten. Een artiest die hij in Frankrijk engageerde, Franconi, begon later voor zichzelf en werd stichter van de eerste met grote tenten rondreizende circusfamilie.

hoelahoep

Ook in Groningen maakten mensen in die tijd de geboorte van het moderne circus mee, zij het dat het hier nog uitsluitend ging om zomers openluchtspektakel. Op 12 juni 1773 vroeg een oudere collega en inspirator van Astley, de eveneens te Londen woonachtige pikeur Jean Simson, aan Burgemeesteren en Raad van Groningen of hij hier zijn “wonderbare kunsstukken in het rijden op paarden” mocht vertonen. Dat was geen probleem. En dus zette Simson een advertentie in de krant, om het Groningse publiek op zijn voorstellingen te attenderen:

“Met permissie van de Ed. Mogende Heeren Borg. en Raad der Stad Groningen, zal de Heer SIMSON, welke de eere gehad heeft, van voor zijn Doorlugstigste Hoogheid den Heere Erfstadhouder in ’s Gravenhage, en nog aan verscheide Hoven van Europa, te vertonen meer dan twintig wonderbaare Kunststukken te Paarde; dezelve alhier mede te doen zien op Dinsdag den 15 Juni 1773, en eenige volgende dagen.”

De ruime “vertoonplaats” die Simson vond, was het land bij herberg de Vonk buiten het Kleinpoortje. Meer precies bevond die herberg zich aan het (oude) Winschoterdiep, op de plek waar nu de Albino-flat staat. Het bijbehorende weiland erachter strekte zich naar het noorden uit tot de Boermandeweg – toen nog de weg langs de stadsgracht, die later grotendeels vergraven werd voor de Oosterhaven.

Wat Simsons advertentie zo aardig maakt, is dat hij zijn belangrijkste nummers noemde. Zo sprong hij in volle vaart van zijn paard af en er overheen, bereed hij staande in een spagaat en met losse handen twee paarden tegelijk, en stond hij op zijn hoofd in het zadel:

“1. In den vollen loop regt en lings over het Paard te springen, en voort daar op weder op den Zadel te zitten.

2. Op beide Paarden te galoppeeren, hebbende het eene been hangende aan den hals, en de voet van het andere been in den mond.

3. Op beide Paarden staande, te galoppeeren zonder toom vast te houden, en drinkende teffens een glas Wijn.

4. De Piqueur, met één Paard, in een vollen galop, tot aan de Barière gekoomen zijnde, springt er lings af, en, terwijl het Paard over de Barière springt, springt hij alles teffens over het Paard en de Barière heen, zoo dat hij aan de regter zijde weder op den grond koomt.

5. Hij staat met zijn Hoofd op den zadel hebbende de voeten om hoog, en galoppeert in deze gedaante;

Te veel om ’t al te melden, en in de Biljetten nader gespecificeert.”

Jammer genoeg zijn die biljetten (zeg maar flyers) niet bewaard. Ook weten we niet of Simson veel publiek trok. Al ligt dat wel in de rede, omdat zo’n verzetje zich hier niet vaak voordeed. Net als Astley bleek overigens ook Simson een talentenjager:

“Zoo iemand geneegen is, de een of andere Kunst bij gem[elde] Heer te leeren, kan zig bij hem adresseeren buiten het kleine Poortje in de Vonk.”

over koord heen

Blijkbaar beviel het weiland achter de Vonk de Engelse kunstenmakers goed, want vier jaar later, in 1777, dienden zich daar twee collega’s van Simson aan, waaronder Price, opnieuw een ouwe kennis van Astley:

“Op HEDEN den 17 Juny en eenige volgende dagen tot Zaturdag voor de laatste maal, ’s avonds om 6 uur, zal de Heer PRICE en de Heer WATSON in de Vonk buiten het Klein Poortje, hunne groote en wonderbaare Exercitiën op één, twee, en drie Paarden op meer dan veertigderley onderscheiden manieren verrigten, waar van de meeste nooit door eenige andere in Europa zyn ondernoomen…”

Kennelijk werden er een eenvoudige tribune met meerdere rangen opgericht in dat weiland achter herberg de Vonk. “Daar is eene goede Zitplaats voor de Heeren en Dames”, verzekerden Price & Watson immers. De entree tot hun show was in elk geval niet goedkoop. Die bedroeg een gulden, ruim het dagloon van een vakbekwame, volwas timmerman.

Anders dan Simson, maar net als Astley, brachten Price & Watson variatie in hun voorstelling aan, door serieuze paardennummers af te wisselen met komische. Zo vertoonden ze “een Engelsche matroos in zyne grappige houding, rydende naar Portsmouth”. Maar ook imiteerde een van hen

“het klugtig Postuur van een gebochelde Snyder; verbeeldende te Paard rydende naar Brentford, om de Hr. John Wilkes te stemmen”.

Met dit laatste nummer toonden Price & Watson dat ze ware navolgers van Astley waren, want de aartsvader van het circus ontwikkelde ‘The tailor’s ride to Brentford’, zoals de act in het Engels heette, zo’n zeven jaar eerder in hoogst eigen persoon. Het was een hilarische farce, waarbij Astley aanvankelijk zelf als Billy Button (zeg maar Wimpie Knoop) in de ring verscheen. Deze kleermaker huurt een paard, maar het lukt hem almaar niet dat ros te bestijgen. En als hij uiteindelijk toch netjes in het zadel zit, weigert het edele dier eerst halsstarrig benen te maken. Plotsklaps echter, gaat het er als een speer vandoor, werpt de mislukte ruiter van zijn rug, achtervolgt hem door de arena. om hem uiteindelijk de ring uit te jagen.

x Taylor riding to brentford 1768 BrM

‘The tailor’s ride to Brentford’ werd een klassieker in de circusgeschiedenis. In allerlei varianten voerden circusgezelschappen het nummer nog tientallen jaren op, door geheel Europa en in wat andere vorm wordt het nog steeds wel opgevoerd. Oorspronkelijk baseerde Astley het echter op een actuele, politieke cartoon, voluit ‘The tailor’s riding to Brentford or the unaccountable sagacity of a horse’ getiteld. Deze prent, die het paard dus ook al toonde als de meest wijze, dreef de spot met de Londense middenstanders die achter de (toen nog) radicale en democratische politicus John Wilkes aanliepen. Wilkes was bij een lokale verkiezing in 1768 gekozen als parlementslid van Brentford, even buiten het toenmalige Londen, doordat Londenaren massaal alle wegen naar die plaats afgrendelden voor Wilkes’ tegenstanders. De prent nu, hekelde het feit, dat een eenvoudige ambachtsman zich boven zijn stand wilde verheffen door zich als ruiter te manifesteren en zich met de politiek te bemoeien. Ongetwijfeld was de circusact aanvankelijk behept met dezelfde moraal van schoenmaker blijf bij je leest (of kleermaker laat je naald niet in de steek).

y - Hogarth karikaturaal portret van John Wilkes met Vrijheidsmuts. 1763 Ets.

Price & Watson intussen, zetten op vrijdag 20 juni 1777 nog een advertentie in de Groningsche Courant, waarmee ze hun afsluitende optreden voor de volgende zaterdag aankondigden. In de gedeeltelijk nieuwe tekst maken ze ook gewag van kunsten met een touw, en een Juffrouw Bultley, waarschijnlijk dus een koorddanseres. Zelf hadden de heren overigens nog een sensationeel nummertje in petto: “Ook zullen zy een Kogel uit de Pistool schieten en op de punt van een Pennemes vangen”. Met zo’n lokkertje zullen de plaatsen op de tribune wel weer gauw uitverkocht zijn geraakt.

pistool afvurend

Na hun vertrek moest het Groninger publiek tot juli 1787 wachten, voor het nog eens naar een circus achter de Vonk kon gaan. Het was ook de allerlaatste keer, dat het weiland bij de herberg als circusterrein fungeerde:

“Met Permissie zullen de PAARDERYDERS van den Heer JONES, Directeur van de Groote Manedie te LONDEN, de eer hebben om op Donderdag den 26 July voor de eerste maal en geduurende eenige dagen, hunne extraordinaire Exercitiën en Manoeuvres op een byzondere Manier, dewelke hier nooit vertoond is te vertonen. Men zal met een, twee, drie en vier Paarden ryden, ook zal men te Paard de groote Sprongen doen, als over het Lint, en meer andere te veel om hier te melden.”

Dit keer vormde een variatie op ‘The tailor’s riding to Brentford’ het slotnummer:

“Men zal de Manoeuvres eindigen door Monsieur Dubois, dewelke de Party van de Comique Kleermaker zal vervullen, dezelve komt in de Manegie en vraagt een Paard om een Reis van Londen naar Parys te doen.”

Al droeg de kleermaker nu een Franse naam, hij bleef van het type domme August dat van misverstand naar misverstand strompelde. In een manege huurde men immers geen reispaard, laat staan voor een trip over zee.

Harry Perton

Eerder in iets andere vorm verschenen in wijkkrant De Oosterpoorter (ca. 2004).

spagaat


‘Het verdronken land is vruchtbaar’

Vanmiddag opende Het verdronken land is vruchtbaar. een tentoonstelling in het Groninger Museum van archeologische vondsten uit Noord-Nederland en Ost-Friesland. Naast veel bekende zaken, die tijdenlang niet te zien waren, zag ik toch ook verscheidene ‘nieuwigheden’ onder de geëxposeerde oudheden. Zoals:

– Deze Juno (Romeins). Onder andere door de goede bewaarcondities in wierden of terpen zijn dergelijke beeldjes veel meer in het Noorden tevoorschijn gekomen, dan in het gebied ten zuiden van de grote rivieren, waar de Romeinen werkelijk aanwezig waren
1
Een verbrede boomstamkano gemaakt van een uitgeholde eik, die door verhitting in de breedte uitgerekt is, 600-640 na Christus. Gevonden ten zuiden van Jemgum, een eindje over de grens bij Nieuw Statenzijl:
2
Een berg sceatta’s uit de periode 720-740, aangetroffen bij het verdwenen klooster Barthe in de buurt van Leer.  Deze Friese muntjes vormden destijds hèt handelsgeld langs de kusten van de Noordzee.
3
Benen fluitjes, meest met drie gaten:
4
Stijgbeugels, te onooglijk voor de overigens prachtige catalogus, vormden een middeleeuwse innovatie die volgens de historicus Lynn White jr. de loop van de geschiedenis veranderde:
5
Evenmin in de catalogus: deze kruik van wit steengoed, Siegburg dacht ik, 16e eeuw.  Rond het hoofd staat: “Gedult mot”. De dame zou Bathseba kunnen zijn.
6
Ik hou van baardmankruiken en ben niet de eerste, want ze werden gemaakt van de 14e tot de 19e eeuw. Deze lijkt een traan onder zijn ene oog te hebben:
7
Geglazuurde schotel met vluchtend hert, 17e eeuw:
8


Pis Grijt en de pankouk bakkende heksen

In de Mengelingen tot nut en vermaak voor onderscheidene standen uit 1840 staat (pag. 78-90) een lijst met maar liefst 90 “bijgeloovigheden , droomverklaringen, voorspellingen enz., vroeger bij de Groningers in omloop”.

Daar moest ik meer van weten.

Ettelijke van die zaken blijken ook nu nog wel min of meer bekend:

  • zwaluwen, die in huis nestelen betekenen voorspoed of geluk voor de bewoners (nr. 31),
  • ganzen, in een V-formatie aanvliegend uit het oosten, voorspellen een strenge winter (nr. 74),
  • en als de zwaluwen dicht bij het water vliegen, betekent dat regen (nr. 78).

Maar er staan ook heel wat van dergelijke voorspellende zaken op die lijst, die ons nu tamelijk buitenissig voorkomen. Mijn persoonlijke top 10:

20
Wanneer een mol in een woonvertrek den vloer opwerpt, zoo voorspelt zulks binnenkort een sterfgeval.

35
Wanneer turf op den zolder onverhoeds dooréén rolt, dan krijgt men groote drukte of bezigheid.

45
Als eene tortelduif dikwijls achter elkander roept, beteekent dat het ophanden zijn van regen.

47
De tweede dag der hondsdagen, aan St. Margaretha gewijd, wordt bij de Groningers gewoonlijk Pis Grijt genoemd, en het bijgeloof stelt vast dat, wanneer het op dien dag regent, er gedurende zes achtereenvolgende weken dagelijks min of meer regen zal vallen.

48
Indien de katten zeer snel heen en weer door huis loopen, alsof ze gejaagd werden, de Groningers zeggen: deur hoes vleigen, is er wind ophanden.

53
Als men eene vischvrouw voor haren visch minder biedt dan zij vraagt, en zij denzelven voor dien prijs niet kan geven, voorspelt dat voor haar eenen ongunstigen dag, dat is te zeggen, dat zij alsdan niets verkoopt, en gemeenlijk wordt dan door haar gezegd: Nou kan ik de heile dag sjokken (dat wil zeggen: loopen) en neit verkoopen.
54
Wanneer zulk eene vischvrouw echter dat sjokken verveelt, dewijl zij niets verkoopt, dan verkoopt zij, om het even wat haar geboden wordt, den eersten visch den beste, en zulks uit bijgeloof, dat het dan wel zal geluk ken; terwijl zij bij het overhandigen van dien visch bij zich zelve zegt: Goddank, dat ik de jeude (den jood) van de körf heb.

61
In Groningen heeft men tot gewoonte te zeggen: Geen zaturdag zoo nat, of de zon schijnt wat; willende daarmede te kennen geven, dat, ofschoon het op zaturdag den geheelen dag regent, de zon toch zeker wel, al is het slechts voor een oogenblik, zal doorbreken.

62
Onder minkundigen heerscht nog, in weerwil van alle verlichting, het geloof aan heksen, en men vertelt, dat die gewaande heksen Pankoek bakken, als het regent en tegelijk de zon schijnt.

63
Algemeen heerscht nog in Groningen het bijgeloof aan voorloopen, dat zijn aanduidingen of voorteeekens uit het schimmenrijk, die binnen korten tijd werkelijk zullen vervuld worden.

Overigens gold de prognosticerende waarde van een verschijnsel in het gros van de gevallen ongeluk: sterfbedden, trammelant, regenweer. Het onderkennen van iets negatiefs voor de toekomst, en het daarop eventueel kunnen inspelen, had (en heeft) nu eenmaal meer urgentie dan het vroegtijdig zien aankomen van voorspoed en geluk.


Hoe Dijksterhuis verdween

2012-08-18 047

In de vestibule van de oude borg Dijksterhuis te Pieterburen stond een Latijnse spreuk, die vertaald hierop neerkwam:

„Moge dit huis blijven staan, totdat de mier de wateren der zee zal hebben opgedronken en de schildpad de gehele aarde zal zijn doorgewandeld.”

De mier heeft nog oceanen te gaan en de schildpad is ook nog lang niet aan het eind van zijn missie. Dijksterhuis daarentegen, is van de kaart geveegd. De wens kwam niet uit.

In het voorjaar van 1902 werd de borg al niet meer bewoond en was hij danig in verval. De vrijgezelle eigenaar, jonker Gerhard Alberda van Menkema en Dijksterhuis, die op de Menkemaborg in Uithuizen woonde, maakte onderdelen van zijn vervallen goed te gelde. Zo liet hij een groot deel van de bomen kappen.

In maart was de hele oostersingel al weg. Daarmee verdween een kenmerkend onderdeel van het landgoed, dat het Algemeen Handelsblad juist in die dagen aldus omschreef:

“Op een afstand gezien vertoont zich over de vlakke landen van Hunsingo het bosch te Pieterburen en daarin staat het slot of de burcht van den heer, die niet alleen dit bosch bezat, maar vele daaromheen liggende landerijen. De woning is hooger dan de omringende boomen, zoodat er een vrij uitzicht is op de omgeving en naar het noorden ziende, vertoonen zich de Wadden.”

020 uitsnede

Alberda deed de siervazen op de brug cadeau aan zijn familie op Nijenhuis in Heino. Van de inboedel op Dijksterhuis was op dat moment nog maar weinig meer over. Begin april verkocht Alberda de collatie (het benoemingsrecht van predikanten etc.) van de hervormde gemeente Westernieland aan die gemeente. Hij beurde er toch nog een duizend gulden voor.

Op 22 april overleed hij. Dat gaf nadien nog enige consternatie, want van twee archiefkasten bleken de sleutels zoek, “en niemand van het thans levende geslacht schijnt iets van den inhoud te weten”. De kranten speculeerden over “veel gedrukte en geschreven stukken, die nog door geen deskundige zijn nagezien”. De borgbewoners hadden eeuwenlang een grote rol gespeeld in de streekhistorie en daar moesten die ongeziene papieren over gaan.

Medio mei leek het probleem opgelost. Toen ging immers het restant van de inboedel per schip naar Uithuizen. Daar zou een grote veiling plaatsvinden, waar dan tevens spullen uit de Menkemaborg onder de hamer kwamen.

Na de zomer maakten de erven Alberda bekend, dat ze Dijksterhuis wilden laten slopen. In oktober flakkerde er nog een sprankje hoop op, er was althans sprake van dat “eenige vermogende heeren” gezamenlijk de borg wilden kopen, om deze te redden. Maar dit ging niet door en vanaf midden november stonden er aankondigingen in de krant dat Dijksterhuis, of Het Huis ten Dijke, zoals het ook wel heette, “op afbraak” werd verkocht.

Intussen liet het Rijk foto’s van zowel het exterieur als het interieur van de borg nemen. Ook mat een heer Schepers uit Den Haag de hele zaak precies op, en legde zijn metingen neer in bouwkundige tekeningen. Mogelijk bevindt deze documentatie zich in een of ander archief, de foto’s lijken (deels) in de Beeldbank Groningen aanwezig.

Het Algemeen Handelsblad trakteerde zijn lezers nog op een liefdevolle en uitvoerige beschrijving van de borg:

“Dat oude Dijksterhuis kan op schoonheid niet bogen, maar de forsche lijnen, de na eeuwen nog loodrecht uit het water oprijzende muren, ze dwingen tot eerbied.
In zijn stoeren en strengen eenvoud trotsch, ten volle het karakter dragend van de plaats waar het staat aan het strand van de Noordzee, van zijn grijze tinne een blik op die zee gevend, maakt het op den bezoeker een machtigen indruk, verplaatst het hem in vroeger eeuwen. Hij denkt zich de vroegere Heeren, hun bezittingen van die tinne overziende.
Immers de overlevering zegt dat de Noordzee vroeger den voet van dit slot bespoelde, en dat het huis als ’t ware in een bak van zwaar hout – die bij laag water nog moet te zien zijn – uit of op het wad werd opgetrokken…”

Ook herinnerde de krant aan het verblijf van de watergeus Sonoy op de borg, en haalde ze het bekende verhaal van de moor aan, die het dienstmeisje vermoordde, wat een onuitwisbare bloedvlek op de vloer gaf (ondanks het weghalen van de vlek of zelfs de hele plank, kwam deze telkens weer tevoorschijn).

Het stuk besloot met een lyrisch vaarwel:

“Een warme groet — een laatste groet helaas zij U gebracht van deze kille stranden, U, stoere, sombere, stille en toch zoo sprekende reus.”

Dijksterhuis, posthuum

Op de zes kijkdagen voor de veiling was de entree een kwartje, welk bedrag ten goede kwam aan de plaatselijke diaconie. Ruim 400 mensen hadden dit ervoor over, zodat de hervormde armen er 100 gulden mee opschoten.

De veiling vond plaats op 17 december in een plaatselijk café. De koper van de borg op afbraak bleek ene Van Seumeren uit Tilburg, die 2575 gulden bood. Met de boerderij en het daaronder beklemde land en diverse losse percelen bracht het hele landgoed in totaal bijna 135.000 gulden op.

De verkopers lieten nog wel een bijzondere bepaling in de contracten opnemen:

“Van eventueel te vinden schatten, die wel zouden kunnen voorkomen, daar het slot bijna 1000 jaar heeft gestaan, behouden de verkoopers zich 90 pct voor, terwijl de vinder 10 pct krijgt “

In februari 1903 begon het rooien van de overgebleven bomen:

“Het uitroeien van het bosch rondom het slot „Dijksterhuis” te Pieterburen (Gr.) is thans in vollen gang. Niet alleen zijn daarmede vele arbeiders uit de genoemde en de omliggende plaatsen bezig, maar ook is in het begin dezer week op het terrein van het slot een groote woonwagen met werkvolk uit Sappemeer aangekomen.
Alle boomen moeten vóór 1 Mei a.s. verwijderd zijn. Het hout, dat alsdan nog aanwezig is, wordt krachtens de voorwaarden van verkoop het eigendom van den kooper der boerderij.
Menige photograaf verbeidt niet ongeduld de verwijdering van de boomen in de nabijheid van den merkwaardigen achtergevel van. het slot. Vruchteloos is reeds meermalen getracht dien gevel in beeld te brengen; de zware, wijdvertakte boomen werkten dit tegen.”

Buiten de veiling was het collatierecht van Pieterburen gebleven. De lokale hervormde gemeente kocht dit in maart voor 2000 gulden van de erven Alberda, die als voorwaarde stelden dat de herenbank en de rouwborden van de familie op hun plek in de kerk zouden moeten blijven, “welke voorwaarde door de koopers zeer gaarne is aangenomen”.

Het puin van Dijksterhuis ging via het haventje van Wierhuizen naar de dijk van de Lauwerspolder. Maar er was ook veel nog bruikbare afbraak – o.a. drie antieke marmeren schoorsteenmantels, 150.000 harde metselstenen in vijf soorten, 500 blauwe marmeren vloertegels en 7000 dakpannen, naast balken en kleiner hout – die sloper Van Seumeren via de krant te koop aanbood.

Pas in april 1903, toen de kaalslag al zover gevorderd was dat men de consequenties duidelijk overzag, manifesteerde zich enige onvrede :

“Met leede oogen zien velen en niet het minst de inwoners van het dorp Pieterburen, de verwoesting aan van het aloude slot Dijksterhuis aldaar en van zijn prachtige omgeving. Op het ruime slotplein, aan welks ingang zich nog statig de hooge poort verheft, liggen thans opgestapeld honderdduizend steenen, grootendeels kloostersteenen van groote afmetingen, alsmede allerlei gedeelten van het inwendige van (het) gebouw (…). Reeds zijn de sloopers tot het hooge voorgebouw tot de benedenste verdieping gevorderd. Van den achtzijdigen toren, die een vrij uitzicht over de Wadden gaf, staat nog slechts een stuk van eenige meters hoog.”

Medio juni meldde het Nieuwsblad van het Noorden dat de sloop op een haar na voltooid was;

“…de laatste steenen nog uit de fundamenten gebroken en het bestaan behoort tot de geschiedenis. Het staan van het gebouw in een looden of koperen bak, zooals door velen werd vermoed, is onwaar gebleken.”

De enige bijzonderheid kwam aan het licht bij het vellen van een oude linde naast het voorplein. Onder de wortels en een halve meter puin vond men een mannenskelet met fragmenten van een gebroken zwaard. Sporen van de terechtstelling en ontering van een verslagen vijand? Helaas zijn deze archeologica niet bewaard, zo leerde navraag bij het Groninger Museum. Er kan dus geen onderzoek naar de ouderdom worden gedaan.

Dijkterhuis wikipedia


‘Koffie thee chocolade limonade!’

Hoe een extended family te Driebergen een hele trein in vlucht en een zucht van koffie voorzag en hoe een gepensioneerd spoorwegbeambte vervolgens de rotzooi opruimde (1959):


De Weddermarkt, tot vreugd’ en ergernis van dominees

Ostade - dansende boeren 2

Volgens het loflied op de Wedder kermis kwamen er duizenden mensen op die jaarmarkt af. Ze kwamen van alle kanten en heinde en verre: Westerwolde, de schansen, Bellingwolde, Westfalen en Drenthe. Ze kwamen er voor huishoudelijke benodigdheden als wastobben, melkvaten, spinnewielen en luiwagens, voor artikelen met een persoonlijk verzorgingdoel als brillen, kammen en kousen, en voor levende have als paarden, zwijnen, gevogelte, hond en kat. En als dan het benodigde ingeslagen was, dan stopte men de knorrende maag met kermiskoek, noten en/of bier, terwijl er tot ver na middernacht voor de viool werd gedanst.

Ik dacht er gisteravond niet aan, maar Geert Luth heeft in zijn boek (On)gepast gedrag (Heiloo 2006) ook aandacht besteed aan de kermis van Wedde (pag. 340-345). Op basis van het prothocol van de classis Oldambt en Westerwolde constateert hij, dat de kermis een belangrijk evenement was. Zo gold deze jaarmarkt als een tijdsaanduiding in de streek en zou Wedde dankzij de markt meer dan andere plaatsen bedeeld zijn met tapperijen.

Maar feitelijk ging het niet om één, maar om twee jaarmarkten, die, zoals het lied ook al aangaf, redelijk vlak na elkaar kwamen – er zat bepaald geen halfjaar tussen, maar twee, drie maanden. Het betrof een Pinkstermarkt en een zogenaamde linnenmarkt.

Volgens Luth was de Pinkstermarkt altijd op de tweede dinsdag na Pinksteren. Zelf kwam ik voor het jaar 1797 juist de woensdag voor Pinksteren als vaste tijd tegen. Blijkbaar varieerde het later. Volgens Luth was deze markt een paarden- en veemarkt. Ook dat lijkt in tegenspraak met de advertentie uit 1797:

Op het WEDDER Maymarkt, ’t welk altoos invalt des Woensdags voor Pinxter, zal nu en voortaan HANDEL worden gedaan in allerhande VEE; als Paarden, Koejen, oude en jonge Zwynen, wordende de Ingezetenen van deze Heerlykheid en omleggende Dorpen verzogt, om hun Vee, zo gedenken te Verkopen, als dan ter Markt te brengen.”

De advertentie en vooral ook dat “voortaan” doet vermoeden dat het om een nieuw ingestelde veemarkt gïng, terwijl dat dus helemaal niet zo was. Wellicht werd de markt een paar jaar om politieke redenen niet gehouden (uit angst voor orangistische gisting) en blies men de traditie in 1797 nieuw leven in.

Uit de gegevens die Luth bij elkaar bracht, valt op te maken dat de linnenmarkt medio achttiende eeuw vooral ook een paardenmarkt was. Voor 1700 was de traditionele datum van die jaarmarkt 25 augustus, waarbij je je dan afvraagt of daar misschien een heilige aan verbonden was, en zo ja, welke dat dan zou zijn. Als die 25e op een zondag viel, dan werd de markt een dag of wat verschoven. Na 1700. toen men de Juliaanse kalender verving door de Gregoriaanse, ging de datum echter niet twaalf dagen vooruit, zoals in de rede lag, maar slechts vier. Omdat zich toen nog steeds wel eens het zondagsprobleem voordeed, schafte men de gefixeerde datum van 29 augustus in 1720 af en ruilde hem in voor de laatste woensdag van die maand.

Het was vooral de Weddermarkt van eind augustus die bekendheid genoot, ook buiten de eigen streek. Daarover zal dan ook het in Amsterdam gedrukte lied zijn gegaan. De oudst bekende vermelding van deze markt staat in een Deventer almanakje uit 1567, maar dat is natuurlijk toeval: deze markt zal veel ouder geweest zijn – wat bovenstaande vraag naar de heilige naamgever des te relevanter maakt.

Dat de Weddermarkt de plek was, waar zelfs predikanten uit de streek wel eens dronken werden aangetroffen, onderstreept het belang. Hun zwaardere vakbroeders maakten nogal bezwaar tegen het vertier, dat met de markt gepaard ging, en waarvoor koorddansers en muzikanten met (draai)lier en viool primair verantwoordelijk waren. Een actie van de lokale kerkeraad, vlak na de linnenmarkt van 1729, tegen kerklidmaten die zulke kunstenmakers (tegen betaling) een standplaats gunden op hun erf of in hun huis of schuur, had zoveel succes dat de artiesten op de Pinkstermarkt van 1730 geheel en al ontbraken, tot verwondering van iedereen. Luth veronderstelt dat er toen definitief een eind kwam aan muziek en vertoningen, maar hierin volg ik hem niet. Het verbod zal hooguit voor een periode iets uitgehaald hebben. Waarschijnlijk geven de rekestboeken van de Westerwoldse drost hierover uitsluitsel, want zulke attracties moesten eigenlijk toestemming van deze rechter hebben. In 1730 ontbrak die duidelijk, op instigatie van de kerkeraad, maar daarmee is zeker niet gezegd, dat permissie voor eens en altijd ontbrak.


‘Een aardig kermislied, tot lof van Wedde’

2013-09-10 007

In de pamflettenverzameling van voorheen het Rijksarchief Groningen, die nog geen digitale toegang heeft en daarom gemakkelijk over het hoofd te zien is, vond ik vandaag een loflied op de kermis van Wedde. De archiefmedewerker die het tamelijk onooglijke stuk indertijd beschreef (Lonsain?) dateerde het op ca. 1700. Het staat op de achterzijde van een liedvel, dat op de voorkant een loflied op “toebak” heeft. Beide zijden van het vel vermelden onderaan ene I. Hendriksz als drukker. Als “voys” of melodie gaf hij het lied van Maurits Langbeen aan.

Die I. Hendriksz zal, afgaande op de STCN, Jan Hendriksz zijn geweest, actief te Amsterdam van 1702 tot 1727. Hij gaf wel meer populair drukwerk uit, waaronder nog een ander kermislied. Volgens de Liederenbank echter, maakte het loflied op de kermis van Wedde ook deel uit van de bundel De vrolyke kramer, met Kleyn Jans playsierig en vermakelyk marsdragend hondje. Het oudste exemplaar van dit populaire liedboekje, uit 1721, bevindt zich in de British Library in Londen. De Koninklijke Bibliotheek in Den Haag heeft een elfde druk uit ca. 1780, die zich ook in de DBNL bevindt. maar waarin helaas het loflied op de kermis van Wedde ontbreekt.

Een datering van dit lied op het eerste kwart van de 18e eeuw lijkt me echter wel veilig. In elk geval viel via de Liederenbank ook de melodie te achterhalen. De “voys” van Maurits Langbeen, meer bekend als Joris Langbeen, komt namelijk met zeven meldingen in de Liederenbank voor. Voor dit wijsje zie vooral hier.

Tot zover de toelichting, nu laat ik de integrale tekst van het loflied volgen, met eronder, in volgorde van de coupletten, een aantal woordverklaringen:

Goede morgen buer-meysje,
Wel waer soo vroeg na toe?
Al met u poesel vleysje
Wil je mee hoe vraegje so?
Hey sa dat gaet na Wedde Wedde Wed
t’Avond kom ik niet op bedde bedde bed
Fal la la, di da da, fal la la, di da da,
Falder la la la.

Men ziet nu kermis houwen
In ’t Westerwolse Land
Van kinders, man en vrouwen
’t is yeder wel bekent
Hy sa dat gaet na Wedde Wedde Wed
t’Avond kom ik niet op bedde bedde bed
Fal la la, di da da, fa Etc.

Ey ziet hoe dat se lopen
Na Wed met groot pleyzier
Om een kermis koek te kopen
Of een glaesje suyver bier
wilje mee na Wedde Wedde Wed
T avond kom ik niet op bedde bedde bed Etc.

By duysende van menschen
komen van alle kant
Die na de kermis wenschen
In ’t Westerwolse Land
En de markt komt tweemael in ’t jaer
Zy volgen soetjes na malkaer
Hier tot Wed, Wedde Wedde Wed
Hier tot Wed, Wedde Wedde Wed
’t Avond koom ik niet op bed.

Uyt Oud en Nieuwe Schansen
komt hier een groot gewoel
‘k Zag laest twee meysjes dansen
Te samen voor de fioel
En de een die viel de rok van ’t gat
Den ander was dronken en sat
Hier tot Wed, Wedde Wedde Wed
Hier tot Wed, Wedde Wedde Wed
’t Avond koom ik niet te bed.

Hoord wat ik sal verhalen
Al van twee meysjes jent
De eene waer uyt Westphalen
De aer uyt ’t Landschap Drent
En zy gingen na Wed en namen haer versoek
Lieten haer soenen voor een koek
Fal la la, di da da, sa Etc.

Veel luyden met behagen
Van Benningwolde hoord aen
Den eene op de Wagen
En de ander die komt gaen
Sy roepe dat gaet na Wedde Wedde Wed
Tavond kom ik niet te bedde bedde bed
Fal la la, di da da, Etc.

O Wed ik moet u prijsen
Gy zijt so wijd vermaert
En ook veel eer bewijsen
Hier is veel volk vergaert
Den eene koopt een karten of teen
den ander koopt een paert of een zwijn
Fal la la, di da da Etc.

Spinwielen en wastobben
Die zijn hier ook te koop
Luywagens om te schrobben
Sa jonge luyden loop
Een ander roept: koop noten of koek
Meysjes houd op u schorteldoek
Fal la la, di da da, Etc.

Hier lopen ook veel smousen
Met brillen, kam en lak
En velinks met de kousen
Om beenen, toon en hak,
Wie tast er om een oortje of duyt
Een hen of een haen of een gansje of een fluyt
Ja altijd heb je wat, ja altijt heb je wat
Voor een duyt een hond of een kat.

Een oud wijf zonder schromen
Van honderd sestien jaer
Is hier te markt gekomen
Al met een Drentse kaer
’t Was tussen Blehamster meulen en Winschoot
Daer vielse van boven in de sloot
Haer billen waren nat
Haer billen waeren nat
Als een versopen kat,

Men ziet de jongmans lopen,
Met meysjes aen haer zy
Om een kermis te koopen
Elk is van herten bly
En men danst en men springt tot Wedde Wedde Wed
T avond koom ik niet op bedde bedde bed
Fal la la, di da da, fal la la, di da da
Falder la la la.

Woordverklaringen:
poesel vleysje – zachte meisjeshuid
Benningwolde – Bellingwolde
jent – vgl. jenteg – slank, los, vlug en handig
komt gaen – komt aanlopen
karten – kaart?
teen – tyn of tiene, een vat voor melk of karnemelk
smousen – Duitse joden
lak – zegellak
velinks – Westfalers (met de indertijd bekende Westfaalse hosen)
oortje en duyt – kleingeld
Om een kermis te koopen – bedoeld zal zijn de kermiskoek (waar eerder al sprake van was).


Gevleugelde auto

004

Blikken kinderspeelgoed, begin jaren vijftig. Volgens de eigenaar zat oorspronkelijk een propellor op de neus.  Hij wil graag weten naar welk merk deze wagen gemodelleerd is. Weet iemand dat toevallig? ‘Auto met vleugels’ levert heel andere, veel modernere zoekresultaten in Google op.

Vervolg:

Met dank aan Lucas de Vries en Canon Rick is razendsnel bekend waar dit speelgoed vandaan kwam.  Het betreft een Blomer & Schüler nr. 500 Aero-Car, die ca. 1950 gemaakt werd in de Amerikaanse bezettingszone van Duitsland. Als je het interne mechanisme met een sleuteltje opwond, kon de wagen twee dingen doen, al naar gelang het schakelaartje aan de onderkant aangaf: je kon hem als een normale auto vooruit laten rijden op de grond of je kon de vleugels tevoorschijn brengen en de propellor laten draaien.


Internationale Vredesbetooging

vredesbetoging

De bibliotheek van het Haagse Vredespaleis heeft een Flickr-account, waarop ze onder andere een hele ris vredes- en oorlogsaffiches neergezet heeft. Bovenstaande is daar één van.

De geafficheerde internationale vredesbetoging, georganiseerd door SDAP en NVV, vond plaats in 1932. Volgens de verslagen – ook met foto’s – namen er ongeveer 25.000 mensen aan deel, onder wie 5000 Duitsers. De Arnhemse winkels bleven er die zondag speciaal voor open.

De laatste spreker in het Arnhemse sportpark was Ir. Albarda, de fractievoorzitter van de SDAP in de Tweede Kamer en de politiek leider van de sociaal-democraten. Hij merkte op dat in 1914:

“in de maand Augustus Nederland bevreesd was, dat de Duitschers over de grenzen zouden komen. Nu is Arnhem verheugd dat de Duitschers over de grens zijn gekomen. (…)”

Overigens doet de stijl van het affiche sterk denken aan de fotocollages die John Heartfield iets later maakte. Gezien de gasmaskers linksonder lag de gasoorlog aan het westelijke front nog vers in het geheugen.


Vroeg bewijs dat roken wildplassen bevordert

smokende wildplasser

Bron: G.A. Brongers e.a., Nicotiana tabacum : the history of tobacco and tobacco smoking in the Netherlands (Groningen: Theodorus Niemeyer, 1964) 150. De tegel is uit het eerste kwart van de 17e eeuw.


Van puistje krabben kan je dood gaan

KRABT GEEN PUISTJES OPEN
Jongen te Hoogkerk overleden aan bloedvergiftiging
(Van onzen correspondent).

GRONINGEN, 15 Aug. — De 15-jarige J. S. te Hoogkerk, leerling van de H.B.S. krabde een dezer dagen een puistje in het gezicht open. Bloedvergiftiging was hiervan het gevolg en hoewel het knaapje onmiddellijk naar het academisch ziekenhuis te Groningen werd vervoerd, mocht geen hulp meer baten en is de jongen heden overleden.”

Curieus bericht uit de Telegraaf van 15 augustus 1929.

Mijn moeder waarschuwde al tegen de gevaren van het puistjekrabben. Zoals ze ook waarschuwde tegen het duiken vanaf bruggen, want je hoofd zou dan in een kachelpijp vast kunnen komen te zitten. Hoe gefundeerd dergelijke waarschuwingen mochten zijn, ze waren niet afdoende.

Intussen maakt de kop duidelijk dat de Telegraaf anno 1929 nog pedagogische aspiraties had. Ik denk dat kranten die pas in de lange jaren zestig krijtraakten.


‘Kaatje houdt thans boek’

a NvhN 23.1.1904

Het is aan het eind van de maand.  In de keuken zit Kaatje, de bijna spreekwoordelijke dienstbode, aan tafel het boodschappenboekje bij te houden. Het hoofdrekenen gaat haar niet zo goed af, ze telt de bedragen op haar vingers na. En is daarmee zo ingespannen bezig, dat ze niet merkt hoe de kat tegen haar kuiten vleemt.

“Kaatje houdt thans boek”, zegt de fabrikant van de kunstboter, die op drie plekken in de advertentie aanwezig is: op de tafel voor Kaatje, in de wervende tekst en op de rim, tussen de koffiemolen,  de vijzel en potten met suiker, zout, meel en koffie.

Met zoveel margarine in huis, hield Kaatje vast wel wat over.

Bron: Nieuwsblad van het Noorden 23 januari 1904.


Landbouwmuseum ’t Rieuw, Nuis

Klienbak, voor het kleintrappen en egaliseren van laagveenbagger, zodat er turf van gemaakt kan worden (eigenlijk hoort zo’n ding op de grond te liggen):
073
Vooroorlogs zitje:
082
De prijzenkast van een veefokker:
090
Zuivelprocedé’s:
094
De viefreis of vijfrijige schoffel) werd gebruikt om tussen rijen zaaigoed (bijv. winterwortels) het onkruid weg te schoffelen (met dank aan n.n.):
100
Vitrine met modelletjes van wringen (boerenhekken):
111
Bascule (weegschaal):
113
Op het achtererf een afdeling mechanisatie, zoals deze zweler:
123
Meer info


De fans van IJje Wijkstra in Hoogkerk

Anarchistisch relletje te Hoogkerk

Nasleep van het drama te Grootegast

GRONINGEN, 24 Jan. – Tijdens de begrafenis van de slachtoffers van het drama te Grootegast hebben gisteren anarchisten getracht in Hoogkerk relletjes te verwekken. Door middel van een megafoon riepen zij de mensen op straat bijeen en schimpten op de politie en verheerlijkten den moordenaar. De politie van Hoogkerk was bij de begrafenis te Grootegast tegenwoordig, zodat er niemand aanwezig was om in te grijpen. ‘s Avonds werd door communisten een vergadering belegd, waar een spreker uit Den Haag een rede hield over “De misdaden door de politie zelf bedreven”.
Bij de vergadering, die door een dertigtal menschen bezocht was, waren ook eenige marechaussees aanwezig, die echter geen reden tot ingrijpen hadden. – (V.D.)

Aldus De Telegraaf van 24 januari 1929. Helaas meldt het bericht niet, of het indertijd spraakmakende communistische raadslid van Hoogkerk ook bij de genoemde manifestaties betrokken was. Deze H. Hoiting, afgaande op de raadsverslagen een ras-provocateur, zette de gemeenteraad meermalen op stelten. Voor hij in 1930 overstapte naar de Moskougezinde CPH was hij respectievelijk actief voor de Rapaillepartij, een zogenaamde Proletarische Groep en de dissidente CPH-CC van David Wijnkoop. Een interessant figuur, kortom, in wiens leven vast een verhaal zit.


De democratisering van het orchestrion

Duits exemplaar

Sommige reaguurders hier meenden zich erg negatief te moeten uitlaten over het verschijnsel orchestrion. De een deed zijn beklag erover dat het apparaat live-muzikanten het brood uit de mond stootte. Een ander was alsnog verheugd dat dergelijke instrumenten in 1911 te Groningen het zwijgen werd opgelegd.

En dat terwijl het volk zo lang heeft moeten wachten op orchestrions binnen zijn dagelijkse bereik.

In 1790 speelde het eerste Orchestrion, dat van de Duitse musicus Vogler, al in Amsterdam. Dit “meesterstuk”, naar Voglers ontwerp gemaakt door de Rotterdamse uurwerkmaker Kunkel, werd gedefinieerd als een orgel van 16 voeten (bijna vijf meter) groot. Dit telde vier klavieren en heette orchestrion

“vermits daarin alle instrumenten vereenigd zijn en een volkomen orchest oplevert”.

Lange tijd zag men dergelijke, voortdurende verbeterde kunststukken alleen op kermissen, of men moest er speciaal voor naar een echt grote stad als Amsterdam. Pas in juni 1895 werden de eerste orchestrions in Groningen door een winkelier verkocht:

De heer A. J. Jonkhoff, Oude Boteringestraat, annonceert in dit blad een nieuw instrument, zijn piano-orchestrion. Er is in de laatste jaren op het gebied van automatische muziekinstrumenten heel wat geproduceerd, waaronder werkelijk goede instrumenten, maar het piano-orchestrion spant de kroon. Het is het volmaaktste wat er tot nog toe op dat gebied is geleverd, en men maakt zich, als men het instrument hoort spelen, ongerust over wat in de toekomst het lot der piano-onderwijsgevenden zal zijn, want het piano-orchestrion geeft zonder bespeler alles van de volledige opera-fantaisie tot „Trek maar an ’t touwtje” zoo goed — met alle fortissimo’s en piano’s en in de juiste maat— als de beste pianino mèt een bespeler, met een verdienstelijke zelfs.

Als instrument kan men zich werkelijk niets beters denken, en als meubel zal het in elk salon op zijn plaats zijn. Zoodat wij den heer Jonkhoff wel succes met dit instrument durven voorspellen.”

Jonkhoff 16.6.1895

Dat 1895 als het jaar mag worden gezien dat het orchestrion te onzent in veler bereik kwam, moge ook nog blijken uit een advertentie in de Winschoter Courant van de 16e oktober.  Hierin bood een Jacob Appeldoorn uit Paterswolde orchestrions te huur aan voor kasteleins:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Deze Appeldoorn, geboren in 1858 te Bolsward, was bij zijn huwelijk met een Paterswoldse arbeidersdochter in 1881 nog boendermakersknecht. In 1929 stierf hij echter als ober van het Familiehotel in Paterswolde. Volgens zijn patroons was hij daar “vele jaren  tot genoegen” in hun dienst geweest. Ik denk daarom dat Appeldoorn in 1895 niet voor eigen rekening handelde, maar als agent voor een fabrikant van elders. Het moet een bijbaantje voor hem zijn geweest. In het Familiehotel zal bij wijze van demonstratiemodel vast ook zo’n orchestrion hebben gestaan, de horden Groningers die er op hun traditionele zondagsuitje langskwamen, zullen ongetwijfeld voor mond-tot-mond-reclame hebben gezorgd.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Piano-orchestrion in museum Vosbergen, Eelde.