Ol boer op klompen

1 - agenda 1947

R. zei dat ze nog oude agenda’s had. Die van 1947 lag toevallig onder handbereik. Het bleek een zakboekje, uitgegeven door de LIJEMPF, de Leeuwarder IJs en Melk Producten Fabriek. Veehouders konden er bijvoorbeeld in aantekenen, wanneer hun koeien waren gedekt. Maar in dit geval waren die pagina’s nog blanco. Achterin het boekje stonden stukjes voorlichting over onder meer melkmachines en tussen ettelijke pagina-paren lagen klavertjes vier. Die verzamelde haar moeder, vertelde ze. Haar moeder had er echt kijk op. Die zette haar kruk bij een koe neer om die koe te melken, en dan zag ze verderop een pol klaver staan en daar haalde ze zo de klavertjes vier tussenuit.

Eerst ventte haar vader zo veel mogelijk melk uit bij klanten in de stad en ging alleen de overtollige melk naar de LIJEMPF in Briltil. Toen de oorlog vorderde, mocht dat niet meer en moest eerst alles naar de LIJEMPF. Daar werd de room eraf geslingerd en dan kregen ze, zeg maar, de blauwe melk in twee soorten terug: taptemelk en melk waar nog een klein beetje vet in zat. Nog weer later, na de oorlog, moest haar vader een keuze maken tussen zijn melkloop en de fabriek. Hij koos voor de fabriek. Eerst was dat de LIJEMPF, maar naderhand moesten ze voor een andere fabriek kiezen en dat werd de Ommelanden aan de Friesestraatweg.

In de oorlog hielp ze haar vader wel mee met het melk rondbrengen in de stad. Daar had ze ook nog zo’n agendaboekje van. Sommige klanten rekenden namelijk niet meteen af, maar pas aan het eind van de week. Dus tekende ze met potlood de bedragen op in dat boekje. Ik vroeg of ze zich nog de naam van zo’n klant wist te herinneren. Ja, Rut Hofman was daar een van. Die had een kapsalon op de zuidhoek van de Carolieweg en de Herestraat. Hij was ook toneelkapper, grimeur, toneelspeler en regisseur en deed samen met zijn vrouw altijd de Tomasvaer en Pieternel op Nieuwjaarsdag.

Bij haar thuis waren ze lid van een rederijkersvereniging, OBK in Adorp. De afkorting stond voor ‘Oefening Baart Kunst’. Maar als ze er de gek mee wilden scheren, zeiden ze ook wel eens: “Ol Boer op Klompen”. OBK had zo’n drie keer per winterhalfjaar een uitvoering. Ze wist nog wel, vlak na de oorlog was het een keer zo glad op de weg, dat ze er op klompen heengingen. Bij OBK hadden ze er helemaal niet op gerekend dat de leden van de Paddepoel die avond nog zouden komen.

Via de OBK waren ze ook lid van de Grunneger Sproak. Ze herinnerde zich nog de voorzitter, Barth de Ridder – die had een radiozaak ergens in de stad. De secretaris, met wie hij later ruzie kreeg, mijn oudoom Hein Vondeling, was wel eens bij ze aan de deur geweest om een praatje te maken.


Het veer te Garnwerd, ooit van Hammingh

Oversetterie Garnwerd octrooi Lewe 1728 2012-11-22 004

Evert Joost Lewe, Heer van Aduard en onderhorige dorpen, &c. verklare door desen dat ik aan Eghbert Clasen en Grietie Hindriks sijn huisvrow tot Garnwert heb geaccordeert en geoctrojeert tot het regt van de oversetterie tot Garnwert, gelijk ik haer octrojere bij desen op naervolgende conditiën:

  • Dat sij sullen wesen vlitige, nughtere en sobere oversetters, d[i]e mensen haren dienst van noden hebbende, gedienstigh, jverigh en beleeft sullen bejegenen en bedienen;
  • Dat sij niet meer en ook niet minder sullen mogen nemen als hier op door het Gerighte is gestelt so als hier onder koomt te volgen en uitgedrukt staet.
  • Dat sij ook in cas van quaede bejegeningh daervan het gerighte sullen moeten adverteren [= inlichten, HP], binnen so korten tijdt als de merite [=ernst] van de sake sal vereissen.
  • Dat sij van jeder mens out ofte jonk, allene ofte met anderen, ofte met enigh vee overvarende, sullen nemen een halve stuver, voor jder peert ofte koebeest andehalve stuver of twe blanken, voor jder out schaep een halve stuver, voor jder lam een oortien; ’s morgens voor sonnen opgangh, ’s avont na sonnen ondergangh en als er ijs in het water is dubbelt.
  • Sullen hiervan geëximeert [= uitgezonderd HP] en bevriet wesen het Huis van Aduard met alle die daertoe enige relatie hebben, het Geright van Aduard met hare dienaren, voor hare personen de predikant, schoolmeester en schatbeurder voor hare personen, de elf huisgesinnen van Klein Garnwert met hare domestiquen en arbeiders, so lange als die actueel in haren dienste sijn en niet langer, voor arme personen en met dese expresse conditie dat sij bij dage, dat is naer sonnen opgangh en voor sonnen ondergangh sullen moeten overvaren of anderzints daer voor betalen neffens  andere so hijr voren staet uitgedrukt.

Aldus gedaen tot Aduard den 13. Meert 1728,

Lewe

Zo luidde het octrooi (alleenrecht) voor de overzetterij of het veer van Garnwerd, verstrekt door de heer Lewe van Aduard in 1728, waarbij ik de voorwaarden maar even achter bolletjes heb gezet. Blijkbaar sprak het niet vanzelf dat  overzetters of veerlieden vlijtig, nuchter en klantvriendelijk waren, daarom werd dit een vereiste in het eerste artikel. Als de overzetters zelf slecht behandeld werden, dan moesten ze het gerecht daarvan op de hoogte stellen, des te sneller naarmate de zaak ernstiger was. De tarieven schreef de heer van Aduard voor in het vierde artikel – bij duister en ijsgang betaalden de klanten het dubbele. Tot slot definieerde hij in het vijfde artikel enkele groepen die (overdag) niet hoefden te betalen. Vooral die laatste voorwaarde zou in de nadagen van het veer problemen geven, waarover straks meer.

de afgesneden bocht van Garnwerd

Het Garnwerder veer dateerde van een eeuw eerder. De provincie, die hier grootgrondbezitter was, sneed toen de drie Hunze- of Reitdiepmeanders ten oosten van Garnwerd af met een kaarsrecht kanaal tussen Wetsingerzijl en Schilligeham. Op deze manier raakte een kleiner gedeelte van Garnwerd ten oosten van dit nieuwe diep, oftewel Klein Garnwerd, afgesneden van het grootste gedeelte van het kerspel inclusief het kerkdorp op de wierde. Dit was vooral nadelig voor de Klein Garnwerders. Als zij land aan de westkant van het nieuwe diep hadden, of koren naar de molen wilden brengen, of naar de kerk wilden, moesten ze over dat diep. Dat gold ook voor de dominee, de deurwaarder en de schatbeurder, als die iemand in Klein Garnwerd wilden bezoeken. Daarom verzochten de Klein Garnwerders in 1630 de provincie om de instelling van een “overvaart” of veer. En de Staten van Stad & Lande zagen het billijke van dat verzoek in. Anno 1631 stelden ze een provinciale veerman aan, die in ruil voor het gratis overzetten van de Klein Garnwerders de beschikking kreeg over een stuk dijk, groot 7 gras (bijna 3 ha.), ten zuiden van de Garnwerder molen.

Zowel het veer als het bijbehorende land raakten beklemd onder het huis van de veerman, die beide dus in onveranderlijke erfpacht kreeg. Dit hield wel in dat bij een overdracht van deze erfpacht een of meerdere ‘geschenken’ betaald moesten worden. Bij een verkoop van de beklemming betaalden de verkoper en de koper elk 40 gulden, en bij een vererving van ouder op kind gold kreeg de provincie eenmalig hetzelfde bedrag. Bij hertrouwen van een weduwnaar of weduwe was het bedrag voor het inboeken van zijn of haar nieuwe partner 25 gulden.  Als er geen erfgenamen in rechte lijn waren, verviel de beklemming van veer en land op de eigenaar, en moesten erven van de beklemde meier uit de collaterale of zijlinie 250 gulden betalen. Naast deze incidentele sommen kreeg  de provincie jaarlijks hoogstwaarschijnlijk een derde deel van de opbrengst uit de overzetterij.

Dit althans waren de voorwaarden die in de 18e eeuw golden, toen het veerrecht en het bijbehorende land hoorden bij de rechtstoel Aduard, die in handen was van de Lewes.  Waarschijnlijk had de provincie het veerrecht en ’t land in de tweede helft van de 17e eeuw overgedragen aan de rechtstoel. Onbekend is wanneer dit precies gebeurde, maar hoe dan ook, bij dergelijke overdrachten bleven de pachtvoorwaarden gewoonlijk onveranderd, want ook toen al brak koop geen huur.

Wel behield de provincie zich aanvankelijk het recht voor, dat een nieuwe veerman alleen met haar goedkeuring mocht worden aangesteld. Dat gebeurde in 1700 nog, maar dat was, naar het zich laat aanzien, dan ook de laatste keer, want uit 1728, bijvooreeld, is een dergelijke approbatie niet bekend.

In 1812 registreerde de keizerlijke overheid het Garnwerder veer nog eens, waarmee ze dit veer tevens als wettig erkende. Drie jaar later, toen alle vastgoed en heerlijke rechten van de familie Lewe van Aduard onder de hamer kwamen, kocht degene die het veer bediende het eigendom van het veerrecht met de grond uit deze boedel. Zo raakte zij niet alleen verlost van de betaling van de geschenken en de jaarlijkse afdracht van eenderde deel van de opbrengst, maar werd ze ook volledig eigenaar van het octrooirecht en het bijbehorende land.

Tot 1888 bestond het veer uit een bootje. Mensen, schapen, geiten en kleinere dieren werden met dit bootje overgezet, maar paarden en koeien konden er niet in. Die werden met een touw achter het bootje gebonden en zwommen zo het diep over. Dat jaar kocht de gemeente Ezinge van de provincie Groningen het veerpont van de Wierumerschouw, dat door een brug overbodig was geworden. Ze gaf het vaartuig in bruikleen aan kastelein Hammingh, dan de veerman van Garnwerd. De gemeente zorgde er ook voor, dat op beide oevers adequate aanlegplaatsen voor het veerpont kwamen.

Nog tot in de Eerste Wereldoorlog zette Hammingh, conform de eeuwenoude voorwaarden, de bewoners van Klein Garnwerd gratis over. Toen werd het hem te gortig en ging hij veergeld van ze vragen. Een van de boeren van Klein Garnwerd begon daarom in 1917 een proces tegen Hammingh, waarbij hij kosteloze overzetting eiste, naast een schadevergoeding wegens de betalingen tot dan toe. Volgens de boer zou het gaan om een privaatrechtelijk voorrecht, dat vanaf 1631 had bestaan. Hammingh ontkende een dergelijk privilege. Volgens hem was het veer een publiekrechtelijke instelling uit 1631, en was hij te beschouwen als slechts de veerknecht van de provincie. De Rechtbank was het met Hammingh eens en omdat er dus geen burgerlijke rechtsband tussen eiser en gedaagde bestond, verklaarde zij de boer niet ontvankelijk in zijn eis. Tegen dit vonnis tekende de boer geen hoger beroep aan, zodat Hammingh veergeld van de Klein Garnwerders kon blijven vragen. Het was overigens een pyrrhus-overwinning, want de de bewoners van Klein Garnwerd maakten voortaan geen gebruik meer van Hamminghs veer. Ze kochten  een eigen boot waarmee ze zichzelf gingen overzetten.

Café Hamming te Garnwerd met pontveer, ca. 1900. Bron: HJRNoorden op Flickr.

Café Hamming te Garnwerd met pontveer, ca. 1900. Bron: HJRNoorden op Flickr.

De voor hem zo goede afloop in het geding van 1917 zou zich nog verder tegen Hammingh keren. In 1931 wilde de provincie een brug over het Reitdiep bij Garnwerd aanleggen, waardoor het veer van Hammingh in één klap waardeloos zou worden. Hammingh verzette zich eerst tegen de komst van deze brug en eiste vervolgens 25.000 gulden schadevergoeding krachtens zijn veerrecht, dat hij, anders dan in 1917, nu wel als een publiekrechtelijke zaak wenste te beschouwen. De provincie bood slechts 8000 gulden en omdat de onderhandelingen op niets uitliepen, begon ze een proces tegen Hammingh. Daarbij beriep de provincie zich op het vonnis uit 1917 dat stelde dat Hammingh geen eigenaar van het veer was, maar slechts bedienaar. Hammingh koos eieren voor zijn geld en bood een schikking aan. Uiteindelijk kreeg hij slechts 4500 gulden, terwijl zijn netto verdiensten van het veer ongeveer 1000 gulden per jaar waren geweest. Als kastelein begroette hij trouwens wèl de brug bij zijn café in Garnwerd. Die brug zal de gederfde inkomsten uit zijn veer ook ruim hebben vergoed.

De beide rechtszaken over het Garnwerder veer vormden naderhand voer voor een voortdurend rechtshistorisch debat over het publiek-, dan wel privaatrechtelijke karakter van dit veer.

Momenteel is er een provinciaal plan om een eindje verder, tussen Aduarderzijl en Schaphalsterzijl, een nieuw veerpontje voor fietsers aan te leggen.

Bronnen:

  • RHC Groninger Archieven toegang 547, archief familie Lewe inv.nr. 414: staatboek Evert Joost Lewe van Aduard fol. 61 en 62.
  • A.S. de Blécourt, ‘Het veer te Garnwerd’, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis V (1924) 57-75.
  • A.S. de Blécourt, ‘De opheffing van het veer te Garnwerd’, Tijdschrift voor Rechtsgeschiedenis XIII (1935) 405-436.
  • Frits Brandsma, ‘Een sigaar uit eigen doos. Café Hammingh en het veerrecht’ in: Paul Brood en René Flach red., Historische Groninger rechtszaken (Bedum z.j.) 42-48.

Garnwerd brug 1977


Een schat voor alle tijden, deels foetsie

‘In de eerste plaats herinner ik in dit verband aan Van Mesdag als psychiatrisch en psychologisch voorlichter van den rechter, waarbij hij zich immer van de hem door Rechtbank of Hof gegeven opdracht kweet na een zeer nauwkeurig onderzoek, waarvan de resultaten werden neergelegd in een geheel met eigen hand geschreven uitgebreid verslag, waarin geen enkele vraag onbeantwoord werd gelaten. Een schat van voor alle tijden wetenschappelijk hoogst gewichtig materiaal ligt daardoor opgetast in de gerechtelijke archieven speciaal in het noorden des lands, en een medicus, die zich mocht geroepen voelen om zich te specialiseren op dit gebied, zoude geen betere studie-stof en geen meer navolgenswaardige voorbeelden kunnen vinden dan Van Mesdag’s onvolprezen expertise-verslagen.’

Aldus O. J. Cluysenaar in zijn In Memoriam (1943) voor Synco van Mesdag, de forensisch psychiater wiens naam verbonden is aan de Van Mesdagkliniek.

De jurist Cluysenaar was mogelijk iets te optimistisch over die ‘schat’, opgetast in  de gerechtelijke archieven van vooral het noorden des lands. Je kunt niet alles bewaren en het lijkt erop dat bij het opschonen van gerechtelijke archieven de ruimtevretende, maar op een individueel niveau ook zeer informatieve procesdossiers nogal eens worden vernietigd. Die van de meervoudige strafkamer bij de Groninger Arrondissementsrechtbank blijken nog wel bewaard, maar dat geldt – voor zover ik kan nagaan – niet voor die van het Hof in Leeuwarden en ook verder zouden Van Mesdags zo leerzame rapportages nog wel eens door de papierversnipperaar kunnen zijn gegaan.

Overigens is het de vraag of dat erg is. Hoe invloedrijk Van Mesdag ook was, een poging om een serieuze biografie van hem te schrijven, lijkt er nooit te zijn ondernomen.

Nu ik er nog even over nadenk: toch wel jammer, eigenlijk. Het zou bijvoorbeeld een mooie klus kunnen zijn voor een psychiater met een historische interesse (als er überhaupt nog zo iemand rondloopt).

 


Waar komt de naam Briltil vandaan?

Bril 17e eeuw

Volgens de Wikipedia zou het dorp Briltil rond of zelfs iets voor 1600 zijn ontstaan. Til staat uiteraard voor brug,  en “bril betekent drassig land”, aldus de internet-encyclopedie. Die in dit geval verder geen verklaring geeft, zoals ze dat nog wel doet bij het lemma Brillerij. “Bril”, zo meent de Wikipedia daar, “is oudfries voor drassig land”. Op nog weer een andere plek, bij Bruilweering, acht ze de naam afgeleid van “bruil (drassig land)” en als je dan doorklikt, kom je uit bij bruul, “oorspronkelijk een afgepaald gebied”, later “een braakliggend en vaak moerassig stuk land, meestal net houtgewas begroeid”.

Ik moet zeggen dat ik mijn vraagtekens heb bij deze afleidingen. In de eerste plaats omdat ik dergelijke verwijzingen naar Oudfriese drassigheid niet tegenkom bij de lemmata bril in het WNT en het WFT, zoals die in één pakketje op internet te vinden zijn.

Maar om me nu even tot Briltil te beperken, eind 16e eeuw werd het Fries in deze omgeving sowieso alleen nog maar door  ‘import’  gesproken, en of die dan nog steeds haar stempel kon drukken op lokale toponiemen is twijfelachtig. Bovendien lijkt een oudere vermelding van Bril ter plaatse niet voor te komen, zodat het gebruiken van een middeleeuwse veldnaam ter aanduiding van het gehucht ook niet voor de hand ligt.

Het is zelfs de vraag of er rond 1600 meteen al sprake  was van een gehucht.  Ik denk van niet, volgens mij is dat gehucht pas na ca. 1650 ontstaan rond een misschien al wat ouder huis dat bekend stond als De Bril. Van dit huis vond ik een koopcontract uit 1810, toen het door Grietje Jannes, de wed. Tomes Tekkes (Oostinga), verkocht werd aan Hindrik Derks (Kranenborg) en diens vrouw Geeske Eltjes. Het heet dan:

Eener behuisinge de Bril genaamd onder Zuidhorn No 37 wordende tot dus verre door de woners van het oppassen van het verlaat van dit departement Groningen jaarlijks genoten tien ducatons en verdere emolumenten wegens het doorschutten van schepen; benevens de vaste beklemming van 33 grazen land, geleegen onder Zuidhorn en Noordhorn (…) doende jaarlijks aan Jacob Ebels en vrouw tot hure ƒ 36-5-0.

Met andere woorden, onder huize De Bril zat ruim 13 hectare land beklemd, zodat je het een (kleine) boerderij mag noemen. Ook bedienden de bewoners het verlaat of de sluis ter plaatse. Bij veel verlaten fungeerde het huis  van de verlaatsmeester tevens als tapperij, waarmee een mooie duit werd bijverdiend. Dat zal ook hier het geval geweest zijn.

Waarschijnlijk  was de boerderij-verlaatsmeesterswoning-tapperij al het eigendom van verkoopsters schoonvader geweest, want de kopers beloofden een oude, door haar geërfde schuldbrief ten laste van Tekke Tomes en diens vrouw Romtje Klaasen te delgen. In elk geval moesten kopers de redelijk considerabele aankoopsom  van 3400 gulden voor Oude Mei 1810 voldoen.

De Bril was een vrij gangbare huisnaam, die je bijvoorbeeld ook aantrof in Groningen,  Delft en Amsterdam. In alle gevallen zal er een bril-achtig beeldmerk op een uithangbord of gevelsteen hebben gestaan. Het kan ook zijn dat het een lemniscaat betrof, symbool voor de oneindigheid en het eeuwige leven. In het geval van De Bril bij Zuidhorn zou dat dan net als een gewone bril hebben kunnen slaan op het weidse uitzicht langs zowel het Hoendiep als het Kolonelsdiep.

Dankzij de naam van de koper in 1810 is namelijk vrij eenvoudig de exacte locatie van De Bril ten tijde van het eerste kadaster, te bepalen. De boerderij-sluiswachterswoning-tapperij bevond zich exact op de plek waar zich nu het bekende steakhouse van André Dokter bevindt:

De Bril

Hoe dominant De Bril indertijd nog in deze omgeving was,  blijkt als we het bijbehorende landbezit bij Hisgis laten oplichten:

De Bril land bij

Kortom, de Bril was een boerderij-verlaatsmeesterswoning-tapperij die zijn opkomst vooral dankte aan het kruispunt van vaarwegen ter plaatse. Waarschijnlijk bevatte het uithangbord een bril of lemniscaat, waarbij in beide gevallen het uitzicht èn het eeuwige leven een motief zouden kunnen hebben gevormd. Vooral dankzij de komst van het Hoendiep gaat dit huis floreren. Na verloop van tijd ontstaat er een gehucht rond De Bril, dat dan net als de brug de naam aan het hier dominante vastgoed ontleent.

Bron van de geciteerde akte: RHC Groninger Archieven, toegang 735 – Jurisdictie Westerkwartier, inv.nr. 677 d.d. 25 januari 1810.


Klok van Midwolde had ‘zilveren’ klank

Vroeger hebben wij al eens gezegd, dat de tegenwoordige torenklok in de kerk te Midwolde is gegoten uit een oudere klok, welke bij het luiden over den dood van Koning Willem III van Engeland en Stadhouder van de Republiek der Vereenigde Nederlanden was gebarsten in 1702. Dit gieten geschiedde op last van Anna van Ewsum en haar gemaal Georg Wilhelm, graaf van Inn und Kniphausen.

Dit blijkt ook uit het opschrift van de klok, hetwelk aldus luidt: „Georg Wilhelm ende Anna van Ewsum, graaf ende graevinne van Inhuisen ende Kniphuisen, heer ende vrouw van Nienoort ende des landes Vredewoldt hebben deze klocke, gebarsten door het luiden over de doot van Wilhelm III, koning van Groot-Brittaniën, weder laten vergieten anno MDCCIV. Mamees Tremij me fecit.”

Volgens de overlevering moet deze klok te Midwolde, of misschien wel op Nienoord zelf, zijn gegoten, althans wanneer de legende, die omtrent dat gieten nog heden ten dage bij het volk is verspreid, eenigen grond van waarheid bevat, hetgeen niet onwaarschijnlijk is. Deze legende luidt aldus: Toen de specie voor de klok gereed was om in den vorm gegoten te worden, kwam de gravin Anna van Ewsum nog met een groote hoeveelheid zilveren sieraden in haar schort aandragen en wierp die in het kokende metaal, waarin ze natuurlijk dadelijk versmolten. Zij deed dit om aan de klok een nog schooneren klank te geven. Een dienstmaagd, volgens anderen een arme vrouw, die van deze handelwijze getuige was, vond het zonde en schande van al dat mooie zilverwerk en vroeg verlof om uit het kostbare metaal een schep te mogen doen met een metalen maat of lepel, die zij toevallig in de hand had. Dit verzoek werd haar bereidwillig toegestaan; maar zij kwam met al haar begeerlijkheid niet best weg. Toen zij namelijk de maat in het metaal dompelde, smolt deze terstond en hield zij enkel het oor of handvatsel in de hand.

De vroegere torenklok gold nog meer dan de tegenwoordige voor de zwaarste in de provincie, ook werd daarvan verteld, dat zij zooveel zilver bevatte, dat zij in helderheid van klank de groote klok van den Martinitoren te Groningen overtrof, of zooals men zei: „Dat zij boven den Groninger toren (d. w. z. de groote Gron. klok) ging.”

Het is dus ook zeer goed mogelijk, dat de boven verhaalde legende doelt op het gieten van de eerste klok, maar dan zijn daar natuurlijk andere personen bij betrokken geweest.

Verder verhaalt men, dat de Regeering van Groningen, over die klank hetzij dan van de oude of van de nieuwe klok, afgunstig was en het zoover wist te krijgen, dat de klankgaten in den toren werden gesloten, opdat men het luiden niet te ver zou hooren. Misschien wilde de Regeering daardoor wel haar meerderheid aan de Heeren van Nienoord laten gevoelen; want die Heeren waren niet gemakkelijk en hadden (…) heel wat te zeggen in het Landschap „Vredewold” — en in het Westerkwartier, en daardoor ook in de Ommelanden. Dat de Stad en de Ommelanden vaak met elkaar overhoop lagen is uit de Vaderlandsche geschiedenis genoeg bekend en dat zij elkander meermalen een vlieg trachtten af te vangen eveneens. Daargelaten nu maar, of de Stadsregeering, of wel het Bestuur van Stad en Lande het sluiten van de klankgaten wist gedaan te krijgen, een feit is het, dat de acht bovenste klankgaten in later tijd, d. i. na het bouwen van den toren, zijn dichtgemetseld. In 1874 zijn de vier ooster- en westerklankgaten op last van de Kerkvoogden van Midwolde en Leek weder geopend, de andere zijn tot heden nog gesloten gebleven. In weerwil daarvan is het luiden van de klok soms zeer ver in den omtrek te hooren, hetgeen vroeger ook inderdaad wel noodzakelijk was; want toen behoorde niet alleen Leek tot het kerspel Midwolde, maar ook geheel Zevenhuizen en waren de verste bewoners wel twee uur van de kerk verwijderd. Al is dus de tegenwoordige klok in den toren van Midwolde nog maar een paar eeuwen oud, hetgeen voor een torenklok geen hooge ouderdom is, toch heeft zij haar metalen stem bij vele blijde en treurige gebeurtenissen doen hooren en zou zij ons van het Landschap „Vredewold’ heel wat kunnen verhalen, als zij spreken kon.

Bron: Vredewoldius – Uit Vredewold XXII, Nieuwsblad van het Noorden 28 januari 1911.

NB: Vredewoldius had kennelijk een soort voorgevoel, want bij een restauratie van de Midwoldiger kerk en toren bleek nog in hetzelfde jaar 1911, dat de klok van 1704 “geheel gebarsten” was. Deze werd begin 1912 inclusief het opschrift van 1704 hergoten door het bekende klokkengietersbedrijf van de Gebr. van Bergen te Midwolda (Oldambt), dat de klok op zaterdag 29 maart 1912 weer ophing.

Het is deze replica-klok uit 1912 waarvan Pathuis nog in 1977 het opschrift opnam in zijn Groninger Gedenkwaardigheden (nr. 2704). Toen Tonko Ufkes en ik een paar jaar geleden, afgaande op de door ons zeer gerespecteerde Pathuis, de toren van Midwolde beklommen, om voor een thema-nummer van Stad & Lande een foto van dat klok-opschrift uit 1912/1704 te maken, bleek deze klok echter in 1949 te zijn vervangen door een exemplaar met een heel ander opschrift. Aangezien de luizolder alleen via een lange losse ladder door een tamelijk donkere ruimte te bereiken viel, voelden Tonko en ik ons wel een beetje bekocht door die Pathuis.

Nu ik nog even nadenk over het bovenstaande, vraag ik me wel af wat de firma Van Bergen in 1911 met dat zilver van Anna van Ewsum deed. Of zouden ze er helemaal niets van hebben gemerkt?

Nog even het geluid van de huidige klok, zoals geregistreerd door Dennis Wubs.


Bijzonder gestorven te Wierum en Dorkwerd

Bij het doornemen van het kerkboek van de gecombineerde gemeente Wierum en Dorkwerd zag ik enkele bijzondere sterfgevallen voorbijkomen:

29 april 1702

Den 29 dito is Derkje, een dochtertje van Peter Hendriks en Mar[tje] Geerts te Dorquert, door een opstaande bette dootgeslagen.

Ik weet niet goed wat ik me hierbij moet voorstellen. Bette zal wel geen kwaad wijf zijn. Hou het er maar op dat er een bat (ofwel een bruggetje) omhoogstond, die onverhoeds op het hoofd van het arme wicht neerdaalde. Haar ouders woonden bij de kerk van Dorkwerd.  In 1703 lieten ze opnieuw een dochtertje Derkje dopen. In 1705 overleed de vader, die ouderling van de gemeente bleek te zijn. Postuum kwam er nog een dochter. De weduwe hertrouwde, bleef met haar nieuwe man op dezelfde plek wonen, waar ze nog meerdere kinderen kregen.

17 mei 1707

Den 17 May is in Groningen gestorven Marthen Eylards vryster, twee maanden over eenendertig jaaren oud, van kinds op sonder verstand en spraak geweest, als ook verswakt in haare leeden, en van onse Diaconye te Wierum in de Stad bovengemeld onderhouwden, legt op onse kerkhov begraven.

Deze doofstomme en naar het zich laat aanzien ook verder meervoudig gehandicapte vrouw, die in Groningen verzorgd werd, was mogelijk de zuster van Klaas Eylards in de Grouwelerye.

16 juni 1710

Den 16 Junij is mijn veel waarde en seer lieve Huysvrouw Margareta Molenkamp, anders Ysbrands, gestorven.

Ds. IJsbrands kweet zich van de droeve plicht, melding te maken van het overlijden van zijn echtgenote.

5 – 14 februari 1712

Den 5 van sprockelmaand is volgens bericht op Den Ham in de pockens overleden Roelefke Reynders, een bedaagde vryster, te Wierum boorachtigh, ende hier te Wierum begraven.

Den 9 dito is overleden in de kinder Pockens Egbert Jacobs, booragtigh van Garlsweer, een echt-man, dog van sijn vrouw gescheyden, en is hier te Wierum begraven.

De 14 van sprockelmaand is te Wierum in de kinderpockens gestorven Grietje, een dochter van wijlen Timon Jans ende Corneliske Rijkels ehelieden, in haar leven woonachtigh te Dorquert, en is te Dorquert begraven.

Kenneljk heerste er een pokkenepidemie in 1712. Dat jaar heerste de ziekte ook in Italië en Boston en tevens bij Kaap de Goede Hoop, waar vooral de Hottentotten het slachtoffer werden.

15 september 1720

Den 15 dito is Harmtjen Hoving, huysvrouw van Evert Oostenrijk, in haar eygen huys op sondagh onder de predicatie groulijk en vreedlijk vermoort.


De krantenpolitiek van de Commercieele Club

De  secretaris vraagt, in welke bladen in het vervolg moet worden geadverteerd. De oplagen der te Groningen verschijnende bladen is als volgt:

Nieuwsblad v/h Noorden
Groninger Dagblad
Nw. Prov. Gr. Crt.
Het Vrije Volk
Ons Noorden
ca. 40.000 exemplaren
,,    21.000               ,,
,,    22.000               ,,
,,    24.000               ,,
,,    11.500               ,,

Besloten wordt, om voortaan niet meer te adverteeren in het Vrije Volk, omdat men van meening is, dat de lezers van dat blad toch geen belangstellende menschen zijn voor de Commercieele Club. Mochten er toch nog enkele belangstellenden onder zijn abonné’s zijn, dan zijn deze zeker ook wel gebonneerd op één der andere 4 bladen.

Verder wordt meteen besloten, dat “de Waarheid” in ’t vervolg geen uitnoodiging meer zal ontvangen voor onze lezingen, terwijl de voorzitter op de eerstvolgende lezing bij de opening zal mededelen, dat wij het op prijs stellen, dat de pers niet in debat komt, aangezien de pers-menschen zich als verslaggevers in ons midden bevinden en dus een geheel andere taak hebben.

Uit de bestuursnotulen d.d. 9 december 1946 van de Commercieele Club te Groningen. Wat allereerst opvalt is dat het ‘neutrale’ Nieuwsblad van het Noorden op dat moment alweer verre de andere titels overvleugeld heeft, terwijl het na de oorlog toch een poos niet is verschenen. Het kwam pas sinds eind januari 1946 weer uit, op dat moment in een oplage van 35.000 exemplaren, die in ruim tien maanden tijd dus alweer met 5000 gegroeid was.

Drie kranten, respectievelijk Het Vrije Volk – van socialistische huize – de gereformeerde Nieuwe Provinciale Groninger Courant  en het liberale Groninger Dagblad hebben iets meer dan de helft van de oplage die het Nieuwsblad aan de potentiële adverteerder opgaf. Het katholieke Ons Noorden zette half zoveel kranten af als deze middenmotors.

De Commercieele Club, een vereniging voor directeuren van grote ondernemingen, maar ook wel van kleinere handelsmensen, had duidelijk moeite met de rooie pers. In het Vrije Volk adverteerde men niet, omdat men onverschilligheid veronderstelde bij zijn lezers, vooral leden van de PvdA en het grootste vakverbond, het NVV. In feite wist men natuurlijk weinig van die belangstelling, de werkelijke reden zal gewoon zijn geweest, dat daar de doelgroep van de Commercieele Club niet zat.

De communistische krant De Waarheid wordt niet genoemd in het oplagenlijstje. De redactie hiervan krijgt zelfs geen uitnodiging of persbericht meer van ophanden zijnde lezingen, waarschijnlijk omdat een Waarheid-verslaggever wat al te fel debatteerde met iemand die zo’n praatje voor de Commercieele Club hield. Aan de andere kant zit in de weerzin, die tussen de regels door schemert, ook al iets van de Koude Oorlog. Volgens de boekjes begon die met de Fultonspeech van Churchill, op 5 maart dat jaar.

Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 1545: archief Commerciële Club Groningen 1946-1978, inv. nr. 2 – bestuursnotulen 1946-1950.


‘Alles ongemeen vermakelyk voor ’t gezicht’

Notaris Van der Jagts passages over Groningerland zijn ten eerste opmerkelijk, doordat hij de Hondsrug, die “ryzenden en dalenden grond”, herhaaldelijk de Bisschopsrug noemt, al slaat hij de plank mis door deze vernoeming aan de bischop van Münster toe te schrijven. ‘s Mans algemene schetsen en historiserende bespiegelingen laat ik ook hier maar voor wat ze zijn, er staat helemaal niets in wat hij niet uit boekjes kon halen. Zo brengt hij over het Oldambt en de drie Ommelanden nauwelijks iets origineels te berde; elementen die door hun detaillering aan een echte reisbeschrijving doen denken, tref je eigenlijk alleen maar aan in zijn stukjes over de Stad en Hoogezand-Sappemeer.

Van der Jagt kwam vanaf Zuidlaren over de Bisschopsrug:

 Langs zeer breede boomryke wegen, tusschen veel hooger gelegen zaailand zyn wy door het dorp Haren naar de Stad Groningen gereden. Men wordt verrascht door eene fraai beplantte voorstad; door dezelve nadert men de buitenwerken, met eene drooge gracht omvangen, daar achter eene schoone plantaadje en aangelegen tuinen. De singels zyn daar met verscheiden ryen boomen beplant, de gracht is er zeer wyd en de groene wal, ook met boomen bezet, verbazend hoog. Alles is hier breed, groot, ongemeen vermakelyk voor ’t gezicht.

Volgens Van der Jagt bestond er al decennialang economische groei in de stad Groningen:

Men dryft er grooten handel in de voortbrengselen des lands als paarden, ossen, koeien, boter, kaas, granen, turf enz.

Wat betreft de gebouwde omgeving leek de Hollandse notaris vooral onder de indruk van de Grote Markt, die volgens hem “voor de grootste der Nederlanden” werd gehouden. Over de Martinitoren tekende hij op: “Beantwoordt aan de ruimte der breede Markt”. Net zoals tegenwoordige toeristen dat zouden doen, beklom hij deze toren:

Een matroos draaide zich rond aan den staart van den windwyzer, een paard verbeeldende. Wy vergenoegen ons met het beklimmen van den pynappel en ’t aller schoonst gezicht over de Stad, het landschap en Drent.

Die pijnappel bovenop de Martinitoren, ooit alleen te bereiken met een doodeng trappetje in de open lucht, is tegenwoordig allang niet meer voor iedereen toegankelijk. Weer veilig op de begane grond afgedaald, sprak Van der Jagt zijn bewondering uit voor een stukje straatmeubilair:

Men ontmoet, daar water ontbreekt, fraai gebouwde pompen.

Ook gaf hij door wanneer je het meeste volk zou kunnen aantreffen op de Grote Markt:

Dingsdags en vrydags is ’t hier marktdag.

Verder ging hij alle kerken en grote openbare gebouwen af. Een unieke observatie levert de notaris,  zelf immers ook een rechtsgeleerde, van de Hoge Justitie Kamer in de Boteringestraat:

Op de lezenaars vonden wy de onderscheiden deelsrechten dezes landschaps, en de landrechten der naastgelegen landschappen, waarop men zich hier ook beroept, wanneer eigen landrecht zwygt.

Aardig is ook nog wel ’s mans  kijkje buiten de Herepoort,

…langs de breede boomryke voorstad naar de Plantaadje, waarin een schoon Starrebosch en frissche waterkom, met rustbanken omzet, op welke verscheiden lanen uitloopen. Door een van de langste lanen deze plantaadje zien men St. Maartens Toren.

Maar het meest bijzonder vind ik toch zijn beschrijving van het elders weinig beschreven Hoogezand en Sappemeer, waar hij met de Winschoter trekschuit aankwam. Hoogezand was in zijn ogen “eene nog nieuwe volksplanting”:

De gedurige doortogt maakt hier den weg, die met boomen beplant is, zoo levendig, dat men zich gemaklyk verbeeldt aan den weg van Amsteldam op Haarlem te zyn. Daarby is de vaart bij uitstekenheid scheepryk. Hier is bosch, bouw- en weiland. Uit onze rustplaats zien wy de toren van Zuidlaren, in ’t geboomte. De kloktoren van ’t Hoogezand staat by den kerkhof en is door de vaart op eenigen afstand van de kerk gescheiden. Men vindt hier venery, allerlei ambachten, in ’t byzonder ook veele groote schuitmakeryen, kalkbrandery enz. Bevalligheid is hier met regelmaat gepaart. De dwars- of kruisvaarten zyn ook gebouwt met zinlyke huizen en beplant met hoog opgaand geboomte. Op ’t veld ziet men allerlei gewasschen. Op eenigen afstand wordt men verrascht door een wildgroeiend starrebosch en rustplaats van zoden, in gemeen gebruik, doch eenzaam. Men vindt hier lutherschen, doopsgezinden en roomschen. Enkele mannen onder de doopsgezinden dragen hier nog lange baarden.

Zowel Hoogezand als Sappemeer noemt hij “alom zeer volkryk”. Over Sappemeer constateert hij: “Men vindt hier veele buitenplaatsen”. Een daarvan, mogelijk die van gezworene Star Lichtenvoort, stond er deerniswekkend bij. Net als in Meppel ging het om een nog zichtbaar restant van de Oranjefurie die vanaf september 1787 over het land ging:

Wy zagen een aanzienlyk huis, met planken versiert. Wy hebben de overblyfsels der verwoesting op ons reisjen door ’t Vaderland niet overal gezien of opgemerkt; veel is herstelt; men moest hier, gelyk alom, vrolyk zyn.

Bij Sappemeer maakte Van der Jagt een lange wandeling:

Dus ziet men ook eens eene verbazende uitgestrektheid van bouwland, waar te voren bosch en veen was. Als op deze hooge landen, waarin de sluizen het water binnen houden, het hout gekapt en uitgeroeit, en de turfaarde afgestoken is, bemest men ’t land voor ’t eerst met stratendrek, anders is er nooit iets goeds van te maken, gelyk duidelyk te zien is op die plekken, daar men hiermede te zuinig was en dit wilde verbeteren. Men heeft aan turf en turfaarde, door brand, wel schade geleden.

Vergeleken bij deze beschrijving doen Van der Jagt zijn schetsen van de andere Groninger landstreken maar bleek, plichtmatig, afgeraffeld aan.  Zo verliet hij de provincie langs het Hoendiep, met de trekschuit op Stroobos. En weet hij eigenlijk alleen nog over Hoogkerk en Noordhorn iets  te zeggen, dat lijkt voort te komen uit eigen waarneming :

Nu varen wy door ’t westerdeel, ’t geen noordwaards vruchtbaar bouw- en weiland, zuidwaard bosschaadje en omtrent de stad lage wei- en hooilanden heeft. (…) Het dorp Hoogkerke, ’t geen wy langs varen, heeft geen toren, de klok hangt in de open lucht. Schoon is ook ’t gezicht van dezen kant, op de Stad. Hoe wel smaakt het zoogenoemde windbier, aan het dorp Noordhorn!

Bron: Gerrit van der Jagt, Het Vaderland (Amsterdam 1791) pag. 568-586.


Zult, ’s lands lekkernij van Drenthe (1791)

Het Vaderland (1791), door de Hollandse notaris Gerrit van der Jagt,  is een geografisch-historisch leerboek, gegoten in de vorm van een dialoog tussen een vader en een zoon, waarbij de vader bijna voortdurend aan het woord is.

Het werk bevat vele plichtmatige lesjes, waar niets origineels aan te ontdekken valt. Ook schiet Van der Jagt nogal eens van de hak op de tak. Kennelijk was het hem niet gegeven om wat gestructureerder te werken dan hij deed.

Allemaal redenen om je schouders op te halen over zijn werk, ware het niet dat daar passages in voorkomen die erop duiden dat hij daadwerkelijk ons land bereisd had. De authentieke brokjes reisbeschrijving haal ik nu even voor wat betreft Drenthe uit Van der Jagt zijn didactische brij.

Van der Jagt benaderde Drenthe vanuit Zwolle. Over de Vecht werden de wegen en de landerijen minder van kwaliteit, bij Rouveen en Staphorst waren ze weer wat beter, om helemaal slecht te worden tot aan het Drentse tolhek, op de Werkhorst bij Meppel. Vanaf die plek werd het rijden met een rijtuig wat comfortabeler:

Daar ryst het land weer aanmerkelyk, bevrydt ons van schokken en inslorping, wanneer het geregent heeft; want hier zyn geen watermolens.

In Van der Jagts beschrijving van Drenthe in het algemeen vinden we weer eens de venen en de turfgraverij, de onvruchtbare heiden en de schapen, die bijna in elke beschrijving van de Olde Landschap voorkomen. Wel heeft de notaris misschien wat meer oog dan andere reizigers voor het gemeenschappelijke eigendom en werk van de Drenten:

De oogsttyd begint en eindigt op een vastgestelden dag, met het luiden der klokken. (… ) de heiden, met gras begroeit, zyn in gemeen gebruik.

Van de Jagt stipt de afwatering door beken, de nieuwe Drentse Hoofdvaart (1769 – 1783) en de nieuwe nederzetting Smilde aan en werpt zich na een passage over de hunebedden op de Middeleeuwen en de staatsinrichting van Drenthe, om dan weer terug te keren bij het tolhek op de Werkhorst:

Wy namen den langsten, maar vermaaklyksten weg en zagen reeds van verre den zwaren stompen toren van Meppelt, met een lagen kap gedekt. Wy zyn dit vlek of open steedje, welks grond weer lager en met water doorsneden is, by het dalen der zon, langs een beplantten weg, nevens schoon weiland genadert. Hier is de samenvloeijing van verscheiden beken en de doortogt der Drentsche turffschepen. Er wordt veel vlas gesponnen en linnen geweven; men maakt er ook zeildoek en gestreepte wollen stoffen. De straten zyn zeer wel geregelt, de huizen welgebouwd en er heerscht die zinlykheid die met welvaart zich ligtelyk vereenigt. De plaats is volkryk, naar hare grootte. Men zeide my daar dat er 3000 leden der hervormde gemeente zyn; omtrent het jaar 1776 waren er, volgens eene aantekening, tusschen de 15 en 1500.

Van der Jagt bezocht die avond de Meppeler kerk, en bezichtigde ook een totaal gesloopt pand, het onderkomen van de patriotse sociëteit, voordat de Orangistische contrarevolutie van september 1787 er radicaal een eind aan maakte. De Hollandse notaris zou gaan slapen in een herberg bij de kerk:

Hier namen wy onze nachtrust en zagen de schoorsteenmantel in de herberg (…) met groote drinkglazen bezet; ‘t geen wy meer zullen ontmoeten.

Kennelijk ging het om een Drentse of noordelijke horeca-gewoonte? Over Meppel verklaart hij:

Zoo welvarent als Meppelt is, kan men er een goed huis huren  voor vyftig guldens in ’t jaar. Er zyn duizend huizen. Voor twee guldens en tien stuivers ’s weeks, kan men zeer goed in den kost.

Met een voerman verliet zijn gezelschap de volgende ochtend Meppel, om langs de Hoofdvaart noordwaarts te gaan. Onderweg constateerde de notaris dat de Drenten grote “liefhebbers van de vetweidery” waren, die “met het meeste genoegen in hunne speelhuisjes in de weiden hun pyp [zaten] te rooken.” Aan de sluizen die zijn rijtuig passeerde, merkte hij dat het land steeds hoger lag.

Links en rechts doemden Diever en en Dwingeloo op,  beide “fraai in ‘t geboomte”. Tussen deze plaatsen in pleisterden Van der Jagt en zijn reisgezelschap in ’t Wapen van Drenthe, zoals de herberg bij de Dieverbrug nog heette. Ze vonden er “goede boter, fyn en grof roggebrood, beide inlandsch” en luisterden er naar de verhalen van de lokalo’s:

Als de baars hier duur is, kost die twee stuivers het pond. Met duizend guldens inkomen in ’t jaar, kan men hier rytuig houden, jagen en vissen.

Met andere woorden: in Drenthe kon je ook toen al heerlijk goedkoop drentenieren.

Het gewoone ontbyt in deze landstreek is pannekoeken. De luiden leven hier gezond, worden oud, en bemoeien zich weinig of niet met geneesheeren en rechtsgeleerden.  De levensmiddelen zyn hier nog beter koop, dan in de wingewesten, of in Gelderland en Overyssel.

Over de inwoners heet het:

De Drenten zyn welmeenend, goedhartig, beminnaars der goede trouw.

Alleen de Meppelers vormden een uitzondering. Die waren nogal zelfgenoegzaam, wat vast door de handel kwam. Op de Smilde bekeek Van der Jagt de nieuwe koepelkerk (1780), zag vanaf de toren Groningen liggen  en gaf een algemene indruk van de veenkolonie:

Alle de huizen, geregelt langs de Nieuwe Vaart gebouwt, geven welvaart te kennen.

De oorzaak van die voorspoed viel goed te zien langs de weg naar Assen:

Tot welk eene hoogte zagen wy de Turfaarde, op de heide! aan beide zyden van den gebaanden weg recht afgestoken.

Ook Assen beviel de notaris al op het eerste gezicht goed:

De aankomst by dit vlek is zeer bevallig, by een uitgestrekt bosch, langs de Nieuwe Vaart en den breeden hier rechten weg; ten einde van welken men, achter de huizen, het spitsjen der kerk ziet ryzen.

De reizigers legden hun bagage neer in een herberg bij de kop van de vaart, en maakten net als in Meppel een avondwandeling:

Er zyn hier eenige schoone en deftige, meest nieuw gebouwde huizen langs de vaart en op het groote driekante plein, ’t geen wy langs een breede straat genadert zyn, en aan de noordzyde met twee ryen boomen beplant is.

Van der Jagt kwam terecht bij de overheidsgebouwen aan de Brink, en bewandelde met zijn gezelschap de “breede geregelde singels, met hooge boomen, rustbankjes en byliggende tuinen” van het ongeveer 300 huizen tellende Assen. Bij terugkeer in de herberg koos hij in de opkamer met uitzicht voor een opmerkelijke regionale specialiteit:

Wy verkiezen, by ’t smaaklyk brood en bier, ’s lands lekkerny, zult, of spek met wyn-azyn doorweekt, met een glaasjen goeden wyn. In onze zinryke herberg, gezeten, zien wy naar beneden over het ruime breede voorplein. Steenen palen en yzeren leuningen, waar mee de vaart is afgeperkt, langs de nieuwe huizen, daaraan gebouwt, terwyl ’t gezicht door geboomte en eenen nieuwen zaagmolen bepaalt wordt.

Na een aantal clichématige passages over maar al te bekende zaken in de rest van Drenthe, keerde Van der Jagt terug naar de twee Drentse plaatsen die hij nu het beste kende:

Er zyn zeer welgestelde landlieden omstreeks Assen en Meppelt, die ’t ook in Holland zouden zyn.

Net als  Meppel, verliet hij Assen bij het krieken van de dag:

Met klimmende zon ryden wy weer van Assen, ’t welk door Friezen en Groningers bezocht wordt. Wy zien veel wei- en zaailand nevens den landweg en komen in t dorp Vries in ’t dingspil  Noordeveld, bevallig, ruim, met geboomte en verscheiden schoone huizen. Wy vonden de herberg zeer zinlyk, in den landsmaak. En wie zou hier, in ’t uithangbord, het Wapen van Leiden verwachten?

Hoewel Van der Jagt Eelde, “omringt met veele fraaie lusthuizen” wel even noemt, reisde hij over Zuidlaren naar De Punt:

Wy zagen nog meerder zaailand, tot aan de grenzen, by de brug en het tolhuis van Groningen. Bevallig was ook het gezicht van een gezelschap Groninger jonge lieden in een speelwagentje, waaronder de vrouwelyke hulsels, beknopter dan die der Friesche meisjes, my bevielen; hoedanige hulsels ik ook in  Overyssel en Drente opgemerkt heb.

Met een oud rijmpje over de weelde, ontleend aan Tydeman, sloot hij het hoofdstuk Drenthe af:

Uit hetgeen gy zaagt en hoordet, kunt gy opmaken dat men in dit Landschap by eenvouwigheid orde kent.

Bron: Gerrit van der Jagt, Het Vaderland (Amsterdam 1791) pag. 553 – 568.

Morgen Van der Jagt over Groningen.


Havelter eiken en de turftheorie

Twyffelt iemand of zig veenstoffe zoude zetten over op den grond liggende boomen, hy gaa naar het reeds gemelde Havelthe in Drenth. Daar liggen verscheide eiken stammen op den grond, die ter dikte van één voet of meer met eene viltagtige veenige korst overdekt zyn; egter hadden dezelve daar niet boven de 40 à 50 jaar gelegen, ja verscheidene oude lieden hadden aan den Drentschen Landmeter L. Grevelink, uit wiens mond ik deeze waarneming hebbe, verzeekert veele derzelver nog op stam staande, gekent te hebben.

In zijn Vertoog over de veenen (Verhandelingen Pro Excolendo IV-1, 199-346) huldigt A.J. de Sitter, oud-rentmeester der Stad-Groninger venen, de nieuwe opvatting dat veen langzaam aangegroeid is. Daarmee bestrijdt hij de indertijd (1796) nog vrij gangbare theorie dat het veen ooit door een buitengewone storm, met onderliggende bomen en al, vanuit Noorwegen over zee was komen aandrijven. In dit kader noemt hij meermalen Havelte. Aan de ene kant (pag. 260) lagen daar eiken op de grond, die in een kleine halve eeuw met minstens 30 centimeter mos overgroeid waren geraakt, aan de andere kant (pag. 247) had je daar stervende eiken die alleen nog maar takkenstompen hadden, terwijl je bij aangepoelde bomen ook kleinere takken en bladeren zou verwachten:

…men gaa naar het naburìg Havelte in het Landschap Drenthe, aldaar vindt men veele schoone en zwaare eikenboomen, doch die onverkoopbaar zyn geweest om de verafgelegenheid van het Water; deeze boomen eindelyk stervende, is niets overgebleeven, dan de opgaande stam met de korte einden der takken…

Jammer dat de exacte lokatie van dit stervende eikenbos onbekend bleef. Overigens noemt De Sitter nog wel meer merkwaardigheden, zoals (op pag. 232/232) een vuistbijl, die aangetroffen was onder het veen in het oosten van Stad en Lande:

Dus is my zelven voor ettelyke jaaren in de Pekel geworden eene steene beitel, naar het zeggen der arbeiders op het zand gevonden, van dat zoort van steenen, die men dondersteenen noemt, zijnde ruim ¾ voet lang; deeze is door my vereerd aan den wydberoemden Van Doeveren, in wiens uitmuntende verzameling dezelve nog bewaard wordt.

Zou die steen er nog zijn, vraag je je dan af. Zo ja, in Leiden, want de universiteit aldaar kocht na Van Doeverens dood (1783) diens kabinet met delfstoffen en preparaten.

Onder het hoogveen, op het onderliggende zand, aldus De Sitter, was nog nooit wat gevonden dat wees op de aanwezigheid van de zee aldaar, zoals zeewier, schelpen, visgraten etc., “wat hier van de ligt gelovende Piccard beuzelen mag”.


Bommen Berend in de kerk van Zuidlaren

Myne officieren en getrouwe soldaten, neemt ter ooren en herten dese reden, dien ick niet alleen als een Bisschop, maar als een Vorst des Heyligen  Roomsen Rycx aen u lieden sal doen. ’t Is u allen bekent, dat ick voor vele jaren, my in de wapenen en niet in de Heylige Schiften hebben geoefent, de wapenen hebbe mijn oock tot deze waerdicheyt en tot Hooft over so veel Benden verheven. Hoeveel magtige Steden hebben hare poorten goetwillig voor ons geopent, alleen het wrevelige Greuningen heeft die gesloten, en tot noch toe alle ons gewelt van bomben, granaten, vuurballen, en canonnaten onverdrietelyk verdragen. Moeten wy dese Stadt verlaten, ’t sal onse voorgaende luyster verduysteren en wy sullen een spot der Geusen worden, die wy dagelicx van hare wallen horen blasen Staet op Heer toont u onversaecht, soo werden sy verstroyt ende verjaecht. Ia wy sullen achter onse ruggen en voor ons aengesichte moeten hooren, dat wy wel verradischer wyse plaetsen konnen vermeesteren, en niet door sterckte van onse wapenen doen, dat de Heylige Maecht verhoede. Daerom, toont u alle als leeuwen, valt aen in de loopgraven, werpt vuurwercken, en doet alles dat de moet der vyanden moogt doen verflauwen, niet aensiende het gevaer of de doot, want die aldus sterft willen wy versekeren dat de Heylige Roomsche  benedictie sal genieten, ende gratie ontfangen, in geen vagevier te komen, maer van de aerde terstont ten hemel sal varen, derhalven sal ‘t haest tyt syn, dat wy op de Stadt begeeren te stormen. Stormt daerop als op het Koninckrijcke der Hemelen, sult voorseker winnen het Heylig Kruys, ’t welck ick morgen alom door onse wercken sal doen dragen en sal u een teken sijn, dat den Gekruyste met u is, en uwe handen wil versekeren, doet soo en sijt versekert van ’t gene ick segge. Hoewel dat mijn toverboecken u een anderen uytslag beloven, maer ’t is geen konst voor een priester, veel min voor een bisschop, den Duyvel te besweeren ofte bedriegen.

De tekst van een mij onbekend klein pamfletje op vrij slecht papier, gedrukt bij Mattheus Iansz te Amsterdam in de zomer van 1672. Uiteraard betreft het geen echte preek, maar een satire. Nadat een hele ris steden als Zutphen, Deventer, Zwolle, Kampen, en Coevorden gemakkelijk in zijn handen vielen, stoot Bommen Berend zijn neus voor Groningen. Van de wallen daar hoort hij psalm 86 toeteren. Hij lijdt liever geen gezichtsverlies door het beleg op te moeten breken en daarom spoort hij zijn soldaten aan om deze vesting te bestormen. Ze moeten maar niet bang zijn voor de dood, hij belooft ze dat ze het vagevuur mogen overslaan en rechtstreeks naar de hemel gaan. In zijn toverboeken staat weliswaar een heel andere uitslag, maar ach, een bisschop als hij kan de duivel best wel voor het lapje houden.


Wat een Groninger in 1800 aan alcohol dronk

In Groningen (…), een volkrijke koopstad en garnizoensplaats, en in het gewest grenzende naar buiten aan Oostfriesland en Munsterland, is toch veel toevloed en doortogt naar ons land van reizigers, vreemde werklieden van alle soort, voorts inwendig van krijgsvolk enz., zoodat hierdoor ook het vertier van sterke drank zeer wordt vermeerderd en gaande gehouden.

Aldus Matthias van Geuns, dan hoogleraar in Utrecht, maar oud-stadsarts van Groningen. In 1801 berekende hij aan de hand van de accijnsopbrengsten hoeveel sterke drank er eind achttiende eeuw geconsumeerd werd in Stad en Lande (zonder Westerwolde, dat een ander fiscaal systeem kende). Deze consumptie bedroeg in totaal 35.676 ankervaten, omgerekend naar een moderne inhoudsmaat bijna 1,36 miljoen liter. In Stad en Lande zonder Westerwolde leefden volgens de volkstelling van 1796 een 106.257 zielen, zodat de jaarlijkse consumptie aan gedestilleeerd per hoofd van de bevolking hier neerkwam op 12,76 liter. Als je rekening hield met een derde kinderen, en een helft van de volwassenen die geen sterke drank dronk, dan kwam de jaarconsumptie per drinker neer op ruim 38 liter. Een gemiddelde drinker dronk dus ruim een tiende liter sterke drank per dag.

Een Groninger zou daarmee ogenschijnlijk zo’n 20 % meer sterke drank tot zich nemen dan een Utrechter. Maar ruim de helft van de in Groningen geconsumeerde sterke drank bestond uit inlandse, d.w.z. hier in Groningen gestookte jenever, en nog eens een kleine kwart uit eveneens lokaal geproduceerde brandewijn, die “alles doorheen gerekend ten minste een derde deel, zoo niet de helft slapper” waren dan de Hollandse equivalenten die in Utrecht werden gedronken. Daarom mocht je de Groningse overconsumptie daar wel tegen wegstrepen. De Groninger, met andere woorden,  kreeg met zijn sterke drank ongeveer evenveel alcohol binnen als een Utrechter.

Van Geuns bekeek ook de bier- en wijnconsumtie van de Groningers, in vergelijking met de Utrechters. Eind achttiende eeuwen dronken de Groningers met elkaar zo’n 8260 ankers wijn per jaar. Wat neerkwam op 313.880 liter, bijna 3 liter per hoofd van de bevolking, nog geen kwart van de sterke drank.

Het bleek ook slechts een derde van wat een Utrechter aan wijn dronk. Van Geuns formuleert dan, wat wij een hypothese zouden noemen:

Het kan echter zijn, dat men in het Groninger gewest, meer dan elders in ons Vaderland, nog veel meer gebruik maakt, vooral bij den gemeenen man, van het aldaar gebrouwen meer en min zwaar bier, daar de deugd van het Groninger bier vanouds beroemd plagt te zijn. Maar het is zeer zeker dat ook de koffij, en wel van ene goede soort en bereiding, hier, tusschen tijden,  vrij algemeen en rijkelijker gedronken wordt, dan elders; te meer daar er ook een verbazend sterk vertier plaats heeft van gebrande cichorei, en velerlei gebakken deeg, granen, erwten en wat meer onder de benaming van knap, bij het talrijk gemeen, ter vermenging met de duurdere koffij, pleegt te gebruiken.

Maar er speelde nog iets anders mee in de relatief lage Groninger wijnconsumptie. In de provincie Utrecht bestond de helft van de bewoners uit stedelingen, terwijl dit in Groningerland slechts een kwart was. En stedelingen dronken nu eenmaal veel meer wijn. Voor Groningen viel ook wel vast te stellen

…dat de consumptie van wijn aldaar te lande, zelfs in de schoone en volkrijke dorpen van het gewest, gelijk ook onder den middelstand der welvarende stedelingen, verre van algemeen te zijn, nog waarlijk gering en zeldzaam is, terwijl, zoo als ik zeide, een kop koffij bij het gros der burgerij een vrij algemeen en druk onthaal blijft uitmaken.

Van Geuns was een warm aanhanger van bier. Hij noemt het “de oude en ware Vaderlandsche drank”, die gedurende de achttiende eeuw “in laag verval” was geraakt. Omdat er in Stad en Lande na 1750 mede om die reden geen bieraccijns meer werd geheven, leidt Van Geuns met behulp van een ingewijde de Groningse bierproductiecijfers af uit de belasting op ongemalen brouwmout. De inlandse bierproductie bedroeg per jaar 201.000 ankers of vorrelvaten dun bier (van zo’n 1,5 à 3 % alcohol) en 33.000 ankers zwaar bier (oftewel kluin met ongeveer 9 à 10 % alcohol). Per hoofd van de bevolking kwam dit neer op ruim 72 liter dun bier en bijna 12 liter dik bier.

Natuurlijk zou het in Groningen geproduceerde bier geëxporteerd kunnen worden, wat dan aan deze berekening af zou doen. Maar met zijn bierdeskundige raadsman meent Van Geuns:

Dat het alhier gebrouwde bier ook alhier verteerd wordt, alzoo de voormalige verzending naar buiten,  vooral het kluin naar Friesland, die alle weken met een daarvan benoemd veerschip vrij sterk plagt te geschieden, sedert veele jaren, ook wegens den zeer bezwaarden invoer in Friesland, niet meer noemenswaardig is…

Wel werd er volgens Van Geuns  “mogelijk nog wel eenig zwaar bier van buiten, voornamelijk van Deventer” in Groningen ingevoerd en gebruikt, wat de cijfers voor de per capita bierconsumptie dan eerder hoger, dan lager zou maken.

In tegenstelling tot het platteland van Utrecht, bleef “de bier-consumtie in de voorname Groninger landstreken, van het Oldambt, Veendam , Wildervank enz. nogal sterk stand houden, en welligt nog sterker dan in de stad”. Weliswaar was de bierproductie sterk afgenomen in de achttiende eeuw – in de stad Groningen bijvoorbeeld slonk het aantal brouwerijen van 80 vlak na 1700 tot 36 in 1769 tot slechts 8 tegen 1800 – maar de overgebleven brouwerijen hadden gemiddeld wel meer capaciteit dan de vroegere, zodat de afname van de Groninger bierconsumptie minder groot was dan de afname van het aantal brouwerijen deed vermoeden. Van Geuns raamde, dat die consumptie in 1800 nog een kwart van die rond 1700 was. Houden we rekening met een lichte bevolkingsgroei, dan dronk de gemiddelde Groninger rond 1700 dus nog zo’n 300 liter dun, en 50 liter zwaar bier per jaar.

Eind achttiende eeuw bleek de gemiddelde Groninger niet helemaal mee te zijn gegaan in de anti-biertrend, want hij dronk nog zo’n twee maal zoveel bier als de gemiddelde Utrechter. Van Geuns ziet daarmee zijn “te voren geopperde gissing” of hypothese bevestigd, namelijk dat het zoveel mindere wijnverbruik in Stad en Lande samenhangt met de “daar nog vrij veel in zwang zijnde consumtie van bier, en ook bijzonderlijk van zwaar bier”. In pure alcoholconsumptie weken de Groninger en de Utrechter waarschijnlijk niet veel van elkaar af.

Nog even de per capita cijfers op een rijtje – de gemiddelde Groninger dronk tegen 1800 jaarlijks 12,76 liter sterke drank, bijna 3 liter wijn, ruim 72 liter dun bier en bijna 12 liter zwaar bier. De gemiddelde Nederlander van 2010 doet het slechts met zo’n 3 liter sterke drank, 5 liter wijn en 16 liter bier, dik en dun, maar meer dun dan dik. Naar hedendaagse maatstaven was de Groninger van weleer dus niet bepaald een matigheidsapostel.

Als we nu de alcoholpercentages in de tijd van Van Geuns stellen op 25 % voor sterke drank, op 12 % voor wijn, op 2 % voor dun bier en op 10 % voor dik bier, dan was de totale hoeveelheid pure alcohol die een Groninger indertijd jaarlijks dronk 3,19 + 0,36 + 1,44 + 1,2 liter = 6,2 liter. Bij 35 % voor sterk, 12 % voor wijn en 5 % voor bier laat dezelfde pure alcoholconsumptie voor de Nederlander in het huidige tijdsgewricht zich becijferen op 1,06 + 0,6 + 0,8 liter = 2,46 liter. De gemiddelde Groninger van twee eeuwen geleden kreeg dus 2,5 maal zoveel pure alcohol binnen als de doorsnee-Nederlander nu.

Bronnen: Matthias van Geuns, Over het gebruik en misbruik van sterke dranken, in de bewerking van O.G. Heldring (Groningen bij Oomkens, 1839) pag. 68-106. De Gelderse drankbestrijder Heldring copieerde de originele teksten uit Van Geuns boek Staatkundige handhaving van der ingezetenen gezondheid en leven (1801)  en doorvlocht deze met aantekeningen van eigen hand. De cijfers over het hedendaagse gebruik van alcoholica komen overigens van het CBS.


Drukte om het hoofd op het Ruigezand

Voor het tijdschrift Stad & Lande moest ik maandagmiddag op ’t Ruigezand zijn, om de stichter van een monumentale boerderij te fotograferen – dat wil zeggen diens pastelportret uit 1810. De geest van de stichter probeerde dit te verhinderen door me op te schepen met allerlei weerspiegelingen. Hoe ik het konterfeitsel ook draaide, of het nu donker was of licht, ze bleven maar voorkomen in het stevige glas voor de stichtersneus.

De boerin had wel schik in het geval en liet me na afloop van de sessie in de kelder wat staaltjes huisdecoratie uit de 19e eeuw zien, tevoorschijn gekomen bij een fikse renovatie.

Zoals dit behangetje:

En deze – de blauwe is het oudst:

Er waren ook nog oude glaasjes met diverse patronen:

En met wijnranken beschilderde houten panelen:

Die ouwe huisschilders, behangers en glazeniers, die konden wat. Petje af.

En, zoals de boerin constateerde: In de 19e-eeuw was men niet bang voor enige drukte om het hoofd.


Meester Stijl en de voorleeskunst

De uit Middelbert afkomstige Klaas Geerts Stijl was zo’n twintig jaar lang de kundige en geliefde schoolmeester-organist van het Oldambtster kerspel Midwolda, toen hij daar op 10 mei 1774 stierf aan een “uitterende ziekte”. Vlak voor zijn dood voltooide hij er nog een taalkundig werkje, bedoeld voor schooljeugd en collega-onderwijzers. Een naburige predikant met wie hij bevriend was, Lambertus van Bolhuis (Oostwold), zou dat werkje naderhand uitgeven. Het haalde drie drukken en bevat onder meer een verhandelingetje over de leeskunst, waarmee Stijl eigenlijk de voorleeskunst bedoelde:

Het oogmerk der Schrijftale is, dat ze gelezen worde. Tot ene goede opzegging of hoorbare Lezing wordt vereischt:

1) dat men de gestelde bewoording met ene klare en duidelijke stemme en uitsprake vaardig, net, zo als er staat, uitbrenge. Het tegendeel is valsch lezen.

2) dat men, naar vereisch van de zintekenen der perioden (leestekens, red.) behoorlijk scheide en ruste. Het tegendeel heet rabbelen.

3) dat men niet alleen aan de grepen, maar ook aan de woorden en zaken, door den nadruk der uitsprake hier en ginds, naar vereisch, behoorlijken klem geve. Het tegendeel noemt men stijf lezen.

4) En dat men naar de voorkomende stoffe en stijl, door ene eenvoudige, natuurlijke, of eigenaartige, stemleidinge de zaken en gemoedsbewegingen als naar het leven uitbeelde. Dit is duidelijk en aandoenlijk voor den Toehoorder. Dit is het toppunt der Leeskonste; doch iedereen heeft die gave niet, en is ook voor zulk onderwijs niet vatbaar. Zulk een houde er zich dan ook van af – de minste gemaaktheid is hier aanstotelijk.

Klaas Stijl, Beknopte aanleiding tot de kennis der spelling, spraakdelen en zintekenen van de Nederduitsche taal, ten dienste van mingevorderden (Groningen 17873) pag. 150-152.


Het mooiste plekje van Utrecht

Ik heb hier wel eens verteld hoe Amsterdamse herbergiers op een publiek uit Groningerland mikten door op hun uithangbord het wapen van Stad & Lande te voeren.

Op een A-lokatie in Utrecht, het Vredenburg, zat ook  zo’n herberg. Alleen hing daar niet het provinciale Groninger wapen buiten de deur, maar het stedelijk-Groningse. Wat als reden zou kunnen hebben dat de Utrechts-Groningse band vanouds wat hechter was, dan die tussen Utrecht en de Ommelanden.

In de Amsterdamse Courant van 24 september 1737 stond een advertentie, waarin deze Utrechtse herberg te koop werd aangeboden:

J. van der Schroef, Makelaer in Utregt, presenteert uyt ‘er hand te verkopen, om met den eersten May 1738 t’aenvaerden, een extra schoone en Neeringryke Huyzinge, zynde een van ouds vermaerde Herberg, met zyn annexe Stallinge voor 6o paerden, staende op het Vreeburg binnen Utregt, daer de stad Groningen uythangt, bewoont by Sr. Paulus van Riebeek.

Deze herberg had een redelijk grote paardenstal. Anders dan zijn Amsterdamse collegae mikte de uitbater niet op een publiek dat per schip kwam. Vlak voor de verhuismaand mei, toen de oude herbergier eruit ging en de nieuwe erin kwam,  bleek dat de oude een collectie rijtuigen te koop had, waarbij de directie van rijtuigmuseum Nienoord zich de vingers zou aflikken:

Jacobus van Bosvelt, Vendumeester in Utregt, zal op Woensdag den 9 April, ’s namiddags ten 2 uuren, ten huyze van Paulus van Riebeek, in ’t Logement daer Groningen uythangt verkopen, een Swemmer, 2 Kalessen, 2 Faëtons van zessen, een dito van vieren, een Koets-Wagen, een Fargon, 2 Chaisen, een Boere-Wagen, 4 Arresleeden, eenige Paerden-tuygen en Tomen , 10 Merri-Paerden van 5 tot 9 jaren; daegs te vooren te zien: Breder by Biljetten gespecificeert.

(Amsterdamse Courant 1 april 1738)