De ontploffing van een koe te Baard
Geplaatst op: 28 november 2011 Hoort bij: Geschiedenis 9 reactiesIk dacht dat er nauwelijks iets Gronings zat bij de krantenleggers die de KB deze week online zette, maar daarin vergiste ik me, zo bleek vandaag tot mijn verrassing, want ze hebben de Groningsche Courant eindelijk aangevuld met de allereerste jaargangen, te weten die van 1743-1748.
Jaren geleden heb ik de leggers van die jaren al eens van kaft tot kaft doorgenomen, en daarbij noteerde ik ook curieuze berichten van buiten mijn eigenlijke onderzoeksterrein. Daarom kan ik nu die berichten weer opzoeken, zoals dat van de ontploffende koe in Baard, Friesland. De Groningsche Courant maakt van dat “wonderbaar geval” melding in zijn editie van vrijdag 5 april 1743, in het voetspoor van politiek nieuws uit Friesland:
“…den 23 Maart is te Baart, een dorp 3 uuren van Leeuwarden, in ’t huys van Jpe Gerbens een Koe geslagt, hebbende eenige daagen van te vooren afgekalft, en in het byzyn van 14 menschen geopent zynde is het net op de pens vanzelfs geborsten, een slag van zig geevende zoo sterk als een snaphaans schoot (geweerschot HP), en daarop een vlam ontstaan, waardoor het net wel anderhalf voet (0,5 meter) booven de Koe heeft gebrant, zoo dat men geoorzaakt is geweest, hetze!ve met water uyt te blusschen, het geen een groote onsteltenisse zoowel aan slagters als omstanderen veroorzaakt heeft. Deeze historie word met alle vereyschte bewyzen bevestigt…”
Kortom, er werd een koe geslacht, waarvan de pens verstopt was en barstensvol methaangas zat. Denkelijk omdat er gerookt werd ontplofte dat gas met een enorme knal en een steekvlam. Vervolgens ontstond nog brand ook, tot consternatie van de aanwezigen.
Dat een koe ontploft is niet zo vreemd als het lijkt, dat gebeurt wel vaker. Een jaar of tien geleden was er in Engeland zelfs sprake van dat 21 mensen met mond- en klauwzeer besmet raakten door een in hun nabijheid ontploffende koe. Naderhand wezen testen echter uit, dat geen van die 21 het mkz-virus opliep. Sommige koeien mogen dan explosief zijn, geschikt voor bacteriologische oorlogsvoering zijn ze niet.
Porseleinkaarten
Geplaatst op: 27 november 2011 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Porseleinkaarten, zo genoemd naar hun bijzondere glans, zijn gelithografeerde reclamedrukwerkjes op karton met een laagje kaolien en (giftig) loodwit. Ze werden vooral in het midden van de negentiende eeuw gemaakt. Waarschijnlijk kwam ook dit Groningse voorbeeld uit België, het centrum van de Europese productie, waar momenteel een tentoonstelling over porseleinkaarten plaatsvindt. >>>
Stichter van Ol Grait
Geplaatst op: 27 november 2011 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Gister kwam voor de derde maal deze week Ol Grait op mijn pad. De eerste keer was in een reactie van Dick Bolt, de tweede keer betrof het de film van Tiddens, en bij deze derde keer ging het om een koperen plaquette in de Tramwerkplaats te Winschoten.
Deze plaquette, aan de belettering te zien uit de vroege jaren dertig, eert Dirk Bos, de fractievoorzitter van de vrijzinnig-liberale VDB in de Tweede Kamer, die in 1913 bijna de formateur was van het eerste kabinet met socialistische ministers, ware het niet dat SDAP-partijleider Troelstra dat niet zag zitten. Bos, van origine leraar wiskunde, stond aan de basis van allerlei instellingen in Oost-Groningen, waaronder dus de Stoomtramwegmaatschappij Oostelijk Groningen, die in de volksmond Ôl Graaitje heette.
Tiddens en de zomer van ’40 op Groningerland
Geplaatst op: 26 november 2011 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 5 reacties
Het GAVA, dat de film deze week op zijn Vimeo-site zette, spreekt van een “klassieker”. Sommige shots van deze toeristische promotiefilm van C.R. Tiddens uit 1940 zijn inderdaad al eens te zien geweest in historische programma’s op TV Noord. Integraal, voor het volle halve uur, zag ik hem nu echter pas voor het eerst.
De film is een tour over het Groningerland gedurende de zomer. Er wordt nog met de hand gemolken en koren ingehaald. Toch zijn er voor het melken, ploegen en dorsen ook al ‘moderne’ landbouwmachines, waarvan een goed bezochte demonstratie in beeld komt.
Het toertje van Tiddens gaat langs slikken, wierdedorpen, boerderijen en middeleeuwse kerken. Maar ook doet hij Delfzijl met zijn haven en strandje aan en tussendoor krijgen we bovendien zicht op de opgraving (door Van Giffen) van de abdij in Aduard (“De leerschool van de spade”).
Eindelijk in Oost-Groningen beland, verlaat Tiddens pijlsnel Winschoten in zuidelijke richting, waar hij beelden schoot van Ol Grait, het slot te Wedde, het kerkje van Sellingen met zijn plafondschilderingen, een kronkelende dorpsstraat met paard-en-wagenverkeer, het klooster Ter Apel en een Westerwolds keuterijtje.
De beelden van de monumenten zijn als altijd tijdloos, en kunnen nu nog zo ongeveer gemaakt worden. Die kan je dus eigenlijk wel overslaan. Jammer dat Tiddens geen statief gebruikte. Het zwartwit hoort bij de tijd, maar oh wat zou deze film aan kleur veel gewonnen hebben.
Groot op je scherm zetten en genieten maar.
‘De koude van Nova Zembla gelyk’
Geplaatst op: 25 november 2011 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Drie strenge winters uit de Kleine IJstijd.
“Gevoelde men niet alleen in deze gewesten, maar in geheel Europa, een zeer harden winter, blyvende de strenge vorst tot in de maand May aanhouden, waar door het gezaayde in de grond bedurf en de groene weyden als verbrand waren, waar uit een bekommerlyke dierte van leeftogt voor menschen en beesten (=vee) volgde. De koude was zo doordringende dat meenige menschen dood vrooren. zelfs op hun bed, en veele beesten stierven, die als versteent op de stallingen dood gevonden wierden.”
“Den 2 November begost het hier zo sterk te vriezen, als zedert het jaar 1709 niet gedaan hadde, ’t welk aanhielt tot den 12 Maart des volgende jaars, zynde door de strenge koude niet alleen alle binnen wateren tot eenige voeten dikte toegevroren, maar was zelfs de Zuiderzee zodanig met ys bezet, zo verre men met ’t oog konde beschouwen, en tusschen Staveren en Enkhuizen had men een reguliere sleejagt, zonder gevaar voor ’t breeken van ’t ys. Verroorzakende deze langdurige vorst een groote armoede en elende in deze Landen.”
“In de maand October des vorigen jaars begon ’t te vriezen, ’t welk niet alleen aanhielt tot het einde van ’t jaar, maar in ’t begin van dit jaar hoe langer hoe felder wierde en eindelijk tot dusdanigen strengheit kwam, dat verre de koude van 1709 overtrof, zynde op zondag en maandag den 10 en 11 January de vorst zo vinnig, als niemant ooit in deze gewesten heugen mag, staande de Termometers bykans twee graden onder 0 (Fahrenheit, dus –2 = –19,8°C) of de felste koude, ’t welk acht graden kouder is als ’t winter van 1709, en drie graden kouder als men ’s winters in Lapland gemeenlyk gevoelt, zodat het de koude van Nova Zembla gelyk was. De wind was als in ’t oosten gekluistert, waar door de bittere koude en vorst en ’t sneeuwen bleef aanhouden tot in ’t laatst van April, wanneer de wind na ’t Noorde Oosten draaide, dog maakte even schraal en onguur weer tot diep in de maand Juny, zodat men zelfs byna geen zomer dit jaar had. De schrikkelyke onheilen en elenden door deze overfelle winter aan land, menschen en beesten veroorzaakt, is onuitspreekelyk. De aarde was ter diepte van veele voeten bevrooren en zo hard als yzer geworden, waar door alle groeyzaamheid als ten eenemaale weggenomen was. Veele menschen en ontallyke beesten vond men door de felle vorst verstyft en dood, de eetwaren en ’t brood waren gelyk steen geworden, en alle dranken en vogtigheden als baar ys. Alle binnen wateren en de snelstromenste Rivieren gebruikte men als gemeene (=gewone) weegen met de zwaarste lastwagens. Niet alleen de Eems tusschen Delfzyl en Oostfriesland wierde veilig met sleeden overgetrokken, maar ook de Zuider Zee tusschen Staveren en Enkhuizen was diermaten slegt (= vlak) en effen toegevrozen, dat zonder gevaar en met gemak dezelve gebruikt wierde, ’t welk nooit van te voren meer gezien was (…). De aanhoudende strenge koude maakte alle levensmiddelen en brand stoffen schaars en drie voud dierder als gewoonlyk, waar uit een onbeschryflyke nood en gebrek onder de geringe menschen ontstond, en schoon de mildadigheit der grooten en begoedste burgeren omtrent de armen en behoeftigen groot was, zyn des niet tegenstaande de diaconyen met het onderhoud van veele honderden nootdruftigen meer als gemeenlyk bezwaard geworden. Door de koude en gebrek van voedzel stierf een meenigte beesten, waar door veele boeren geruineert zyn, het hooy ontbreekende moest men stroo aan ’t vee ten eeten geven, dit ook niet meer te vinden zynde, hielt men de rietdakken van de boeren huizen af, om ’t de beesten voor te werpen, die het door honger gedwongen aten dat hen ’t bloed ten bek uitkwam. Het gezaaide koorn en ander veldgewassen dagt men, dat door de harde vorst ten eenemaal bedorven was, dog tegen verwagting was het ten meesten deele behouden, om dat het misschien zeer diep onder de sneeuw bedekt is geweest. Verdere bezonderheeden zullen wy niet melden, wyl deez droeve winter tyd ieder een thans nog genoeg in geheugen legt, als alleen dat God Almachtig geliefde door deeze over groote koude onz van de droevige kwaal en plage der paalwormen te verlossen.”
—
Bron: [Henricus Hofsnider] Kronyk van Groningen en de Ommelanden, vervattende een beknopt historisch verhaal van ’t merkwaardigste zedert deszelfs alleroudste geheugen voorgevallen, zo van derzelver als in der inwoonderen oorspronk, voortgang, eerste Kristendom, verwoestingen, oorlogen, verderfelyke binnenlandsche onlusten en andere zware rampen, beneffens de grondlegginge en weder afbreekinge van kerken, kloosters, kasteelen, Heeren huizen en Adelyke gebouwen, enz. tot op dezen jare 1743 (Groningen bij Warnerus Febens, 1743) 275, 283, 296-298. (RHC Groninger Archieven 1759-26)
Een nieuw ‘klokhuis’ te Leegkerk
Geplaatst op: 8 november 2011 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 6 reacties
Op 20 mei 1696 lieten de kerkvoogden van Leegkerk de timmerman Geert Roelefs van Peize naar Leegkerk komen, “om de toorn te verbeteren dat die niet schuddede in ’t luiden”. Met die toren, zo blijkt naderhand, werd een dakruiter bedoeld, die bovenop de kerk stond. Roelefs onderzocht deze, en bevond dat “het holt al in ’t vergaen was”. Geen wonder dus, dat deze toren schudde bij het klokluiden.
De kerkvoogden besloten, dat er aan de westgevel van de kerk “van nieu eijken holt een klockhuis ofte Toorn zou komen”, waar de klok naar toe moest verhuizen. De oude dakruiter zou dichtgetimmerd worden. Geert Roelefs nam het werk aan voor 65 gulden als de kerkvoogden het eikenhout uit een bos in Drenthe kochten. Maar als zij “besneden holt” uit de stad Groningen zouden laten halen, zou hij slechts 55 gulden krijgen. Dan hoefde hij immers niet meer die bomen te laten bewerken tot bruikbaar hout.
De aanbesteding vond plaats in een herberg bij de Nieuwe Brug, waar de kerkvoogden de verteringen betaalden. Deze liepen op tot een rijksdaalder.
De aanneemsom gold dus alleen de arbeidslonen – de materialen moesten de kerkvoogden zelf kopen. In juni kochten ze voor 56 gulden en tien stuivers vijf eiken in het bos van Peize. Hoewel deze eiken in augustus werden gekapt, zouden ze daar nog maandenlang blijven liggen, omdat ze “uit oorsake van langduirende regen en onbruikbaerheijdt van de wegen” niet naar Leegkerk konden worden vervoerd.
Dat transport gebeurde pas op 21 december 1696 door “de Caspeluiden van Peijse met sleeden over ijs”, waarvoor deze Peizenaren een hele ton kluin (Groninger bier) als beloning kregen
Uit een soortgelijke post voor “een halve tonne kluin tot richtelbier van de Toorn ofte Klockhuis”, waarvoor de Leegkerker schoolmeester op 8 mei 1697 de impost betaalde, blijkt dat toen ongeveer het balkenstel aan de gevel bevestigd zal zijn. In juli betaalden de kerkvoogden de timmerman voor zijn werk en de smid voor het gebruikte ijzerwerk en spijkers. Dat zal na de oplevering zijn geweest.
Al met al waren de kerkvoogden zo’n 166 gulden kwijt voor de nieuwe aanbouw.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 547: familiearchief Lewe, inv. nr. 502: rekeningen kerkegoederen Leegkerk
Het uitkramen van lectuur
Geplaatst op: 2 november 2011 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
“Ha zie zoo ik heb ook meden,
nieuwe dubbelde Almanak
om den avond te besteeden
als gy zit op uw gemak.
In het hoekje van den haart
is dit Boek een Daalder waard!”“Zoo heb ik van alle dingen,
Koop by Fransje Koop tog wat,
Ik heb ook Liedjes om te zingen,
welk een zoet de min bevat,
hoe het lieve Jonge paar,
moet verkeeren met malkaar.”
Regels uit: De kramer, welk lied te vinden is in Het vrolyke landmeysje, zingende in de polder der blyschap (1798). Kramers deden naast allerlei klein gerei ook wel in populair drukwerk. De Franse kramer op het plaatje was er zelfs in gespecialiseerd.
Puttervangst op Blauwborgje
Geplaatst op: 29 oktober 2011 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties
Het was de toegift op een lang gesprek over de Pannekoek. Ik had mijn schrijfbloc al bijna in mijn tas zitten, toen Barteld Staal, de laatste bewoner van het oude boerderijtje bij de Poffert, begon over de vader van een vriendje van hem
Deze Hindrik Schuitema – het zal omstreeks 1948 geweest zijn – woonde op de Poffert, maar kwam van het Blauwborgje, de bekende hangplek voor Ploegschilders bij het Reitdiep onder Paddepoel. Daar woonde nog steeds zijn broer Stoffer Schuitema. Bij die Stoffer kwam Hendrik nog vaak op het erf om vogels te vangen: voornamelijk putters.
Bij Barteld thuis, op de Pannekoek, hadden ze konijnen: “Dikke Lotharingers. Die moesten wel eens naar de ram op Blauwborgje”, vertelt Barteld, “en zodoende kende ik de omgeving daar wel een beetje”. Met zijn vriendje ging hij er kijken hoe diens vader putters ving. Die kon de jongens daar eigenlijk helemaal niet bij gebruiken: “Hij wou ons er niet bij hebben, we mochten geen lawaai maken en pas naar buiten komen als hij het net naar beneden trok.”
Een putter heet niet voor niets een distelvink. Hij lust graag distelzaden. Ter voorbereiding op de puttervangst waren ’s zomers “dikke stiekels” van het land gehaald die in bosjes gedroogd werden in de schuur. Als Hendrik puttertjes vangen wilde, dan werden er wat van die gedroogde distels in de grond gestoken. En daar ging dan een net overheen, met touwtjes die naar de verdekt opgestelde Hendrik toeliepen..
“Hij miste ze ook wel eens”, zegt Barteld over de vogelvangkunsten van zijn vriendjes vader. Hoe groot de vangst gewoonlijk was? “Een of twee per keer dat hij het net liet vallen.”
De putters gingen in kooitjes die achter de muur van het achterhuis kwamen te hangen. “Dat deed hij om ze in te burgeren”. Je bedoelt dat ze dan konden wennen aan mensen? “Ja”, beaamt Barteld, “daar werden ze minder schuw van.”
Af en toe deed Hendrik het ook wel op de Poffert. Maar dat was minder een biotoop voor putters: “Daar waren er lang niet zo veel, het was net of daar bij Blauwborgje de grote trek was bij winterdag. Op de Poffert ving hij weinig, bij Blauwborgje veel meer,”
De vogelvanger was overigens niet eenkennig: “Sieskes vong Hinderk met liemstokken”. Zijn broer Stoffer deed er ook wel eens aan mee, maar niet zoveel: “De ene was wat dat betreft brutaler dan de andere”. In deze na-oorlogse jaren waren zangvogels als putters en sijzen allang beschermd. “Als ze je pakten, dan was het niet best, dat werd beschouwd als stropen.”
Poes poes. zoek de verschillen
Geplaatst op: 21 oktober 2011 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 11 reacties

Ik was van de week even bij Monument & Materiaal en daar viel mijn oog op een aantal tegels met dierfiguren. Ze waren qua plek afkomstig uit Oude Kijk in ’t Jatstraat 8 en qua tijd uit het midden van de de zeventiende eeuw.
Dergelijke figuurtjes werden vaak met een soort van stencil-techniek opgebracht. Via een doorgeprikte tekening deponeerde men korreltjes houtskool op de nog niet geglazuurde tegel. De figuurschilder hoefde dan alleen nog maar de puntjes houtskool te volgen met zijn penseel. Zo komt het dat die figuurtjes vaak sterk op elkaar lijken.
Bij bovenstaande poezen is een dergelijke methode misschien ook wel gevolgd. Toch vind ik ze niet erg op elkaar lijken. De bovenste acht ik wat depressiever, de onderste wat ondernemender. Laat me ze namen geven: Hans en Jopie bijvoorbeeld.
Een verhaal over deze tegels komt in het jaarboek Hervonden Stad 2012 te staan. Vlak voor Sinterklaas gaat dat verschijnen.
‘En leggende een blaam op het onnosele kindt’
Geplaatst op: 18 oktober 2011 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesIn 1731 nam de Drentse synode het besluit, om ongehuwde moeders die om de doop van hun kind kwamen vragen, voortaan flink de pin op de neus te zetten. Deze vrouwen moesten die kinderen zelf voorin de kerk komen aanbieden en mochten zich dus niet langer laten vervangen door een familielid. Ook stelde de synode een formulier met vragen vast, die de vrouwen voor het front van de gemeente instemmend moesten beantwoorden. Een van de vragen kwam erop neer, dat ze erkenden hoeren te zijn. Dat was ook het gewone scheldwoord in deze tijd, voor deze vrouwen.
Kennelijk was het rond 1730 in de mode, om ongehuwde moeders erdoor te halen, want in het besluitenregister diaconiezaken van de Winschoter kerkeraad vond ik, dat men daar een soortgelijk formulier hanteerde als in Drenthe:
“Volgens een alhier ingevoerd kerkgebruik verscheen in dese vergaderinge Lamke Kristiaans, begerende den Doop voor haar onegte kindt. En nadat de vuiligheit dier sonde was aangetoont, als onteerende den Heiligen Godt in het verbreken van de ingestelde order des Houwlijx, strekkende tot grote ergernisse der gemeinte, besmetting van hare ziele en lighaam, en leggende een blaam op het onnosele kindt &c. En sij schuldbelijdenisse gedaan en leetwesen betoont hadde, wierde haar versoek ingewilligt, mits dat zij in eijgener persoon het kindt selfs ter Doop aanbiede, en antwoorde op de aan haar voorgestelde vraagstukken tot dien einde gerigt.”
No cure no pay in de 18e eeuw
Geplaatst op: 14 oktober 2011 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties“Arent Sterenberg, Chirurgus in de Beerte, bood aan Tjakke Pott te genesen sonder daar voor jeet te genieten zoo het mislukte, maar bij de genesinge daar voor het sijne te genieten”
Aldus het diaconale besluitenregister van de Winschoter kerkeraad onder de datum 2 mei 1732. Meestal dienden plattelandschirurgijns en -artsen vrij forse rekeningen in bij diaconieën. Voor armen gaven ze geen korting, is mijn indruk. Arend Sterenberg, in Beerta waarschijnlijk de opvolger van dokter Fabius, moest zich nog bewijzen. Als de patiënt niet genas, kreeg hij niets, maar bij genezing zou hij het tarief in rekening kunnen brengen dat de diakenen eigenlijk te hoog vonden.
We hebben een deal zei de kerkeraad en de diakenen maakten een contractje op met Sterenberg, waarin de afspraak haarfijn werd vastgelegd. De nieuwe chirurgijn van Beerta was misschien iets te overtuigd van zijn kunnen, want eind die maand bleek dat Tjakko “geen beterschap” ondervond van de behandeling. De Winschoter diakenen betaalden hem dus niets.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, archief hervormde gemeente Winschoten (toegang 331) inv.nr. 41, besluitenregister kekeraad in diaconiezaken
Speelkaartenbelasting
Geplaatst op: 6 oktober 2011 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 6 reactiesOmdat mijn grootvader Harm Perton vlak na de Eerste Wereldoorlog van grenssoldaat tot kommies opklom, zat ik eens in de digitale leggers van het Nieuwsblad van het Noorden uit die periode te kijken, wat het trefwoord kommies zou opleveren.
Kommies werd je na een examen, waarvoor particuliere opleidingen bestonden. Die leidden niet alleen voor het examen kommies op, maar ook voor die van politie-agent en gevangenbewaarder. Aantrekkelijk aan deze functies waren vooral de vaste aanstellingen met relatief hoge tractementen.
Had een jongeman het examen kommies met goed gevolg afgelegd, dan kreeg hij van rijkswege meteen een standplaats toegewezen. Voor Groninger jongens betekende dat in het gros van de gevallen een afscheid van Groningen. Meestal gingen ze een behoorlijk eind weg. Vooral Brabant was nogal eens de bestemming. Het Rijk wilde duidelijk geen al te gemeenzame omgang tussen de lokale bevolking en deze ambtenaren.
Kommiezen bestreden aan de grenzen frauduleuze invoer, vooral van drank, maar ook bijvoorbeeld van schapen. In het binnenland hielden ze toezicht op de betaling van allerlei accijnzen. Ze visiteerden bijvoorbeeld drankvoorraden in kroegen, controleerden of er banderolles om sigaren zaten, checkten fietsen op de plaatjes krachtens de rijwielbelastingwet van 1924 en hielden in de gaten of auto’s wel kentekens voerden.
Een van de meest curieuze wetten, waarvan mijn grootvader de naleving moest controleren, betrof de speelkaartenbelasting die van 1919 tot 1924 bestond. Erg vaak leidde deze belasting niet tot vervolging, maar het Nieuwsblad van 3 oktober 1925 verhaalt van een rechtszaakje in Winschoten:
“Luitjen V, 81 jaar, barbier en winkelier te Winschoten, moet terecht staan, omdat hij den 9 Juni j.l. in zijn scheersalon aanwezig heeft gehad 6 spellen speelkaarten, elk spel van 52 kaarten, welke spellen kaarten niet waren voorzien van den stempelafdruk bedoeld bij art. 3 der speelkaartenwet. Als getuige wordt gehoord J. Bonman, kommies te Winschoten. De 6 spellen kaarten zijn hem ter hand gesteld door den beklaagde. Zij waren niet voorzien van hat voorgeschreven merk, Hij had met een collega de kaarten in beslag genomen. Beklaagde bekent. Eisch: ƒ 100 boete en twee boeten ieder van ƒ50, te vervangen door hechtenis door den rechter te bepalen. Uitspraak heden 14 dagen.”
Vrijgevigheid in gradaties
Geplaatst op: 21 september 2011 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Grafiekje van de gemiddelde uitgave in guldens per bedeelde arme, gedaan in kerkelijke gemeenten in het Oldambt, anno 1810. Becijferd op basis van een van de vele statistische tabellen, die de overheden in de Franse periode produceerden.
Zoals je ziet loopt die gemiddelde uitgave uiteen van 16 gulden bij de evangelisch-lutherse gemeente Winschoterzijl, tot 136 gulden bij de doopsgezinden van Midwolda e.o.
Natuurlijk gaat het soms om kleine getallen – bij die doopsgezinden van Midwolda e.o. betreft het slechts één enkele bedeelde. Uiteraard speelt de vraagkant een rol bij de uitgaven: een zwaar gehandicapte die permanent oppas en verzorging van node heeft, vergt meer geld, dan een piepjonge wees. Een paar zware gevallen kunnen het gemiddelde bedrag dus zeker opkrikken. Maar die vraagkant kan beslist niet alléén het op deze wijze uiteenlopen van de gemiddelde bedragen verklaren. Dat ligt ook aan de aanbodskant. Zo is van de lutheranen, katholieken en joden bekend, dat ze meest nogal armoedig waren. Dat de gemiddelde uitgave aan een bedeelde in hun gemeenten tot de laagste behoorde, is dus geen toeval, dat komt door de armoe van de gevers. De leden van deze gemeenten konden minder missen en hun diaconieën zetten de tering naar de nering. In dat plaatje past ook de positie op de ranglijst van Finsterwolde, dan nog deels een armelijk vissersplaatsje. Pas na de inpoldering van de Finsterwolderpolder (1819) werd het een welvarend boerendorp.
Een soortgelijke ontwikkeling maakte Oostwold vanaf 1769 door dankzij de Oostwolderpolder. Hier heerste in 1810 de welvaart van hoge koolzaad- en graanopbrengsten, die ook nog eens zeer hoge prijzen deden. Daarom vinden we de hervormden van Oostwold juist in de top 10, qua gemiddelde uitgave per arme. En die hoge uitkering bij de mennonieten van Midwolda e.o mag dan een niet-representatieve uitbijter zijn, de aanwezigheid van de doopsgezinden van Nieuw-Scheemda en Noordbroek in de top 10 zegt toch wel wat. De doopsgezinden waren door de bank genomen wat rijker dan hervormden en kennelijk ook wat vrijgeviger. Dat de massale overgang, in deze tijd en eerder, van doopsgezinden naar de hervormde kerk veroorzaakt zou zijn door de aantrekkingskracht van de hervormde armenzorg, lijkt gezien deze grafiek weinig plausibel.
De oudere Dollardpoldergemeenten, zoals Beerta, Nieuwolda en Scheemda, zitten allemaal op het middenveld in de bandbreedte van 40 à 60 gulden. De vraag is hoe al deze gemiddelde uitgaven zich verhouden tot de gemiddelde kosten van levensonderhoud in het algemeen. Op basis van het karige minimum-tarief van 7 stuivers per dag voor kost, bewassing, licht en vuur, geldend voor gevangenen op een van de stadspoorten in Groningen, was een volwassene minstens 128 gulden per jaar kwijt aan levensonderhoud. Daar kwam dan nog eens zo’n 20 gulden overheen aan een jaar huur voor een pover woninkje. De minimale kosten van levensonderhoud bedroegen dan al met al 148 gulden per jaar voor een volwassene. Als je de gemiddelde uitgave per arme in de grafiek daarmee vergelijkt, hield zelfs die doopsgezinde arme van Midwolda nog een stuk jaar over na het verteren van zijn of haar steun.
De uitkeringen – deels in natura, deels in geld – waren dan ook helemaal niet bedoeld om de kosten van levensonderhoud volledig te dekken. Ze vormden slechts een aanvulling. De arme werd geacht nog zoveel mogelijk de kost zelf te verdienen. Vervolgens was er de eerstelijns armenzorg in de vorm van de familie en pas daarna kwam een diaconie in beeld voor het lenigen van de nood.
Liever een marskraam dan permanent steun
Geplaatst op: 20 september 2011 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties
“Harm Pieters niet langer konnende bestaan, begeerde 5 à 6 gl. om met een marskraam te gaan. Word hem daar toe 6 gl. toegelegt, om reden dat hij anders dog geheel tot laste der Diakonie soud komen.”
Aldus het besluitenregister van de Winschoter diakonie op 27 februari 1721. Harm Pieters had zich dus bij deze diakonie vervoegd omdat hij niet langer de kost kon verdienen. Hij verzocht om 5 of 6 gulden, opdat hij een “marskraan” met handel kon kopen. De diakonie gaf hem dat bedrag ook, omdat hij anders toch voor zijn gehele levensonderhoud voor rekening van de diakonie zou komen. Men investeerde nu liever voor een eenmalig, kleiner bedrag, dan straks voortdurend geld en uiteindelijk een veel groter bedrag in Harms consumptie te moeten steken.
Van zo’n marskraam, waarmee Harm de boer op wilde gaan, zijn er best wel veel plaatjes, eigenlijk. De onderstaande komt uit de Koninklijke Bibliotheek. Zo’n kraam was een platte bak van hout of riet, waarin zich vakjes met kramerijen of kleine handelswaar bevonden. Het kon bijvoorbeeld gaan om garen, band en knopen, flesjes Haarlemmerolie en kwakzalversmiddelen, of volksboekjes en almanakken.

Onder de bak zat vaak een stok waarop de bak kon steunen. De bak bestond gewoonlijk uit twee delen – een dieper gedeelte en het deksel – die de marskamer kon inklappen en dan makkelijk op zijn rug kon dragen. Een dergelijke koopman heb ik als kleine jongen nog bij ons thuis zien komen. Voor 1960 was dat. Mijn moeder kocht kaartjes met veiligheidsspelden van hem.
Om op Harm Pieters terug te komen: een anderhalve maand na zijn opwachting bij de Winschoter diakenen bleek hun investering helemaal niet nodig te zijn, omdat Harm “noch voor ditmaal van sijn vrinden ondersteunt, en met kramerie versorgt [zal] worden…” Onder die vrienden moet je de familie van Harm verstaan, die de eerstelijns armenzorg op zich namen. Pas waar deze achterwege of gebrekkig bleef, hoefde een diakonie in actie te komen.
Ik neem het besluitenregister van de Winschoter diakonie door met het oog op een lezing, die ik medio oktober in Winschoten ga houden.


Recente reacties