Uit het rekenboek van Hayke Haanstra
Geplaatst op: 27 september 2012 Hoort bij: Geschiedenis 11 reacties
Hayke Haanstra, geboren in Buitenpost, leefde als koopman, molenaar en rekenmeester te Leeuwarden, waar hij in 1739 het burgerrecht verwierf. Hij werkte in die laatste functie het vroeg 17e-eeuwse rekenboek van de befaamde Bartjens opnieuw uit en deze bewerking was zo populair, dat ze meerdere herdrukken beleefde. Daarom kwam er in 1752 nog een tweede deel uit, met nieuwe sommen “op een ligte en korte manier, die bij veele meesters nog niet in gebruik is”. Uit de derde druk van dit deel, verschenen in 1761, haalde ik drie sommetjes, die me wat meer boeiden dan andere. Mocht je ze willen oplossen: ga je gang.



Lopstermaartjes
Geplaatst op: 21 september 2012 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties“In het oosten van de provincie Groningen wordt de herfstaster (…) slochtermaartbloum genoemd (…) Zoals men kan verwachten, liggen de zeven plaatsen waar deze naam gebruikt wordt rond de plaats Slochteren.
Wie de Geschiedenis van Slochteren van de taalkundige K. ter Laan raadpleegt, zal van deze naam niet opkijken.De Slochtermarkt heeft lange tijd de streekbewoners getrokken en deze najaarsmarkt werd pas in 1950 opgeheven.(…) De herfstaster bloeit in september-oktober, precies de tijd waarin de Slochtermarkt valt (…)
Maar houdt het in Groningen met de Slochtermarkt op? Welnee, de najaarsmarkten in Delfzijl, Loppersum en de over de Duitse grens gelegen plaats Rhede leveren voor dezelfde herfstaster de voIgende volksnamen op: delfzielstermaartbloum, lopstermaartbloum en rener– of redermaartbloumen.
Andere benamingen met het element ontbreken overigens in het hele Nederiandse taalgebied.”
Bron: Har Brok, Stinkend-juffertje en duivelskruid. Volksnamen van planten (Amsterdam 2006) pag. 49.
Met dat laatste slaat auteur overigesn de plank mis. Elders komt nogal eens de naam kermisbloem voor. Aan genoemde herfstjaarmarkten waren altijd drukbezochte kermissen verbonden.Wellicht dat de herfstasters hier werden verkocht.
Antiek winkeltje, Feerwerd
Geplaatst op: 15 september 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 11 reactiesVan de eigenaar, Klaas Jan Staal uit Feerwerd, kreeg ik een uitnodiging om het monumentale pand pand Aduarderdiep 1, tegenover de vroegere overzet naar herberg de Schifpot, te komen bekijken. Ooit stonden er twee kalkovens, in de schuur werd kalk ‘gelescht’, maar in het voorhuis bevonden zich een café en een winkeltje en van dat winkeltje is het toonbankje en het achterlggende rek nog steeds aanwezig:

Boven bakjes en vakjes voor kleine producten, onderaan grote bakken voor gort en meel:

Er zit ook een collectie voorraadblikken bij, waarvan dit het pronkstuk is:

Een blik voor puddingpoeders van AJ Polak uit Groningen. A.J.P.: “Altijd Je Pudding”. Of: “Puddingen merk A.J.P. stellen iedereen tevree”.

Kameleonnig opduwertje
Geplaatst op: 8 september 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 13 reactiesOver het aanvankelijk nog vrijwel spiegelgladde Leekster Hoofddiep bewoog zich een opduwertje. Terwijl ik het bootje op de fiets inhaalde, zag ik dat het behoorlijk wat water verplaatste:

Op de een of andere manier appelleerde het aan mijn latente Kameleon-gevoelens:

Ik fietste het bootje vooruit en wachtte het op ’t hoogholtje op:

Aan de andere kant van het bruggetje verdween het uit zicht:

Net zie ik op een van de foto’s, dat het MS Zulthe heet, naar een oeroude naam van het Leekstermeer (dat ooit brak of zilt was). Veel ouwe schepen staan op internet, zelfs dit onaanzienlijke gevalletje. Het blijkt sinds 1965 het eigendom van waterscoutinggroep de Bevers, die er een Deutz motor van 16 pk uit 1953 in hebben gezet.
Blauwe knopen
Geplaatst op: 6 augustus 2012 Hoort bij: Geschiedenis 7 reactiesZoals ik zei mikte C. Polak Gzn. in 1920 met zijn nageltjenieuwe product Ranja vooral op geheelonthouders. Vlak na de Eerste Wereldoorlog was de geheelonthoudersbeweging zeer sterk, zo sterk dat er in Groningen ettelijke alcoholvrije, oftewel ‘droge’ kroegen van dit publiek konden bestaan.
Een geheelonthouder viel te herkennen aan de spreekwoordelijke blauwe knoop. Dat kon een broche zijn of een reversknop. Het RHC Groninger Archieven beschikt over een aantal exemplaren en het idee bestond om deze bij de Ranja-expositie in te zetten. Uiteindelijk is daarvan afgezien omdat het teveel een afleidend zijpad zou zijn.
Voor zijpaden is een weblog echter zeer geschikt. Daarom hier die blauwe knopen.
Broche van de socialistisch georiënteerde jeugdbond voor onthouding (JVO), die bekend is van camping Us Blau Hiem in Appelscha (waar tegenwoordig bier wordt verkocht, al schijnt men dat weer niet op bepaalde plekken op te mogen drinken):

Reversknop van oudste club, de NV (1842) oftewel de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken, die in 1962 opging in de ANDO:

Reversknop voor het 25-jarig lidmaatschap van de NV:

Speldje van de Algemene Nederlandse Drankbestrijdersbond ANDO die bekend is van het blad ‘Nuchter Bekeken‘:

RHC Groninger Archieven, archief Jonge Bouwers van de afdeling Groningen van de Jeugdbond voor
Onthouding 1930 – 2000 (toegang 2511) inv.nrs. 194-197.
Onze Ranja-expositie op TV Noord
Geplaatst op: 4 augustus 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 11 reactiesHet item staat nu ook op YouTube:
Ranja, een volwassen drankje
Geplaatst op: 26 juli 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Stad toen 4 reacties
C. Polak Gzn. zette het merk Ranja in 1920 voornamelijk via beurzen in de markt. Van krantenreclame door het bedrijf was dat jaar nauwelijks sprake. Dat kwam later pas. Zoals bij een tekenwedstrijd in 1921. Het schijnt dat de inzendingen met postzakken tegelijk het bedrijf werden ingedragen. Boven zie je er een van, die prompt in het Noordelijk Sportblad verscheen.
De advertentie toont ook, dat Ranja indertijd nog bestemd was voor een volwassen publiek. Het was zelfs zo, dat Polak in den beginne vooral op geheelonthouders mikte. Pas later werd de Ranja echt iets voor kinderen. De merknaam ontwikkelde zich tegelijkertijd tot een soortnaam.
De advertentie zal tussen 1 augustus en 15 september samen met andere advertenties, affiches, briefhoofden, flessen, glazen, dienbladen. bedrijfsfoto’s, een voltooide bouwplaat van de fabriek etc. etc. te zien zijn op een tentoonstelling in de Groninger Archieven, gewijd aan Ranja en C. Polak Gzn. oftewel CP (zoals het bedrijf vanaf 1954 ging heten).
Bijgezet op het koor van de Farmsumer kerk
Geplaatst op: 19 juli 2012 Hoort bij: De actuele wereld, Geschiedenis, Ommelanden 22 reactiesIk ging vanmiddag naar Farmsum om de pas ontdekte graven in de kerk te zien. Het was er een beetje druk. Enkele honderden mensen waren op hetzelfde idee gekomen.
Archeoloog Ko Lenting als explicateur:

Het graf van Frouke Onsta, van voorname Ommelander Hoofdelingenkomaf, in 1475 de bruid van Focko Ripperda en twee jaar later in de bloei van haar leven overleden. Een zerk uit de 15e eeuw dus. Dat zoiets tevoorschijn komt is van een grote zeldzaamheid:

Detail helm met vederbos:

Ook ruim een half millennium oud, zij het iets jonger, is de zerk van Hayo Ripperda II, die in 1504 overleed, vlak voordat hij Abraham zou zien. Van hem stammen alle latere heren Ripperda van Farmsum af. Op de steen draagt hij een harnas, heeft hij een zwaard opzij en ligt zijn helm aan zijn voeten:

In de media ging de aandacht uitsluitend uit naar de oudste grafstenen. Maar ook die uit de zeventiende en vooral de achttiende eeuw zijn interessant:

Zoals de zerk van de Convooimeester Jan Sissingh, die in 1733 overleed. De steenhouwer gaf hem een gekroonde zandloper mee::

De volgende steen was getuige het grafdicht van een bevindelijke predikant:

Wiens leven was vol strijdt
vol elend vol onwaerde
Diens ziele rust by Godt
diens Lichaem in dees aerde
Godt heeft my nu bevrydt
van boos en sondigh volck
Twelck Christum ick voordroeg
als een getrouwe Tolck
De lokatie van deze graven moet het koor van de in 1869 gesloopte middeleeuwse Farmsumer kerk geweest zijn, want op zo’n plek, vlakbij de kansel, lagen meestal de predikanten en andere hotemetoten van een kerspel.
Nog een laatste blik op het geheel. Goed te zien is hoeveel grond er in en sinds 1869 over de graven heenging. Doordat de houten vloer vermolmd was en vervangen moest worden en dit keer wèl een kruipruimte gewenst werd, kwamen de graven aan het licht.

Hoogkerk en de oorlog van 1505-1506
Geplaatst op: 5 juli 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Stad toen 8 reacties
Sinds vandaag staat de 16e-eeuwse kroniek van Sicke Benninge online. Ik heb eens gekeken of Hoogkerk erin voorkwam, en jawel, het dorp speelde een rol in het beleg van 1505-1506, toen graaf Edzard van Oost-Friesland de stad Groningen probeerde te onderwerpen.
De Ommelanden kregen in de zomer van 1505 te maken met terreur van twee kanten. Zowel door de Groningers als door de troepen van graaf Edzard werd het platteland geplunderd en gebrandschat. Als je je have en goed niet goedschiks afgaf, dan raakte je het wel kwaadschiks kwijt.
Dat merkten Hoogkerk en Leegkerk. Beide dorpen weigerden brandschatting te betalen aan die van Graaf Edzard. En daarom gingen ze beide op een avond in vlammen op. Dat wil zeggen: de huizen die van hout, leem, stro en riet waren gemaakt, de boerderijen. De weinige stenen gebouwen – de kerk, de borg en de weem – bleven nog even staan.
Ongetwijfeld had de stad al de weilanden ten westen, ten noorden en ten oosten van de stad onder water gezet (ten zuiden, op de Hondsrug, was dat onmogelijk). De graaf maakte de toestand voor de boeren nog wat erger, door die zomer de dijken langs het Reitdiep en in de richting van Paterswolde door te laten steken, en diepen af te laten dammen bij de Aduarder Steentil en Enumatil, “soo dattet tusschen Groningen ende Hogerkercken blanck see was”. Verderop stond het halve Westerkwartier onder water.
Die van Groningen hadden nog wel hun schepen. Daarmee trokken ze begin juli naar Hoogkerk, om hun tocht daar over land naar Roden te vervolgen, waar ze de ovens van de bakkers en de ketels en kuipen van de brouwers vernielden. De taktiek van de verschroeide aarde was ook toen al bekend.
In het najaar bezetten zo’n zestig man troepen van de graaf de kerk van Hoogkerk, en versterkten deze met bolwerken voor deuren en vensters. Potters “kamnade” aan de zuidkant van het diep (de latere borg Elmersma) braken ze af. Het “weemhues” (de pastorie) staken ze in de fik en wierpen de muren ervan ook maar omver. Zo konden die van Groningen niet meer langs Hoogkerk varen met hun schepen, en Vredewold, Langewold en Humsterland niet langer bereiken.
Begin 1506 vroor al het water dicht. Wel vier of vijf dagen lang haalden stadjers over het ijs brandhout op uit de Hoornse landen en Eelderwolde. Hele gezinnen waren het soms, met mannen, vrouwen èn kinderen. Grafelijke soldaten, komend van Hoogkerk en De Punt, maakten een eind aan deze praktijk en verjoegen al het Groningse volk “dat daer int broeck was”. Vier “scamele lueden” sloegen ze dood en ze namen wel veertien wat meer vermogende burgers gevangen. Die mocht de familie dus vrij gaan kopen tegen flinke sommen geld.
In februari werd héél Hoogkerk versterkt, waarbij Ommelander boeren verplicht aan het werk werden gezet. De graaf gaf ze geen eten en drinken, ze moesten dat werk maar doen ‘op hun eigen kost’.
Nog steeds ging er wel eens een stadjer op hongertocht uit, maar als hij gepakt werd, raakte hij al het opgehaalde voedsel èn zijn hemd kwijt. En dat niet alleen, want de soldaten van de graaf sneden hem ook nog eens de oren af. Bij één man hingen ze die aan zijn hoed. Ze bonden hem de handen op de rug alsof hij een dief was, en hij kreeg ook nog twee haringen op zijn borst gehangen. Bovendien gaven ze hem een zakje met zout en een stukje brood mee. Dat moest hij maar naar de belangrijkste burgemeester gaan brengen. Van gesnapte vrouwen sneden de soldaten de rokken vanachteren af, die mochten in hun blote kont naar de stad terug. Een vrouw die het wat al te bont had gemaakt in de ogen van de grafelijke troepen, brandmerkten ze bovendien op beide haar wangen.
In het voorjaar van 1506 gaf de stad zich gewonnen. Toen liet de graaf een dwangburcht aan de zuidkant van de stad bouwen en werd zijn steunpunt Hoogkerk ontmanteld.
—
Sicke Benninge, Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen, pag. 168, 219-220, 251, 259, 265, 288, 297, 303, 318, 340.
Waar komt de naam Schifpot vandaan?
Geplaatst op: 12 juni 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden, Veldnamen 21 reacties
Zondag kwam ik weer eens langs Schifpot. Jaren geleden, in 2006, vroeg ik me al eens af wat die naam betekende, maar kwam er toen niet achter.
De eerste gissing was indertijd dat de naam van Schippot zou kunnen komen. Van mijn achterneef had ik eens gehoord dat hier, voordat de Torensmabrug er lag, een pontje over het Aduarderdiep heen en weer voer.
De oudste kaart waarop ik Schifpot vond was de chromotopografische, verkend in 1905 (een van de zogenaamde Bonnebladen). Onder het toponiem staat daarop de afkorting voetv. van voetveer. Door het ontbreken van oudere meldingen dacht ik dat het toponiem uit het eind van de 19e eeuw zou stammen en samenhing met een functiewijziging in het gebied.
Bij het eerste kadaster lag hier aan weerszijden van het Aduarderdiep nog louter weiland, in 1867 was er op de Feerwerder kant een steenfabriek gekomen en stonden er bovendien kalkovens Dan komen er wat woninkjes bij in de bocht van het kanaal en ik vermoedde er ook een café. Bovendien lag er een kade. Met de komst van zulk vastgoed hing de naam samen, dacht ik. In elk geval situeerde ik Schifpot op de Feerwerder kant.
Indertijd moest ik de vraag laten rusten, maar nu ik er weer langskwam, besefte ik dat er intussen heel wat jaargangen Groningse kranten op de KB-website zijn komen staan. Ik besloot daar eens in te gaan zoeken.
De (voorlopig) oudste krantenmelding van Schifpot is te vinden in een rubrieksadvertentie uit 1912. Dat spoort chronologisch wel ongeveer met de oudste melding op een kaart. Bij de tweede krantenmelding, uit 1917, gaat het om de veiling van een partij gebruikt scheepshout aan de Feerwerder kant. Wat overeenkomt met de gedachte lokatie.
Uit de jaren 1926–1935 zijn er echter wat advertenties waarin te huur wordt aangeboden een huis op de Garnwerder kant. Niet alleen zijn een tuin en drie percelen dijk bij de huur inbegrepen, dat geldt ook voor een “recht van overzetterij over het Aduarderdiep”, dus van bovengenoemd voetveer. Eind 1934 heet deze overzetterij ‘Schifpot’. Waarbij je je natuurlijk afvraagt of het gehucht naar de overzetterij heet, of andersom.
De overzetterij, ontdekte ik, dateerde van 1853. Op 4 augustus dat jaar verkreeg de wed. Bakker-Smit te Garnwerd bij Koninklijk Besluit vergunning tot aanleg van het voetveer en het heffen van een veerrecht. Deze vergunning gold voor vijftig jaar en moet rond 1903 dus nog eens verlengd zijn geweest. Het voetveer had toen zijn langste tijd al gehad, want er zou een brug komen. Deze werd in 1919 al gewenst, het besluit ertoe viel in 1936, de bouw vond plaats in 1938 (foto’s), terwijl de effectieve ingebruikneming in september 1939 was, vlak na de mobilisatie.
Juist in de tijd dat de brug er definitief zou komen, besteedde Jacob Tilbusscher in de bijlage Ter verpoozing van het Nieuwsblad van het Noorden aandacht aan het Aduarderdiep. Door zijn stukje (pag. 2) kreeg ik eindelijk antwoord op mijn vraag:
“Aan het noordeinde van het Aduarderdiep staat aan den oostelijken oever een klein typisch huisje, vroeger een druk bezochte herberg. Vooral des winters bij ijs was het daar bijzonder druk. ’t Huisje wordt steeds aangeduid door den eigenaardigen naam Schifpot. Een Schifpot is een primitieve kachel. Eigenlijk een cylindervormige pot, waarin schif — afval van vlas — smeulde…. Ook nam men wel zaagmeel. Oudtijds zal dan in ’t huisje menig gezelschap rondom den schifpot hebben gezeten, onder ’t genot van een glaasje “dikke stukken” vertellend. Ouden van dagen in de omgeving van ’t Aduarderdiep weten heel wat van ’t gezellig verkeer in den Schifpot te vertellen.”
Het huis op de Garnwerder kant waaraan de overzetterij was verbonden, fungeerde dus tevens als herberg. In de volksmond heette dit établissement Schifpot naar de eigenaardige verwarming, en de naam van dit huis ging later over op die van het gehucht.
Als ik achteraf nog even op Wikipedia kijk, zie ik dat deze verklaring sinds oktober vorig jaar daar ook min of meer in het lemma Schifpot opgenomen is:
“De betekenis van het woord ‘schifpot’ is volgens het WNT een ‘.. ijzeren pot, waarin schif wordt gebrand’ waarbij ‘schif’ staat voor ‘de houtachtige deeltjes die bij het zwingelen van vlas .. afvallen’.”
Voordat het lemma in deze zin gewijzigd werd, stond er maandenlang te lezen dat de naam ‘Schifpot’ mogelijk verwees “naar een pot waarin vleesafval (schif) werd gestookt”, wat dan wel aan een leesfout zal hebben gelegen. Wikipedia noemt ook dat het veerhuis de naam Schifpot droeg, maar positioneert dat per abuis aan de Feerwerder kant.
Terecht constateert de nieuwste Wikipedia-versie dat er vroeger aardig wat vlas in deze omgeving werd geteeld. Begin twintigste eeuw ging het volgens de jaarverslagen van de gemeente Ezinge om ruim 50 hectare.

Schifpot 1938. Collectie RHC Groninger Archieven 818-4054.
Ooievaarsvaria
Geplaatst op: 8 juni 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 2 reactiesOp het ooievaarslogje kwamen per mail nog enkele reacties vanuit het Oldambt. Daniel Oudman wees me erop dat sinds maart in Oostwold op initiatief van de lokale vereniging voor dorpsbelangen weer een paal met een oud wagenwiel staat. Ooievaars hebben deze voorziening echter nog niet betrokken.
En Jan Pieter Koers stuurde me een vooroorlogse ansicht van Huize Vredenhoven in Scheemda.

Oude Scheemders halen graag herinneringen op aan het nest op de schoorsteen van Vredenhoven. Een enkele grijsaard weet zelfs nog welk drama zich hier in 1933 afspeelde:

Naar aanleiding van dit berichtje uit het Nieuwsblad ben ik eens gaan kijken of de oudere Groninger Courant ook ooievaarsnieuws bevatte. En dat deed hij. Heel vaak ging het om ooievaars die lang bleven in de herfst, en zo een zachte winter zouden voorspellen, of die zelfs gedurende de hele winter overbleven. Een extreem voorbeeld kwam uit Zuidhorn, midden december 1846:

Dat een juffrouw ooievaar eigenlijk een zij moest zijn, daar maalden correspondent en redactie niet om.
Het Westerkwartier als ooievaarsland
Geplaatst op: 4 juni 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 3 reacties
Prachtig stuk van Tonko Ufkes over de ooievaar in het Westerkwartier.
Als vertrekpunt kiest hij een familieverhaal over zijn opa, die op een boerderij bij Lutjegast leefde en daar in 1960 overleed. Als Tonko’s grootvader het gras ging maaien,
“kwamen de ooievaars aanvliegen en bleven dicht in zijn buurt om de tevoorschijn komende slakken, kevers, kikkers enz. uit het gras te pikken. Soms liepen wel vier grote vogels samen met Opa in het zelfde stuk weiland”.
Tonko schrijft dat een beetje toe aan de rustige kadans waarmee zijn opa de zeis door het gras liet gaan, maar ik heb eenzelfde tafereel in de buurt van Leek ook wel achter een maaiende tractor gezien, dus aan opa’s rustige maaien zal het niet hebben gelegen. Ooievaars kunnen wel tegen wat drukte.
In de jaren 1940, 1950 waren er in de onmiddellijke omgeving van Lutjegast zo’n 3 of 4 nesten. Uit een tijdschrift haalde Tonko een lijst van ooievaarsnesten die anno 1939 werden bewoond. In totaal ging het in de provincie Groningen om 39 stuks, waarvan er 15 in een straal van ongeveer 15 kilometer rond Lutjegast. “De andere Groninger ooievaars”, aldus Tonko,
“woonden rond de Stad of naar het oosten, langs de lijn Hoogezand – Scheemda – Oostwold of vanaf Scheemda richting Wedde. Dus niet op het Hogeland of in de Veenkoloniën.”
Het jaar 1939 bleek wel een topjaar. Nadien daalde het aantal bewoonde ooievaarsnesten snel.
Maar ruim een eeuw voor 1939, namelijk in 1828, waren er waarschijnlijk veel meer ooievaars dan in 1939, want de schoolmeester van Dorkwerd meldt dan “zeer vele ooijevaars”, terwijl zijn collega van Oostwold (Wk.) dan zegt dat ooievaars “meest op ieder dorp een of meer nesten hebben”.
Te Oostwold zat er een ooeivaarsnest bovenop een boerenschuur. Helaas vertelde de schoolmeester van Hoogkerk niet, dat zich daar een op de school bevond, Wel noemt Tonko het nest, volgens overlevering al sinds de 15e eeuw, op de kerk van Niehove, dat in 1882 echter voor het laatst bewoond werd.
Tonko publiceerde zijn ooievaarsverhaal in 2008 in een geannoteerde versie in Stad & Lande, iets wat helaas niet bij de webversie staat. Zijn constatering “dat de ooievaar in Groningen niet meer voorkomt”, is inmiddels behoorlijk achterhaald. Ooievaars zijn zelfs alweer tot vlakbij de stad opgerukt, want je kan ze bij tijd en wijle zien bij het transferium Hoogkerk, bij de Peizerweg en bij de Johan van Zweedenlaan, om me tot de zuidwestkant van de stad te beperken.
Bouseman, boesman, Buzeman
Geplaatst op: 3 juni 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Taal 12 reacties
Citaat uit De Pilaren ende Peerlen van Groningen, een werk van Bernhard Alting dat voor het eerst in 1648 verscheen. Alting, die het Groningse stapelrecht verdedigde, vertelt hier dat de angst voor de Olderman van het Stapelrecht – dat was de handhaver van dat stadsrecht – in de Ommelanden dermate afnam, dat men hem er hield voor een “bouseman of bulleback”, die meer blies dan beet.
Wat intrigeert is dat “bouseman”. Het WNT heeft het niet als apart lemma, in wat voor spelling dan ook, maar het vermeldt de term wel als boesman onder boezen voor kloppen of slaan, en verwijst verder naar boeman en een Overijssels equivalent, te weten boezekerel.
Bouseman, boes(e)man en boesekerel voor een kinderschrik die door volwassenen niet al te serieus wordt genomen, zijn volgens mij in het Groninges van de 19e en 20e eeuw niet (zo) bekend. In de noordelijke streektaal lijkt de functie vooral over te zijn gegaan op de term boesjeude die we op diverse woordenlijstjes (1, 2) en ook in volksverhalen (1, 2) terugvinden.
Voor 1700 had je heel weinig joden in Stad & Lande. Als het bang kunnen maken van kinderen met een jood een zekere mate van bekendheid met joden veronderstelt, dan zal dat bouseman van Alting in de loop van de 18e of zelfs de 19e eeuw verdrongen zijn door boesjeude.
In Groningerland heb je wel nog steeds de typisch Groninger families Buseman en Buzeman. Voor zover ik weet komt die naam oorspronkelijk uit Oost-Friesland, en drong ze na 1750 (definitief) door in het Wold-Oldambt (de regio Winschoten). Op Alle Groningers vond ik verder een eerste Bouseman anno 1723 te Oostwold en een eerste Boeseman in 1715 te Uithuizermeeden. Misschien hebben die namen met iets anders te maken, maar dan nog kan je het gegeven dat een familie zo’n naam aanhield, niet los zien van het feit dat de vreesaanjagende connotatie in vergetelheid raakte. Want wie wil er nou een bullebak of kinderschrik heten?
Leeksterbol trotseert Pinksterstorm
Geplaatst op: 30 mei 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 3 reactiesVolgens het KNMI waren het “de waarschijnlijk slechtste Pinksteren ooit”, die van eind mei 1860. Een zware zuidwesterstorm joeg met windstoten van 120 kilometer per uur over ons land, en omdat er grote schade was, richtte het KNMI naderhand een stormwaarschuwingsdienst op, een van de eerste ter wereld.
Iemand die zich ruim een halve eeuw later de Pinksterstorm nog levendig herinnerde, was Vredewoldius, de schoolmeester Cornelius Reijntjes van Zevenhuizen. Hij maakte de storm als Hoogkerker schooljongen mee. In het Nieuwsblad van het Noorden vertelde hij het verhaal dat het opgestuwde Zuiderzeewater in Lemmer wel vijf meter hoger stond dan in Amsterdam. Op zee vergingen dan ook talrijke schepen, waarvan vele bemanningsleden verdronken.
Vredewoldius heeft ook een verhaal van wat dichter bij huis, over het Leekster beurtschip, dat juist die zondagochtend wegens de Leekster kermis een extra vaart vanaf de stad deed en dus pal tegen de storm in moest:
“Des Zaterdagsavonds was het beurtschip van Leek op Groningen v.v., „de Leeksterbol” nog weer naar „de Stad” gevaren om de „wonnen vracht” te halen. Want het was in de Pinksterdagen kermis te Leek. De „wonnen vracht’ was de beurt, die men in de Pinksterdagen tusschen den gewonen dienst inlegde om marktbezoekers en kooplieden op te halen. Des Zondagsmorgens, dat was dus op den eersten Pinksterdag, vertrok „de Bol” om 8 uur van Groningen en kwam tegen 9 uur te Vierverlaten. Zooals wij zeiden, stormde het verschrikkelijk uit het Z.W. en het schip had het dus vlak in den wind. Langs het Hoendiep ging alles best; men had een goed paard voorgespannen. Te Vierverlaten kwamen er nog eenige kermisgasten bij. Evenwel — het aantal relzigers was niet groot.
Langs de Gave en de Munnikesloot moest men trekken in de lijn: maar men requireerde gauw eenige kooplieden, die in het ruim zaten en die graag tijdig ter markt wilden zijn. Zij hielpen de knechts een handje en zoo kwam men dan eindelijk om een uur of tien voor „het Meer.”
Zoo kalm als dit bij mooi bestendig weer kan wezen, zoo woest en ontstuimig was het nu. Men liet het schip aan lager wat drijven en overlegde wat er te doen stond. De schippers R. Koekoek en M. de Boer en de beide knechts besloten eindelijk tot het waagstuk om over het meer te laveeren. Alles werd daarvoor in gereedheid gebracht: de mast, die wegens het opvaren in den wind was neergelaten, werd opgezet en zeil en fok werden aangeslagen. Beide waren vooraf zwaar gereefd en in overeenstemming gebracht met de kracht van den wind; waardoor het gevaar van omslaan aanzienlijk werd verminderd. De deurtjes van „de roef” werden gesloten en schipper Koekoek verbood ten strengste aan de inzittenden om ze open te doen. Hetzelfde bevel ontvingen de lui, die „in het ruim” zaten. De luiken werden daar opgelegd.
De eerste gang bracht het schip natuurlijk aan den Drentschen kant. Daarbij helde het zoo verschrikkelijk, dat de glaasjes van de roef onder water zaten. Gelukkig weerstonden ze den drang ervan. Toen men op commando van den schipper overstag moest gaan en het vaartuig dus op de andere zijde kwam te liggen, rolden eensklaps in de roef een paar dames en 2 kinderen van hun zitplaats, die natuurlijk van laag in hoog veranderde. Het was in weerwil van. den angst dien men uitstond een komisch tafereel. Het schip stampte zoo geweldig, dat een der kinderen al gauw zeeziek werd.
Evenwel de schippers en hun knechts manoeuvreerden zoo dapper, dat ze bij den zesden gang voor het Lettelberter diep kwamen en de 7e bracht hen een goed eind in „den Hals van het Meer”. Nu was de strijd gauw gestreden. De lijn werd weer uitgegooid, eenige rappe gasten sprongen aan wal en met vereende krachten kwam men behouden en wel zonder verlies van menschenlevens en zonder averij te Leek aan op den gewonen tijd.
Een talrijk publiek stond bij de brug en op het tegenwoordige bootplein te wachten en bracht den schipper en zijn knechts een warme ovatie. Toen de tijd ongeveer aangebroken was, dat „de Bol” op het meer moest zijn, waren versscheidene ingezetenen naar den Schildhoek gegaan. Met huivering hadden zij het manoeuvreeren van het scheepje gadegeslagen en er waren er, die van angst wegliepen om den ondergang van het vaartuig niet te zien, zoodat in het dorp al gauw het gerucht liep, dat de geheele Leeksterbol met man en muis op het Meer was vergaan. Maar gelukkig liep alles goed af.
De kermis leed geweldig onder den storm, dat spreekt. Des namiddags waaide het zoo hard, dat van de groote kermistent van de familie Wery, die te Nietap stond, een massa planken wegvlogen onder het publiek en men de voorstelling moest staken, wijl er gevaar bestond, dat alles plat tegen den grond zou komen te liggen.”
—
Bron: Vredewoldius, ‘Een storm op het Leekstermeer’ (Uit Vredewold en omgeving XLVI), Nieuwsblad van het Noorden 3 februari 1914.
Het onderspit, Gietersen en pantygeld
Geplaatst op: 22 mei 2012 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesKanaal- en wijkgravers vormden ploegen van veertig tot zestig man. Je kwam maar zo niet bij zo’n ploeg, er was een soort ontgroeningsritueel: “de britse slaan”. Als groentje mocht je vervolgens eerst “het onderspit delven”. Dan stond je onderin de kanaalbodem de blubber los te werken met een houten schop. Die blubber gooide je omhoog naar de collega halverwege het talud die ook figuurlijk een eindje boven je stond, die gooide het spul weer naar iemand boven hem, die het op de wal deponeerde. Dat kanaalgraven was dus echt teamwork, het moest ook ritmisch gebeuren, vandaar dat er ook kanaalgraversliederen overgeleverd zijn, bijvoorbeeld in de collectie van het Veenkoloniaal Museum in Veendam.
Hendrik Hachmer, conservator van dat museum, vertelde er vanavond over bij de Historische Vereniging Hoogkerk in een causerie over de Veenkoloniën. Hij deed dat aanstekelijk, weliswaar zonder Powerpoint, maar met dia’s.
Hij had nog wel meer nieuws voor me. In de tweede helft van de 17e eeuw en de eerste van de 18e hebben zich nogal wat mensen uit Giethoorn en omgeving in Wildervank gevestigd. Op een kaartje staat een typisch Gieterse boerderij – hun architectuur namen de Gietersen mee. Ook hief het Participantenverlaat hier sluisgeld op punters. Nergens anders vindt je in Groningerland dergelijke scheepjes op zo’n lijst. Van het literatuuronderzoek voor mijn kandidaatsscriptie weet ik nog dat Friesland ook een dergelijke immigratie van Gietersen kende. De Friese familienaam Lok bijvoorbeeld, komt van oorsprong uit de buurt van Giethoorn. De mensen verhuisden waarschijnlijk uit Noordoost-Overijssel, omdat het veen daar uitgeput raakte, en de meren er steeds meer land opvraten.
Nog een derde elementje uit het betoog van Hachmer en dan hou ik ermee op. Bij Phoenix, een strokartonfabriek aan de Ommelanderwijk, kon je pantygeld halen. Dat zat zo. Phoenix vervuilde het kanaal dermate, dat er spontaan gaten in de panties vielen als dames erlangs fietsten. Phoenix was zich schuldbewust, en stelde daaarom een vergoeding in voor gehavende panties. Naar het schijnt is hier op grote schaal misbruik van gemaakt, doordat dames langs het kanaal gingen fietsen, wier panties toch al bijna aan vervanging toe waren.
Je vraagt je bijna af, zou de boekhouding van Phoenix nog bestaan? Aan de andere kant, je moet een mooi verhaal nooit kapot willen checken.

Recente reacties