Noodrem

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Kovviekoamer op eerste verdaipen van Grunneger Archieven wör vandoage ombaauwd tot ’n soort van station. Dit vanwege de schrievers en dichters dij hier zotterdag veurlezen oet aigen waark. Heur thema is ‘Onderwegens’, vandoar dij anklaaiding, In vitrines ligt d’r spul van ‘t NNTTM (Noord Nederlands Trein & Tram Museum), zoas dizze olle noodrem.


Complimentje voor het Loket

De laatste anderhalve week druk in de weer geweest met Loket voor Lief en Leed. Vandaag een getwitterd complimentje. Dat gaat er in als Gods woord in een ouderling!


Gronings getijdenboek

Twintig jaar geleden was het nog nauwelijks bekend dat er hier in de omgeving in de late Middeleeuwen een centrum van boekproductie was. Intussen wordt op grond van decoraties aan steeds meer manuscripten een Groninger herkomst toegeschreven. Met enige financiële hulp van buiten repatrieert de Groninger Universiteitsbibliotheek af en toe zo’n exemplaar. Zoals, uit Chicago, dit gebedenboek uit Selwerd of Thesinge. (De plaatjes zijn te vergroten met een klik.)


Streektaalstaaltjes in een rommelransel (1710)

Geplaatst op 11 maart 2011

Als het niet de oudste staaltjes Gronings in druk bevat, dan behoren die wel tot de eerste drie. Ik doel op een anoniem gelegenheidsstukje, in 1710 in Groningen vervaardigd op de inhuldiging van de toen 23-jarige Johan Willem Friso, stadhouder en prins van Oranje. Indertijd was hij pas getrouwd met Maria Louise van Hessen Kassel, de latere Marijke Meu.

Over dat stukje is er bij mijn weten nog nooit wat gepubliceerd. Het is aan de aandacht ontsnapt, omdat het ver van Groningen in de Koninklijke Bibliotheek lag, en de materie voor streektaalonderzoekers ook niet erg interessant is, op het eerste gezicht. Ik ging er ook alleen in lezen, omdat ik wel meer van dit soort stukjes heb gelezen, die echter uitkwamen bij inhuldigingen van latere stadhouders. Daarom wilde ik eens kijken, hoe dit vroegere geval uitpakte. De titel Rommel-Ransel hielp de interesse op gang.

In het stukje zien we de Groninger inhuldiging van de prins vooral door de ogen van Velingh. Deze onnozele Westfaler, naar kennelijk eeuwenoude schrijfusances Hans genaamd, is getuige het loon dat hij op een keer uit Holland thuisbracht hannekemaaier, of dat geweest voor hij zich kort geleden in Groningen vestigde. Hij woont in de buurt van Grönneger, die Jan heet. Jan is de aangever van het stel.

Beide spreken hun eigen patois. Dat geldt ook wel voor Waal, een andere buurman van Jan waarmee het stukje begint, maar die al gauw het veld ruimt. Terwijl  Velingh de functie heeft om de prachtige festiviteiten door zijn verbaasde ogen te zien, laat de auteur Waal een sumier portret geven van de ingehuldigde stadhouder.

Waal is verbaasd over het klokgelui en tromgeroffel, al dat vrolijke volk en al die koetsen en dat “pif pof paf” van de voetzoekers op straat. “Wil my doch verklare”, verzoekt hij zijn buurman Jan, “wat mag ons van dees dagh in Groning” wedervare?” Jan legt het hem graag uit: “Dat wil ik geern doen, de Prins word nou hult”. En hij nodigt zijn buurman uit om samen een lekkere pot bier te gaan drinken:

“Kom naber wilte met? Vandaag de bouk ins vult
met d’alderbeste kluin die wij maar keunen krijgen,
Kijk, sugste dat daar niet, hoe datte juffers nijgen?
Kom eret wort te laat, kwil de Princesse sien”

Maar Waal wil, voordat hij met Jan Grönneger meegaat, eerst wel eens wat meer weten over die prins en prinses:

“Is het een vreemde Heer, die hier met zijn maistresse,
Zo defte word onthaal’?”

Grönneger lijkt verbolgen over die suggestie en hij roept de naam van de prins en prinses luide uit. Dan komt Waal bij zinnen, want hij is op Franse hand. Nu realiseert hij zich wie die prins eigenlijk is. Over Johan Willem Friso zegt hij: “Dat is die geuse Prins, die vroom Louis verkragt'” Met dat Louis doelt hij op Lodewijk XIV, de Zonnekoning. De Franse vorst heeft in de Zuidelijke Nederlanden enkele malen geducht klop gehad van de Nederlandse prins en angst overmant Waal daarom:

“Wil men die Prinse hier nu hulde in dees Stadt?
Ik kruipe in de hool, de bange my bevat.”

Hij kiest het hazepad en Grönneger kijkt hem na:

“De duivel slady Wael ja, in dijn pens met praten.
Waar löpte nou weer hen, ik mach hum lopen laten,
En seuken wat plesier; kom, eerst ins na de poort,
daar ist besukte vol; die met wil die koom voort,
kom Hans waar steyste na, du wilte ook doch slenteren.”

In tegenstelling tot de francofiele Waal, weet Hans Velingh de inhuldiging wèl te waarderen. Het passerende rijtuig van het prinselijk paar vindt hij maar wat mooi:

“Y wat een batschke koets, su, su, dahr sitse in,
Is dat de Furst nich Jan? en dat wijf de Furstin?”

Grönneger kan het beamen; “Ja, ja”, bromt die, “kom wagdy wat, die beyden bin de rechten.” Veling houdt zich echter niet in, en beschrijft vervolgens enthousiast de rest van de stoet, zodat we maximaal kunnen profiteren van zijn naieve verbazing. Er staan bijvoorbeeld pektonnen op staken opgesteld, die ’s avonds bij wijze van illuminatie in brand zullen gaan. Velingh kent die gewoonte helemaal niet en denkt dat er bier in de tonnen zit:

“Maar Jan wat ‘k vragen wil, die tonnen opper staken,
Sul men daar t’avont nich een vris gelach op maken?
Dat issen dul bedrijf, ik klimme nich zo hoog,
Soop ik den balge vol, die trap my wol bedroogh,
Ik hol mik anne gront, wen ik wil digte zwelgen,
Men sol zijn hals en bein en ’t hele lijf verdelgen,
By’m duivel neen, ik gaa daar ’t avont nich te bier.'”

Velingh denkt dus dat hij op een ladder in zo’n mast moet klimmen om zich aan het bier te kunnen laven. Maar Grönneger helpt hem uit de droom:

“Loop domme duivel, dat ’s een wark met van pleisier.
Dat bin piktunnen vult met torf en holt te branden,
Wolste daar gaan te bier, dan solste wel belanden.”

Dat de prins meer eer krijgt dan hijzelf in Westfalen, toen hij daar vorig jaar thuiskwam vanuit Holland, vindt Velingh maar raar: “Ik had ein styge daalder gaart, was ik doe ook nich ryke?” Maar er was nin zijn vaderland iemand die een saluutschot voor hem loste, of voor hem boog.  Over die vergelijking met de prins is Grönneger verbolgen – de prins is namelijk ver boven een dergelijke vergelijking verheven:

“…die dut ja blyk op blyk in sijne jonge jaren,
Hy wil suk niet ontsien in d’uitterste gevaren,
Heb wy van ’t Sömmer dat niet mennigmaal weer heurt
En ’t veurige Sömmer ook, wat is doe niet al beurt!
Hoe sleug hy sick doe braef en lustig deur de Franssen,
Schoon dat die laggen stark in retrenchen en schanssen,
De Deugt verwinte nijt, dat kanste hier an sien,
Hoe ivert ider suk dat hum mach eer geschien.”

En als Velingh wegloopt voor de voetzoekers, die hem de hozen (een Westfaals exportproduct) doen branden, roept Jan Grönneger: “Waar wilte hen, sta stil, kanste nargens lopen.” Zijn moraal – met een verwijzing naar de Westfaalse schinken of hammen, een ander exportpruduct van Hans zijn vaderland:

“Die metten varken wil, dusdane vreugt beschouwen,
die hold’ suk oppe ruumt’ en uut gedrangs benouwen.”

Via de KB-site:
Rommel-Ransel, uitgeschudt op het huldigen van haar vorstelijke doorluchtigheden binnen Groningen. Gedrukt te Groningen tot profijt van den drukker en vermaak van den lezer. 1710


De zeven roderoeden van het Oldambt

Geplaatst op 10 maart 2011  a

Het stuk, uit 1685, regelt de eerste politie in het Oldambt en de andere stadsjurisdicties. Wat vooral opvalt is de macht van de Drost, de zetbaas van de stad, over de zeven roderoeden.

Weliaswaar was de keuze van de zeven roderoeden of veldwachters aan de predikanten en kerkvoogden in elk roderoedendistrict, steeds een dorpencombinatie:

  1. Termunten, Borgsweer, Woldendorp
  2. Wagenborgen Nieuwolda, Nieuw-Scheemda
  3. Noordbroek, Noordbroeksterhamrik
  4. Zuidbroek, Muntendam, Meeden
  5. Winschoten, Heiligerlee, Westerlee
  6. Beerta, Nieuw-Beerta, Finsterwolde, Oostwold
  7. Midwolda, Scheemda, Eexta

Ook zorgden de schatbeurders (lokale, eveneens door de dorpselite gekozen belastingontvangers) voor de inning van de benodigde sommen voor de tractementen. Maar dat geld ging naar de Drost, die het ook aan de roderoeden uitdeelde.

Bovendien mocht de keuze van roderoeden alleen geschieden ten overstaan van de Drost, die als enige ging over het ontslag van de nieuwe functionaissen. Aan de ene kant moest er wel draagvlak op lokaal niveau zijn, maar de dorpspotentaten mochten het ook weer niet al te veel voor het zeggen krijgen. Die geest ademt het reglement.

De roderoeden werden aangesteld om te weren:

“…de vreemde en stoute bedelaars en landtlopers, soo in menichte van huys tot huys in de carspelen lopen bedelen, en de huyslieden (= boeren HP) het geldt afperssen, de geleegentheyt siende om jeets te steelen, deselve van haere goederen beroven.”

Een overweging vormde hierbij

dat in deze vredige tijden jeder Landt machtigh en willigh genoegh is om sijn eigen oprechte armen te onderholden.”

Kennelijk vielen vreemde bedelaars nog wel te tolereren als er een oorlog was.

De roderoeden moesten dus vooral “vreemde en stoute” bedelaars verjagen. Met dat stoute werd dan waarschijnlijk vooral bedoeld de fysiek bedreigende, intimiderende figuren.  Uit het feit dat de roderoeden zich bezig moesten houden met vreemde bedelaars,. mag je intussen afleiden dat lokale, bekende bedelaars ongemoeid werden gelaten.

Als een in eerste instantie met zachte hand verjaagde bedelaar het waagde om toch nog terug te komen, mocht een roderoede hem of haar wegslaan met een stok. Dat was nog het lichtste wapentuig, want verder diende iedere roderoede zich te voorzien van

“een goede snaphaen, voorjager, pistool, houwer en manvaste hont”.

En toch, slechts zeven roderoeden op heel het Oldambt,  Die ook slechts 130 gulden de man per jaar verdienden, wat bepaald geen vetpot was, zodat corrupte op de loer lag. En die voor dat magere tractement dan ook nog moesten letten op jachtovertredingen. Ik bedoel maar: dat de overlast van vreemde bedelaars dermate groot was, als de aanhef van het stuk beweert, mag je gerust een beetje betwijfelen.

Overigens verbood het reglement de boeren om willens en wetens bedelaars in hun huizen of schuren te laten slapen, dit op straffe van 2 daalders boete, te beuren door de roderoede die zulke gepermiteerde nachtbidders aantrof. Een boer zou voortaan wel gek zijn, om zulke slapers explciet toestemming te geven. Een bedelaar die dat verklikte, bedierf zijn eigen markt. Op die manier bleef zo’n bepaling natuurlijk een dode letter, ik denk dan ook niet dat er veel van dergelijke boetes zijn geïnd.

Via de KB: Ordonnantie der H. Heeren Borgemesteren ende Raadt in Groningen,  waernae in beyde Oldambten,  Goorecht en Sappemeer roo-roeden sullen worden angestelt… (1685)

 


Het einde van de brik Afiena bij Land’s End

Geplaatst op 8 maart 2011  a

Bron: The Manchester Guardian, 5 mei 1869.

Heb sinds vandaag een Jaarpas van de KB. Zo toegang tot die Engelse krant gekregen en ook tot een enorme hoeveelheid pamfletten uit de 17e en 18e eeuw.


Spoetnik was mijn drankje niet

Mocht je je vervelen, de komende dagen, dan hier een tip: de NOS heeft gister alle jaaroverzichten sinds 1956 online gezet, en wel hier.

Heb net de eerste drie bekeken. Veel is me natuurlijk van achteraf bekend, maar het wereldnieuws drong toch ook wel door in het leven van een peuter en kleuter.

Zo gold 1957 als het jaar van de Sputnik, de allereerste kunstmaan in een baan om de aarde, waarmee de Russen een voorsprong in de ruimte namen op de Amerikanen. Welnu, deze sateliet leende zijn naam aan een kinderdrankje. Volgens de recepten op internet maakte je het door een flinke schep suiker in een glas te deponeren, die te mengen met een scheut koffiemelk, om het glas vervolgens langzaam te vullen met limonadegazeuse of priklimonade. Het effect was dat er flink wat schuim in het glas omhoog kwam. Bij mijn grootouders in Dwingeloo kregen we op familiale hoogtijdagen dit drankje wel voorgezet en wat ik me nog herinner is dat ik er steevast misselijk van werd. Om die reden vond ik het eigenlijk helemaal niet zo lekker. De spoetnik was aan mij niet zo besteed.

In 1958 kwam de hoolahoop in de mode, een ronde plastic buis die je om je middel moest wentelen en met je heupen op gang moest zien te houden zonder je armen te gebruiken. Daar moet ik wat later kennis mee hebben gemaakt. Het was vooral een meisjesding, volgens mij. Ik had er geen en kon het ook niet goed, als ik er eventjes eentje mocht lenen.


De kwaliteiten van een dekhengst (1793)

Geplaatst op 23 december 2010  a

“De qualiteiten van de Springhengsten die goedgekeurd zullen kunnen worden, zullen moeten zijn: ras en welgesloten van lijf, rond van ribben, helder van oogen, fijn en wel besneden van kop, schoon en hoog uitgewassen van nek, spits van ooren, droog en zuiver van beenen, kantig en luchtig op den draf, groot althans vijf houtvoeten en zes duim Gron[inger] mate, te meten van den grond af tegens den schoft met een reije, waterpas daarop te leggen (…) daar benevens niet mishairig, ’t zij van blessen of witte voeten, noch schuil of slodoorig, spekhalzig, volvoetig, dempig, overhoevig, krebbebytig, spattig, maanoogig of met eenig andere kwaal of toeval beladen, of niet voorzien van zodane hoedanigheden als tot een schoone hengst en de goedkeuringe van denzelven vereischt wordt.”

Bron: Ordonnantie van Burgemeesteren en Raad in Groningen op het houden van springhengsten in den Oldambt,  Gorecht, Sapmeer cum annexis, Westerwolde, Bellingewolde en Blijham cum annexis.

(Deze verordening dateert van 1793, maar in een placcaat uit 1734 stonden de meeste van deze eisen al precies zo genoemd. Alleen waren die eisen in onbruik geraakt waardoor de toestand van paarden in Groningerland, “dewelke anders overal hoog geschat en mede voor de beste gehouden wordt, zeer zoude komen te verbasteren…” )


Evenwichtskunstenaars

Deze taferelen herinner ik me nog. Als kleine jongen was ik vervuld van bewondering voor deze mannen, die met volle dienbladen op schouderhoogte meeholden met de treinen en hun laatste kopjes koffie altijd nog net op tijd door die opengeklapte bovenramen wisten te krijgen. Nooit viel er een kopje, laat staan een kan of een dienblad. Altijd incasseerden ze zonder mankeren de betaling. Daar maakte ik me wel eens zorgen over, dat ze geen loon naar werken kregen. Dat de trein weg zou rijden voordat iemand zijn dubbeltjes uit de portemonnee had. Of dat iemand expres zou treuzelen met al dat kleingeld. Maar dat gebeurde dus niet, Iedereen stelde deze evenwichtskunstenaars hogelijk op prijs. En niemand deed ze tekort.

Bron van het filmpje: Drents Archief


Stookhutten in Tolbert e.o.

Mijn collega Tjerk Bekius maakte een videoreportage over het gebruik van stookhutten – die kleine gebouwtjes naast boerderijen – in de omgeving van Tolbert. De plaatselijke historische vereniging Fredewalda had er een drukbezochte avond over, met een spreker uit Drenthe, waar het verschijnsel stookhut al eerder in de belangstelling stond. Tjerks repo is te vinden op Fredewalda’s website.


Jacht in de sneeuw schendt eeuwenoude code

Van de week stonden er op Krabbenvangen en het weblog van Maarten Westmaas prachtige, maar ook gruwelijke foto’s van een drijfjacht op hazen in de Reiderwolderpolder en de Carel Coenraadpolder. Ik begrijp dat er op zulke bouwlanden gejaagd moet worden, anders vreten die beesten je al het graan op. Maar dat dat moet gebeuren als er sneeuw ligt, vind ik, zoals ik ook al bij Krabbenvangen zei, van een ongelooflijke lafheid.

Toevallig was me net de ordonnantie op de jacht, uit 1738, in de beide Oldambten en alle andere stadsjurisdicties onder ogen gekomen. Die verbood in artikel 28 uitdrukkelijk het jagen als er sneeuw lag:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Van die twaalf gulden boete kon iemand zich een maand in leven houden. De reden waarom dit verboden werd laat zich opmaken uit een ander artikel, nummer 20. Dat zegt dat “de jacht alleen tot divertissement is verstrekkende”. Jagen in de sneeuw kan geen divertissement zijn, geen sport,  omdat de dieren dan – mede door voedselgebrek – veel zichtbaarder zijn dan anders.

De jagers van van de week in de Dollardpolders lapten dus een eeuwenoude code aan hun laars. Als ze zeggen dat jagen een sport is, wat ze ongetwijfeld doen, dan liegen ze dat ze barsten.

De eerlijkheid gebiedt overigens wel te zeggen, dat het absolute verbod om te jagen als er sneeuw lag, in 1738 nog niet zo oud was. Want in de jachtordonnantie voor beide Oldambten uit 1658 stond het verbod nog zo geformuleerd:

“Niemant sal vermogen nae Midwinter, als daer sneeuw leyt, te jagen…”

Voor Kerstmis mocht het dus nog wel, maar daarna niet meer. Naar deze strekking krijgen de polderjagers van deze week dus nog absolutie. Maar dat de advents-uitzondering omstreeks 1680, 1690 uit de jachtregelgeving verdween, was wèl een kwestie van voortschrijdende verlichting en beschaving, iets waarvan ik deze jagers maar niet zal betichten.


De provenance van een boek

De onversaagde Boekito kwam dit keer bij me met het eerste deel van het postuum verschenen verzameld werk van de Noorse dichter en journalist Aasmund Olavsson Vinje. Dat deel kwam uit in 1903. Het is voor ons beide onleesbaar, maar heeft toch iets aantrekkelijks doordat de eigenaren sindsdien allemaal voorin staan. Uiteraard kenden zij wel Noors, want anders hou je zo’n boek niet, laat staan dat je je naam er aan verbindt. Een van de drie liet bovendien door onderstrepingen en notities in de marge zien, dat hij of zij het boek met meer dan gemiddelde aandacht las.

De laatste eigenaar, die dit voorjaar op hoge leeftijd in Emmen overleed, was een Meindert Beno Doedens, waarover verder weinig te vinden is, behalve dan dat hij een liefhebber was van taal:

Geplaatst op 13 december 2010 a

Laat me zeggen dat ik het niet ’t allerfraaiste ex libris vind dat ik ooit van mijn levensdagen tegenkwam. Grappig is echter dat zinnetje bovenaan: Cum libello in Angelslo. Dat is namelijk een variatie op het Cum libello in angelo, oftewel het Met een boekske in een hoekske van Thomas a Kempis. Waarschijnlijk woonde Doedens dus in Angelslo, een wijk aan de oostkant van Emmen.

Helemaal onderaan het plaatje vinden we: Sit maledictus per Christum, qui librum subtraxerit istum. Hetgeen te vertalen valt als: Vervloekt zij hij, bij Christus, die dit boek wegneemt. Dat was dan weer wat minder vredelievend en origineel van de eigenaar.

Voor Doedens het boek kocht of kreeg was het in bezit van ene Constance Grondhoud-Boer. Haar ex libris, voor die van Doedens geplakt op de binnenkant van het omslag, heeft een zinnebeeldig prentje, waarvan de betekenis me niet helemaal duidelijk is:

Geplaatst op 13 december 2010  b

Door de geopende deur kijken we naar een mythisch tafereel. Helemaal in de verte zien de de stralende zon met een driehoek en het alziende oog, dat zal staan voor God of het bovennatuurlijke. Een naakte man en vrouw staan bovenop een hoge pilaar met een hert. Ik denk tenminste dat het een hert is. Aan die man en vrouw kleeft iets Adam en Eva-achtigs. Ik denk dat ze van die pilaar afwillen, de afgrond in. Naar de beslotenheid op de voorgrond? Een ketel hangt boven het open vuur links, de tafel staat gedekt, achter de tafel staan een spinnewiel en een boekenkast.

Constance Grondhoud-Boer lijkt me de dochter toe van de allereerste eigenaar. Hij stempelde zijn naam op de titelpagina. Van deze prof. Dr. R.C. Boer (1863 – 1929) staat er een uitgebreide biografie in een Jaarboek der Maatschappij van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. Hij was vanaf 1891 privaatdocent aan de Rijksuniversiteit Groningen en vanaf 1900 hoogleraar Oudgermaans en Sanskriet aan de Universiteit van Amsterdam:

“In Boer verliest de Nederlandsche wetenschap een geleerde van bijzondere beteekenis. Hij behoort tot de grondleggers van de Germanistische studiën in ons land, die hij beoefend heeft met een gedegen kennis, met een oorspronkelijken kijk op de problemen en met een bewonderenswaardige werkkracht. Onafhankelijkheid van oordeel, de gave van diepborende kritiek, te zamen met een sterk verbeeldingsvermogen en een warm, bijwijlen heftig gevoel, deze eigenschappen worden zelden tegelijk in één mensch gevonden…”


Resept van Hinderk: Grunopudding

Geplaatst op 11 december 2010  a

Grunopudding n oergrunneger recept uut laankmanstied veur lu dij t nog aan tied hebben veur t koken. Veur dizze pudding hèje t volgende neudeg:

  • 5 aaier
  • 75 gram suker
  • 75 gram bitterkoekies
  • 80 gram botter
  • 75 gram theekoekies (sosjoaltjes)
  • 1 dL. melk
  • 75 gram krinten en rezienen (haalf/haalf)
 

Je goan din as volgt aan loop. Snie bitterkoekies in leutje stukkies. Moal twijbakken en theekoekies fien in n meurzer. Schaaidt 5 aaierdolen van t aaiwit en dou de dolen in n ruierschuddel. Meng d’aaierdolen mit suker en dou de sneden bitterkoekies, vergroesde twijbakken en theekoekies, de veurof goud wossen krinten en rezienen, smolten botter, melk en de marasquin derbie tou. Kwengel t spul mit n holten lepel goud deur nkaander . Dek de schuddel mit inhold goud of en loat t n beste zet (n poar uur) in de waik stoan. Neem hierveur dus rusteg de tied, n uur te laank kin gain kwoad en je huiven as je zukswat koken ducht mie ook nait op tied veur traain op statsion te wezen.

As t din aan tied is, om t aalmoal kloar te moaken veur de kook, goan we eerst aan loop mit t slim stief kloppen van d’aaiwitten. Zukswat nemt veul kracht en tied. Je hebben hierveur n slagkomme neudeg dij hailemoal vrij van vetterij wezen mout. Ik streu der veurtied aaltied wat zolt bie, omreden dat n goie invloud op t rizzeltoat van t omhoog kloppen van aaiwit het.

As dit doan is, din ruiern we t aalmoal luchteg duer de puddingmassa. Nou gaait de haile brud in n ofsloetboare tulbandvörm. Ik bruuk hierveur n povvert-panne dij k veurtied van binnen bebotterd en aansloetend mit paneermeel bestreud heb en dat inclusief binnenkaande van deksel. Povvert-panne wordt nou tou drijkwart vuld, omreden e tiedens t kookperces roemte neudeg het om uut te dijen. Zörg veur n roeme panne mit kokend hait wotter. Dou de povvert- panne mit inhold der votdoalek in. Men nuimt zukswat ook wel au bain marie.

t Kokende wotter mout wel onder de sloeten van povvert-panne blieven, want as e tiedens de kook lekt , nemt pudding wotter op en zakt e in n kaander. Nou mout je der zorg veur droagen dat wotter zachies (tegen de 90 groaden) veur zuk uutkookt en vul t verdampte vocht of en tou aan mit nij kokend hait wotter.

Grunopudding het veur t goar worden om en bie anderhaalf uur neudeg. Stört de pudding bie t opdoun op n veurverwaarmd bord, noa hom wel eerst even zunder deksel indreugen te loaten in n open oven. De pudding trekt din wat van de wand lös en loat zuk din makkeleker keren.

Ik kwam dit Groningse recept tegen op de Facebook-pagina van Henk Scholte. Op de vraag of het ter overname was antwoordde Henk: “Doar heb k zulf gain bezwoar tegen, omreden ik t geern mit aander lu dail”.


Hoe Godard in Uiterburen landde

Geplaatst op 9 december 2010  a

Tot de teksten die de DBNL begin deze maand online zette, behoren ook die in ‘De luchtballon van Godard en Kermisvreugde‘, een kinderboekje van een onbekende auteur dat in 1875 te Deventer uitkwam.  Net als het Prenttafereel is dit boekje compleet gescand in het Geheugen van Nederland te vinden, zodat je mag concluderen dat de DBNL nogal eens doubletten produceert.

Zoals uit de titel al blijkt, valt ‘De luchtballon van Godard en Kermisvreugde‘ in twee delen uiteen: enerzijds die luchtballon van Godard, anderzijds de Kermisvreugde. De kermis laat ik maar even voor wat ze is, het gaat me hier om de ballon. In drie plaatjes en drie maal vier kwatrijnen vertelt dat berijmde verhaal de opstijging, de reis over zee, en de landing van een luchtballon ergens in Groningerland.

Hoofdpersoon is de ballonvaarder Godard, wiens opstijging in Amsterdam plaatsvond. Godard had een paar betalende passagiers mee, met wie hij over de Zuiderzee vloog. Daar werden ze beschoten, zo leek het eerst, door een schipper, maar dat bleken naderhand losse flodders, bedoeld als saluutschoten.

Het interessantst voor ons is natuurlijk de landing in de provincie Groningen. Honderden mensen kwamen erop af, maar het boekje geeft geen vleiend portret van ze, want de “domme boeren” stonden maar stom naar “het wonder” te kijken. Enkelen riepen ook nog: “Daar valt de maan!” Bovendien stipt het boekje een botsing van culturen aan, want de “bedaarde landlui” accordeerden niet zo goed met de “kindren uit het hemelrijk” en hun “losse capriolen”.

Dat laatste maakte me nieuwsgierig, en omdat Godard kennelijk beroemd was en diens luchtreis werkelijk had plaatsgevonden, keek ik of de Leeuwarder Courant er misschien berichten over had. En dat had ze, eind september 1874. Deze berichten kwamen zowel uit Meppel, als uit Appelscha en Zuidbroek, want in die laatste gemeente lag de landingplaats, welke in het boekje “Noorderwijk” heet. Met de data van de Leeuwarder Courant ben ik vervolgens wezen kijken in de Groninger Courant, die nog heel wat meer informatie bleek te bevatten.

De ballonvaarder, Eugène Godard (1827 – 1890), was inderdaad wereldberoemd. Samen met zijn broer trad hij rond 1850 al op als aeronaut, waarbij die broer acrobatische stunts uithaalde aan een trapeze die onder hun heteluchtballon hing. Eugène was met zijn ballon al meermalen in Canada op toernee geweest, nam Jules Verne een keer mee in zijn mandje, werd door Napoleon III benoemd tot ‘keizerlijk aeronaut’ en onderhield tijdens de omsingeling van Parijs in de Frans-Duitse oorlog een postdienst over de hoofden van de verbaasde Duitsers heen. Godard, kortom, was een held.

Hij deed niet één, maar twee luchtreizen vanuit Amsterdam. In het boekje zijn deze samengevoegd. Bij de eerste afvaart, op 19 september in de tuin achter het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt, waren “duizenden en duizenden toeschouwers” aanwezig, waarvan er vele op daken en in torens zaten. Zo ongewoon was een bemande ballonvaart nog. Bij de eerste reis werden de saluutschoten gelost, die afkomstig bleken van Geert Boer, een beurtschipper van Assen op Amsterdam. Deze ballonvaart eindigde in Blankenham, op de oostelijke oever van de Zuiderzee.

Bij de tweede vaart, op 24 september 1874, gingen G. Verschuur en A. baron de Vos van Steenwijk mee als royaal betalende passagiers. De Vos, een jurist, kwam uit een Drents geslacht en woonde in Leiden. Het was echter vooral Verschuur die van zich zou laten horen.

Opnieuw zweefde de ballon op een noordoostelijke koers over de Zuiderzee. Om ongeveer half acht ’s avonds kwam hij vrij laag voorbij het Friese Steggerda:

“Velen, die het ongewone verschijnsel zagen aankomen en niet het minst idee van een luchtballon hadden, sloeg de vrees om het hart, en sommigen meenden, dat hun laatste uur geslagen had, te meer toen zij hoorden, dat er op een hoorn geblazen werd, ’t geen zij in verband bragten met het blazen op de bazuine ten jongsten dage.”

Via Kleinemeer bereikte de ballon Zuidbroek, om te landen in Uiterburen, want dat was de werkelijke naam van het Noorderwijk uit ’t kinderboekje. In diverse kranten deed Verschuur verslag van de landing:

“Eene vrouw, die het gevaarte had zien aankomen en stilstaan en natuurlijk aan den ondergang van den wereld dacht, ging op hol en riep enige toeschietende opgezetenen der gemeente en zoo stonden wij te midden van een twaalftal mensen, die ons in een schier onverstaanbaar patois met vragen overstelpten.”

Een van die omstanders was de rentenierende landbouwer in ruste E.B. Botjes. Hij bood de hongerige luchtreizigers een maaltijd aan, en ook logies voor de nacht. Wat ze aannamen, omdat het al aardig donker begon te worden en er in Uiterburen geen hotel, laat staan een Frans consulaat te vinden was.  In Botjes’ keuken “die tevens als salon en salle à manger diende”, kregen ze koffie, een stuk roggebrood en een paar eieren…

“…en toen werden wij gestopt in twee bedsteden, Godard in de eene en de Vos en ik in de andere. Ik vergeet nooit het gezigt van Godard, toen men hem zijn slaapplaats aanwees: “Dites donc, monsieur Chose, vous aller me flanquer dans cette armoire?” vroeg hij….” (Zeg me, meneer Dinges, gaat u mij in deze kast stoppen?)

De mannen sliepen kort, en waren om vier uur ’s ochtends alweer bij de ballon die ’s nachts voor ze bewaakt was. Ze lieten er het gas uit lopen en begonnen met het inpakken. “Geheel Uiterburen”, aldus Verschuur,

“…was naar de plaats gesneld, ieder gaf zijne opmerkingen ten beste, en hoe deze was (sic), laat ik aan de appreciatie mijner lezers over. Eene vrouw, mij ziende, liep weg en zeide tot eene andere: “Die lange is ook met duvelsding metkommen”.”

Bij hun gastheer Botjes dronken de heren nog een kop koffie en aten er nog een laatste plak roggebrood,

“…toen de hebzucht van die lieden zich op de meest onverholen wijze zou openbaren. “Jelui zult ons toch zeker goed betalen”, klonk het uit den mond der vrouw en Botjes zong een refrein op het liedje zijner gade.”

De luchtreizigers gaven het afgesproken tientje, maar dat vonden Botjes en vrouw niet genoeg. De vrouw ging dwars in de deur staan, moreel ondersteund door Botjes die opmerkte dat hij op veel meer geld gerekend had, “Wij duwden”, schrijft Verschuur,

“…met die zachtheid waarop de schoone sekse altijd aanspraak kon maken, mevrouw Botjes op zijde, en verlieten eene woning waar wij gedacht hadden echt-Nederlandsche gastvrijheid te zullen genieten en waar wij zoo waren teleurgesteld. Men zeide ons later dat wij nergens in de buurt slechter hadden kunnen aanlanden.”

Vlak na hun neerkomen beloofde een dankbare Verschuur nog aan Botjes  diens naam in de kranten te zullen vereeuwigen. Hij hield woord, zij het in negatieve zin en wijdde zelfs nog een stukje poëzie aan de Uiterbuurster landbouwer in ruste:

“Neen, Botjes, uw glorie zal nimmer verdonk’ren,
Al moet ook uw lichaam vergaan,
De ster van uw roem zal alle eeuwen doorflonk’ren,
Uw werk en uw naam blijft bestaan.”

Omdat Verschuurs verslag in alle belangrijke Nederlandse kranten verscheen, zette hij Botjes voor de hele natie te kakken. Maar Botjes liet dat niet op zich zitten, en schreef een ingezonden brief naar de Groninger Courant, met verzoek aan andere kranten om dit epistel over te nemen. Volgens Botjes had de zaak zich heel anders toegedaan. Hij gispte de “vuile ongemanierdheid der reizigers”:

“Met de beste bedoelingen heb ik hun gastrijheid aangeboden. (…) Het bleek mij evenwel dat de heeren in een zeer opgewonden toestand verkeerden en zich nog te goed deden aan de cognac die hunne flesschen vulde.”

Botjes vertelt dan dat de aeronauten met hun vuile laarzen en kleding nog aan gingen liggen op de “zindelijke bedden (ingerigt zoo als hier in de provincie algemeen is)”. Onder invloed van de cognac gingen de heren blijkbaar ook niet erg voorzichtig om met de nachtspiegel:

“Dat het ’s morgens bleek, dat ze met hun vuilnis hadden omgespat en op deze wijze een verpestende lucht in mijn huis bezorgden.”

De bedden moesten geheel verschoond worden, dat was de reden waarom Botjes de heren niet gratis liet gaan, zoals hij eerst nog van plan was geweest, maar ze een rekening presenteerde voor het logies en alle “beschuiten, roggenbrood, eijeren, Brunswijker worst, frissche melk, kaas en koffij”. Botjes ried ieder “fatsoenlijk huisgezin” aan om de heren geen onderdak te verschaffen:

“Welligt heeft dat boven lucht en wolken zeer veel invloed op hun geestvermogen, en indien zulk een geestestoestand wordt aangewakkerd door spirituosa als zij gebruikten, dan worden het rare snaken, dat heb ik bij ondervinding. Bij mij kunnen zulke heeren nooit weer overnachten en het geschrijf in de couranten van een der medereizigers verklaar ik voor onwaarheid en lasterlijk.”

Tot zover de botsing der culturen tussen de “bedaarde landlui” en de “kinderen uit het hemelrijk”. Volgens een neutrale waarnemer, die geen van beide partijen kende, had Verschuur er inderdaad verkeerd aan gedaan om Botjes “als een oneerlijk man voor ’t gansche Nederlandsche publiek ten toon te stellen”. Wellicht was er best iets aan te merken op Botjes, maar de luchtreizigers hadden hem “op onedelmoedige wijze” behandeld:

“Zij hadden uit die hoogere gewesten, waarin zij zweefden en waaruit zij heelhuids nederdaalden, wel iets beters kunnen medenemen dan een pen in spotzucht en sarkasme gedoopt.”


Een zich ontwikkelende traditie

 

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Aldus de Winschoter Courant van 6 december 1895. De uniforme hoofddeksels van Sint en zijn Pieten laten zien dat dit aspect van de viering nog niet volledig uitontwikkeld was. Althans niet in Winschoten. De mijters droegen ook nog opschriften. Later vond de intocht bovendien veel vroeger plaats en niet pas op zijn echte verjaardag (6 december). Een en ander sluit aan bij een gegeven op de Feestenbank, dat de intocht een toevoeging aan de viering was uit de tweede helft van de negentiende eeuw.