Zo’n prins mocht lekker dikkedakken

Bijkomen van de aanplant

Als de in zijn macht herstelde stadhouder Willem V in september 1791 Drenthe bezoekt, houden de Drentse Staten, die als zijn gastheer optreden, hem en zijn hofhouding natuurlijk vrij qua eten en drinken. En omdat je zo’n doorluchtig vorstelijk personage uiteraard geen brune boon’n kon voorzetten, of andere in Drenthe gangbare kost, ontboden ze per ijlbode een gerenommeerde kok uit Muiderberg, die naderhand voor het middagmaal in Assen, de twee ontbijtjes in Assen en Meppel en een stuk of wat liflafjes voor onderweg een rekening indiende van ruim 1400 gulden, waaruit bleek dat de prins en zijn gevolg tamelijk veel vlees en gevogelte soldaat maakten. Dit is die nota:

Amsterdam den 19 7ber 1791

De Wel Ed. Mogende Heeren Gecommiteerden weegens ’t Landschap Drenthe resideerende te Assen Debt aan S.A. Oosterlinck,

Voor een Middagmaaltijd ter Onthaling van zijn Doorl. Hoogheid bestaande in ’t volgende

1 Consommé met groenten
1 dito met rijst en 1 Capoen
1 Soupe à la reine
1 Puree van Erwten
1 groote Osselende
1 Ham met Spinage
1 Schaapenbout met aardappels
1 Kalfsnierstuk à la Crême
1 Capoen met Vogelnesjes
1 Calkoen met truffels
4 duiven geglasseert met morilles
2 Kuikens met Sweserik
1 Gans met Uyen
3 patrijsen met Salpicon
1 Corhoen met augurkjes
1 Salmy van Watersnippen
1 fricassié van kuikens haanekam
1 Kalfskop als schilppad
4 Terines Steur
Matlotte van paling
4 groentens met garnituuren
1 Tourte van Makcarony
1 do (dito HP) van Kuikens
Witte en Swarte Beuling van Capoenen
Rissolles
1 roompodding
Pastijtjes met salpicon
Warm pastij van faisant
Dito van Lamscôteletten
2 pastijen van porrigor
1 koud pastij van Ossehaas
1 Capoen in geleé
1 marbré in geleé
Zult van Speenvarken
Duiven in geleé
Zalm blauw gekookt
1 roulade van paling
1 Rhoe simmel
1 Ossehaas
1 Calkoen
2 Kuikens
1 Capoen
1 faisant
1 Pulpitade
1 pipgans
Geleé van hartshoorn
Blanc manger van Vanille
1 compoTte van Persikke
Gelee van Bessen
Artichokken
1 ragout van hanekammen
Gefarseerde Morilles
Geglasseerde Zweserik
Asia Agurkjes Cappers &ca.
 

S’anderendaags Ontbijt
1 gerookte Hamburgsche rib
1 Ham in gelée
1 gebr[aden] Kalfsrib
1 do Zuiglamsbout
2 Capoenen gebraden
1 do faisant
4 Kuikens
8 Kwartels
1 Pulpetade
1 pipgans
1 calkoen
Roulade van Kalfsvleesch
1 do van Ossevleesch
1 do van Paling
1 Hom Carper au bleu
1 marbré
Zult van Speenvarken
2 Kuikens met gelée
1 Capoen do
4 duiven do
2 Endvogels do
1 Koud pastij van Rheboud
1 do van Calkoen
1 gebr. Ossehaas
Lams Coteletten
Gelee van Hartshoorn
Blanc manger van vanille
Compot van persikkes
Geleé van bessen
 

Voor de Suite van Zijne Doorl[uchtige] Hoogheid
1 gebr. Kalfsrib
4 Capoenen
8 Kuikens
1 Varkens rib
1 ger[ookte] Ossetong
 

Ontbijt te Meppel voor Zijne Doorl. Hoogh.
1 gebrade Kalfs ribnierstuk
4 Capoenen
2 Kuikens
1 Varkensrib
1 faisant
1 koud pastij van Ossehaas
1 Calkoen in gelee
1 gerookte Ossetong
1 Marbré
2 gebak
8 Annenassen
Witte en blauwe druiven
8 Canteloupen
80 persikken
4 differente Soorten van Peeren
Groene pruimen
Blauwe dito
Klijne en groote Nooten
Liquide en drooge Confituren
8 differente soorten Sucrades
Banquet in Soorten
200 Sitroenen
Orgeade
Waschligt
6 flessen Champagne roseé
Olie en azijn
Dagloon van 3 knegts en 2 meiden
Schuytevoerders en sleepers
Voor een Decoratie met zijn apendependentie
Voor ’t gebruik van porcelein glas christal zilver en andere werken tafelgoed &c
Differente klyne onkosten en verversching op de reis
Gebroke Porcelein en glaswerk

Is te Saamen ƒ 1418-9—

Voldaan den 1ste maart 1792
Door Schuit,
S. A. Oosterlinck

Bron: Drents Archief, Oude Staten Archief inv.nr. 1775, rekeningen Ontvanger–Generaal (J.H. Oosting) 1791/2-IV, bijlage ad fol. 58 (kosten stadhoudersbezoek 26 en 27 september 1791), kwitantie nr. 73 voor de rekening van S.A. Oosterlinck, kok te Muiderberg, per experesse (ijlbode) naar Drenthe gehaald en hier per schip gekomen om de maaltijden voor de stadhouder, prins Willem V en diens consorten te verzorgen.

De spotprent van de uitbuikende prins komt uit de collecties van het British Museum.


De teloorgang van het begrip arbeider

Martin Hillenga signaleerde onlangs, dat je het woord arbeider nog maar zelden in de krant leest.

Inderdaad noemt geen hond zich meer zo. En die ontwikkeling is ook al tientallen jaren aan de gang. In de jaren negentig kon ik een ouwe communist bij mij om de hoek  altijd aardig op de kast krijgen met de constatering dat er helemaal geen arbeiders meer waren, of, preciezer, dat niemand zich meer zo noemde.

Maar wanneer zette die neergang in? Een geëigend middel om zoiets te meten zijn de jaargangen Leeuwarder Courant bij de Krant van Toen. De aantallen keren dat het woord arbeider in enkel- of meervoud in de Leeuwarder verscheen, heb ik voor de periode 1900-2005 weergegeven in onderstaande grafiek:

arbeider, arbeiders in de LC 1900-2005

De hoogste frequenties kwamen voor in de crisisjaren dertig en vooral de eerste oorlogsjaren. Tot dan is er trendmatig een stijging, die misschien ook wel samenhangt met de dikte van de krant. De papierschaarste en dunne, kleine krantjes van de laatste oorlogsjaren vertalen zich in elk geval in zeer lage frequenties. Een opleving is er kort na de oorlog, en in veel mindere mate ook nog in de tweede helft van de jaren vijftig en de periode 1968-1972, maar daarna zet de definitieve neergang door.

Eigenlijk vormen de jaren zestig niet of nauwelijks een trendbreuk, terwijl het begrip arbeider toen wel een herwaardering kreeg bij de spraakmakende linkse gemeente.  Die geringe opleving in die radicale tijd is wat mij nog het meest verbaast. Maar die verbazing komt wellicht ook voort uit een overschatting van het belang der jaren zestig.


Buskaartje, 10 maart 1971

Wie wat bewaart heeft wat:

img047 uitsnede

Zulke buskaartjes kwamen uit een ondoorgrondelijk apparaat van metaal, ovaal en onbestemd groenig, waaruit allerlei allerlei vrolijker gekleurde pinnetjes staken. Deze machinerie werd met het grootst mogelijke gemak bediend door de buschauffeur, die hiervoor ons volste respect verdiende. Als de pinnnetjes op de goede plek stonden, slingerde hij aan een hendel terzijde van het apparaat en kwam daar simsalabim zo’n papiertje uit. De techniek stond voor niets. Dit was nog in de tijd van voor de strippenkaart, die we straks ook vergeten zullen zijn.


Groningen was brandpunt anarchisme

“Verplaatsen wij ons in den tijd van de stichting der S.D.A.P. (1894, HP)

In geen enkel deel van het land was de arbeidersbeweging, door Domela Nieuwenhuis en Chr. Cornelissen geleid, zóó absoluut in anarchistisch vaarwater gedreven als in het Groninger land. De beweging was daar, naar dien tijd gemeten, massaal te noemen. De stad Groningen was niet het centrum, dat lag meer naar het Oosten: Hoogezand-Sappemeer en het zoogenaamde Oldambt. Daar was, behalve Domela Nieuwenhuis, de welbespraakte anarchist Tj. Luitjes, de groote man. Op het kongres van 1893 van den Sociaaldemokratischen Bond, waren uit de provincie Groningen 27 afdeelingen vertegenwoordigd, ruim een kwart van het heele kongres. Nog in den zomer van 1894 werden daar vele openluchtmeetings gehouden, waarvan verschillende door meer dan duizend personen werden bezocht en tal van deelnemers verschenen omhangen met groote roode sjerpen met opschriften als: leve de anarchie!

Ik herinner mij op een dezer meetings aangesproken te zijn door zekeren Hommes uit Finsterwolde, een oppositioneele burgerman, die mij kapittelde over mijn blijkbaren afkeer van het anarchisme, mijn „parlementaire” neigingen en mij zeide: als het overal in het land was als hier, dan konden we de revolutie vandaag nog beginnen.

Ik kan niet zeggen dat het denkbeeld mij erg aanlokkelijk voorkwam, wanneer men de meetinggangers gadesloeg. Het was ruw volk, in dien tijd in die streken. Noch van wat het socialisme was, noch van de reëele machtsverhoudingen had men eenig begrip. Socialisme, dat was de afschaffing van het privaatbezit, onder welke leuze dan ook de meetings werden belegd, maar over hetgeen daarmede bedoeld en [of dat] bereikbaar was, heerschten de vreemdste denkbeelden.”

Uit W.H. Vliegen, [in memoriam] J.H.A. Schaper, De Socialistische Gids jrg. XIX no. 9 September 1934.


De verdelging van “schadelijk gedierte”

In 1850 betaalde de provincie Groningen premies uit voor in totaal 776 dieren die men had doodgemaakt omdat men ze als schadelijk ervoer:

  • 296 vossen (waarvan 152 jong)
  • 3 arenden,
  • 153 valken,
  • 20 otters,
  • 188 bunzings,
  • en 116 wezels.

Behalve de otter, berucht als “vischvernieler”, bestond het “schadelijk gedierte” dus vooral uit soorten die het gemunt hadden op pluimvee en ander gevogelte, groot en klein.

Vanaf 1703 waren er – steeds gelijk gebleven – premies voor het doden van otters en vanaf 1705 waren zulke premies er ook voor vossen, hanebijters (kiekendieven), (ganzen)arenden en andere grote roofvogels. Wanneer de kleinere soorten valk, bunzing en wezel erbij kwamen is aan de hand van Jan de Bruijns plakkatenlijst niet te achterhalen. Mogelijk dateerden die regelingen van na 1795.

Het kwantitatief belangrijkste mikpunt was in 1850 duidelijk de vos, gevolgd door de bunzing en de valk. In elk geval werd er in 1850 geen enkele hanebijter buitgemaakt. Die vogel was al zo goed als uitgeroeid, denk ik. Toen de premie op hem werd ingesteld, in 1705, heette het nog dat de hanebijter zich sterk vermenigvuldigde. Eerder werd hij blijkbaar nog niet als plaag ervaren.

Het zijn maar momentopnamen en je zou willen dat de complete administratie bewaard gebleven was, maar voor de periode tot 1795 gaat dat sowieso al niet op. Anders dan bij de stadsrekeningen zijn bij de provincierekeningen geen bijlagen bewaard, waaruit je van die staatjes als boven zou kunnen halen.  De boekhouding blijft dan, afgezien van misschien een enkele jaargang, beperkt tot de negentiende eeuw, en ik vrees vooral tot de periode na 1850. Toen ging de provincie namelijk de gedrukte verslagen van de toestand in het licht geven, waaruit het bovenstaande staatje indirect voortkomt..


‘Eene hanenbijterij in Londen’

cockpit

In zijn werk De Volksvermaaken (1871) reserveerde Jan ter Gouw drie pagina’s (357-359) voor de hanegevechten, “welke even oud als algemeen zijn”.  De hanegevechten, zegt hij, “kwamen als volksvermaak bij alle gelegenheden te pas – op vastelavonden, kermissen, ja zelfs bruiloften”:

“De stedelingen genoten ’t vermaak der hanegevechten des zomers in de herbergen buiten de poort, en er werden weddingschappen bij aangegaan, waar de winner nooit, maar de kastelein altijd het beste van voer.”

Volgens Ter Gouw waren hanegevechten in Nederland al vrij lang op hun retour. In Engelsen was dat anders en bestond er nog steeds een grote liefhebberij voor. De Engelsen kenden ook geheel eigen varianten, namelijk de Battle royal en de Welch main. Bij het eerste werd een onbepaald aantal hanen allemaal tegelijk in de cockpit losgelaen. Deze moesten dan doorvechten tot er nog maar eentje overeind stond, “die dan koning kraaijen mag”. Bij de Welch Main ging het eraan toe zoals bij een WK voetbal in de knock outfase. Van 32 of 16 deelnemende hanen stonden er steeds 2 in de pit tot er eentje doorging.  De Engelsen, aldus Ter Gouw,

“genieten daarbij ’t grootste vermaak, en geen beet noch slag, geen wending noch zijsprong ontgaat daarbij hun vlammenden blikken”.

Toch was er in Engeland wel degelijk al discussie over dit amusement. De Engelse vastenavond was “sedert eeuwen een ware hanenmoord”, maar dat begon al danig af te nemen.

“Ja, sommigen meenen zelfs opgemerkt te hebben, dat sedert dertig jaren de invloed der moderne beschaving ook al op de hanen merkbaar is, en zij zoo vechtlustig niet meer zijn als vroeger.”

Nog net van voor dat verval, uit 1833, dateert een gruwelijk mooie beschrijving van “eene hanenbijterij in Londen”, geplaatst in het Mengelwerk van de Overijsselsche Courant. Volgens de anonieme auteur bestonden er in Engeland zelfs boeken over het trainen van vechthanen. en hij haalt daarbij Lichtenberg aan, die ooit beweerde dat de vechthanen in Engeland  een zorgvuldiger opvoeding kregen, “dan menig jonge Lord”. De “groote hanenbijterij” die onze correspondent bijwoonde, vond plaats in ‘The Royal Cockpit’ aan de Tufton Street in Westminster, waar ook een aantal illustere personages aanwezig was. De cockpit bestond hier uit een soort amfitheater rond een met schotten afgezette ring – maar laat me de auteur citeren, die er uitstekend in slaagde zijn opwinding weer te geven, al neemt hij op het eind van zijn beschrijving ook duidelijk afstand van het vermaak:

“De hanenbijterij zou een aanvang nemen. Een bediende besproeide de matten , opdat de hanen niet zouden uitglijden. De oppassers der hanen verschenen, elk hunnen haan in eenen zak hebbende, op het tooneel; de eene heette Nasch, de andere Fleming. Nasch opende zijnen zak en nam er eenen haan uit, den schoonsten, dien men ooit zag. Hij was rood en zwart, krachtvol en van heerlijke veeren. Hij strekte eerst slechts den hals uit den zak, en deze zag uit als eene vreeslijke slang; men meende, dat het dier er uit vliegen en tot aan het dak zich verheffen zou. Het ligchaam was ineengedrongen , krachtig en van schoonen vorm; de lang donkerblaauwe pooten glinsterden en geleken op stangen van ijzer; aan elken natuurlijken spoor zag men nog zeer sierlijk een kunstigen van zilver, die 1,5 duim lang was, bevestigd. De breede bek geleek veel op dien van eenen arend; hij liet de zwarte oogen rondgaan en die oogen glinsterden als diamanten; zij waren onbedriegelijke kenteekenen zoo wel van eenen wilden als bedachtzaamen moed. De vleugels waren sterk, breed en met scherpe haken voorzien. De kam was afgesneden en de staart driehoekig opgemaakt, gelijk bij een paard. De andere haan was een niet min schoone vogel. Zijne veeren waren geel en hier en daar zwart. Hij scheen wat ligt, maar zijne spieren waren veerkrachtig en sterk. — Toen hij zijne tegenpartij zag, scheen hij onrustig te worden; hij bewoog zich henen en weder, doch hield zich stil — De beide hanen werden bij de signalementen, die van hen gegeven waren, onderzocht en wèl bevonden.

Thans begon de kampstrijd. Elk trok zich van het tooneel naar de zitplaatsen terug, met uitzondering van Fleming en Nasch. De weddingschappen begonnen nu van beide zijden met hartstogtelijkheid. Eerst streelden de beide meesters hunne hanen; doopten de vingers in water, bevochtigden daarmede de banden, waarmede de sporen waren vastgebonden; en maakten nog vee! meer toestel. Toen namen zij de hanen op, stelden ze tegen elkander over en hitsten hen aan. De voornaamste kunstgreep was dat zij deden, alsof zij den eenen op den anderen wilden werpen; hen daarbij kop en hals streelden en daarmede voortgingen, tot men de dieren niet langer zonder gevaar in de armen kon houden. Beide hanen tegelijk losgelaten, vielen met ongelooflijke woede op elkander aan.

De positie van de hanen in de eerste oogenbhkken, waarin zij tegen over elkander stonden, was schoon, edel en hoogst verrassend. Zij vertoefden een oogenblik in deze positie, bek aan bek, en stortende zich dan, met de snelte van den bliksem op elkaar. De krachtvolle vleugels, de sterke sporen verwarden zich in elkander, zoo dat de beide dieren slechts éénen klomp schenen uit te maken. De eigendommelijke toon , die men hoorde, toen de hanen op elkander stieten, laat zich met niets beter dan met het spoedig én geweldig uitspannen van eenen natten paraplui vergelijken. Reeds dadelijk na den eersten aanval, scheen de haan van Fleming te wankelen; hij viel en zijn bloed vloeide; hij was doodelijk gewond. Fleming en Nasch namen hunne dieren van den grond op, hitsten hen aan, en stelden ze weer teegen elkander over. Men heeft er geen denkbeeld van, hoe zorgvuldig en teeder die menschen met hunne vogelen omgingen. De haan van Fleming was, gelijk gezegd, doodelijk gekwetst; zijne beenen waggelden; hij liep heen en weer ais een dronkene; boog den kop nu eens regts, dan weder links en zijn staart zocht den grond; maar de haan van Nasch, die nog vol kracht en vuur was, wierp zich weder op hem en gaf hem den genadestoot. De moedige kampioen stortte levenloos op den mat needer, trotsch en mannelijk nog in den dood. Ik kon mij niet van eene zucht onthouden , en wendde mijne oogen en gedachten weg van het bloedig tooneel — maar het geroep der genen die gewed hadden, verhief zich alom, en ik gevoelde diep welk een jammerlijk vermaak het is, dat deze menschen najagen.

Het was van belang den zegevierenden haan te zien. Hij had een paar ligte wonden ontvangen; maar het scheen dat hij door de overwinning nog veel sterker en grooter geworden was. Met majesteit stapte hij over het tooneel en zijne oogen fonkelden nog eens zoo sterk.”

Het schilderij (1889) is van de Franse Vlaming Rémy Cogghe en hangt in het Musée d’art et d’industrie (La Piscine) te Roubaix.


De verzonken klok in het Zuidlaardermeer

Die nacht vroor het dat het knapte. Daarom besloten de mannen van Kropswolde het erop te wagen. Over het bevroren Zuidlaardermeer trokken ze met een slee naar Noordlaren. Ze forceerden stilletjes de deur van de kerktoren, haalden de klok van de balk en lieten die aan de meegebrachte touwen naar beneden vieren, om haar op hun slee te zetten. Via dezelfde weg gingen ze met de klok terug naar Kropswolde. Maar ze hadden pech. Halverwege het meer, zo’n beetje bij de vaargeul, zakten ze met klok en al door het ijs. Ze konden er zelf nog wel uitkomen, ze hadden immers touw bij zich. Maar de klok moesten ze achterlaten. Daar konden ze niet meer bij. En sindsdien kan je altijd, als je tenminste goed luistert, ‘s nachts bij oostenwind een klok horen luiden vanuit het bevroren Zuidlaardermeer.

Dat is de legende die omstreeks 1930 is vastgelegd uit de mond van enkele ouden, die het weer uit de overlevering van ouder tot ouder hadden.

H.M. Luning, de historicus van Noordlaren, onderzocht in 1988 wat er aan was van dit verhaal. De klok van 1712 hing nog steeds in de kerk, constateerde hij, en die klok was weer vergoten van een klok, die in 1628 gekocht was van meester Nicolaes te Groningen.  Het verhaal moest dan van voor 1628 stammen. Een eerdere klok, vond Luning uit, was van 1589 geweest. Maar geen spoor van de Kropswoldiger euveldaad.

Wel hadden de Noordlaarders vanaf 1598 ruzie over de klok gehad, maar dan met die van Farmsum. Dat kwam zo. In 1578 nam de stad Groningen overal in de Ommelanden klokken in beslag om er kanonnen van te kunnen gieten. Zo verdwenen ook drie stuks uit Farmsum richting stad. Een van die klokken bleef echter voor de geschutgieter gespaard en ging in 1589 naar Noordlaren, in ruil voor een zwaardere gescheurde klok.

Zeven jaar later kregen de Farmsumers er lucht van dat een van hun klokken in Noordlaren hing. Omdat de stad vond dat de twee dorpen er onderling maar uit moesten komen, probeerden de Farmsumers met die van Noordlaren te overleggen. Maar de Noordlaarders hielden zich jarenlang oostindisch doof. Toen het toch tot een afspraak kwam, in 1605, bleek de jonker van Farmsum ziek. Zodoende zat er weinig schot in de zaak. Pas in 1609 kwam er een oplossing. De stad wees de klok toen aan Farmsum toe. De Farmsumers vervoerden de klok vervolgens per schip over het Zuidlaardermeer en dat zou dan wel eens de kern van waarheid kunnen zijn van het latere Noordlaarder verhaal.

Aldus Luning. Die indertijd nog geen gebruik kon maken van de Volksverhalenbank, anders zou hij vast wel hebben gezien dat er in Nederlandse volksverhalen bijna net zo vaak verzonken klokken voorkomen als onderaardse gangen.

Grosso modo hebben die verzonken klokverhalen twee motieven. Of er is een groter geheel naar de diepte gezakt dat zich kenbaar maakt door klokgelui. Of de duivel en zijn trawanten hebben een ongewijde klok in het water gesmeten, een klok die dan meestal met kerstmis nog luidt.

Wat noordelijke voorbeelden. In het Tjeukemeer ligt er een verzonken kerkhof, waar  wel eens een klok luidt. Bij Wartena horen schippers en vissers af en toe nog de klokken van een verzonken stad.

Mooier nog, vind ik het verhaal over de klok van het klooster Sint Odolfus  te Stavoren. De lokale bevolking had kosten nog moeite gespaard om het klooster een fraaie klok te bezorgen. Op een kwade dag echter, kwam de bisschop langs, die merkte dat de klok niet was gewijd. Hij vervloekte haar daarom en duivels kwamen haar dezelfde nacht nog halen. Ze vlogen door de lucht en gooiden haar in de Fluessen. Schippers horen daar die klok nog wel eens. Het geluid lijkt op dat van een roerdomp.

Toegegeven: geen van beide motieven – verdronken nederzetting, duivel – speelt bij het Zuidlaardermeer. Of het moest zijn dat de Kropswoldigers bij de Noordlaarders de plaats van de duivels innamen. Wat vanuit het perspectief van de Noordlaarders zeer begrijpelijk is, al waren ze daarin dan volstrekt abuis.

Bron: H.M.Luning, De legende van een klok, Groningse Volksalmanak 1988, 60-63.


Een incompleet liedje

Een lezeres benaderde me vandaag met het verzoek of ik haar helpen kon. In haar jeugd had ze een liedje geleerd, waarvan ze zich nog twee coupletten kon herinneren. Maar ze wilde graag ook de rest er weer bij hebben. Ze had overal zitten zoeken en googelen, maar zonder resultaat. Of ik de coupletten die ze nog wel wist op mijn weblog wilde plaatsen, met de vraag aan de lezers, of zij zich misschien nog de rest herinneren.

Bij deze – de nog wel gekende coupletten luiden als volgt:

Dou’k nog te schoule ging
‘k waas nog zo’n lutje ding
Ik haar een schoetje veur
Dat was zo’n rooie kleur

Doar kwam mien vrijer oan
Hai zag mie hail nait stoan
Hai luip mie stoef veurbie
Ik docht “Verrek om mie”.

In gezelschap van volwassenen werd de laatste regel gekuist tot “Vergoa om mie”. Het liedje dateert in elk geval van voor 1960.

Dus: wie kent het?


Van je Parrimarriboo! Heierspoëzie

vdVenne heistelling BrM

In zijn bundel Bie tille harom schrijft Oabel Oabels onder andere over het heien in zijn jeugdjaren, begin twintigste eeuw. Heien gebeurde toen nog op handkracht, door een ploeg mannen die bij een heistelling aan touwen het heiblok omhoogtrok, en dat dan op een paal liet neervallen. Dat omhooghalen en laten vallen van het blok moest synchroon gebeuren. Daarom zong de heibaas een liedje – aan het begin van elke regel trokken zijn heiers hun touwen strak.

Oabels noemt de heiersliedjes “wonderliek”. Vaak maakte een heibaas er inhoudelijk een mengelmoesje van en ook was hij niet eenkennig qua taal , want hij bediende zich van zowel het ABN als het Gronings.  Zo’n heierslied ging bijvoorbeeld zo:

“Dat is er één [blok omhoog]
Maar dat is er geen
Dat zijn er twee
Die tel ik niet mee.
Dat zijn er drie,
Van die schele Marie.
Je weet het niet
Naar wie ze ziet.
Dat zijn er vier,
Van dat zwarte dier.
Dat zo mager is,
Dat krabt zijn kont
Met scherpe nagelen.
Dat zijn er vijf.
De bakker sloeg zijn wijf,
Al met een bolletje
Vlak voor haar holletje.
Wat schraifde dat wief
Mien lief, mien lief
Dat zijn er zes
Woar is de fles
Wie lussen wel geern
n Goude dikke.”

Wanneer de heibaas er niet goed uitkwam, omdat het hem even schortte aan het juiste rijmwoord, dan gooide hij er dit in:

“Van je Parrimariboo!”

Dat gebeurde ook als het bevoegd gezag langskwam en een net ingezette satire wat al te hard dreigde aan te komen. De heibaas improviseerde namelijk nogal eens. Op lokale toestanden en op voorbijgangers. Vooral vrouwen vormden het mikpunt van zijn gezang. Wat dit betreft bekent Oabels ruiterlijk zijn pudeur:

“Ie kennen alderdeegs  n haaiboas moar nait alles zeggen loaten in n geschrift als dit.”

Daarom citeerde de Grunneger schriever zulke passages niet.

Wie weinig last had van een dergelijke schroom, was Gijsbertus Van den Brink (geb. 1902), een Amsterdamse heier die in 1953 over het verleden van zijn vak vertelde voor de microfoon van Onder de Groene Linde. Hij noemt zijn collegae van weleer “ruwe , onbehakte kerels” en lijkt een verband te leggen tussen hun gevaarlijke werk en hun “rare liedjes”, waarvan zegsman er inderdaad nog een kwartet onbeschaamd sexistische uit zijn hoofd kent. Ook dat is folk – tedere zielen die een allergie koesteren tegen scabreus repertoire, gelieve niet op de volgende links te klikken:

1, 2, 3 Haal op die hei

1, 2, 3 Maartje Toet

De hoerewaardin

Schevenings meisje

img041

Dit plaatje komt uit de Winkler Prins van 1955. Het plaatje bovenaan komt uit een tekenboek van Adriaen van de Venne in de collecties van het British Museum. Heien is tussen het Romeinse tijd en de Industriële Revolutie nauwelijks veranderd qua technologie, zoals ook deze foto laat zien.


Het repertoire van Eije Wijkstra & Dirk Tabak

Eije Wijkstra en Dirk Tabak waren trekharmonicaspelers die in de jaren twintig gezamenlijk de kermissen en jaarmarkten van de Friese Wouden en het Westerkwartier afgingen. Maar minder bekend om hun muzikale kwaliteiten, dan vanwege moord en doodslag.

Gerrit van der Valle maakte ze mee en vertelt over ze in deze mooie opname uit 1983 van Onder de Groene Linde. Soms dikt hij dingen aan, zoals in de passage over Wijkstra als scherpschutter. En wat hij vertelt over de Drachtster moord door Tabak, lijkt ook niet helemaal juist. Maar hij is wel een van de weinige betrouwbare bronnen als je iets te weten wilt komen over het repertoire van Wijkstra & Tabak.

Dat repertoire wordt nogal eens opgehemeld. Zo zou Wijkstra vanaf blad stukken van klassieke componisten hebben gespeeld. Wat onjuist is – pas in de gevangenis leerde Wijkstra zich het lezen van notenschrift aan. Ook Van der Valle zegt, dat Wijkstra & Tabak, toen ze nog op vrije voeten waren, geen noot konden lezen. “Ze speelden het allemaal uit de kop en deden dat louter op gevoel”.

Het repertoire van de heren valt ook een beetje tegen.  “Ze speelden en zongen alle liedjes die toen in waren”, aldus Van der Valle. Met andere woorden – ze vormden het toenmalige equivalent van een Top 40-orkestje. Qua zingen noemt Van der Valle Bij de Muur van het Oude Kerkhof, een hit van Willy Derby. Qua dansen herinnert hij zich  polka, wals en uiteraard de valeta. Helemaal niet zo bijzonder dus eigenlijk. Eerder nogal algemeen en dertien in een dozijn.


Buurman herbergt vreemde joden

2012-10-12 003 huisvesten vreemde Joden Veendam

“Op den ingediende request van Freerk Simons hoe in Veendam an enen Jacob Michiels heeft verhuirt eene van sijne kameren, zijnde met des remonstrants woninge onder een dack. Alsoo Jacob Michiels sig nu koomt te onderstaan om seer veel vreemde joden aan te houden, sijnde na het uiterlijck anschijn veele daaronder van een slegte conditie, dieshalven voor de remonstrant te vresen staat dat te eeniger tijt sulk tot een groot gevolg sal streken, zoo is ‘t dat de remonstrant sig tot de authorisatie van UW Wel Geboorne Gestr moet wenden, seer submis versoekende dat uw Wel Geborene Gestrenge by desen Jacob Michiels gelieve te inhiberen, teneinde sig niet sal onderstaan om eenige vreemde joden in sijn behuisinge te mogen vernagten, ten sij genoegsam securiteit stelle voor de quade gevolgen van dien.

Is geapostileert

Jacob Michiels wort met deesen geinterdiceert eenige vremde joden des nagts te herbergen tenzij met een pas van het Ed. Gerigte zijn voorsien, of dat andersints voor de quade gevolgen soo daar uit mogen voort komen, sal  moeten respondeeren. En sal desen ter sictery worden geregistreert.

Zuidbr[oek] den 8 7ber 1738 /:onderstont:/

A Wildervanck
Drost”

Freerk Simons in Veendam bezat twee éénkamerwoninkjes onder één dak. In het ene woonde hij zelf, het andere verhuurde hij aan Jacob Michiels. Maar nu bood die buurman onderdak aan  “seer veel vreemde joden”, wier uiterlijk Freerk er niet al te gunstig uit vond zien. Als verhuurder kon hij aangesproken worden op de schade die deze gasten aanrichtten. Daarom vroeg hij de Oldambster drost, om aan zijn buurman een verbod op te leggen tot het laten overnachten van vreemde joden, tenzij de buurman zelf zou instaan voor de gevolgen. De drost legde vervolgens aan de buurman op dat die alleen vreemde joden mocht herbergen, als deze een reispas bij de drost hadden gehaald. Bezaten ze een dergelijk document niet, dan stond buurman financieel voor ze in.

Voor de argeloze lezer van dit rekest, lijkt er sprake van risjes, antisemitisme. De namen van de beide buurmannen zouden immers gewoon christelijk kunnen zijn. Maar schijn bedriegt. Want Freerk Simons, een slager, was zelf een jood. Zijn familienaam was Cohen en je mag hem gerust zien als stichter van de joodse gemeente Veendam-Wildervank. In het jaar dat hij dit rekest indiende, 1738, vormde zijn huis de vergaderruimte voor het bestuur van de kersverse joodse gemeente Veendam. Zijn huis stond nabij het Middelste Verlaat. In 1745 bouwde hij voor eigen rekening  een synagoge bij deze woning. Ook kreeg hij een afgelegen stuk grond in erfpacht voor een begraafplaats. In 1764 was hij nog diaken van de gemeente. Hij had zich omstreeks 1735 vanuit Scheemda gevestigd in Veendam, waar hij voor 1785 stierf.

Wat op het eerste gezicht dus antisemitisme lijkt, blijkt met deze kennis een conflict tussen een redelijk geslaagde arrivé en berooide nieuwkomers, waarvan de arrivé vreesde dat ze te zijnen laste zouden komen. Overigens bevat dit rekest de enige Veendammer melding van Jacob Michiels – die zal dus niet lang naast Freerk Simons Cohen hebben gewoond.

Hage en De Vey Mestdagh noemen dit geval niet in hun dikke boek over de joodse gemeenschap van Veendam e.o. Kennelijk hebben ze de rekestboeken van de Oldambster drost niet doorgenomen. Dat is jammer, want uit geregistreerde verzoekschriften als deze, kan je aardig wat over de lokale verhoudingen te weten komen.


Zelfs het taaiste stukje was bruikbaar

“WARSCHAU den 22 December. Gisteren was de Koude en Vorst hier te Lande zoo sterk , dat er maar 4 Graaden aan ontbraaken , om dezelve met den Jaare 1740 gelyk te stellen. Ook heeft men reeds verscheyde Lieden op bet Veld Dood Gevrooren bevonden. Een dronken Mensch op of in de Slede van hier na Widanow rydende, is, door de Koude in slaap geraakt en uyt de Sleede gevallen zynde, door de Wolven tot zelfs zyne Beenen in de Steevels geheel verslonden.”

Bron: Groninger Courant 15 januari 1754.


Blondona

Blondona NvhN 31.10.1946

(Nieuwsblad van het Noorden 31 oktober 1946 )


Dichte gordijnen ten teken van rouw

Geert H. vertelde me jaren geleden een keer, dat in de straat alle gordijnen dichtgingen, als er een buurman of buurvrouw begraven werd. De gordijnen gingen dicht en alle buren gingen buiten en voor hun deuren staan. Men zweeg. De mannen deden hun hoeden en petten af als de rouwstoet voorbij kwam.

Dat was in de Groninger volkswijk de Oosterpoort, in de jaren vijftig, toen mijn zegsman jong was. Maar dat sluiten van de gordijnen was ook een officiële gewoonte, merkte ik onlangs, want bij de begrafenis van gemeentesecretaris Van der Blij in 1932 heet het:

“Van de gemeentelijke gebouwen waren heden de gordijnen ten teken van rouw neergelaten.”

Vanwege deze toevalsvondst deed ik een steekproefje met de zoektermen rouw + gordijnen (+ neergelaten) in de digitale leggers van het Nieuwsblad van het Noorden. Zodoende kwam ik aan de weet dat dit neerlaten van gordijnen gewoon usance was in openbare gebouwen bij begrafenissen van belangrijke personages.

Zo waren bij de laatste tocht van de Van Panhuyzen in 1907 de gordijnen neergelaten in het stadhuis, het provinciehuis, de universiteitsgebouwen en het academisch ziekenhuis. Maar hier niet alleen, want onderweg, op de route door de stad naar het westen, gold dat ook  voor “enige huizen”. Bij aankomst van de stoet in Leek, bleek dat dorp zelfs in zware rouw:

“De gordijnen van de verschillende woningen waren neergelaten.”

De laatste meldingen van dit ooit dus vrij algemene gebruik stonden in 1961 in de krant – het betrof onder meer de begrafenis van Commissaris der Koningin Offerhaus.

Dat het gebruik sindsdien, en waarschijnlijk nog in de jaren zestig uitstierf , blijkt impliciet uit een verhaaltje van Simon van Wattum. Hij schrijft in 1981:

“Niemand droeg meer rouw, zelfs de gordijnen gingen niet meer dicht gedurende de tijd dat de dode boven aarde stond.”

Dit sloeg waarschijnlijk op het sterfhuis zelf, maar als dààr al niet de gordijnen dichtgingen, waarom zouden buren dat bij de begrafenis dan nog wel doen?

Aanvulling, 8  januari 2013

Kor F. wees me op de voorschriften in het etiquette-handboek van Amy Groskamp-Ten Have, Hoe hoort het eigenlijk? Volgens de vierde druk uit 1940, pag. 32:

“In het sterfhuis gaan onmiddellijk alle gordijnen dicht tot na den terugkeer van het kerkhof op den dag van de begrafenis.

De buren ter weerszijde en aan den overkant sluiten de gordijnen op den dag van de begrafenis tot na terugkeer der familie van de begraafplaats.”


Hoe men een bedeltraditie om zeep hielp

Nieuwjaarscie gem. H. 1891

BronSchager Courant, 1 februari 1891.

Commentaar: Om welke gemeente H. het hier ging, ben ik niet gewaar kunnen worden. De gemeenteverslagen van Hoogkerk, Haren en Hoogezand over 1891 bieden helaas geen aanknopingspunt. Wel doet dat “achterbuurt” in combinatie met dat “rijke boeren” mij het meest denken aan Hoogezand.

Wat hiertegen spreekt is dat Hoogezand een vrij voorlijke gemeente was. Het nieuwjaarslopen was medio 19e eeuw tot een plaag geworden, in Oost-Groningen liepen ieder begin van het jaar bijvoorbeeld honderden Muntendammers vaak troepsgewijs langs de deuren te bedelen. In heel veel gemeenten waren er daarom vanaf de jaren 1840, 1850 al nieuwjaarscommissies, die de goede gaven bij de beter gesitueerde inzamelden en aan ‘echte armen’ uitdeelden, onder uitsluiting van figuren die van elders kwamen. Het valt moeilijk in te zien waarom Hoogezand voor 1891 niet tot deze gemeenten zou behoren.