‘De lastigste en onverdraaglijkste schepsels op aarde’

“Eergisteren verliet ik onder zeer ongunstige vooruitzigten, met koud en winderig weer, de stad Groningen. Het reisgezelschap was ook niet zeer aangenaam en bestond uit eenige Oldampster jonge boerengezellen, die van een plaisierreisje van Amsterdam terugkwamen, waartoe zij den nu nog op het land ledigen tijd gebruikt hadden. Zij hadden vreemde dingen gezien, doch zeer weinig dat genade in hunne oogen vond, al wat maar niet Oldampster was en even ruw in taal en manieren als zij, was niet goed. Gij kent die soort van volk uit mijne vorige berigten als  trotsch, onbeschaafd en onbescheiden en volstrekt ongeschikt om tegenspraak te verdragen of teregtwijzing in zaken waarin zij dwalen, te ontvangen, met de rijke Bildboeren in Vriesland misschien de lastigste en onverdraaglijkste schepsels op Gods aardbodem.”

Bron: H. Potter, Reize door de oude en nieuwe Departementen van het koningrijk Holland, en het hertogdom Oldenburg, gedaan in den jare 1808 (Haarlem 1808) pag. 128


Pannekoek, Poffert en Meelzak vormden een povere horeca

Geplaatst op 16 juni 2011 a

In een brief van 13 juni 1783 schrijft Tjaard Anthonie van Iddekinge, de jongste zoon van Groningens machtigste regent, over een reis per trekschuit van Friesland naar Groningen. In de snikke werd er voorgelezen en at men een maaltijd met aardbeien. Men trad er even uit bij het Noordhorner Tolhek om naar het landschap ter weerszijden van het Hoendiep te kijken, want:

“Hier heeft men een uitmuntend gezigt van zeer schoon land en heerlijkheden.”

Links zag je Zuidhorn met de Hanckemaborg en rechts had je het Huis Byma, bij Faan en Niekerk. Vervolgens gaat de trekschuit met Van Iddekinge junior op Hoogkerk aan. En dan somt hij de drie namen op van herbergen langs het Hoendiep. Het eerste huis heette De Pannekoek, het tweede De Poffert en het derde De Meelzak, “waar voornamelijk ’s winters herberg werd gehouden”.

Deze herbergen langs het Hoendiep droegen dus alledrie namen welke verwezen naar de meelspijzen die men er nuttigde. Alleen De Poffert bestaat nog, zij het als buurtschap die naar de herberg genoemd is. De namen van de twee andere établissementen zijn weggezakt in vergetelheid.

Van Iddekinge at niet  in een van de herbergen, misschien om reden, want de kwaliteit van het geboden voedsel was er abominabel. Althans, als we dominee Hebelius Potter mogen geloven, die in 1808 langs hetzelfde diep kwam. Hij gaf een vernietigdende recensie:

“…nergens zeker kunt gij in ons geheele land slechter herbergen aantreffen, dan langs de trekvaart tusschen Dokkum en Groningen. Hoewel men den vasten tijd van de komst der jaagschuiten weet, vindt men er echter nimmer iets gereed of in behoorlijke orde, geen water aan de kook, geen vuur aan den haard, terwijl de verregaande morsigheid die allerwegen, in vertrek, aan meubelen en bedienden gevonden wordt, een afkeer verwekt om het noodige te gebruiken, zoo men het nog al bekomen kan.

Ik vroeg om thee, doch kreeg tot antwoord van eene ijsselijk morsige dikke vette dienstmeid of vrouw – want daarin is, in deze huizen, juist geen groot onderscheid te bespeuren – dat het theedrinken juist bijkans een uur gedaan geweest was. En dat, nota bene, in eene herberg.

Ik kon dus, daar ik op de regte theeklok niet aangekomen was, geene thee, en niets anders bekomen dan een dronkje bier in een walgelijk morsige kan, die in geen half jaar geschuurd scheen te zijn, en een glas, dat ruim zoo veel naar horen als naar glas geleek.

Zelfs in het voormalig Commissarishuis te Stroobos, thans door eenen anderen huurder bezeten en bewoond, waar voorheen eene honger- en dorstverwekkende zindelijkheid heerschte, had thans volstrekt het tegendeel plaats en had alles meer het aanzien van de gemeenste kroeg, dan van eene ordentelijke herberg. Dan genoeg hiervan. Het is thans zonder uitzondering met alle herbergen langs dezen streek even eens gesteld.”

Zoals we bij het logje over Bourtange gezien hebben, trof Potter ook wel eens een goede herberg aan in onze contreien. In 1808 vervolgde hij zijn reis langs het Winschoterdiep en zijns insziens verschilden de herbergen daar nogal in kwaliteit van de bovengenoemde:

“Langs dezen kant, en door dit gedeelte van Groningerland reizende, ontmoet men betere herbergen dan aan den kant van Vriesland. De huizen zijn beter ingerigt, er heerscht een veel grootere zindelijkheid, en men kan in alles zijne begeerte weldra voldaan krijgen met goede waar, voor  tamelijken prijs.

Vooral te Winschoten zal de reiziger altijd op den middag eene gedekte en wel voorziene tafel, en voor het overige in het deftig Logement van den beschaafden vriendelijken TER STEEG, en in dat van den gullen NOORDHOF, alles zoo vinden, als hij het wenschen kan, of hij zou niet weten hoe hij het hebben wilde. Het eerste behoeft zeker, wat deszelfs geheele inrigting betreft, voor geen Hollandsch Logement onder te doen.”

Dat onderdoen gold dus wel voor De Pannekoek, De Poffert en De Meelzak langs het Hoendiep. Deze voldeden bij lange na niet aan de kwaliteit zoals die in Holland gewoon was.

Bronnen: Centraal Bureau voor de Genealogie te Den Haag, familiearchief Van Iddekinge (toegang 166) doos 3, brief T.A. van Iddekinge aan zijn schoonouders d.d. 13 juni 1783; en H. Potter, Reize door de oude en nieuwe Departementen van het koningrijk Holland, en het hertogdom Oldenburg, gedaan in den jare 1808 (Haarlem 1808) deel I pag. 102, 103, 134 en 135.


Het vervallen Bourtange ten tijde van Napoleon

Geplaatst op 15 juni 2011  a

“De weg van Winschoten naar de Bourtang is niet onaangenaam, vooral in het begin. Verder komende bevindt men zich aan alle zijden door akelige moerassen ingesloten. In den zomer met gras begroeid, zou men op het oog niet zeggen, dat dit zulke losse gronden waren. Ook kan men, na eene langdurige droogte, hier en daar met het rijtuig gebruik van dezelve maken, doch bij regenachtig weder doet men wel, zich, gelijk men somtijds kortheidshalve doet, niet op dezelve te wagen, wil men niet tot hals en ooren in het slijk blijven steeken, gelijk ik zulks eenmaal door de onbedachtzaamheid mijns voermans ondervonden heb. Beter en voorzigtiger doet men altoos, den koninklijken weg te volgen; dezelve is overal goed, en loopt door Wedde en Vlagtwedde, twee tamelijk groote, doch niet zeer aanzienlijke dorpen in Westwoldingerland. Tegen de middag bevonden wij ons in de Bourtang, en hadden het oogmerk onze reis verder voort te zetten, doch door gebrek aan paarden en wagen was dit voor dien dag eene volstrekte onmogelijkheid.

Wij namen onzen intrek in het Heeren Logement, bij de wedewe HEERES, die ook eene gepriviligeerde voermannerij heeft. In een beschrijving van dit Heeren Logement zal ik niet uitweiden. Hetzelve is zekerlijk niet zoo aanzienlijk als vele logementen, vooral in groote steden. Doch gemak en overvloed kan men voor weinig geld hebben bij deze brave vriendelijke weduwe en haren even braven zoon. Niet dat men hier, zoals in vele Heeren Logementen, met een paar blaadjes salade of een enkel mager coteletje of carbonaadje behoeft tevreden te zijn, of in het algemeen met datgeen wat de waard belieft op te dischen of voor te dienen. Neen. men stelt hier bij deze goede vrouw eenigermate zelfs de wet. Men zegt wat men hebben wil en hoe, en, zoo deze vordering niets onmogelijks behelst, bekomt men het ook zeker, en in alle gevallen durft men ook zelfs wel in de keuken omzien en nagaan hoe het met de toebereiding gaat, eene vrijheid, die in menig Heeren Logement bijna zoo veel als gekwetste majesteit zou zijn. Zonder velerleije en keur van geregten te wenschen, heb ik mijne spijs en drank gaarne zindelijk en goed bereid, zonder dit eerste is het mij, ook bij eene grage maag, onmogelijk iets te nuttigen. Maar bij vrouw HEERES vond ik het zoo, dat ik er gaarne eene week, ja al was het ook langer, vertoeven zoude, en hare kostelijke thee, waarvan zij ons haar geheele voorraadkistje gulhartig toevertrouwde, zal ik niet ligt vergeten.

Hier meer dan genoeg ledigen tijd hebbende, werd de namiddag met wandelen doorgebragt. In den engen omtrek dezer vesting, van nog geen vierde uurs gaans in het rond, is juist niet veel te zien, ook is het gezigt van de wallen, van het omliggende moerassige land, niet zeer belangrijk. Van binnen zoo wel als van buiten teekent alles diep verval en verwaarloozing. De deftige wooningen van den Commandant en andere aanzienlijke lieden, hier voorheen geëmployeerd, staan ledig en bouwvallig. Het schoone ronde plein in het midden, voorheen zoo zuiver onderhouden, is met gras begroeid, en meer aan eene weide gelijk, dan aan eene straat. De dubbele of driedubbele ophaalbruggen zijn gebroken en de grachten met riet en struikgewas begroeid. Zoo vrolijk en onderhoudend bij een bestendig garnisoen het leven hier voorheen was, zoo stil en doodsch is alles thans. De kerk is akelig en gelijkt meer eene slechte schuur dan een gebouw, geschikt tot godsdienstige bijeenkomsten en oefeningen. In een woord, de geheele vesting, uit- en inwendig, doet duidelijk zien, dat de Keizer der Franschen geen belang hoegenaamd in dezelve stelt. Douaniers ziet men hier, gelijk bijna overal in dat uitgestrekte rijk, met hun naauwlettend gierig oog elken binnenkomenden wagen scherp bespiedende en onderzoekende, of misschien niet iets te vangen is.

(…)

Nog dien zelfden avond paarden en wagens te huis gekomen zijnde, werd de volgende morgen tot het voortzetten van de reis bestemd, en vastgesteld dat de jonge HEERES zelve ons naar Lingen brengen zoude. Van dezen togt valt niet veel te zeggen. Paarden en wagen waren voortreffelijk, het weder goed, doch de weg geheel eenzaam en op sommige plaatsen verschrikkelijk zandig.”

Bron: H. Potter, Lotgevallen op eene reis van Friesland, door Westfalen en het Waldekse, naar Hanau in september 1813 (Amsterdam 1816) pag. 37 – 41.


‘Het schoonste en rijkste gedeelte van deze provincie’

“Onder zulke aangename, mij vertroostende gedachten en bespiegelingen, vervorderde ik mijnen weg, die mij dezen dag niet verder bragt dan in de Scheemda, een groot en fraai dorp, waar ik mijn nachtverblijf nam. Den volgenden morgen vroeg, begaf ik mij met mijnen voerman weder op reis. Het was het schoonste weer dat men kon wenschen; eene frissche heldere lucht. Mijn weg liep door het schoonste en rijkste gedeelte van deze Provincie, namelijk het Oldampt, over de fraaije dorpen Oostwolde , Midwolde , Finsterwolde enz.. Dan eens zat ik op een mijner koffers, naast mijnen vriendelijken en goeden voerman, op wien ik toch, op dit oogenblik, de naaste betrekking in de wereld hadde, met hem over koeitjes en kalfjes, over oude en nieuwe dingen pratende; dan eens wandelde ik op het schoone van den weg afgescheidene zandige voetpad, en was verrukt over de schoonheid en rijkheid van dezen oord, in vette weiden, hooge bouwlanden, fraaije lusthuizen en verbazende groote en schoone boerderijen, zoo duidelijk zich vertoonende. Buiten zoo veel vertooning van welgesteldheid en rijkdom, vallen ook bijzonder in het oog de prachtige en rijke woningen der geestelijkheid, schooner en rijker van inkomsten, dan misschien in eenig ander gedeelte van het vaderland.”

Bron: H. Potter, Lotgevallen en ontmoetingen op eene mislukte reize naar de Kaap de Goede Hoop in de jaren 1804, 1805 en 1806 (Haarlem 1806) pag. 13.


De mooiste plekjes van Amsterdam

Geplaatst op 10 juni 2011

In hun werk over de uithangtekens (1868) attenderen Van Lennep en Ter Gouw ons op een logement in de Amsterdamse Dubbeleworststeeg, waar Hendrik Cazimir, de stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, als “Graaf van Vrieslant” op het uithangbord stond:

“Vraagt men, hoe die Friesche Stadhouder daar verzeild kwam, het antwoord is zeer eenvoudig: ’t was een herberg voor Friesche schippers en kooplui; want in het Damrak was de gewone ligplaats der schepen, die op de Friesche havens, Groningen en Emden voeren.”

Dat Van Lennep en Ter Gouw de Friese schippers als pars pro toto voor alle schippers uit het noorden nemen, zal een Groninger wellicht met lede ogen aanzien. Maar, en dit tot schrale troost, deze auteurs zijn beslist niet onfeilbaar, zoals blijkt uit hun positionering van de Dubbeleworststeeg. Deze onooglijke steeg ligt niet bij het Damrak, zoals de heren menen, maar tussen de Heregracht en de Singel, parallel aan de Beulingstraat, vlakbij het Spui. Dus niet ten noorden van de Dam, maar een eind ten zuiden ervan. En veel minder dicht bij het IJ.

Wat wel klopt in hun verhaal is dat beurtschepen met diverse noordelijke bestemmingen tegenover de Dubbeleworststeeg aanmeerden. Volgens almanakken als de  “Historische, geographische, konst-en-reis almanach” voeren die van Groningen daar op zondag- en donderdagochtenden af naar hun thuishaven. Althans, tot 1791. Toen werd de ligplaats verlegd naar het Damrak tegenover het Valkesteegje (nu de laatste steeg rechts, als je van het CS naar de Dam gaat). En die plek bleven de Groningers, onder gelijkblijvende afvaarttijden, tot ver in de negentiende eeuw houden. Ik ken Amsterdam niet goed genoeg om met zekerheid te stellen dat het in 1791 om een promotie ging, maar het lijkt er verdacht veel op dat de Groninger beurtschippers qua ligplaats van een B- naar een A-lokatie verhuisden. In elk geval waren ze na het van wal steken veel gauwer op het IJ.

Om terug te komen op de Dubbeleworststeeg, die figureerde medio achttiende eeuw een paar keer in advertenties in de Groninger Courant. Zo maakte de Groningse hovenier J.F. Schuit  in 1744 reclame voor zijn gedroogde groenten,

“…zeer dienstig om te verzenden naar oost en naar west, voor alle Capitaynen en Zeevarende Heren, aan geen bederf onderworpen.”

Daarbij meldde Schuit dat ze ook verkocht werden bij “monsieur” Barend de Lange in de Dubbeleworststeeg in Amsterdam.  Naast wederverkoper van Schuits gedroogde groenten was deze De Lange herbergier, want een jaar later adverteerde de Loppersumer zonnewijzermaker Lambertus Derks Kranenborg dat hij drie weken in Amsterdam zou verblijven en wel ten huize van Barend de Lange in de Dubbeleworststeeg “tegenover de Groninger Steiger”. Zo wordt dan duidelijk, dat De Lange een bijzondere band met Stad & Lande had. Je zou kunnen veronderstellen dat hij daar vandaan kwam, ware het niet dat hij in Alle Groningers schittert door afwezigheid, zoals trouwens alle herbergiers die hier nog ter sprake komen. De band was dus vooral een economische.

De Lange adverteerde nooit zelf in de Groninger Courant. Hij zat met zijn logement zo dichtbij de steiger waar de Groninger beurtschepen aanmeerden, dat daarvoor wellicht ook helemaal geen noodzaak bestond. Hij kwam vanzelf wel aan zijn Groninger klandizie. Dat gold niet voor enkele collegae, die wat centraler in Amsterdam zaten. Zo maakte Adam Scheepen, die in mei 1746 verhuisde van de Vergulde Granaatappel naar “de vanouds vermaarde herberg” De Zon op de Nieuwendijk dichtbij de Dam, aan “alle kooplieden en passagiers” bekend dat hij daar voorzien was “van magnifieke vertrekken”, die geschikt waren voor het houden van maaltijden, vergaderingen en concerten. Terwijl het kersverse echtpaar Camstrup-Spyker een jaar later berichtte, dat ‘t het “vanouds vermaarde logement Groningen en Ommelanden in de Warmoesstraat” ging voortzetten,

“…derhalven houden zy zig na oude gewoonte by de Groninger Heren en Kooplieden en andere Passagiers gerecommandeerd onder belofte dat een yeder na staat en waardigheyd voor een Civile prys zullen worde Gelogeert en Getracteert.”

Om terug te keren naar de Dubbeleworststeeg, die duikt in 1757 opnieuw op in de Groninger Courant. Ene Roelof Wiggerink maakte toen “alle Heren en Kooplieden” bekend dat hij per 1 mei zijn woning en logement verplaatste naar de Nieuwedijk, het zesde huis vanaf de Dam noordzijde. Voordien zat hij in de Friese Valk in de Dubbeleworststeeg, de herberg die mogelijk eerder van Barend de Lange was. Kennelijk wilde hij klanten meenemen. Zijn nieuwe bedrijf heette Het Wapen van Groningen en Ommelanden, mogelijk nam hij het uithangbord van het echtpaar Camstrup over. In elk geval verkocht hij, net als Barend de Lange ooit deed,

“…allerbeste Gedroogde en Ingelegde Groentens; als Roomse of Boere Boonen, Sny- en Sla- Boonen, Peulen, Dop-Ertjes, Bloemkool., Stoelen van Aartisjokken, Spinnasie, Zuuring, Seldery, Pietercely, Kervel, Appelen, Peeren, Moerelken, Roosebottels, Abrikoosen, Kruisbessen en Aalbesssen-Sop, &c. &c.”

In 1762 overleed Roelof Wiggering, maar zijn weduwe ging door met het Wapen van Groningen en Ommelanden aan de Nieuwedijk, zo adverteerde ze via de Groninger Courant aan “alle Heren en Kooplieden”. Intussen was logement de Friese Valk in de Dubbeleworststeeg, het derde huis vanaf het water, overgenomen door een Barend Koops. Maar weldra zouden de wed. Wiggering en Koops te maken krijgen met een hevige concurrentie, want in 1766 mikten ook Bernardus Cramer van De Stad Münster aan de Oude Brugsteeg (bij de Warmoesstraat) en Lucas Westerhof in de Oudezijdskapelsteeg, het zevende huis vanaf de Warmoesstraat, “daar Groningen en Ommelanden uithangt”, met hun advertenties op een Groninger publiek.

In het laatste geval zou hetzelfde uithangbord nogmaals binnen Amsterdam naar een meer noordelijk gelegen lokatie verhuisd kunnen zijn. Hoe het ook zij, uit het voorgaande zal duidelijk zijn dat verschillende herbergiers met advertenties in de Groninger Courant hengelden naar cliëntèle uit noordelijke contreien. Ettelijke keren hadden ze een uithangbord waarop het wapen van Stad en Lande prijkte. De springplank voor hun horeca-carrière leek echter meermalen de Dubbeleworststeeg tegenover de steiger waar de Groninger beurtschepen twee maal ”s weeks aanlegden en afvoeren. De Groninger klanten daar namen ze maar wat graag mee naar hun nieuwe herbergen meer centraal in de stad.


113-jarige Groningse lurkte nog graag aan pijp

“Geeske Klaasens, geboortig van Nieuwen-Haaren in Munsterland, stierf in de Kalkwijk onder de klokslag van ’t Hoogezand, 3 uuren van Groningen, omtrent half October van den jaare 1764, in den ouderdom van 113 jaren. Had 1672, als Dienstmaagd binnen voorsz[eide] Stad gewoond, en was in haaren hoogen ouderdom eene groote liefhebberesse van een pijp tabak geweest.”

Uit: Alphabetische beschryving van byna agt honderd stokoude menschen (Leeuwarden 1785) pag. 61.


Hunebed bij Noordlaren was bijna opgeblazen

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

“21 October

Aangezien geïnformeert ben, dat er een voornemen zoude zijn bij eenen Hindrik Arends en Conraad Teunnis, als eigenaren van een stuk grond, te Noordlaren, waarop de groote steenen of zoogenaamd Hunebed, zijn geplaatst, om die steenen te laaten springen, en vervolgens te vervoeren en verkoopen; dan daar deeze steenen, zijnde overblijfzelen uit de Oudheid, niet voor particuliere, maar veeleer voor plaatslijke of Algemene Lands goederen moeten gehouden worden, zoo is het dat ik bij deezen aan opgemelden Hindrik Arends en Conraad Teunnes verbiede, om eenige verandering, hetzij door te laaten springen ofte anderszins te demoliëren, aan gemelde steenen of zogenaamd hunebed  toe te brengen, en in gevalle gemelde Hindrik Arends en Conraad Teunnis zich mogten onderstaan contrarie deezes te werk te gaan, zal tegens dezelve naar rigeur van Justitie worden geprocedeerd, zoo als dan naar omstandigheden zal bevinden te behooren.
Actum in Groningen den 21 October 1801.
L. Beckeringh
Ad int[erim] Ambtm[an]

Voorin staande ordinatoir geïnsinueert an Hindrik Aarents en Conraadt Teunis den 22 october 1801
J. Rummerink
Schulte”

In oktober 1801 hoorde ambtman Beckeringh van het Gorecht dus dat er in Noordlaren plannen bestonden om het hunebed op te blazen. De stenen zouden dan worden verkocht en afgevoerd. Aangezien die stenen een overblijfsel uit de oudheid vormden, en daarmee als een publiek goed moesten worden beschouwd, vaardigde Beckeringh een verbod uit om ze op wat voor manier dan ook te veranderen. De schulte van Haren bracht voor hem dit verbod aan de Noordlaarder plannenmakers over.

Het ook toen al incomplete Noordlaarder hunebed gold heel lang als het enige van Groningerland. Bij Onnen, Glimmen, Haren en Groningen moeten er ook hunebedden hebben gestaan, maar die steengraven verdwenen in de Middeleeuwen als funderingsmateriaal voor kerken en torens. Sinds 1870 is het Noordlaarder hunebed Rijkseigendom.

Ambtman Beckeringh was in Groningerland een pionier van de monumentenzorg. In Drenthe bestond er formeel sinds 1734 al een beschermde status voor hunebedden.

Bron van de geciteerde lastgeving: Groninger Archieven, rechterlijk archief Selwerd en Sappemeer (toegang 730) inv. nr. 1761.


Bewonerslijst Grouwelderij

De Grouwelderij, voorlopige lijst van hoofdbewoners, functies en spellingsvarianten

1720, 1722: Claes Claesen. Hij huurt het huis de Grouwelerije onder de klokslag van Wierum (= onjuist) met 10 gras land van de erven olderman Roelef Lanckhorst. Bij boedelscheiding gaat het eigendom over op diens schoonzoon, de oorspronkelijk  uit Diever afkomstige brouwer Hendrik Ottinga van De Sleutel aan de oostzijde van de A, bij de Vissersbrug. Dat een brouwer eigenaar is, maakt het waarschijnlijk dat het goed toen al een herberg was. Mogelijk was ook Lankhorst al brouwer, maar dat heb ik nog niet kunnen verifiëren.

1744, 1747, 1757: Claas Claasen Groewel. In maart 1744 overlijdt eigenaar Hendrik Ottinga. Diens dochter Henrica, getrouwd met brouwer Albertus Vos van De Gekroonde Vos aan het Damsterdiep nz., erft de Grouwelerije en de 10 gras land in de Paddepoel, met daarbij nog twee gras eigen grond in de Paddepoel die door iemand anders worden gebruikt. Volgens een later bericht is de Grouwelderie samen met een huis in Baflo verkocht “voor 100 gulden en een olt peer”. Op de boedelscheiding van 1747 krijgt Henrica in plaats van het huis wel wat meer dan dat: drie schuldbrieven ten laste van Claas Claasen Groewel, samen waard 300 gulden, waarbij diens vastgoed het onderpand is. Ik denk dus dat Claas Claasen het door hem bewoonde pand heeft gekocht,  maar kon het bewijs daarvoor niet rond krijgen. De achter- of bijnaam Groewel levert verder geen aanknopingspunten op.. Die lijkt eerder incidenteel toegekend, dan vast.

1763: Claas Clasen, de zoon(s). Van wijlen Claas Claasen in de Groewelderij onder het Carspel Noorddijk worden de roerende goederen geïnventariseerd.  Daaronder bevinden zich:

qua meubilair:

  • 11 stoelen
  • 3 tafels

qua drinkgerei:

  • 8 tinnen kroespullen
  • een dito mengel
  • een dito oort
  • vier dito half oorden
  • enige flessen
  • enige roemers en bierglazen

qua rijtuigen en boerengerei:

  • een sjees toebehorende aan de zoons
  • twee sjeestuigen en een beltuig toebehorend aan de zoon Claes Clasen
  • twee beslagen wagens
  • een bodde, een eide en seeltuig

aan levende have:

  • 2 oude peerden (oud = volwaasen HP)
  • 2 koeien
  • 3 hokkelings
  • 2 kalver
  • 1 schaap
  • 2 biggen

Wat hier doorheen schemert is een kleine tapperij,  gecombineerd met een klein boerenbedrijf. Dat het aantal paarden en koeien gelijk is, zegt wat. Waarschijnlijk verhuurt de gelijknamige zoon van Claas Clasen zich met die sjees (luxegoed!) aan mensen die snel voor de een of andere boodschap of visite het platteland op willen gaan, maar zelf niet over zo’n rijtuig beschikken.

!783: Claas Clasen. Op 4 februari vindt in het Blauwe Paard aan het Nieuwe Kerkhof de veiling plaats van: I. – Een Behuizinge , zynde een Neringryke Herberge (de Grouwelderie genaamd) staande en geleegen onder Selwert; II – De vaste beklemming van 16 grazen land mede aldaar geleegen, en eveneens door Claas Clasen en vrouw gebruikt. Eigenaar van dit land is de doopsgezinde koopman Berend Abrahams Hulshoff, aan wie Clasen 96 gulden per jaar aan beklemhuur betaalt. NB: er is een beklembrief, die de gegadigden vanaf drie dagen voor de veiling kunnen inzien. Hulshoff was voor 1757 waarschijnlijk al in bezit van een kwart aandeel in dit Paddepoelster land. In 1757 en 1766 kocht hij twee mede-eigenaren met elk een kwart aandeel uit. In de desbetreffende koopacten wordt gezegd dat de de behuizing de Grouwellerije, ook wel de Grouwelderije op dit land staat. Waarschijnlijk komt al het land uit een en dezelfde doopsgezinde familie voort. Naderhand moet Hulshoff het laatste kwart nog hebben verworven. De zwetten zijn:

  • noord: de wed. Wassenborgh / Jan Anken als meier
  • oost: de kinderen van Heins Anken / Jan Anken als meier
  • zuid: de tocht of ds. Pabus (een nazaat van Lanckhorst!)
  • west: de Weg

Eind 1784, begin 1785: Jan Bastiaans. De neringryke herberge (de Groewelderie genaamt), staande onder Selwert, staat nog steeds te koop. Als Hulshoff geen eigenaar meer is, zal dat waarschijnlijk iemand zijn uit de doopsgezinde familie Ten Cate. Afgaand op het gereformeerde doopboek zou de achternaam van de huurder Jan Bastiaans wel eens Bazuin kunnen zijn. Na de mislukte veiling  staat in februari de behuizing zijnde een Herberg in de Paddepoel de Groeweldery genaamt, onderhands te koop en te huur, naar keuze van de gegadigde met of zonder de vaste beklemming van nog steeds die 16 Grazen groen- en bouwland. Liefhebbers moeten zich wenden tot de doopsgezinde koopman Jacob te Cate in de Nieuwe Ebbingestraat.

Begin 1804: De weduwe Arend Jans.

Met Gerichts Consent gedenkt de Wedw. van ARENT JANS publiek op Strykgelds Conditien te Verkopen : Hare BEHUIZINGE en HEEM, nevens de vafte BEKLEMMINGE van plus minus 14 Grazen best GROEN en BOUWLAND, staande en gelegen in de Paddepoel, DE GROEWELDERY genaamd, doende de Landeryen ’s jaarlyksche huur 90 guld. en het Heem 4 guld. Deze Verkopinge zal zyn ten Huize van bovengemeld in de Paddepoel, op Donderdag den 12 January 1804. ’s avonds om 5 uur, de Conditien zullen aldaar 3 dagen bevorens zyn te zien en te lezen.”

(advertentie Groninger Courant). NB De veiling vond dus in eigen huis plaats, wat er op wijst dat het nog steeds een herberg was, want vastgoedveilingen vonden vrijwel altijd in herbergen plaats.

Berend Jans Zuidema. Volgens het bevolkingsregisteris hij tapper. Hij heeft als weduwnaar in 1840 drie werkboden in huis, waaronder een weduwe van 35, Enje Jans de Boer. Met haar is hij op 13 juli 1842 getrouwd  Hij heet dan tapper en landbouwer. Op 29 oktober 1856 overlijdt hij. Als weduwe blijft zij op de Grouwelderij wonen.

1858-1871: Steven Jacobs Zevenberg. Op 1 februari 1858 hertrouwt de weduwe Zuidema, “tappersche”, met Steven Jacob Zevenberg, die sinds 13 mei 1857 bij haar inwoont. Bij hun huwelijk staat hij nog te boek als arbeider, maar dat verandert snel, want in het bevolkingsregister heet hij tapper.

mei 1871-mei 1884: Hindrik van der Zwaag. Hij wordt Landbouwer, ook wel landgebruiker genoemd in het bevolkingsregister. Maar hij staat te boek als tapper in in een lijst van ingediende verzoekschriften om vergunningen tot het verkopen van sterke drank in het klein, 1881 e.v.j. Volgens deze lijst tapt hij ook tussen zaterdagavond 6 uur en maandagochtend 6 uur.

mei 1884-1887: Jan Olcherts Clevering. Volgens het bevolkingsregister Landgebruiker. Echter Tapper volgens een lijst van ingediende verzoekschriften om vergunningen tot het verkopen van sterke drank in het klein 1881 e.v.j.

mei 1887-juni 1898: Sako Huizinga. Landbouwer en koemelker volgens het bevolkingsregister. Tapper volgens een lijst van ingediende verzoekschrift
en om vergunningen tot het verkopen van sterke drank in het klein 1881 e.v.j.

juni 1898 – maart 1901: Jan Kwint. Koemelker volgens het bevolkingsregister. Er is géén vergunning tot tappen van hem bekend.

april 1901 – maart 1902: Geertje Munting. Koemelkster volgens het bevolkingsregister. Er is géén vergunning tot tappen van haar bekend.

april 1902 – ????: Hendrik Kwint ? Kastelein, maar niet in het bevolkingsregister. Broer of zoon van Jan? Van april 1902 dateert een (nogal standaard) huurcontract, waarbij Jacob Munting (broer of zoon van Grietje?) tot zetkastelein aanstelt Hindrik Kwint, landgebruiker, wonende te Paddepoel, gemeente Noorddijk.

  • Het betreft een behuizing met vergunning, stal en schuur aan de grintweg te Paddepoel, waarvan het precieze adres (letter en nummer) in het contract achterwege wordt gelaten, maar dus hoogstwaarschijnlijk wel de Grouwelderij is.
  • De pacht bedraagt 130 gulden per jaar, steeds in twee termijnen te voldoen, per mei en november (de traditionele verhuizingsdata). De looptijd van het huurcontract is van 1 mei 1902 tot 30 april 1904.
  • Voorwaarden: Kwint moet het huis met zijn gezin betrekken , het gedurende die tijd bewonen en het van genoegzame stoffering voorzien. De eigenaar mag dit controleren. Alle roerende goederen van de pachter dienen als onderpand voor het opbrengen van de huur.
  • De zetkastelein zorgt voor zijn eigen rekening voor het gewone klein onderhoud. En hij moet grotere herstellingen en vernieuwingen door de eigenaar gedogen, zonder huurvermindering te vragen, zelfs  al duurt zo’n karwei langer dan veertig dagen.

mei 1903 – mei 1919: Gerrit Meyer. Koemelker volgens het bevolkingsregister. Niet bekend als tapper uit de bewaard gebleven vergunningsregisters.

mei 1919 – okt. 1919: Leegstand voor een opknapbeurt?

oktober 1919 – mei 1921: Jan Enne Van Dijken. Veehouder volgens het bevolkingsregister. Niet bekend als tapper uit de vergunningsregisters. Wel bekend als tapper uit het boek van de nazaat over boeren in de Paddepoel. Hield dus waarschijnlijk een stille knip.

mei/juni 1921 evj: Jakob Nienhuis.Melkslijter volgens het bevolkingsregister. Niet bekend als tapper uit de vergunningsregisters. Wel bekend als tapper uit het boek over boeren in de Paddepoel.

Naar de conclusie uit deze lijst


‘Luisterrijk steekt onze jeugd af bij die in andere landen’

“De tegenwoordige omwentelingen hebben, behalve andere kenmerken, vooral dit eigenaardige, dat zij door jongelieden zeer worden bevorderd. Wij Nederlanders meenen. dat de jeugd zich moet voorbereiden, om door deugd en kunde der maatschappij in rijpere jaren te dienen, en dat zij, zoo lang zij geen stand in de maatschappij bezit, er ook geen invloed, althans geen staatkundigen invloed, op moet zoeken uit te oefenen. Doch in andere landen begrijpt men het anders. In Parijs waren het vooral de leerlingen der Polytechnische school (die, naar wij meenen, van 15 tot 18 jaren oud zijn), welke bij de omwenteling van julij het volk de troepen hielpen overwinnen. In Parijs hebben nu weder die leerlingen en studenten proclamatiën uitgevaardigd, dankadressen van de Afgevaardigden voor zich zien bereiden en geweigerd ze te ontvangen, en nieuwe proclamatiën opgesteld. In Brussel en overal in België zijn jongelieden en somtijds kinderen dagbladschrijvers, oproerkraaijers en aanvoerders van het muitend gepeupel. In Warschau zijn weder leerlingen der krijgskundige school, in München studenten de aanvangers van oproeren. Van waar die algemeene tuimelgeest onder de Europesche jeugd? Van waar anders, dan van de verkeerde opvoeding, die (vooral sedert Rouseau’s Emile) kinderen als volwassenen behandelt en aan hunne waanwijsheid en zelfverheffing overvloedig voedsel verschaft. Nederland bleef tot nog toe ten deele van deze zedelijke pest verschoond, en luisterrijk steekt het gedrag van onze jeugd, vooral van onze studenten, af bij dat van de jongelieden in andere landen. Het blijve verder daarvan verschoond! Leergierig, onschuldig, volgzaam, vaderlandlievend wenschen wij, dat onze kinderen zijn, opdat wij de erfenis onzer vaderen, godsdienstige en staatkundige vrijheid en welvaart, bij ons sterven gerust in hunnen handen kunnen overgeven.”

Bron: Groninger Courant, 11 januari 1831


Het summum der onmogelijkheden

Als er witte ravens vliegen,
Als er geen advocaten liegen,
Als er geen snijder hoogmoed heeft,
Als de koeien in de kerken
Voedzel plukken op de zerken,
Als de visch in ’t duinzand leeft,
Als prins Willem van Oranje
Mosterd veilt in Groot Brittanje,
Als het wolknat smaakt als wijn,
En de keien zijn brillanten,
Zullen onder Muzikanten
Rijke stervelingen zijn.

Spotdichtje door ene Coster, achttiende eeuw.


De grazigste weiden

Zoon: Men heeft in alle Provintiën van ons Vaderland zulke beste weiden niet, als er voor Paarden gevorderd worden? [=vereist zijn, HP]

Landman: Dat is waar. – De beste weilanden voor dezelve heeft men in Groningen en Friesland. Daar heeft men ook, om die reden, de beste Paarden.”

Bron: Verhandelingen uitgegeeven door de Maatschappij ter bevordering van de landbouw, deel XIII (1799) 3e stuk, pag 126.


Stromen bloed over Westerwolde

“Vriescheloo, een dorp in Westwoldingerland, heeft eene vrouw gewoond, en is thans naar Blyham verhuisd, die ook, wegens haare schitterende bekwaamheden, een ander lot verdiende. Janna – dus is haar naam – heeft, volgens getuigenis van veelen. door haare voorzeggingen verscheiden ligtgeloovige menschen den dood veroorzaakt. Die arme lieden worden altyd zelve de rampzalige slagtoffers hunner eigene driestheid. Zy worden ziek; pleegen zulk eene vrouw om raad, en het geloof aan haare onfeilbaarbeid werkt even krachtig, als de wrangste giftbeker. Thans zegt men, is zy weder yverig bezig zich in Staatkundige voorzeggingen te verdiepen; zy voorspelt allerlei rampen en onheilen voor Westerwolde; menschen bloed zal stroomen over de heide velden – dood en verwoesting zullen zich overal verspreiden. Het is ligt te begrypen, hoe veele bygeloovige harten hier door ontroerd worden. Voorzeker deeze alweetende vrouw was een ander lot waardig. Hoe veelen zullen ‘er misschien niet in het tuchthuis zyn opgeslooten, die het minder verdienen, dan zy. Als zy daar voor haar leven een plaatsje in had, zoude zy ten minsten iets met zekerheid kunnen voorzeggen: naamlyk op wat plaats zy sterven moest.”

Bron: ‘Iets over de waarzegsters’, in: Weekblad voor den zoo genaamden gemeenen man, deel IV, nr. 170 (1800) pag. 111-112


Peizer hop

Geplaatst op 7 april 2011

“Nu nog twee vraagen Vriend ! en dan zal ik uw geduld niet meer vergen. Wordt de Hop in Drenthe alleen by u te Peise verbouwd, en is zy daar een voortbrengsel van belang?

Lukas. De eerste vraag moet ik met neen, de tweede met ja beantwoorden. Men vindt ze te Eelde, Eelderwolde, Paterwolde, Rhoden, Rhoderwolde, Foxwolde en Lieveren, doch voornaamlyk te Peise, alwaar zy een hoofdwerk, doch in de overige plaatsen, alle rondom ons gelegen, slegts een bywerk is. En of zy by ons een voortbrengsel van belang is, zult gy daar uit kunnen opmaaken, dat onze huurlieden gewoon zyn hunnen Eigenaaren niet eerder de huur te betaalen, dan, wanneer zy hunne Hop verkocht hebben, en, by een mis-gewas, hen geheel niet betaalen, zich daar mede verschoonende, dat het een ongunstig Hop-jaar geweest is.”

Bron: Weekblad voor den zoo genaamden gemeenen man, nr. 49 (1797), ‘Over de gedaante, aart en verbouwing der Drentsche hop’, pag. 394.


De aderlaatverslaafde Annegje

“Onder de bijzonderheden bekoort, dat op het Hoogezand bij Groningen leeft zekere Annegje Berens, die reeds meer dan 26 jaaren lang op zijn minst tweemaal ’s weeks, somtijds driemaal, zelfs nu en dan tweemaal in den tijd van 24 uuren, adergelaten is geworden, zoodat haar in die 26 jaaren over de 20000 oncen bloeds zijn afgenomen. Twee of drie dagen na de aderlating, wordt zjj weder doodlijk benaauwd op de borst, met kramp en stuiptrekkingen, maar direct na de aderlating bedaart alles door het gebruiken van een of twee kopjens koffij , en dan gaat zij doorgaands weder aan ’t spinnen. Zij is in ’t geheel niet bedlegerig, somtijds gaat zij nog op weg, maar haare krachten zijn zeer gering, en haar aangezicht is zeer bleek –

Dewijl zij zoo dikwijls is adergelaten, zijn alle aders op de armen, handen, en voeten zoo vol harde lidtekens, dat geen Chirurgijn, buiten dien zij gewoon is, eenige plaats kan vinden, om een ader te openen.”

Bron: Leiden, Universiteitsbibliotheek 478 B 24: De joodsche wandelaar. Een weekblad tot nut van’t algemeen, No. 2. Maandag 10 december 1792, pag. 8: Nieuwstijdingen en bijzonderheeden.

Via


Graffiti ouder dan je denkt

Ten bewijze dat het wederrechtelijk beschrijven en beschilderen van muren ouder is dan men misschien zou denken, drie specimina uit de jongste aanwinsten van de DBNL: