Hoe Hoogezand en Sappemeer fuseerden
Geplaatst op: 23 juli 2013 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
“Na een interessant debatje, waarin mr. J. Algera (A.-R.) en aanvankelijk ook de heer Tj. Krol (C.-H.) zich tegenstanders en de heren J. Haken (C.P.N.) en J. Tuin (P.v.d.A.) zich voorstanders van de samenvoeging van de gemeenten Hoogezand en Sappemeer toonden, nam de Tweede Kamer Woensdagmiddag zonder hoofdelijke stemming (…) het wetsontwerp aan, waarbij deze samenvoeging geregeld wordt.
Wanneer het ontwerp wet geworden is, zal de nieuwe gemeente „Hoogezand- Sappemeer” heten, een naam, die de heer Algera ongemakkelijk lang vond. Als de minister kan besluiten tot verkorting van deze naam, dan zou hij „Hogemeer” prefereren boven „Sappezand”, zei hij gekscherend.
Hoogezand, een gemeente van 13.000 zielen, is voor de samenvoeging; ook het college van Gedeputeerde Staten van Groningen is er unaniem voor, evenals de Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie. De raad van Sappemeer — deze gemeente telt 7000 inwoners — was er met 7 tegen 6 stemmen tegen en bij een enquête onder de bevolking van Sappemeer bleek 90 pct. tegenstander te zijn.
De voorstanders vestigden de aandacht op de geografische en economische eenheid van beide plaatsen, op het gemeenschappelijke verenigingsleven en op de moeilijkheden, die in het verleden tengevolge van de administratieve scheiding gerezen zijn bij de plannen tot aanleg van een gemeenschappelijk zwembad, bij de bouw van een ziekenhuis en bij de reiniging en het onderwijs. De minister van Binnenlandse Zaken, mr. J. H. van Maarseveen, legde er nog een schepje bovenop en sprak zelfs van de Siamese tweeling.
Toen was het pleit beslecht. Als de Eerste Kamer zich met het wetsontwerp verenigd heeft, zullen Hoogezand en Sappemeer één gemeente vormen.”
Bron: Leeuwarder Courant 2 december 1948.
Steur in de Hunze
Geplaatst op: 20 juli 2013 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesVlak voor de afsluiting van het Reitdiep of de Hunze (1876) werden er meermalen grote steuren gevangen. Een inventarisatie en analyse van zulke meldingen over de voorwereldlijke en legendarische vis. 1
‘Zaterdag ll. ontdekten eenige rijswerkers, werkzaam zijnde aan de beschoeiingen bij de Hunze onder Garnwerd, met bijna laag water een steur, wegende naar gissing tweehonderd à twee honderd vijftig halve ned. ponden. Dit zeemonster kwam zoo digt bij den wal, dat een hunner, H. de Vries van Garnwerd, bij gebrek aan andere wapens, met een zoogenaamde heksebijl hem vier slagen toebragt, welke laatste zoo goed werd aangebragt, dat de bijl bleef vastzitten, waarop De Vries door den steur in het water werd medegesleept. Hij moest echter tot zijn spijt het monster laten glippen, aangezien deze zich naar de diepte wendde en verdween.’
Aldus een bericht uit Garnwerd in de Provinciale Groninger Courant van 20 juli 1865. De krant achtte het niet onwaarschijnlijk dat de vis alsnog zou doodgaan en gaf voor dat geval alvast de wens van De Vries aan de eventuele vinder door, om het dier nog eens te mogen zien. Getuige de stedelijke Groninger Courant kon die wens een dag later al worden vervuld. De steur lag bij laag water stroomopwaarts in de buurt van het Blauwborgje, ‘reeds in staat van ontbinding verkeerende’. Bij meting bleek het dier 2,8 meter lang en 1,4 meter dik. Ook was het gewicht twee maal zo groot als eerst geschat, namelijk 240 kilo. 2
Dat lijkt groot, maar de praktisch uitgestorven Atlantische steur waarvan hier waarschijnlijk sprake was, kon nog veel groter en zwaarder worden, wel zo’n zes meter bij 400 kilo. In dat geval kon hij ook wel honderd jaar oud zijn. Spreken zulke cijfers tot de verbeelding, dat deed zijn voorwereldlijke uiterlijk evenzeer. Met zijn puntige snuit en zijn vier baarddraden snorde hij wormen, slakjes en kleine visjes op, die hij door een uitstulpbare, tandeloze zuigmond aan de onderkant van zijn kop naar binnen werkte. Over zijn hele lijf had hij, in plaats van schubben, een bepantsering van beenplaten. Zijn staart leek op die van een haai. Het was een trekvis, vanuit zee trok hij langzaam de rivier op om te paaien, om na gedane zaken weer naar zee terug te keren. 3

Uit: G.A. Strating en G.A. Venema, De Dollard (1855).
Iets komt in de krant omdat het afwijkt van het gangbare. Zo’n grote steur was inderdaad bijzonder. 4 En toch was het geen unicum, blijkt later. Want op 24 juni 1873 meldde de Groninger Courant dat zich in het Reitdiep bij Schilligeham, ten oosten van Aduarderzijl, sinds enige dagen ’al spelende’ een steur ophield, die minstens even zwaar was als die van 1865. De krant vroeg zich af of het dier niet met aas te vangen zou zijn, en zo ja, welk aas men dan moest gebruiken. Desondanks werd deze steur niet gepakt.
Dat gold wèl voor drie steuren die in 1874 in het stadsgedeelte van het Reitdiep zwommen. De eerste, met een gewicht van 15 kilo, was medio juni voor de “visscherman” Jager. Hij ving deze steur met een totebel, dat is een op de bodem gelegd kruisnet dat je met een hefboom omhoog moest halen.

De visser rechts in het bootje hanteert een totebel. Aquarel van Adriaen van der Venne, ca. 1620. British Museum.
Volgens de Provinciale Groninger Courant woog deze steur zelfs dubbel zoveel en mat hij ruim twee meter: ’De gelukkige vangers hebben er, naar wij vernemen, veel geld voor gemaakt’. De tweede, 18,5 à 30 kilo, vernielde in de nacht van 9 op 10 juli de totebel van de visser J. Poelman. Toen de ontsnapte vis even later opnieuw langskwam, sloeg Poelman toe met zijn harpoen. Door er een strop omheen te leggen lukte het hem de steur aan wal te krijgen. Dezelfde visser, wonend in de Sledemennerstraat, ving ook de derde steur, zwaar 18,5 kilo. 5
Waren deze stad-Groninger exemplaren wel wat minder spectaculair dan die van Garnwerd en Schilligeham, nog eenmaal zou zich een echt dikke steur aandienen. Dat was eind juli 1875.
‘Weder houdt zich op onze rivier de Hunze zware zeevisch op’, aldus de Garnwerder correspondent in de Groninger Courant: ’Loopt men van hier naar Groningen, dan treft men soms al spelende een paar dikke bruinvisschen aan. Wat dezen ver overtreft is een zware steur naar gissing pl.m. 100 tot 125 kilo zwaar. Deze is door onderscheidene personen gezien tusschen de Wierumer Schouw en Dorkwerd. Gewis zijn de netten der hier visschende visschers voor zoo veel zwaarte en kracht niet berekend, men vraagt daarom: zijn deze dieren zonder net te vangen, hoe en waarmede?’ 6
Kortom, in de periode voor de afsluiting van het Reitdiep (1876) waren er meerdere berichten over steuren in de Groninger diepen. Wat aan die berichten opvalt, is dat ze allemaal in de zomer in de krant stonden. Dat heeft uiteraard een reden, deze steuren waren bezig met de paaitrek, die bij de IJssel en de Merwede ook altijd van begin mei tot eind juli plaatsvond, waarna ze weer naar zee terugkeerden. Getuige de genoteerde gewichten ging het ook steeds om volwassen exemplaren. Bij steuren zijn de mannelijke exemplaren vanaf hun zevende tot negende jaar geslachtsrijp, bij de vrouwelijke is dat een of twee jaar later later, en steuren zijn dan hooguit 150 centimeter lang en 15 kilo zwaar 7 Alle Hunze-exemplaren zaten (ruim) boven dat gewicht. Ze waren geslachtsrijp en wilden paaien. Of ze dat hier ook konden, is een vraag die zich hier niet laat beantwoorden.
Zelden op het menu
Wel zijn er bewijzen voor het al langer voorkomen van de steur in Hunze en Reitdiep. Hieronder behandel ik eerst de archeologische bewijzen, om die te vergelijken met dito gegevens uit oost en west. Hetzelfde doe ik daarna met schriftelijk overgeleverde bronnen. Door beide exercities laat zich het het relatieve belang van de steurenpopulatie in de Hunze bepalen.
Stadsarcheoloog Gert Kortekaas is bij zijn vele opgravingen in de gemeente Groningen nooit resten van steur tegengekomen. In het wierdenland echter, waar de Hunze doorheen stroomt, zijn verschillende keren steurplaatjes gevonden. De bekendste zijn de drie welke Van Giffen aantrof in een wierde bij Oosterwijtwerd. Alle drie hoorden bij een en dezelfde steur, die ongeveer 2 à 2,5 meter lang moet zijn geweest. Daarnaast noemt de in vissen gespecialiseerde archeoloog Dick Brinkhuizen nog steurrestanten uit de wierden van Westeremden, Toornwerd en Wadwerd, helaas allemaal ongedateerd. Volgens Brinkhuizen waren de wierdebewoners zeker geen grote viseters, en afgaand op de weinige aangetroffen steurplaatjes stond steur uiterst zelden op hun menu. 8
Oosterwijtwerd, Westeremden en Toornwerd bevonden zich bij de Fivel en daarmee dichter bij de Eems dan bij de Hunze. Op basis daarvan zou je kunnen vermoeden dat er in het wierdengebied bij de Eems en noordelijker meer vis en steur werd gegeten. Maar dat is niet zo, aldus Brinkhuizen, het menu verschilde er niet principieel. Ook daar was visconsumptie tussen 600 voor en 700 na Christus van ondergeschikt belang. Wel valt op dat er uit de vroege vlaknederzetting Jemgum bij de Eems vele steurplaten tevoorschijn kwamen, terwijl in de laat-middeleeuwse wierde Elisenhof aan de Eider maar liefst een kwart van de 449 determineerbare visresten afkomstig was van steuren. Op deze plaatsen was de steur dan toch een van de belangrijkere vissen. 9

H.E Sauvage – La Grande Pèche (Les Poissons) 1883.
Daarmee maken de steurvondsten bij de oosterburen wat meer indruk dan die uit ons Groninger wierdengebied. Nog indrukwekkender, zowel qua ouderdom als hoeveelheid, zijn echter die uit het mondingsgebied van de grootste rivieren in Nederland. Zo troffen archeologen in Voorschoten duizenden steurfragmenten aan op een lokatie, waar zich in de late steentijd een kreekoever bevond. Zeker dertig volwassen steuren waren hier geslacht. Er werden geen haken of harpoenen aangetroffen en waarschijnlijk viste men door bij eb een palenscherm dwars door de kreek te zetten. Een dergelijke weervisserij bestond tweeduizend jaar later ook in het wierdengebied. Maar in het neolithische Voorschoten lagen de de steuren nog voor het oprapen, steur was daar nog een van de voornaamste voedselbronnen. 10
In en rond de oudste, uit de eerste eeuw van onze jaartelling daterende Romeinse haven van Velzen, zijn de resten van drie steuren gevonden, wat vergeleken bij de 647 baarzen, 409 snoeken en 355 karpers erg laag is. 11 Mogelijk was er al een voortdurende afname van steuren, door de bijzonder gemakkelijke manier waarop je steuren kon vangen. Zo’n ontwikkeling zou er dan ook in het wierdengebied moeten zijn geweest, sinds de mens daar zijn intrede deed. Hoe het ook zij, naast zo’n afname tekent zich een geografisch verschil af. In de prehistorie waren steuren al het meest bij de grote rivieren te vinden. Hoe kleiner de rivier, hoe minder steur er in de buurt werd gegeten. De Hunze stelde in de prehistorie qua steur al weinig voor vergeleken bij rivieren in het oosten en – vooral – het westen.
Vollenhovenaren
Schriftelijke bronnen bevestigen dat beeld ook voor de historische tijd. Ik behandel eerst weer het gebied van Hunze, om vervolgens de blik op het oosten en westen te richten.

RHC Groninger Archieven Toegang 1534 (Volle Gericht) inv. nr. 8 rechtdag 23 januari 1565.
Begin 1565 gunde het Groninger stadsbestuur aan twee mannen uit de steurvissersplaats Vollenhove – straks meer hierover – ’alhijr binnen de stadt gerechticheiden den stoervangst’. Kennelijk bood die vangst perspectieven voor mensen die er wat van af konden weten. Onder de gerechtigheden moeten we waarschijnlijk ook de stadsjurisdicties Gorecht en Oldambt verstaan. Maar de Vollenhovenaren moesten de steur die ze vingen wel in de stad ter markt brengen. Op de dag dat ze hun octrooi toegezegd kregen, vroegen ze of ze ook de zeehonden, bruinvissen en zalm mochten houden, ’so ongeveerlick in de steurnetten mochten lopen’. Zulke bijvangsten waren blijkbaar interessant. De Vollenhovenaren kregen het privilege, zonder dat er sprake was van een verplicht octrooigeld als tegenprestatie. Kennelijk was het verwachte rendement niet zo groot. 12

Gevelsteen Delfshaven – Uit M.J. van Lennep en J. ter Gouw, De Uithangteekens deel II 1868. Iets dergelijks hing in de stad Groningen op de hoek van het Damsterdiep zz. en de straat naar Kleinpoortje.
In augustus 1626 was er een conflict over een steur die naar de stad Groningen was gebracht. Het stadsbestuur verordonneerde dat de vis verkocht zou worden en nam de opbrengst in beslag, tot er uitgemaakt zou zijn wie er recht op had. 13
Dat beide spilsluizen, aangelegd in 1674, in elk geval geen volledige belemmering voor steurpassage vormden, bleek in 1771, toen hoogleraar geneeskunde Van Doeveren stilstond bij de vis in de stadsdiepen. ’Steuren komen hier ook somtyds voor’ zei hij, ’en het is niet te verwonderen dat men er weleer een op ’t Zuidlaarder Meer gevangen heeft’. 14 Niet alleen weleer, want begin november 1777 werd er op Hunze bij Spijkerboor, zeven kilometer ten zuiden van het Zuidlaardermeer, een steur gevangen van – omgerekend – bijna 2,5 meter lang en 124 kilo zwaar. 15
Een en ander sluit naadloos bij een bevinding die Van Lier even later neerlegde in de Tegenwoordigde Staat van Drenthe. ‘In de Riviertjes’, schreef deze beroepsbestuurder en amateurgeleerde, ’wordt somwijlen Zalm, ook wel eens Steur gevangen’. Van Lier woonde vanaf 1750 in Zuidlaren, vanaf 1751 in Anlo en van 1758 tot 1785 in Assen, bovendien participeerde hij in de Annerveense veencompagnie, zodat hij vooral de Hunze, maar toch ook de Drentse A op het oog moet hebben gehad. 16 Beide riviertjes komen uit in het Reitdiep. In een zijtak van de Drentse A, het Loonerdiepje, werd begin juni 1857 nog een steur van 1,65 meter en 40 kilo gevangen. Die had vanaf Zoutkamp een mooie reis achter de rug en leek nogal mager. 17
De conclusie mag zijn dat de steur in 1565 nog zoveel voorkwam in de Hunze en annexe wateren, dat een speciale bevissing lonend leek. Ruim twee eeuwen later kwam de steur er ’somtyds’ (Van Doeveren) of ’somwijlen’ (Van Lier) voor. Er lijkt dus sprake van een achteruitgang. .
Eems, Elbe, IJssel en Merwede
Voor het stroomgebied van de Hunze is ons geen steurlegende overgeleverd. Zo’n legende bestaat er wel voor de Eems en gaat over de heilige Liudger, van afkomst een Fries, die omstreeks 800 Friese en Saksische contreien tot het Christendom bekeerde. Hij trok hier op zijn paard al predikend rond, kwam in het najaar eens in Hleri (Leer) en vroeg de vissers die hem daar gewoonlijk van dienst waren, om een steur. Zij voelden zich bezwaard omdat het steurseizoen allang voorbij was, maar hij bleef aandringen en daarom gingen ze toch maar voor hem op pad. En juist toen ze hun netten in de rivier gooiden, viel er iets uit de lucht. Het bleek een grote steur, die ze Liudger bezorgden. De natuurlijke oorzaak van de wonderbaarlijke steurval zou een waterhoos geweest kunnen zijn. Mogelijk had Liudger als abt van Werden of bisschop van Münster recht op een steurmaal. In de middeleeuwen was steur typische herenkost. 18
In de dertiende eeuw betwistten kloosters elkaar het recht op steurvangst in de Eems. 19 Mogelijk was er al niet genoeg meer voor iedereen. In 1735 bestond er nog een privilege op steurvissen in het Oost-Friese deel van deze rivier, met een alleenrecht loonde het dus nog wel. Medio negentiende eeuw werden op de Dollard ’nog al nu en dan’ zeer kleine steuren gevangen, en ’dikwijls’ grote van 100 à 250 kilo, die bij eb te lang in kreken bleven liggen Volgens Kirchhoff werden op het Duitse deel van de Eems rond 1850 nog 200 steuren per jaar gevangen, rond 1900 waren het er minder dan 100, in 1920 nog 4 en sinds 1935 geen enkele meer. Een laatste steurwaarneming werd in 1969 bij Leer gedaan. Vergeleken bij de Eems zaten er in de veel grotere rivier de Elbe, met haar zijrivier de Stör, veel meer steuren. Daar werden er in 1850 zo’n 7000 gevangen, tegen 1275 in 1900 en geen enkele meer na 1935. 20

Termunterzijl, steur (1929) – collectie J.A. Bakker. Delfzijl.
Sowieso maken de hoeveelheden steuren bij de oosterburen meer indruk dan die in het stroomgebied van de Hunze. Dat doen ook de cijfers voor de mondingen van de grote Nederlandse rivieren IJssel en Merwede.
Net als bij de Eems is de steur legendarisch bij de IJssel. Er zijn meerdere legenden zelfs. Bekend is dat van de Kampenaren die een steur de bel aanbonden, zodat ze hem terug konden vinden (niet dus). In Zutphen zou een steur door een waterhoos op het dak van de Walburgkerk gedeponeerd zijn. Net als bij de Eems werden bij de IJsselmond al in de dertiende eeuw steurvisrechten vastgelegd. Aanvankelijk profiteerde Kampen, later kwam Vollenhove op en omstreeks 1460 spraken zij een verdeling af. Intussen ontstond de Hollandse kuilvisserij. Met hun vloot waterschepen vingen de Hollanders alle jonge steur weg, iets waartegen de Vollenhovenaren in 1571 protesteerden. Ze haalden jaarlijks nog maar 30 à 50 volwassen steuren binnen, zeiden ze, tegen voorheen 250. In elk geval was het omstreeks 1800 gedaan met de Vollenhover steurvisserij. Nadien kwam er nog slechts sporadisch een dikke steur in de IJssel voor. 21

Universiteitsmuseum Navarra.
Dordrecht en Geertruidenberg waren de met Kampen en Vollenhove vergelijkbare steursteden bij Merwede, Biesbosch en Steurgat. Over Geertruidenberg is er weer een legende. Op het eind van zestienzoveel zouden daar maar liefst 8999 steuren zijn binnengehaald. De lokale garnizoenscommandant loofde een flinke geldsom uit voor de 9000-ste dat jaar, maar die kwam er niet, hoewel iedereen op Oudejaarsdag naar steuren zocht. Het cijfer lijkt ook visserslatijn. In 1619 kwamen er maar 200 steuren op de afslag van Geertruidenberg, medio achttiende eeuw waren dat er gemiddeld 470. De vangst nam hier dus toe. Ten noorden van de Biesbosch werden in 1610, op de vismarkt van Dordrecht, 81 steuren aangevoerd. In 1626 waren het er 214, wat de trend lijkt te bevestigen. Eind negentiende eeuw zette het verval definitief in. In de jaren 1890 kwamen eerst per jaar nog rond de 500 steuren op de Hardinxveldse visafslag, vlak voor de eerste wereldoorlog waren dat nog maar enkele tientallen en daarna geen handvol meer. De allerlaatste grote steurvangst was hier in 1952. 22
Conclusie
De aantallen steuren in de Hunze vielen in het niet bij die in de grotere rivieren Eems, Elbe, IJssel en Merwede. Typerend is dat bij elke grote rivier een steurlegende hoort, terwijl die bij de Hunze ontbreekt. Anders dan op die grotere rivieren was hier ook maar heel kort sprake van professionele steurvisserij. Het ging om een onderneming van Vollenhovenaren die waarschijnlijk vanwege de Hollandse concurrentie waren uitgeweken.
Bovendien zijn er met uitzondering van de Merwede voor elke rivier tekenen dat de steurstand er tussen 1250 en 1950 voortdurend afnam. De Hunze deelde na 1565 waarschijnlijk in deze trend. Als dat ook voordien zo was, dan moet de steur er in de prehistorische periode veel meer voorgekomen zijn, dan archeologische vondsten doen vermoeden.
Omstreeks 1770, 1780 kwam de steur nog soms in de Hunze voor. In de decennia voor de krantenberichten van 1865 – 1875 was dat niet meer het geval, want anders zijn die krantenberichten, die ook wel over vrij lichte volwassen steuren gingen, moeilijk te verklaren. Deze berichten duiden dan op een laatste opleving.
Harry Perton

Advertentie uit de Groninger Courant van 6 januari 1869.
Noten
1 Met dank aan Gert Kortekaas, Otto Knottnerus, Dick Brinkhuizen, Wietske Prummel, Egge Knol, Harrie Huisman en Henrik de Nie voor adviezen. Dit artikel verscheen eerder in iets andere vorm in het cultuurhistiorisch tijdschrift Stad & Lande, 2010 nr. 2.
2 Groninger Courant en Provinciale Groninger Courant 20, 21, 22 en 25 juli 1865. Zie voor de laatste twee berichten ook Tako Brouwer e.a., Vissenatlas Groningen Drenthe (Bedum 2008) 20.
3 P.J.M. Martens, De zalmvissers van de Biesbosch; een onderzoek naar de visserij op het Bergse veld 1421 – 1869 (Tilburg 1992) 99 – 101; J.M. van der Esch, ‘Visserij op steur’ in: D.J. de Jong e.a., Hardinxveld en de riviervisserij (Hardinxveld- Giessendam 1988) 101 – 111, vooral 101; Henrik W. de Nie, Atlas van de Nederlandse zoetwatervissen (Doetinchem 1996) 34 – 35.
4 Tako Brouwer e.a., Vissenatlas 20.
5 Groninger Courant 18 juni, 10 juli, 12 augustus en 20 september 1874; Provinciale Groninger Courant 18 juni en 10 juli 1874.
6 Groninger Courant 27 juli 1875.
7 C.L. Deelder en A.H. Huussen jr., ‘Opmerkingen betreffende de kuilvisserij op de voormalige Zuiderzee, voornamelijk in de zestiende eeuw’, in: Holland, jrg. V nr. 5 (1973) 227 – 228; Martens 100 – 101; De Jong 207 – 209; Van der Esch 101, 105 – 106; D.C. Brinkhuizen, Ichthyo-archeologisch onderzoek: methoden en toepassing aan de hand van Romeins materiaal uit Velsen (Nederland) (Groningen 1988) 199 – 200; S.J. de Groot, ‘Herstel van riviertrekvissen in de Rijn een realiteit’ in: De Levende Natuur, tijdschrift voor natuurbehoud en natuurbeheer 93e jaargang nr. 1 (januari 1992) 14 – 18; De Nie, Atlas 34 en 35; en verder op internet http://www.igb-berlin.de/institut/deutsch/2001/Research/restoration_sturgeon_%20acipenser-sturio..pdf figuur 3.8.4; en http://www.fischumwelt.de/html/puplikation2.html
8 Mail Gert Kortekaas aan auteur 3 mei 2010; A.E. van Giffen, Die Fauna der Wurten (Leiden 1913) 67 – 68; D.C. Brinkhuizen, ‘Vis en visvangst bij de terpbewoners’ in: red. M. Bierma e.a. Terpen en wierden in het Fries-Groningse kustgebied (Groningen, 1988) 226 – 233.
9 Brinkhuizen, ‘Vis en visvangst’ 226 – 233.
10 Bernhard Leopold van Beek, Steentijd te Vlaardingen, Leidschendam en Voorschoten; de vondstverspreiding in laat-neolitische nederzettingen in het Hollandse kustgebied (Amsterdam 1990) 99, 220, 228 – 229; T. de Ridder, Van donk tot stad (Vlaardingen 2001) 6, 12; M. Bierma e.a., Terpen en wierden 105.
11 D.C. Brinkhuizen Ichthyo-archeologisch onderzoek 159, 196, 252, 282.
12 W.J. Formsma en R. van Roijen, Het Diarium van Egbert Alting 1553 – 1594 (Den Haag 1964)
142, notitie van 23 januari 1565; de bron is RHC Groninger Archieven, Archief Volle Gerecht der Stad Groningen (Toegang 1534) inv. nr. 8 (prothocol rechtdagen) op dezelfde datum.
13 Archief Volle Gerecht inv. nr. 93 (prothocol rechtdagen) 18 augustus 1626.
14 W. van Doeveren, Academische redevoering over de gunstige gesteldheid van Groningen voor de gezondheid, afteleiden uit de natuurlyke historie der stad (Groningen 1771) 38; red. J.N.H. Elerie en G. Overdiep, Tien eeuwen Hunze; renaissance van een oerstroomdal (Groningen, 1997) 84.
15 Groninger Courant 4 november 1777.
16 (Mr. J. van Lier c.s.) Tegenwoordige Staat van het Landschap Drenthe (z.p. 1792) 167; J. Ennik, ‘Johannes van Lier’ in Jan Bos en Willem Foorthuis, Drentse Biografieën deel III (Amsterdam / Meppel 1999) 110 – 115; red. Paul Brood, Huizen van Stand (Meppel 1989) 278 – 290; R.D. Mulder ‘Mr. Johannes van Lier (1726 – 1785)’ in: Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1942, 33 – 64; W. Foorthuis en J. Van Dijk, ‘De zaak van Lier 1785, een politiek succes voor de patriotten’ in: Nieuwe Drentse Volksalmanak 1987, 35 – 44.
17 Tako Brouwer e.a., Vissenatlas 21.
18 Klaes Sierksma, Liudger Thiadgrimszoon; leven en voortleven van een Christus-prediker (742 – 809) (Franeker 1995) 18 – 19; over een waterhoos die vissen optilt: Groninger Courant 21 juli 1874 (Kolderveen); Deelder en Huussen 227; De Navorscher 1885 pag. 197/198, 1897 pag. 17 en 1898 pag 723.
19 Mededeling Otto Knottnerus op basis van passages in Oostfriese en Osnabrückse oorkondenboeken.
20 Joost Kirchhoff, Fischfang auf dem Wattengrund (Weener 2000) 128 – 132, 214; G.A. Stratingh en G.A. Venema, De Dollard (Groningen 1855) 266.
21 De Navorscher 1859 pag. 128; Y.N. Ypma, Geschiedenis van de Zuiderzeevisserij (Amsterdam 1962), 31, 45 – 51, 71, 99 – 100, 146 – 147; Deelder en Huussen 221 – 242; Groninger Courant 1 juni 1873 (Zutphen).
22 Van der Esch 101 – 111; Martens 100, 114, 123 – 129, 142 – 145; De Jong 343 – 360.
Warffumer vocht in de Amerikaanse Burgeroorlog
Geplaatst op: 15 juli 2013 Hoort bij: Geschiedenis 10 reacties
Bron: Nieuwsblad van het Noorden, 27 maart 1895 (kolom 4 iets onder het midden).
* Notaris dankt redders archief, meubels en woning
Geplaatst op: 3 juli 2013 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesHoogezand den 6 December 1825
Heden namiddag, omstreeks half drie uur, ontdekte ik brand in mijne schuur, welke zeer vermoedelijk ontstaan was door de schoorsteen van de achterkeuken; en, daar de vlammen ook het voorhuis bedreigden, werden alle stukken, het Notarieel betreffende, andere papieren en huismeubelen, in zekerheid gebragt; doch eene schielijk toegebragte hulp, uit deze Gemeente, Sappemeer, Colham en andere omliggende dorpen, deed de zorg voor het voorhuis spoedig verminderen. Evenwel nam de brand in de schuur zoo spoedig toe, dat uit dezelve slechts de paarden en wagens gered konden worden, en de afzonderlijke schuur voor het hoornvee bleef, door haren afstand, mede verschoond. De welneemendste deelneming van alle lieden, die ter mijner hulp waren toegesneld, noopt mij om hun allen mijnen hartelijksten dank openlijk te betuigen, en inzonderheid den Heer Burgemeester dezer Gemeente, die door bestuur, raad en voorbeeld, tot laat in den nacht, de werklieden voorlichtte en aanmoedigde, – den Heeren Brand- en Kwartiermeesters, alsmede aan de Spuitgasten van het Hoogezand en Sappemeer, die door hunne bewezene diensten, reeds te tien uren in den avond, het voorhuis buiten gevaar stelden, en den brand in den schuur meester werden.
Wds. Hora Siccama
Bron: Groninger Courant 9 december 1825.
Wiardus Hora Siccama was notaris te Hoogezand tussen 1811 en 1829. De bedoelde burgemeester moet Cornelis Everts Borst geweest zijn, die tussen 1816 en 1840 deze functie bekleedde.
Baksteen met hondepoot uit Den Horn
Geplaatst op: 24 juni 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 1 reactie
Onlangs was ik in Den Horn bij de ouwe doopsgezinde kerk, die verbouwd wordt tot woonruimte. Hierbij was deze baksteen met hondepoot tevoorschijn gekomen, die het laatst waarschijnlijk een functie had als onderdeel van een pad om de kerk. Als niet echt deskundige schatte ik de baksteen op basis van het formaat in op 17e- of 18e eeuws. Van de eigenaar mocht ik hem meenemen.
Ik wilde hem niet houden. Ik had eens gehoord dat iemand onderzoek naar dergelijke pootafdrukken in bakstenen deed, en die onderzoeker was de bestemming die ik op het oog had. Alleen wist ik niet meer van wie ik over die onderzoeker gehoord had, terwijl ook niemand van de aangesproken archeologen zich meer een onderzoeker wist te herinneren, die dit verschijnsel onderzocht.
Daarom kwam als mijn reserve-bestemming het Noordelijk Archeologisch Depot te Nuis in beeld. In principe verzamelen ze daar bakstenen als er (verdwenen) gebouwen enigszins mee te dateren zijn, maar de relatie met de doopsgezinde kerk van Den Horn is in dit geval onzeker. Wel kunnen ze de pootindruk misschien nog eens gebruiken voor een expositie en daarom is de steen welkom bij het NAD.
Dergelijke pootafdrukken in bakstenen komen veel vaker voor. Je moet je voorstellen dat dieren gemakkelijk de nog natte vormsels betraden die in ’t gelid op een zetveld te drogen lagen voordat ze de tichelaarsoven in gingen (de stenen dan, niet de beesten).
Zie ook:
Baksteen met poezepoot in Wirdum
Baksteen met hondepoot op de Grote Markt
Een klassiek geval van journalistiek opportunisme
Geplaatst op: 22 juni 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Media 1 reactieOPREGTHEID DER DAGBLADSCHRIJVERS
Tijdens de Keizer NAPOLEON van Elba vlugtte, aan Frankrijks kust landde, en de hoofdstad glorierijk intoog, las men in de dagbladen achtervolgens de onderstaande berigten:
1. Het helgedrogt is uit zijnen kerker losgebroken; het is van Elba ontsnapt.
2. De korsikaansche weerwolf is bij Kaap Juan aan wal gestapt.
3. De tijger heeft zich te Gap vertoond. Van alle zijden zijn troepen tegen hem in aantogt. Hij zal eindigen met als een ellendig gelukzoeker in de gebergten om te dolen. Ontsnappen kan hij niet.
4. Het monster is werkelijk, men weet niet door welke verraderij, naar Grenoble ontkomen.
5. De tiran bevindt zich te Lyon. Zijne verschijning brengt algemeene ontzetting te weeg.
6. De geweldenaar heeft het gewaagd, de hoofdstad tot op zestig uren te naderen.
7. Bonaparte komt met spoed oprukken; doch zal nimmer tot Parijs doordringen.
8. Napoleon nadert Fontaìnebleau.
9. De Keizer Napoleon bevindt zich te Fontainebleau.
10. Gisteren avond heeft Zijne Majesteit de Keizer en Koning zijnen intogt in de Tuileriën gehouden. De gansche bevolking legt eene onuitsprekelijke vreugde aan den dag.
—
Bron: Almanak ter bevordering van kennis en goeden smaak voor het jaar 1845, uitgegeven door het Departement Leens van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen (Groningen bij Oomkens 1844) p. 134.
Scheepsmotoren en hun geluid
Geplaatst op: 22 juni 2013 Hoort bij: Geschiedenis 6 reactiesv/h Botje Ensing, Groningen:

Brons, Appingedam:

Industrie, Alphen aan de Rijn:

Kromhout, Amsterdam:

Qua geluid zijn ze te vinden op deze pagina.
Oosterwijtwerd = Ripperda
Geplaatst op: 16 juni 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten, Ommelanden Een reactie plaatsenHet wapen van de familie Ripperda bestaat uit een houwdegen met dicht vizier op een steigerend paard. Schijnt in goud te moeten op een zwarte achtergrond, maar daar houdt lang niet iedereen zich aan.
Gevelsteen op De Kleine Wereld, huis aan de Dorpsstraat:

Gevelsteen boven het portaal van de kerk:

Boven de 17-eeuwse herenbank in de kerk, spiegelend (ruzie in de familie?):

En detail:

Koor van de kerk – op een rouwbord uit 1686 met mismaakte engeltjes:

Die engeltjes werden op een volgend rouwbord uit 1695 dus maar afgeschaft:

Opnieuw spiegelend, 1719:

Bij de oprijlaan naar de oude borgplaats (ca. 2006):

Hachek, de fakir met heimwee
Geplaatst op: 15 juni 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 13 reacties
Van de week vertelde Jakob Franken, die Veendammer trouwakten uit 1937 invoert voor Alle Groningers, dat hij erg lang had zitten puzzelen op één zo’n akte. Hij kon maar niet ontcijferen wat voor beroep de bruidegom had. Tot hij het doorkreeg: de man was fakir.
Een fakir uit Veendam, anno 1937. Heel apart! Maar dat gold niet voor diens naam, want hij heette Schaap, wist Jakob nog. Wat me deed denken aan het TV-spelletje ‘Wie van de Drie’: “Mijn naam is Schaap, ik ben fakir”. We lachten, ik was nieuwsgierig naar de details en Jakob liet me de akte zien.
Het betrof het huwelijk van Anne Schaap, 40 jaar, van beroep dus fakir, geboren te Veendam op 3 november 1896 en daar sinds kort weer wonend, maar daarvoor nog in Amsterdam domicilie houdend. Zijn ouders waren Arend Schaap, een sjouwerman, en diens vrouw Maria Dekens. Schaap jr. trouwde in 1937 de geboren Amsterdamse Margje Tang, van beroep “artiste”, 20 jaar oud en dus 20 jaar jonger dan Schaap. Desondanks bleek zij al eens gescheiden. Dat gold trouwens ook voor haar bruidegom. Hij en Tang zouden eveneens nog scheiden, in 1946, zo leerde een marginale notitie op de akte.
Dan kijk je in de krantenbanken of er misschien ook iets te vinden is over de fakir uit Veendam en dat bleek inderdaad het geval. Uit alle stukken samen viel een summiere biografie te destilleren. Bij deze geef ik die.
Al meteen moet gezegd worden dat de fakir zelf vaak de informatie verschafte en dat het aandikken wel een beetje in zijn aard lag, zodat enige scepsis geen kwaad kan. Zo beweerde hij later dat zijn vader in Veendam veldwachter was. Dat is onzin, want bij de aangifte van de kinderen noemde die vader zich, naast sjouwer, fabrieksarbeider, werkman en brugwachter.
Hoe dan ook, de fakir was van eenvoudige komaf. Als jochie van 14, zo vertelde hij eens aan Het Volk, bezocht hij in de stad Groningen een klein circus:
“De circusman vroeg, of iemand uit het publiek enige moeilijke kunstjes kon nadoen. De kleine Schaap trad naar voren en hij slaagde hierin zo voortreffelijk, dat hij onmiddellijk de uitnodiging kreeg met het circus mee te trekken. „Er zit wat in je, jong”, zei de directeur van het circus. Zo begon het avontuurlijke leven van den jongen, die eens fakir zou worden.”
Schaap ging met het circus mee naar Engeland, waar hij al optrad met een spijkerbed en flessen op zijn rug stuk liet slaan, wat hem vooralsnog echter weinig succes bracht. Dat begon pas na het oversteken van de Atlantische Oceaan, in het Amerika van de Drooglegging, begin jaren twintig. Hij nam de naam Le Hachek aan (ook wel mr. Hachek of kortweg Hachek) en bereisde de hele wereld. Zo kwam hij in China, Japan, op de Philippijnen, Java, Celebes, Sumatra en Cuba, met gerenommeerde circussen als Barnum & Bailey, Hagenbeck en Sarassani. Daarbij was hij niet alleen fakir:
“Ik ben dompteur geweest: leeuwen en tijgers. Ik heb ook twee pythons gehad. Eén van vier en een halve meter. Eén van vijf meter. Rotzakken, slangen kun je nooit vertrouwen, die proberen je steeds een loer te draaien. Ik keerde me een om en hup daar hing er alweer een aan mijn arm gif te spuiten. Ik was blij dat ik ze kon ruilen voor een hondennummer.”
Uiteindelijk kwam hij als “de blanke fakir” weer in de Verenigde Staten terecht met engagementen bij “de grootste theaters” en Barnum & Bailey:
“In dit circus vertoonde hij zijn grote fakirkunsten. Daar maakte hij zijn vuurnummer: “Vuureten naturel, mijnheer”. Hij beet het vuur van sigaren en sigaretten af en maakte daar een vuurspuwende berg van. “Ik ben de enige in Europa, die dat kan”, vertelt de Groningse fakir trots. Dan vertoonde hij het „levende aquarium”. Vijf liter water slikt hij naar binnen plus een aantal goudvissen. Daarna rookt hij kalm een sigaretje en als de laatste rookwolk uit zijn mond verdwenen te, komen de vijf liter water en de goudvissen terug en is het aquarium weer compleet. En alles naturel, alles zonder zwendel!”
Na Amerika volgden successen in Europa, met name Frankrijk en België. In het crisisjaar 1933 dook hij echter in Nederland op: werkloos, “evenals vele andere menschen van zijn vak”. Ook de Nederlandsche Artisten-Organlsatie kon hem niet aan een engagement helpen, maar zorgde wel voor een artikel in het socialistische dagblad Het Volk:
“Ziet u, dat is een zonderling gezicht als iemand bij u binnenkomt, zich voorstelt, zijn tong uitsteekt en zoo maar, alsof het een kleine surprise voor u is, een half dozijn naalden in die tong steekt, zoodat ze er bijna heelemaal in verdwijnen. Dat is zonderling en… een beetje pijnlijk ook. Ten minste voor den man, die er naar kijkt, want de man, die het deed, scheen het werkje te verrichten met het allergrootste genoegen. Hij zei, dat-ie naalden kon eten ook en terwijl hij stond te praten, stak-ie zoo hier en daar zijn body, waar wat bloot te zien was, vol met dat scherp-gepunte goedje.”
(…)
”Niet alleen met naalden werkt hij, maar ook met spijkers en glasscherven. Hij gaat met zijn bloote body op een plank liggen, waarin spijkers rechtop staan en waar de glasscherven bij bosjes op gedeponeerd zijn. Zoo uitgestrekt torst hij anderhalve ton! We zagen hem op een foto, zoo liggend; een zware motorfiets met maar even tien personen dragen!”
Deze redactionele reclame hielp, want in oktober 1933 mocht Hachek zijn medewerking verlenen aan de huldiging van de dichter-zanger Dumas in Amsterdam, terwijl hij in november dat jaar met een gezelschap Nederlandse artiesten optrad in sociëteit De Vriendschap te Doetinchem. In de Doetinchemmer aankondiging heette hij “de sensatie van dezen tijd” en zijn optreden kreeg een welwillende bespreking in de Graafschapsbode:
“Met een drietal controleurs — om zijn bewegingen na te gaan — om zich heen, verwerkte hij eenige naalden en wat garen; het geheel kwam, aaneengeregen en geknoopt even later langs denzelfden weg weer terug. Twee naalden gingen door zijn tong en mochten er door iemand uit het publiek uitgetrokken worden. Eerst nadat twee heeren vergeefs hun krachten beproefd hadden, slaagde de derde.
Tenslotte gaf Hachek nog een staaltje van de ongevoeligheid van zijn huid, door met blooten rug, liggend op een spijkerbed een motorrijwiel, beladen met 6 personen te torsen. Wel iets om te smullen voor op sensatie beluste personen.”
Een buitenlands engagement zat er voorlopig niet in, en hij trad nu hier, dan daar in Nederland op. In januari 1935 stond hij bijvoorbeeld een weekend lang in het City Theater te Delfzijl:
“Ongelooflijke proeven van fakirisme – Wondersensatie ! – Men moet het zien om te kunnen gelooven.”

En in september 1936 kon het stad-Groninger publiek hem zien in Hotel Frigge aan het wijde van de Herestraat. Het Nieuwsblad van het Noorden was er best over te spreken:
“Het programma in den Wintertuin Frigge is deze week weer zeer goed verzorgd. (…) De fakir Hachek houdt het publiek eenigen tijd bezig met allerlei geheimzinnigheden. Hij doorpriemt een in een kist opgesloten dame met degens, zonder dat deze er ook maar eenig letsel van ondervindt, hij eet brandende sigaren en cigaretten, spuwt vuur enz. Men staat versteld van zijn kunststukjes en verdiept zich er in, hoe het mogelijk is. Doch dit „hoe” zal voor velen een onopgeloste puzzle blijven.”
Dat najaar was Hachek op toernee in zijn geboortestreek. Wegens groot succes kreeg zijn optreden in hotel De Nieuwe Brug te Hoogezand een reprise –
“Velen heeft hij ook den tweeden avond weer verbaasd doen zijn.” –
terwijl hij begin 1937, vlak voor zijn tweede huwelijk, nog optrad in zaal Staalstra te Harkstede, De Unie in Appingedam en Hotel de Kroon in Uithuizen.

Na de trouwerij in Veendam (20 april) zag men hem echter voorlopig niet weer in het Noorden. In de mobilisatieperiode, najaar 1939, vormden vooral militairen zijn publiek. Volgens de Nieuwe Tilburgsche Courant was daarbij een zaal in Chaam “flink bezet”, terwijl deze krant het variété-programma van Hacheks gezelschap “in alle opzichten geslaagd” noemde. Bij een tweede optreden aldaar, noteerde het blad echter ook een wanklank:
“Het heroptreden van ’t gezelschap Hachek- Pallieter, maandagavond in het patronaatsgebouw was in één woord af. Alle medewerkenden oogstten een onbedaarlijk applaus. Jammer dat enkele militairen zich te luidruchtig gedroegen. Naar wij vernemen zal voor deze heeren politietoezicht gevraagd worden.”
Toen de Duitsers ons land hadden bezet, deed Het Volk alsof hij nooit eerder over de Groninger fakir schreef, door een kolomlang profiel te plaatsen waarin Hachek eigenschappen werden toegedicht
“…die totdusver alleen aan de echte Indische fakirs worden toegeschreven.”
Hachek vierde op dat moment een jubileum in het Amsterdamse cabaret Van de Vliet. Hij vertelde dat hij in België veel succes had met zijn nieuwe “partnerin”,
“een Amsterdamse jongedame, die niet bang is en in 1931 tot „Miss Cinema België” werd uitgeroepen.”
Je zou dan denken dat dit de vrouw was, met wie hij in Veendam trouwde. Al wekt het bevreemdeing dat ze op haar veertiende aan buitenlandse films meedeed. In elk geval was ze niet bang uitgevallen, aldus een trotse Hachek:
“Een tijdje geleden kwam hij met haar ln een plaats, waar zich een circus bevond. Er was ook een leeuwentemmer, die er twee gevaarlijk uitziende leeuwen op na hield. De temmer waarschuwde haar niet te dicht bij het hok te gaan, maar in plaats van die waarschuwing in acht te nemen, stapte zij het hok binnen en ging rustig op de leeuwen af, die haar kopjes begonnen te geven. “
Hachek had een nieuw Amerikaans nummer met haar. Zijn vrouw stond in een grote kist met 28 gaten, waar hij dan evenzoveel zwaarden doorheen wierp. Ze liep hus wel eens een schrammetje op, maar gaf nooit een kik.
“De Groningse fakir, die de laatste tijd veel succes heeft gehad bij de militairen, heeft doktoren en professoren versteld doen staan door zijn wonderlijke kunsten. De echte fakirs kunnen een lesje bij je nemen, heeft men hem gezegd. “
Natuurlijk hoopte hij “weer door de wijde wereld te kunnen trekken”, maar dat zat er vanwege de oorlog niet in. Daarom trad hij op in plaatsen als Drouwenerveen.
Na de oorlog vinden we hem terug in een Amsterdamse bioscoop, waar hij optrad als pauzenummer bij de vertoning van Het meisje en het monster. Hij was toen weer gescheiden van de durfal. In 1952 met een Afrika Show in Appingedam, vroeg hij via de krant een meisje
“om mee op reis te gaan als assistente, met goede vooruitzichten.”

Onwillekeurig doet de personeelsadvertentie denken aan de film La Strada van Fellini – en aan het begin van Hacheks eigen carrière als artiest. Een hele poos bleef hij uit beeld, tot hij in de jaren zestig meermalen – in elk geval in 1964 en 1969 – op de vaderlandse beeldbuis te zien was. “Alles wat ik doe, is echt”, beweerde hij bij de eerste gelegenheid: “Ik beduvel de mensen niet”. En bij de tweede deed hij als 73-jarige
“nog altijd verbazingwekkende dingen met vissen en horloges”.
Ongeveer tien jaar eerder was Hachek getrouwd met zijn derde vrouw, de christelijke meisjesboeken- en streekromanschrijfster Netty Streef, dochter van een Haagse makelaar. Voor haar werk deed ze veel research, zo was ze ten behoeve van haar roman De Kleine Wereld gaan werken in het circus waar ze Hachek ontmoette, haar derde man, die ze steeds aanduidde als ‘de baas’. Onder de artiestennaam Marouchka Capitanowa was ze zijn assistente geworden en “helemaal met het circus vergroeid geraakt”.
In november 1961 vestigde het paar zich in het Groningse Oosterwijtwerd. Kennelijk had de fakir heimwee naar zijn geboorteprovincie. “Schrijfster en fakir voelen zich in Groninger terpdorp volledig thuis”, kopte het Nieuwsblad drie jaar nadien, om vervolgens alleen de schrijfster aan het woord te laten. Uit het stuk blijkt dat hun huis, eveneens ‘De Kleine Wereld’ geheten, nogal vervallen was toen zij en Hachek het betrokken. Samen knapten ze het op. Hachek deed veel van het timmer- en metselwerk, terwijl zijn vrouw alle binnenmuren beschilderde met “vreemde veelkleurige motieven”.

Haar eerste kennismaking met Groningerland was overigens niet in alle opzichten positief verlopen, want de timmerman die ze hadden ingehuurd, voerde weinig uit, terwijl hij wel gepeperde rekeningen bij “die stadsmensen” indiende. Naderhand trok haar mening over de Groningers bij:
““Ik zou die mensen wel in een gouden lijstje willen zetten”. Ze zei ons dit, nadat ze ons verteld had over de grote behulpzaamheid en de vriendschap die ze in het terpdorp ondervond.”
Oosterwijtwerd en zijn bewoners inspireerden Netty Streef inmiddels tot een roman, die ze de titel Dorpje op de wierde gaf. Ik heb het boek niet gelezen, maar getuige een bespreking ontleende ze elementen uit het leven van haar man:
“Anne Willinga is een Groninger boerenzoon, enig kind, wiens hart niet voor het boerenbedrijf maar voor de muziek klopt. Tot groot verdriet van zijn ouders trekt hij weg met een circusgezelschap. (…) Anne besluit, nadat hij weet, dat zijn vader dood is, naar de boerderij terug te komen.“
Ook vanuit Oosterwijtwerd bleef Anne Schaap als fakir Hachek optreden, zij het vooral in het schnabbelcircuit, dat zelden de krant haalt. Eind 1964 bood hij zich daartoe aan in een advertentie, waarin hij zich “T.V.-Artist” noemde.

In 1967 luisterde hij zo eens een avond voor vrachtwagenchauffeurs in Leeuwarden op, terwijl anderhalf jaar later optrad in een zaal te Leiden. Over dit laatste optreden stond er een uitgebreide, ironische, bijna ontluisterende reportage in de Leidsche Courant. Marouschka Kapitanowa bleek haar fakir helemaal van Oosterwijtwerd naar Leiden te hebben gereden, wat de verslaggever tot de veronderstelling bracht dat de fakir zich onderweg concentreerde op zijn aanstaande karwei. Hachek ontkende dat ten stelligste:
“Ben je bedonderd”, roept hij. “Niks te concentreren. Dat is allemaal flauwekul. Je gaat gewoon op de spijkers liggen. Pijn doet het toch”
De fakir was ontevreden over de kleedkamers die men hem toewees:
“Je staat je vaak in een stal om te kleden”, zegt hij verbitterd, “niet eens een emmer water om je te wassen. Daarom neem ik alles zelf wel mee.”
Terwijl Kapitanowa alle requisieten zoals goudvissen, spijkerbed en flessen controleerde, trok Hachek een stemmig paars gewaad met wijde mouwen en een ballonbroek aan, kleren, die hem volgens de anonieme verslaggever op een “gelouterde missiebisschop” deden lijken. De journalist nam met de fakir diens programma door. Hacheck over de act met de spelden door zijn tong:
“Het gevoeligste deel van het menselijk lichaam”, zegt hij vermoeid, “maar als je sterk aan vrolijker zaken denkt, merk je het niet eens”
Tijdens zijn optreden zou hij een ouderwets boerenhorloge (of “knol”) inslikken en een toeschouwer op zijn borst naar het tikken laten luisteren. Verder liep Hachek over glasscherven en ging hij vuurspuwen. Het hoofdnummer was duidelijk het spijkerbed, waarbij hij een plank op zijn borst kreeg, waarop zes man uit het publiek staande moesten plaatsnemen. Dat nam nogal wat tijd in beslag. De verslaggever viel intussen een “meeuwwitte borst met veel verdrietig craquelé” op. Achteraf noteerde hij:
“De spijkers hebben een symmetrisch Mondriaans patroon in het weke vlees gestanst.”
Hoogtepunt van diens beschijving vormde evenwel het moment dat de fakir het vele water en de goudvisjes naar binnen had gewerkt:
“Le Hachek glimlacht. Strompelt vervolgens klotsend naar de kom en begint vanuit het middenrif met schrijnende peristaltische bewegingen zijn vissen weer naar boven te werken. Hij zucht, schudt de grijze, verlepte manen, drukt met beide handen krachtig op de buik en krijgt dan plotseling de grauwe uitdrukking van een cruisepassagier, die in de Golf van Biscaje door een acute zeeziekte getroffen wordt. Het volgende moment spuwt hij de visjes als een gouden tand in de kom terug. Op de eerste rij zegt een vrouw tegen haar man: “Wim, ga jij even wat saté halen”.“
Met zo’n optreden verdienden de fakir en zijn assistente 400 gulden, destijds een redelijke gage, zo lijkt het. Soms liep het geld ze ook weer vlug door de vingers heen, dat moet bijvoorbeeld het geval geweest zijn na het brandje dat in 1969 in hun slaapkamer woedde.
In 1973 kwam er nog een keer een verslaggever naar Oosterwijtwerd, om mevrouw Schaap-Streef te interviewen over haar streekromans, waarin volgens hem nogal eens uit het lood geslagen dochters figureerden, die zich vergooiden aan goddeloze artiesten. Netty praatte honderduit over “de baas”, die zichzelf afzijdig hield. Al gauw kwamen er plakboeken op tafel, waar nog ”de geur van applaus” uit opsteeg. Het stel zou in zijn Villa Kakelbont een mooi onderwerp voor een uitzending van Showroom of Paradijsvogels geweest zijn, moet je concluderen, want hun goeiige heemhond Pipo, die ooit een pasgeboren lammetje verzorgde, beschikte ’s ochtends bij zijn vrouwtje in bed bijvoorbeeld over onvermoede zangtalenten.
Overigens bleek Hacheks vrouw ook waarzegster te zijn geweest:
“Ik heb me altijd erg geïnteresseerd voor astrologie en archeologie. Ik deed het wel met een glazen bol en kaarsen maar het was wel een beetje wetenschappelijk hoor. Ik vroeg dan eerst naar het sterrenbeeld waaronder de mensen geboren waren. Als je eens wist hoe gek ze daar op zijn. Ze bleven soms tot vier uur ’s nachts aan je rokken hangen.”
Misschien was “de baas” ten tijde van dit interview ook wel opgenomen. Op 9 maart 1974 overleed namelijk Anne Schaap, alias de fakir Hachek, op 77-jarige leeftjd. Er kwam geen overlijdensadvertentie in de krant, maar wel een monument op zijn graf.
Hoewel op de lijst van bekende overledenen van dat jaar, werd hij al snel vergeten. Zijn vrouw kwam twintig jaar later uit de tijd in zorgcentrum De Wiemersheerd in Loppersum. “Lid van de vereniging van letterkunde”, staat er in haar overlijdensadvertentie. Die als motto kreeg: “Wij kiezen niet”.

Vervolg: De fakir en de kerkeraad.
Hajo Spandaw – De nieuwe Haring (1817)
Geplaatst op: 8 juni 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten Een reactie plaatsen
“Vaderlandsch gezang ten gevolge van het programma van eenige vrienden en beoefenaars der toonkunst binnen Groningen in muzijk gebragt door J. van Boom te Utrecht…”
Triomf! de vreugde stijgt in top:
Hijs, Holland, vlag en wimpels op,
En doe den jubeltoon nu dav’ren langs uw strand!
Daar komt de kiel, met goud belaân,
Zij brengt ons d’eersten haring aan!
’t Is feest in Nederland.’t Is feest! een eigen Hollandsch feest!
’t Is heilig! ’t brengt ons voor den geest
Den tijd van onzen roem, den tijd van onze schand!
Triomf! de nacht van schande zonk;
Triomf! de dag van glorie blonk
Voor ’t vrije vaderland.Verhef u, wakk’re zeevaardij !
U, Pronk van Hollands maatschappij !
U, koningin van ’t feest, u biên we d’ eerewijn;
Sprei’, handel, Hollands gullen disch !
Nu zal de vaderlandsche visch
Weèr de eerste schotel zijn.Bataafsche maagden, rept u wat’!
Plukt bloemen voor den kostb’ren schat,
En tooit den lekk’ren visch met vaderlandschen zwier !
Kwam hij niet met Oranje weêr ?
Dat hem dan, even als weleer,
De gouden goudsbloem sier’ !Wie in dit kost’lijk zeebanket’
Voor ’t eerst de grage tanden zet,
De volle flesch ontkurkt, tot vreugd van zin en geest,
Met fonkelende glazen klinkt,
Ze op Neêrlands welzijn ledig drinkt,
Die houdt een heerlijk feest.Ja, ieder maakt dan goede sier;
Waar wijn ontbreekt, daar neemt men bier:
Die vaderlandsche drank smaakt ook in Neêrland zoet.
Men drinkt ook Beukelszoon ter eer,
En na den maaltijd nog eens weêr,
Daar ’t vischje zwemmen moet.
Bron.
Toelichting: In de Bataafs-Franse tijd, tijdens de oorlogen van 1804 tot en met 1813, konden Nederlandse haringvlissers niet uitvaren, omdat de Britten buitengaats heersten en alle schepen onder Nederlandse en Franse vlag innamen. Na de terugkeer van Oranje, zoals bekend het eerst in Scheveningen, was de haringvangst weer vrij. Daarop doelt Hajo Albert Spandaw (Vries 1777-Groningen 1856), een dichter die in zijn tijd een Bekende Nederlander was. Diens loflied op de haring èn de vrijheid verscheen het eerst in 1817 in een bundel Vaderlandsche poëzij en liederen (bij Oomkens te Groningen). Nog hetzelfde jaar werd er een prijsvraag uitgeschreven om het lied op muziek te zetten. Deze werd door ene J. van Boom uit Utrecht gewonnen. Men zong dit chauvinistische lied in de negentiende eeuw graag en veel en zo kwam het ook in liedboekjes voor scholen terecht. Kornels ter Laan bijoorbeeld, heeft het omstreeks 1880 nog op de lagere school in Slochteren moeten leren.
Nederlandse krant zeikt Charley Chaplin af
Geplaatst op: 4 juni 2013 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 2 reactiesTerwijl andere Nederlandse kranten op die 13e september 1921 uitgebreid berichtten over de triomftocht van Charley Chaplin in Londen, produceerde Het Centrum een stukje proza waar de azijndamp van afvloog:
WIE IS CHARLEY CHAPLIN?
Wie is de man, die thans door duizenden gehuldigd wordt en wiens portret door tienduizenden krantenlezers wordt aangestaard, nadat honderdduizenden zijn grappigheden in de bioscoop hebben bewonderd. We bedoelen niet, hoe oud hij is en waar hij werd geboren. Dit laatste schijnt in Londen te zijn geschied, maar Charley weet weinig meer van zijn jeugd, zelfs niet, waar hij eigenlijk school heeft gegaan.
Maar wat is zijn beteekenis. waaraan ontleent hij de sympathie van zoovelen?
Vermoedelijk in de eerste plaats, om het feit, dat zoovelen hem telkens weer zien. Laat men in alle bioscopen ter wereld avond aan avond steeds weer hetzelfde portret van een willekeurig onbeduidend persoon vertoonen en na eenige jaren is de man absoluut beroemd.
Daar komt nog bij, dat Charlev steeds opvalt door een hoed, een jas, handschoenen enz., welke hem niet passen of staan, dat hij zijn voeten raar neerzet en een gezicht kan trekken van: niet lachen hoor, hetgeen natuurlijk ten gevolge heeft, dat men lacht, zooals men iemand, aan ’t gapen kan brengen door hem te verbieden, dat te doen.
Reporters hadden den gevierden man gevraagd, of hij nu niet eens ernstiger werk zou gaan spelen voor de bioscoop, waarop hij antwoordde. dat iedereen Hamlet spelen kan, maar niet iedereen het publiek aan het lachen maken.
In dit geval heeft Charley ongelijk, want hij kan zeer goed Hamlet spelen en toch het publiek doen lachen. Daarvoor hoeft hij slechts zijn gewone trucjes toe te passen van kleeren die niet bij den man en gebaren die niet bij de situatie passen.
Maar dit is toch nog geen humor; het zou pas humor worden, wanneer daardoor een werkelijk aanwezige dwaasheid duidelijker in ’t licht werd gesteld, zooals elke kunst iets doet zien en opmerken, waar[aan] de doorsneemensch voorbijloopt.
Charley is een clown en dankt zijn succes enkel aan het feit, dat men nu eenmaal eens wil lachen en nog eens lachen, al is ’t ook om niets.
Niet meer gekruide spijs, doch enkel de kruiderij wordt verlangd.”
Dat Chaplin allerlei dwaasheden in het licht stelde, het stukje gaat er finaal aan voorbij. Ook negeert het, van wat voor onbetaalbaar talent het aan het lachen kunnen maken van zoveel mensen uit zoveel verschillende culturen getuigt. Maar enfin, de anonieme beroepszuurpruim die het stukje schreef, is zelf nu waarschijnlijk totaal vergeten, evenals zijn krant, en dat strekt dan maar tot troost.
Ho Ho Pierlalo of Het Paterslied
Geplaatst op: 24 mei 2013 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties“Men zingt hier, behalve eenige zoogenoemde straatdeuntjes, een zeer oud en bekend lied, onder de benaming van Ho, Ho, Pierlalo, hetwelk op bruiloften onder het dansen eener Ronde gezongen wordt, bestaande hetzelve uit tweeregelige verzen, met herhaling telkens van ho, ho, Pierlalo en ho zie zo.”
Aldus, in 1828, de schoolmeester van Midwolde (Wk.). En zijn collega van het vijftien kilometer verderop gelegen Haren schrijft hetzelfde jaar, nadat hij de bij lokale huwelijksvieringen “aanhoudend” gevulde en “veeltyds” met smaak geleegde brandewijnskommen ter sprake heeft gebracht:
“Tegen den avond is men reeds uitermate vrolyk, wanneer de jongelingschap in de schuur, zich in eenen ronden kring schaart, en dan onder het zingen van een oud zeer gebrekkig en voor het gehoor vervelend lied (het Paterslied) begint in het ronde te springen enz.”
Dat het Paterslied uit Haren en het Ho, Ho, Pierlalo uit Midwolde op één en dezelfde dansdeun neerkomen, leert een sondering in de Liederenbank, die voor tekst en uitleg verwijst naar Zeden, gewoonten en gebruiken in de provincie Groningen, een werkje van Johannes Onnekes (1885) dat ook in de DBNL te vinden is als artikel. Volgens deze ongelukkige Ulrumer onderwijzerszoon werd “eertijds… op de volksvermakelijkheden” – dus niet alleen op bruiloften – “druk werk gemaakt van den bekenden rondedans ‘Daar ging een patertje langs den kant’”:
“Deze rondedans is zeer oud en was reeds bekend bij onze voorouders van de dertiende eeuw. Een enkelen keer komt hij in deze streken nog voor, gewoonlijk tegen het einde der pret, als de lui tamelijk vroolijk zijn geworden en ook de aanwezige gehuwden en meer bejaarden in den jonkmöln (jonkmolen) komen, d.i. zich als het ware weder jong beginnen te voelen en het gezelschap der vroolijke jongelui zoeken. De wijze, waarop hij wordt uitgevoerd, is ongeveer als volgt: de dansers formeeren een kring om een jonkman en dansen al zingende in het rond, nu eens met de zon om, dan tegen haar in. Men zingt:
1.
Daar ging een patertje langs den kant,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En nam een nonnetje bij de hand,
Ho ho, pierlalo en ho zie zoo!
Volgens Onnekes verving men de tweede regel ook wel door “het oudere ‘Hei, ’t was in de mei, mei, mei’. Mei, zo herinneren we ons, was (en is) traditioneel dé trouwmaand. Bij de derde regel trok de man in de kring een vrouw uit de hem omringende kring naar zich toe. In de oorspronkelijke opzet knielde hij eerst voor haar, spreidde een zakdoek uit, waarop zij dan tegenover hem moest knielen:
2.
Kom, pater, gij moet knielen gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En laat je non alleenig staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!3.
De pater spreidt de non een kap,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Alwaar de heilge non op stap,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!4.
Kom, pater, geeft uw non een zoen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Dat moog je nog wel driemaal doen,
Driemaal, driemaal, driemaal, doen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!5.
Kom, pater, beur je non weêr op,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En dans nu met uw kermispop,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Bij deze regel stonden man en vrouw op, zoenden elkaar nog eens en walsten naar den kring. Vervolgens nam de man weer zijn plek in de kring in en ging daarmee weer in de ronde dansen:
6.
Kom, pater, gij moet scheiden gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En ’t nonnetje moet blijven staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Het volgende couplet werd volgens Onnekes vaak weggelaten:
7.
Maar hij (of zij) kan zoo niet scheiden gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En zonder zoen hem (of haar) laten staan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
De vrouw, alleen overgebleven in het midden van de kring, moest nu een andere man uit de kring rondom haar kiezen.
8.
Nonnetje, gij moet kiezen gaan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
En nemen een ander pater aan,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!9.
Kom, geef je pater nu een zoen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Dat moog je nog wel driemaal doen,
Driemaal, driemaal, driemaal doen,
Ho, ho, pierlalo en ho zie zoo!
Nadat ’t zoenen was afgewikkeld, schrijft Onnekes,
“vangen de rondedansers op nieuw aan te zingen, in den regel nu niet bij het eerste, maar bij het vierde couplet. Bij den voortgang van het dansspel is het beurtelings een pater of een non, die in den kring staat en hierna worden ook de betrekkelijke versregels veranderd. Is er een non in den kring, zoo zingt men b.v. couplet 5: Kom, beur je pater nu weèr op, e.z.v.”
Het komt wel een beetje raar voor dat in nagenoeg totaal gecalviniseerde streken nog medio negentiende eeuw op deze manier gezongen werd over paters en nonnen. Bovendien waren die in contreien waar ze nog wèl rondliepen, sinds het Concilie van Trente toch serieus aan geloften van kuisheid gebonden. Het danslied zal dan vast niet zo oud geweest zijn als Onnekes veronderstelde, maar het zou toch best om een antiklerikaal relict kunnen gaan uit de vijftiende of zestiende eeuw. Hoe dit ook zij, het met meer of minder enthousiasme zoenen gaf de omstanders natuurlijk een mooie indruk van de al dan niet bestaande sympathie bij vooral de uit de kring getrokken danspartner, en uit dat inzicht zal dan wel een flink deel van de lol hebben bestaan.
In elk geval luidde deze rondedans het einde van het feest in – vanuit de dans ging men huiswaarts. Thineus, de uit de stad Groningen afkomstige predikant Tonnis van Duinen, koppelt in zijn werkje Ons Dorp (1846) de dans eveneens aan het laatste stadium van de bruiloft, als de vele brandewijn met rozijnen haar uitwerking niet had gemist en de een na de ander huppelend naar de schuur vertrok:
“Ze hebben een speelman weten magtig te worden en de leemen vloer dreunt onder de zolen der dansenden. Dan weer vormen zij een ronden kring en de speelman dreunt het oude: Ho, ho pierlalo! lustig op. ’t Is een mooi liedje, vooral om het:
De pater gaf de non een zoen,
dat er telkens in voorkomt, en tot eene heerlijke scène aanleiding geeft, die treffelijk wordt uitgevoerd…”
In Friesland was de dans evenmin onbekend. zoals blijkt uit het bekende werk van Waling Dijkstra (1892 e.v.j.). In 1913 noemde T. (de Ommelander Jacob Tilbusscher?) Ho Ho Pierlalo nog eens in het Nieuwsblad van het Noorden, en merkte op dat hij deze en andere deuntjes “niet veel meer” hoorde:
“Toch jammer, dat ze in ’t vergeetboek raken.”
Wel was de dans hier en daar nog in zwang, getuige de melding in 1967 door de dan 62–jarige Jan Nijenbanning uit Gees in Drenthe. Volgens deze boer werd hij daar in zijn jonge jaren, dus rond de Eerste Wereldoorlog, nog op allerlei feesten gedanst: “Als de jeugd echt uitgelaten was”, ging ze er spontaan toe over. Ook Oldenbanning releveert het partner kiezen en het zoenen, maar het refrein is bij hem ’t ‘Het was in de mei, het was in de mei’, dat door Onnekes nog voor de oudere versie werd gehouden. Een “mooie kant” aan deze dans vond Oldenbanning het emancipatoire aspect, namelijk “dat een meisje stappen kon ondernemen naar de jongen die ze wou”, iets wat normaal niet ging.
Helaas noteerden de oudere auteurs geen melodie en lijkt die corrupt overgeleverd bij Oldenbanning. Maar in de onvolprezen Liederenbank vinden we ook plausibele versies, zoals in een opname van Maria van Douwen Kuipers-van Meekeren, die de dans kende uit haar jeugd in het Hindeloopen van vlak voor de Eerste Wereldoorlog.
Hield zij het voor een pinksterdans, voor de fabrieksarbeider Hermanus Oldenheuvel (geb. 1891) uit Losser, die het lied in 1959 voor de microfoon van Onder de Groene Linde inzong, was het weer typisch een bruiloftslied.
Tot slot nog een mooie gedragen versie, in 1953 opgenomen bij de toen 53-jarige Pietertje Langereis-Kistemaker uit het Westfriese Sijbekarspel.
Zomersproeten, wisselend gewaardeerd
Geplaatst op: 16 mei 2013 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieAan deze advertentie uit het Nieuwsblad van het Noorden, editie 11 mei 1915, valt bepaald niet af te lezen dat sproeten behoren tot de zeven schoonheden. Sproeten moesten kennelijk worden bestreden:

In de noordelijke kranten werd van 1913 tot 1958 voor dit middel geadverteerd, op het laatst in kleine rubrieksadvertenties. De hernieuwde waardering die toen blijkbaar op gang kwam voor sproeten, werd als het ware bezegeld door de hit van Rocco Granata uit 1972.
Terugkeer van Napoleon gaf repercussies in Kloosterburen
Geplaatst op: 27 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis 9 reacties
“Parijs den 7 Maart. Gisteren in den morgen liepen er allerhande geruchten van een ongunstigen aard, die op de beurs weldra geconfirmeerd werden. Men vernam alstoen dat Napoleon Buonaparte met 1200 man en 4 stukken geschut bij Cannes, tusschen Fréjus en St. Tropez ontscheept was en zich van verscheide plaatsen in het département du Var had meester gemaakt. Deze tijding maakte dadelijk eene zeer groote sensatie en baarde veel ongerustheid, terwijl de renten terstond 3½ per cent vielen en de bank-actiën van I200 op 1165 kwamen.”
Aldus de Opregte Haarlemsche Courant van 14 maart 1815, twee weken na de landing van Napoleon, die met een soort van vreedelingenlegioen van zijn ballingsoord Elba ontsnapt was. Aanvankelijk werd het gevaar in de meest gelezen krant van Noord-Nederland gebagatelliseerd: het viel allemaal wel mee, er heerste geen grote ongerustheid. Op 18 maart echter, berichtte de Haarlemmer al dat Frankrijk in rep en roer was, met muitende garnizoenen en zich overgevende steden. In het machtscentrum Parijs heerste grote neerslachtigheid. Wie wat te verliezen had, begon er zijn boeltje te pakken.
Het bericht over Napoleons landing haalde op 17 maart de Groninger Courant, die sprak over een “heilloos plan van de wereldberoerder”. Op 21 maart meldde dezelfde krant, dat de vestingen in het zuiden van Nederland (het latere België) in paraatheid waren gebracht. Zo kwam het nieuws dichterbij, want ook Groningen was een garnizoensstad en vanouds gingen er tussen deze vesting en de zuidelijke nogal wat troepen heen en weer.
Op 20 maart zat Napoleon al in Parijs, nieuws dat de 28e in de Groninger Courant stond. Het gevaar nam nu werkelijk schrikbarende vormen aan. En dat lokale autoriteiten toch ook wel een tikje nerveus begonnen te raken, blijkt uit een brief die de schout (burgemeester) van het overwegend katholieke Kloosterburen een dag later, op 29 maart, stuurde aan de officier van justitie bij de Rechtbank van Eerste Aanleg in Appingedam. Bij de schout waren klachten ingekomen over “ruststoorend gedrag” in een plaatselijke herberg, en hij voelde zich verplicht die door te geven aan de officier,
“doordien de rust en veiligheid in deze tegenwoordigheid van zaken oplettend dient te worden gehandhaaft”.
De schout had alvast inlichtingen ingewonnen en daarbij bevonden dat ene Lucas Derks Kok “den ergsten in het geval is geweest”. Alles was gebeurd zonder medeweten van de kastelein, dus die moest er niet op aangekeken worden.
De inlichtingen van de schout waren vervat in een verklaring door de dagloner of boerenarbeider Kornelis Eppes Werkhof (21) uit Hornhuizen, Rentjen (ook wel Reint) Harms Vos (20), een boerenknecht uit Kloosterburen, de boerenzoon Pieter Sjabbes Damhof (19) uit Kloosterburen en de boerenzoon Jan Rijkes (of Riekes) Beukema (20) uit Hornhuizen. Op 21 maart, dus een week voordat de schout de klachten doorstuurde, was dit viertal jongens ’s om een uur of half tien bij kastelein Egbertus Zonder in Kloosterburen geweest, en daar hadden ze gehoord hoe “enige personen”, namelijk Lucas Derks Kok van de Grijssloot onder Leens, Harm Roberts Klaver uit Kloosterburen en Hindrik Harms Timmer uit Hornhuizen,
“zich ruststoorend hebben gedragen met te zingen van liederen ten gloria van Napoleon…”
Ook hadden Kok, Klaver en Timmer “Vivat de Empereur” geroepen en gedreigd:
“Napoleon koomt schielijk weder terug, en dan zullen wij die blixemse orangelieden opknopen en den prins die vagebond wel vinden.”
Op 9 april werd hoofdverdachte Lucas Derks Kok verhoord door de officier van justitie. Hij bleek boerenknecht in het kerspel Kloosterburen en niet in Leens, zoals zijn beschuldigers meenden. Hij woonde in bij Harm Weggens, een boerenarbeider, was 23 jaar oud en geboren op de Rodehaan onder Warfhuizen. Tegen de officier gaf Kok toe, dat hij de bewuste avond een uur had doorgebracht in de bewuste herberg. Hij kwam er met een andere boerenknecht en een kleermaker, maar hield niet hun gezelschap en zocht dat van zijn mede-verdachten Klaver en Timmer op, al was hij met deze evenmin “in één gelag” geweest. Inderdaad waren er die avond patriotse èn oranjeliedjes gezongen. Wie dat allemaal nog meer deden? Och,
“Er waren zoveel, dat ik ze niet kan opnoemen.”
Wie de patriotse liederen zong, wist Kok niet. Ook ontkende hij zich te hebben uitgelaten over de terugkerende Napoleon en het opknopen van oranjelui en de prins als vagebond. Wie deze uitlatingen dan wel deed? Dat wist hij niet, hij had ze niet eens gehoord.
Kok wist dus van de prins geen kwaad. Op 20 april nam de vrederechter van Winsum daarom nadere verklaringen op van Werkhof, Vos, Damhof en Beukema, waarin wat dieper werd ingegaan op het voorval in de kroeg te Kloosterburen. Intussen was er een maand voorbij gegaan, en de jongens waren niet helemaal eenstemmig meer qua chronologie en incriminerende feiten, maar wat ze bij de vrederechter vertelden kwam hierop neer:
Kleine jongens, die in het voetspoor van de oudere jongens naar de herberg van Egbertus Zonder kwamen, waren begonnen met het zingen van Franse liederen en het roepen van “Vivat Napoleon” en “Vivat l’Empereur”. De oudere jongens, met name Kok en zijn maten Timmer en Klaver, vielen hierbij in. Toen die even ophielden, raakten ze in een twistgesprek met Werkhof over de toestand in de wereld.
Timmer: “De Franschen zijn alweer een stuk weer hier”.
Klaver: ”Ik wilde dat zij hier maar weder waren”.
Werkhof: “Het is tog nog Oranje boven”.
Volgens Werkhof, blijkbaar een orangist, liep Kok vooruit op de komst van de Fransen. Kok zou hebben gezegd:
“Dan zullen wij de Oranjelui wel vinden en wel opknoopen en de Prins die vagebond wel vinden”.
Damhof viel Werkhof wat dit betreft bij, maar Vos herinnerde zich het anders. Volgens hem had Kok niet gedreigd maar voorspeld:
“Als de fransozen er weder waren zouden zij de Oranjelui noch opknoopen, en de Prins die vagebond wel vinden.”
In elk geval was alleen Kok verantwoordelijk voor een dergelijke uitlating, van diens maten hadden Werkhof c.s. zoiets niet gehoord, of konden ze dat niet met zekerheid verklaren. Toen Kok c.s. weer begonnen met het zingen van Franse liederen en het roepen van “Vivat de Keizer”, hadden Werkhof en zijn drie kameraden het raadzaam geacht om de herberg te verlaten,
“als vreezende [dat ze] gemaltraiteert zouden worden”.
Een week na het opnemen van deze nadere verklaringen, onderzocht de Winsumer vrederechter ook nog een rustverstoring op een boeldag in Leens, waarover hij bij geruchte had vernomen. De deurwaarder die de boeldag organiseerde, kon hem melden dat er wel enige “historieën en rusiën” voorvielen, maar wist niet wie daarvoor verantwoordelijk waren geweest. Of Kok erbij was, kon hij evenmin zeggen, omdat hij die niet kende.
Op 1 mei stuurde de officier alle verklaringen naar de Rechtbank van Eerste Aanleg, met het verzoek om een arrestatiebevel tegen Kok als ”voornaamste belhamel”,
“Daar nu zodanige faiten in een land van orde en goede justitie niet straffeloos kunnen worden geduld.”
Dat bevel kwam af op 18 mei. Vanaf die dag echter, bleef het proces vrij lang stilliggen. Intussen raakte ook Nederland in rep en roer, want – wat we ons vaak niet realiseren – Waterloo lag nog binnen onze grenzen. Pas nadat Napoleon hier zijn definitieve nederlaag leed (18 juni) en bekend werd dat men hem naar Sint Helena zou gaan verschepen (begin augustus), ging het proces tegen diens drie (vermeende) aanhangers te Kloosterburen verder.
Op 5 augustus werd Kok opnieuw verhoord. Hij wist niet waarom hij vastzat, noch dat hij überhaupt iets misdaan had. Dat er in de Kloosterbuurster herberg Franse liederen waren gezongen, wist hij niet. Hij ontkende andermaal de gewraakte uitlatingen te hebben gedaan, of zelfs maar te hebben gehoord.
Ook de getuigen of beschuldigers moesten nog eens komen opdraven. Zij verklaarden op 22 augustus alles nog eens conform hun eerdere deposities, maar dan onder ede. Alleen meldde Beukema dat zijn groep uitgedaagd was door Kok en diens metgezellen die zich volgens hem “onrustig” en “zeer slegt” gedroegen –
”als zeggende onder elkander dat zij wenschten dat wij maar eens buiten kwamen”.
Nieuw bij Damhof was, dat die nu een van de gewraakte liedjes noemde. Het ging om de Carmagnole, een Frans revolutionair spotlied uit 1792 dat drie jaar later, bij de Bataafse revolutie, in Nederland veel rond vrijheidsbomen gezongen werd. In 1799, toen Napoleon als eerste consul in Frankrijk de macht greep, was het door hem verboden. Een dergelijk lied getuigde vooral van een democratisch-patriotse gezindheid, die op gespannen voet lijkt te staan met een regelrechte Napoleon-verering.
Koks niet gedetineerde mede-verdachten Timmer en Klaver werden eind augustus pas voor het eerst verhoord. Beiden ontkenden het gezang, de leuzen en de uitlatingen en pleitten daarvan ook de andere twee vrij. Timmer, geconfronteerd met het feit dat er beëdigde verklaringen lagen:
“Indien er zulke getuigen zijn die dit zeggen dan verklaren zij onwaarheid.”
Klaver had wel horen zingen, maar het specifieke repertoire was hem ontgaan:
“Ik heb daarop geen aandacht gegeven omdat ik zelve niet zing.”
Ook ontkende hij het uitdagen –
“Echter moet hij bekennen dat dien avond is geroepen Oranje Boven door Kornelis Eppes Werkhof, met bijvoeging van God verdoeme mij en slaande op de tafel zoo dat er een half oorts glas van de tafel viel en de overige glasen stonden te rummelen, dat ik wel begrepen heb dat dit tot spijt van mij geschiedde aangezien ik, als behoorende tot de patriottische partij aldaar bekend sta, en ik wegens ligchaams gebrek niet onder de Landstorm ben en te meer nog dewijl ik tot de Roomsche Gezindheid behoor en Kornelis Eppes Werkhof van de Gereformeerde gezindheid is, zoo dat uit dien hoofde er oneenigheid tusschen ons bestaat.”
Het zingen van oranjeliedjes kon helemaal niet voor een bekentenis doorgaan, want die mochten vrij gezongen worden. Het citaat maakt echter duidelijk dat er ook, en wellicht zelfs eerst, oranjeliedjes waren gezongen en oranjeleuzen waren geroepen door de gereformeerde en orangistische aanwezigen, wat in het katholieke en patriotse Kloosterburen als een provocatie kon worden opgevat. Mogelijk was dat ook de reden dat andere aanwezigen op patriots repertoire overgingen, waarbij we de napoleontische leuzen wellicht aan hun oververhitting mogen toeschrijven.
Op 5 oktober zat Kok nog steeds vast. De offcier van justitie overwoog die dag, dat er weliswaar geen “oproer of seditieuse beweging” was veroorzaakt, maar dat er wel degelijk sprake was geweest van een “ongehoorde belediging jegens Neerlands beminde souverein”. Ook beschuldigde de officier Kok c.s. van het “aankweken van oude partijschappen”, en een poging om “oproer te verwekken en daardoor burgeroorlog te ontsteken”. Met die kanttekeningen gingen de stukken naar de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof in Den Haag, dat over het vervolg van de procedure zou moeten beslissen.
Bij de stukken zat ook een signalement van Kok. Voor wat het waard is:
“Groot 5 voet en 9,5 duim. Langwerpig van aangezigt, bleke couleur, rond voorhoofd, donker bruin hair en wenkbraauwen, blauwe ogen, langen neus, kleinen mond en ronde kin.”
Op 30 oktober besloot het Hooggerechtshof Kok en zijn twee metgezellen in officiële staat van beschuldiging te stellen en hun zaak toe te wijzen aan Hof van Assisen in Groningen. Misschien komt het voor de lezer als een anticlimax, maar die rechtbank verklaarde op 20 november 1815 alle drie de verdachten voor “niet schuldig” en stelde Kok op vrije voeten.
Een motivatie van de rechters ontbreekt helaas bij het vonnis, maar dat de vier getuigen niet helemaal consonant waren, en regelrecht werden tegengesproken door de drie beschuldigden, zou een reden kunnen zijn. Ook moeten de rechters hebben beseft, dat hier sprake was van een uit de hand gelopen kroegruzie, waarbij niet alleen politieke, maar ook religieuze tegenstellingen meespeelden. Bovendien zou er wel eens sprake geweest kunnen zijn van een orangistische provocatie. Waar twee partijen elkaar ergerden, hadden twee partijen schuld. Een vrijspraak leek dan de verstandigste weg, gooide althans geen olie op het vuur. En zo eindigde dan dit zaakje, dat me verder ook niet bekend is uit historische literatuur.
—
Bronnen:
RHC Groninger Archieven, toegang 141, archief Hof van Assisen Groningen en Drenthe te Groningen, inv.nrs. 6.19 (procesbundel L.D.Kok) en 2.2 en 4.1 (minuut zitting en arrest met de vrijspraak van 20 november 1815).
Het inhuldigingsfeest te Leek (1898)
Geplaatst op: 25 april 2013 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Te De Leek (Gr.) wordt den 5 September een groote gecostumeerde optocht
gehouden. Daarin zullen o.a. worden voorgesteld: Prins Willem I, Adolf, Lodewjjk
en Jan van Nassau, Egmond en Hoorn, Maurits en Oldenbarneveldt, Hugo de Groot,
Willem Lodewijk, Ernst Kasimir, Frederik Hendrik, Jan Pieterzoon Coen, Hendrik
Kasimir, Piet Hein, Maarten Harpenz. Tromp, Jacob Cats, Willem Frederik,
Stadhouder Willem II, De Ruyter, Chr. Huygens, Stadh. Willem III, Raadpens.
Slingeland, Hendrik Kasimir II, Willem IV, Willem V, schout-bij-nacht Zoutman, A.
E. Falck, Koning Willem I, G. K. van Hogendorp, Van der Duyn van Maasdam, Van
Limburg Stirum, Koning Willem II, Chassé, Van Speyk, F.A. van Hall, Koning
Willem III, Thorbecke, generaal Van der Heyden, Koninginnen Emma en Wilhelmina,
generaal Vetter.”
Bron: Het Nieuws van den Dag, 5 april 1898.

Recente reacties