Friezen liepen ruim honderd jaar achter

Vriesche boer en boerinnen

“De Vriesche Boeren en Boerinnen, blijven ’t oude zeer beminnen,
De mode die men hen ziet dragen, zijn van over honderd jaren.”

Aldus een kinderboekje dat in 1810 te Zaltbommel uitkwam.

Het jaar van uitgave zal best kloppen, maar de plaatjes doen veel ouder aan. Ik vermoed dan ook dat de drukker de houtsneden overnam uit een ouder kinderboekje. Misschien hoefde hij ze niet eens overnieuw te laten maken, maar nam hij de houtblokken over.

Hoe oud dat originele boekje was, laat zich opmaken aan de hand van de pofbroek die de Friese boer midden op het plaatje draagt. Zulke pofbroeken raakten omstreeks 1560 in de mode, en bleven dat ongeveer een eeuw. Vanaf 1630 komt er een kniebroek op, en vanaf 1650 bovendien de rhingrave. Deze hebben de pofbroek verdrongen.

Als je het tekstje letterlijk neemt, lijkt het plaatje van 1760, 1770 te dateren. Maar eigenlijk denk ik dat het nog veel ouder is, gezien de kleding op enkele andere plaatjes. Een plaatje van Koning-Stadhouder Willem III geeft de vroegste datum aan: ca. 1690. Als ik de uitersten dan middel kom ik uit bij de eerste helft van de achttiende eeuw.

Overigens waren de Friezen niet het enige volk, waarover ’t Groot en vermakelijk prenttafereel vooroordelen spuide.  Onder meer komen de veelwijvende Turken, de beestachtige Hottentotten, de inhalige Chinezen, de valse en wrede Portugezen en Spanjaarden, de wrede en woeste en drankzuchtige Mocoviërs, de wrede en woeste maar dappere Hongaren, de valse en wrede Egyptenaren, de diefachtige en paardenvleesetende Tartaren, de vals-vleiende Fransen, de dappere Polen en Zwitsers, alsmede de trouwe Denen en Duitsers voorbij.

Het boekje is hier wat beter te bekijken.


Memorabilia van het schildersambacht

Geplaatst op 28 november 2010  rubbol

Vlak voor de oorlog verhuisde de toen ruim een eeuw oude  verffabriek Sikkens van Groningen naar Sassenheim bij Leiden, om dichter bij de klant te kunnen zijn. Tegenwoordig heeft Sikkens daar een Schildersmuseum dat nagenoeg alleen open is voor groepen. Van wat er te zien valt geven een paar Picassa-albums een indruk.  Ten eerste die van de selectie Eisma (slideshow) en ten tweede die van Ton Zijderveld (slideshow).


Sfeerbeeld van de ijsbaan te Leek (1938)

Geplaatst op 24 november 2010  a

Het E-woord schijnt alweer te vallen, maar de Friezen worden er koud noch warm van. Wat wil je ook, eerst moet er een stevige vorst zijn, voordat er sneeuw valt. Die sneeuw laat zich dan weer gemakkelijk wegvegen, leert de ervaring. Als er eerst sneeuw valt en het water vriest dan pas dicht, dan wordt het meestal niks.

Of de harmonica-speulers op bovenstaande sfeerfoto van de ijsbaan in Leek de sneeuw-wals speelden, is dus twijfelachtig. IJsmensen houden niet van sneeuw.

De foto komt overigens uit het Woerdensch Weekblad van 24 december 1938.


De opgang van de term privacy in de Leeuwarder Courant

Geplaatst op 23 november 2010  a

De grafiek toont hoe vaak het woord privacy werd gebruikt in de Leeuwarder Courant, de afgelopen vijftig jaar. Begin jaren zestig was dat nog nauwelijks het geval, maar tegenwoordig ontbreekt het woord in bijna geen enkele editie.

De allereerste keer dat het sinds 1752 in de Leeuwarder Courant voorkwam was in 1913, in een brief over pensions te Berlijn. De tweede keer kwam pas in de jaren vijftig.

Wat heel erg duidelijk maakt dat het in de jaren vijftig om een nieuwe term ging, was dat deze destijds vrijwel uitsluitend tussen aanhalingstekens in de krant kwam te staan. Van de 14 keer was dat 13 maal het geval. In de eerste helft van de jaren zestig stond het grofweg de helft van de keren nog tussen aanhalingstekens. Ook toen was de term nog lang niet bij iedereen bekend. In de tweede helft van de jaren zestig zouden de aanhalingstekens langzamerhand verdwijnen – in die tijd pas werd de term gangbaar. Terwijl het woord in 1959 naar zeggen van de krant nog als “modern” gold, raakte het in 1969 “steeds meer ingeburgerd”. Volgens een verslag van de Friese Culturele Raad uit 1966, was iedereen er zelfs dol op.

In de jaren vijftig en zestig werd de term privacy in verreweg de meeste gevallen gebruikt voor woon-, maar ook wel verblijfsituaties. Denk bij het eerste aan de woningnood, en de flats, portiek-etage- en doorzonwoningen van de wederopbouw, waarin drie generaties wel eens op elkaars lip zaten, en je hebt het plaatje. Eind jaren zestig gingen bouwers van de weeromstuit adverteren met de privacy van hun woningen, gebouwd onder een architectuur die de inkijk meed. Maar ook de privacy in hotels, van vakantiehuizen, op de camping, op het strand, in ziekenhuizen en inrichtingen werd intussen een thema.

Een tweede categorie, bestaande uit ongeveer een kwart van de gevallen, betrof de privacy van beroemdheden, waar de (roddel-)pers zich (te) weinig aan gelegen liet liggen. Dan ging het primair om leden van het Koninklijk huis – zo vormden de eerste foto’s van Beatrix en Claus (1965) een gelegenheid, waarbij het woord privacy nogal vaak viel. Maar ook andere slachtoffers van privacy-schending kwamen ter sprake. Zo brak de Leeuwarder Courant in 1962 zijn staf over ene Koos Posthuma die op TV de Nederlandse Miss World “zonder enig respect voor haar privacy” ondervroeg. Dat programma zou ik dus best eens willen zien. 🙂

Pas een heel eind daarna – ongeveer 10 % van de gevallen – komt de derde context waarin het woord privacy viel, waarbij de overheid als Big Brother optrad en geheime diensten naar hartelust nietsvermoedende burgers afluisterden. Relatief was dit soort privacy-schendingen waarschijnllijk minder een zorg dan nu.

Vermoedelijk hangt de grote opgang van het woord privacy ook met een bepaalde inflatie samen. In die zin dat “de persoonlijke levenssfeer” en “het recht om met rust gelaten te worden” als steeds breder werden gezien. Een eerste teken daarvan is dat nota bene de oerconservatieve Ridder van Rappard in 1968 opmerkte dat hij geen kijkgeld betaalde om via de televisie in zijn eigen huiskamer geschoffeerd te worden. Dat hij zichzelf ook wel kon beschermen door de knop om te draaien, kwam kennelijk niet bij hem op.


Het adresboek en de privacy

Waarom het Groninger Adresboek ophield te bestaan, zal je niet vernemen uit de leggers van het Nieuwsblad van het Noorden. Wel bevatten die op 3 oktober 1972 een wat gemakkelijke recensie over de allerlaatste editie, terwijl rubriekschrijver Stadjer daar een dag later nog een aantal grappige dingen uithaalt.

Voor de reden waarom de adresboeken verdwenen, moet je bij een stukkie van begin dat jaar zijn over het Asser adresboek: de gemeenten mochten gegevens uit het bevolkingsregister niet langer en masse afstaan.

De gemeente Assen speelde indertijd een voortrekkersrol op privacy-gebied. Het was ook de allereerste gemeente die geen burgerlijke standsgegevens meer aan kranten verstrekte. Zo moest het rubriekje met geboorten, ondertrouwden en overledenen vervallen. Het Nieuwsblad baalde daarvan.


De naam Stroobos

“De naam”, zegt Wikipedia over Stroobos,

“zou voor het eerst zijn gebruikt in 1655, toen het Hoendiep werd gegraven, en zou verwijzen naar onderkomens van stro voor de arbeiders die het kanaal groeven.”

Deze opvatting staat al te lezen in het schoolmeestersrapport, dat de koster van Doezum in 1828 schreef:

“Het heeft, zoo men zegt, zijn naam ontleend door een groote hoop stroo hetwelk de werklieden daar hadden verzameld, ten tijde dat de vaart daar gegraven is, om zich daarin of achter te schuilen, bij regenachtige tijden, om dat er nog geene huizen voorhanden waren”

Of los stro zoveel dekking in het open veld geeft? De naamkundige W. de Vries geloofde in 1946 maar half in de naamsverklaring. “Ik vrees”, zo schreef hij,

“dat ons nooit histories gegevens te hulp zullen komen. In ’t Westerkwartier is het echter ’n staande aardigheid, als men naar bed gaat te zeggen: “Ik ga naar Strobos toe.”

Wat De Vries zich niet realiseerde was dat er in de achttiende en negentiende eeuw nog een tweede gehucht Stroobos was, namelijk helemaal aan de andere kant van de provincie Groningen, zo’n beetje halverwege Winschoten en Oude Pekela. Dit bevond zich in een flauwe bocht van het gekanaliseerde riviertje de Pekel A.

Er waren dus meerdere Stroobossen. En als je dan kijkt naar de overeenkomst, dan valt op dat zowel het westelijke als het oostelijke Stroobos op een strategische plek aan een nieuw vaarwater lag. Een plek die kansen bood, een plek waar mensen zich graag als pioniers vestigden.

Een bescheiden zoektocht in oude woordenboeken op de term strobos leert vervolgens dat er een spreekwoord was. In de zeventiende eeuw werd het nog vaak gebruikt voor iemand die de kansen op zo’n plek waarmaakte. Er zit zowel een ondertoon in van jaloezie, als van bewondering:

“Hij is op een stroobos komen aandrijven.”

Toen hij er kwam, was hij een armoedzaaier, maar hij is nu een man in bonis. Zou het niet dat spreekwoord zijn, waaraan de beide Stroobossen hun naam te danken hebben? Dat lijkt me als verklaring plausibeler dan het schuilen onder stro.


Groninger tongval was levensgevaarlijk

Uit het Nieuwsblad van het Noorden de dato 5 maart 1968 (p. 3):

Geplaatst op 14 november 2010  tongval

(Toevallig tegengekomen bij een onderzoekje naar het voorkomen van de termen beatbar en beatkelder, vandaar dat die laatste term gemarkeerd is.)


Het idée reçue: We zijn altijd zo tolerant geweest

Klaas Swaak:

“Dalos laat zien hoe het uit de hand kan lopen als je daarbij het verleden niet betrekt of erger nog: negeert. Weten Rutte en de zijnen niet dat Nederland genereus, tolerant en open was? Of willen ze dat niet meer weten? Des ter erger. “

Ik ben er niet helemaal zeker van over welke periode Swaak het zou willen hebben, maar het idee dat Nederland kan bogen op een verleden vol generositeit, tolerantie en openheid is een idée reçue van het borstklopperige soort. Kost niks, maar je maakt er een boel mensen blij mee.

Als voorbeeld van onze generositeit, tolerantie en openheid geldt vaak onze gastvrijheid jegens de Hugenoten. Maar van tolerantie was helemaal geen sprake omdat het primair ging om calvinistische solidariteit. Bovendien wilden we, net als andere landen, het liefst entrepreneurs aan boord die op termijn voor geld in het laatje konden gaan zorgen. Arme sloebers onder de Hugenoten scheepten we bij voorkeur af met een reispenning naar de volgende haven, graag tot nooit meer ziens.

Een andere voorbeeld vormen de joden. De Portugese waren hier in de Gouden Eeuw natuurlijk welkom met hun geld. Maar de berooide hoogduitse ‘smouzen’ die hier wat later aankwamen, zagen we liever gaan dan komen.

Er zaten verhoudingsgewijs nog meer van die Duitse joden in onze bajesen, dan Marokkanen nu. Zou onze grote Israël-vriend Geert Wilders dat wel weten? Beste Geert, het kwam helemaal goed met deze mensen hoor! Vooral toen het iedereen goed ging, trouwens, na 1870, 1900. Maar laten we niet vergeten dat ook daarna nog, of daarna opnieuw, het antisemitisme wijdverbreid was en welig tierde.

Nee, genereus, tolerant en open waren wij Nederlanders vooral, als we er zelf beter van konden worden. En zo bezien zijn we teuggekeerd naar de normaliteit. Een situatie die we abject en onguur mogen vinden, maar desalniettemin: de normaliteit. Misschien dat we toch maar eens aan onze ware volksaard moeten wennen, voordat we onszelf ten onrechte ophemelen.

 


De dag dat het koren rijp is

Weer wat wijzer geworden over Sint Jacob als tijdsaanduiding:

“…den dag van Sint Jacobi (25 Juli) wanneer gewoonlijk het koren rijp is”

Bron: Harm Tiesing in Hazelhoff’s Almanak, jaargang 119 (1932), pag. 17-22


Het architectuurtractaat van een francofiele jonker

Geplaatst op 6 november 2010 Coenders

Frederik Coenders van Helpen, jonker en hoveling te Beijum, heer van Zuidwolde, Adorp, Harssens en Vierburen, Hoofdman en daarmee een van de opperste rechters van Stad & Lande, was zonder twijfel de allergrootste francofiel die onze provincie ooit voortgebracht heeft. En dat in een tijd dat we menige oorlog met de Zonnekoning uitvochten.

Als jongen woonde Frederik al jaren in Frankrijk, omdat zijn vader er gezant was. Hij studeerde er, trouwde er een Spaanse gravin, verbleef er ook als Hoofdman steeds vaker, zelfs in oorlogstijd, en werd daarom uiteindelijk – men verdacht hem van spionage – als Hoofdman afgezet, terwijl zijn Groningse goederen bij opbod werden verkocht.

Hij had ook, en dat was vrij uitzonderlijk voor jonkers, een wetenschappelijke belangstelling. Zo schreef hij een architectuurboek dat hij opdroeg aan de Zonnekoning, die hij met dat boek graag aan een geheel eigen architectonische stijl wilde helpen, iets wat de Zonnekoninging helaas niet geheel en al op waarde wist te schatten. Anders zou het nog wat zijn geworden, daar in Versailles.

Minder bekend is, dat Coenders van Helpen ook een latijnse versie van dat architectuurboek maakte, die waarschijnlijk nooit de druk heeft gehaald. De Beierse Staatsbibliotheek bezit het persklare manuscript en heeft de scans online gezet, en wel op zo’n manier dat je er doorheen bladeren kunt.

Ben je niet geïnteresseerd in de teksten en wil je alleen de plaatjes zien, dat kan ook, die heeft Bibliodyssey er namelijk uitgezift. Ze staan zowel op zijn eigen site, als op zijn account bij Flickr, voila le slideshow.


Waar een boek al niet goed voor was

Nou ja: goed? Je kon er alle kanten mee op.

Je kon er een revolver in verstoppen:

Geplaatst op 3 november 2010  a

Maar ook een kogel mee keren:

Geplaatst op 3 november 2010  b


De dood van een Ommelander Courantier

“Jan Kooij, uitgever van de Ommelander Courant alhier, leefde sedert jaren in onmin met zijne vrouw en denkelijk als gevolg daarvan maakten beiden misbruik van sterken drank.
Hij van nature begaafd met dichterlijke aanleg en diep gevoelende, begon allengs het leven als een last, een ontzettende last te beschouwen, en ging dan ook reeds lang met het voornemen zwanger, daaraan een einde te maken.
Aan dit voornemen heeft hij zaturdagavond een einde gemaakt door verdrinking. Want dat hij zich opzettelijk door verdrinking van het leven heeft beroofd, staat bij mij vast.
Onder inzending van een door mij opgemaakt proces verbaal van verhoor en van eene geneeskundige verklaring ben ik zoo vrij UEAchtb. beleefd te verzoeken mij wel te willen machtigen authorisatie tot het begraven van het lijk van J. Kooij te geven.”

Brief .d.d 12 maart 1894 van burgemeester Bakker van Uithuizermeeden aan de Officier van Justitie te Groningen. Volgens het overlijdensregister van Uithuizermeeden heette de suïcidale courantier Jan van Kooij. De man was 62 jaar oud en geboren te Warffum. Zijn Ommelander Courant verscheen in elk geval vanaf 1883 en werd een half jaar na de zelfmoord uitgegeven door een W. Bierma.  De titel bestaat nog steeds, maar helaas bleken er bij de krant pas leggers vanaf 1926.

Aanleidende bron: Gemeente-archief Eemsmond in Uithuizen, archief voormalige gemeente Uithuizermeeden, (voorlopig) inv. nr. 135: brievenboek van door B&W verzonden brieven, de notities de dato 12 maart en 27 december 1894.


Alle partijen tevreden na rechtszaak om een kus

Ook gelezen over dat preutse Italiaanse stadje? In de Provinciale Groninger Courant van 8 april 1895 las ik vanavond een bericht, dat je doet afvragen of de soep er wel zo heet gegeten wordt. Een bericht ook, dat door zijn slot doet denken aan een scène uit een film van Fellini:

“Te Milaan had zich eenige dagen geleden de jonge, welgestelde koopman Paolo Prada voor den rechter te verantwoorden. Hij was beschuldigd juffrouw Delfina de Majo op de openbare straat een kus te hebben ontstolen.
De dame bevond zich natuurlijk ook in de rechtszaal en maakte door haar schoonheid zoo veel indruk, dat den rechter den beschuldigde vrijsprak, aangezien deze “bij ’t aanschouwen van zooveel schoonheid en bekoorlijkheid ongetwijfeld aan een onweerstaanbare aandrift gevolg had gegeven”.
Natuurlijk was de beschuldigde erg in zijn nopjes over dit vonnis, maar ook juffrouw Delfina was bijzonder in haar schik; met een vriendelijken blik op rechter en beschuldigde ging zij heen, onder luide toejuichingen van het publiek in de rechtszaal.”

Uit een bijna identiek bericht over exact hetzelfde geval, dat een paar weken later in het Nieuws van den Dag stond, bleek overigens dat juffrouw Delfina, dochter van een “voornaam koopman”, zèlf de aanklacht had ingediend. Dat was dus niet het werk geweest van een openbaar aanklager, zoals je zou kunnen veronderstellen op basis van het bericht in de PGC.


Lover boys, maar dan ruim een eeuw geleden

ewaarschuwd

Advertentie uit de Provinciale Groninger Courant dd 4 januari 1895. Er zijn inderdaad voorbeelden bekend van Groninger meisjes die in een Amsterdams hoerhuis belandden.


Een uitstapje naar Groot Zeewijk (1840)

Geplaatst op 19 oktober 2010  a

In 1840 publiceert de Duitse predikant en kostschoolhouder Friedrich Wilhelm Dethmar een beschrijving van zijn reis door Nederland, waarbij hij ook Groningen aandeed. Ik heb er reeds meermalen uit geciteerd. Dit keer zijn verslag van een uitstapje naar de Noordpolder, waar een gids uit Warffum hem naar toe bracht. Op de enorme boerderij Groot Zeewijk van Geert Reinders jr. aangekomen, gaf Dethmar zijn ogen en oren flink de kost.

“Na een genoten verfrissing liet de vriendelijke man zijn wagen spannen, waarmee we naar de nabije Noordpolder voeren om een bezoek af te leggen bij de bekende grote landbouwer G. Reinders, en diens economische verrichtingen te zien. Bij het binnentreden van het huis gaf men ons te kennen dat de heer weliswaar naar de markt in Groningen was, maar dat zijn zoon ons ontvangen en onze wens inwilligen zou, en op hetzelfde ogenblik trad hij ons met vriendelijkheid tegemoet. In de persoon van mijn gids bracht ik de beste aanbeveling mee, en nu stond voor ons alles open.

Huis, tuin en bedrijfsgebouwen zijn ingesloten door grachten, welke met de naar Groningen lopende kanalen in verbinding staan. Dit is zeer belangrijk, want in regen- en wintertijd is het langs de doorweekte kleiwegen niet mogelijk om de producten van het land naar de stad te brengen.

De gebouwen zijn zeer aanzienlijk en voor een boer waarlijk indrukwekkend. Overal orde, reinheid en gerieflijkheid, en bij alle rijkdom toch wijze spaarzaamheid zonder karigheid. De akkers in deze Noordpolder vond ik in de beste staat, en wanneer ze ook niet geheel en al vrij zijn van onkruid, moet men bedenken dat de weelderige bodem en het grote areaal van 400 Hollandse morgen (240.000 vierkante roeden) dat met 40 paarden beploegd wordt, een uitroeiing van alle onkruid zeer bemoeilijken of bijna onmogelijk maken.

De veestapel is verhoudingsgewijs gering – deze bestaat uit honderd stuks rundvee en vierhonderd schapen. Omwille van de mest zijn ze niet nodig, omdat de vette slijkbodem, die wel tien meter dik is, het zonder mest kan stellen. Onafzienbare koolzaadvelden leveren in goede jaren tot aan duizend malter opbrengst, en het overige gewas navenant.

Het bedrijfsgebouw zal een lengte van 260 voet en een breedte van 75 voet hebben (zeg 85 x 25 meter, G.). Op de in drievoud boven elkaar liggende zolders, die met geschaafde, goed aaneensluitende planken van alle kanten afgetimmerd zijn, ligt het opeengehoopte zaad, dat voor ongedierte en bederf beschermd is.

Behalve oliehoudende zaden en tarwe brengt het akkerland ook gerst, rogge, klaver en aardappels voort. De bodem bestaat uit een met teelaarde gemengde vette klei, die enigszins scherp aanvoelt. De vruchtwisseling bestaat uit zaad, tarwe of gerst, rogge, en haver waarin klaver gezaaid wordt. In vier jaar wordt deze cyclus voltooid. 

Het grote bedrijfsgebouw heeft een op zijn Hollands ingerichte koestal, waarin het vee per twee stuks afgeschot wordt. Jammer dat de stal niet diep genoeg is, om de beesten zowel voor als achter te kunnen passeren, want aan de koppen kan men beter zien of het vee gezond is, dan aan de achterdelen. Aan het hoofdeind is een planken wand, achter welke hooi en stro opgetast staan, en meteen daarnaast bevindt zich de rechthoekige dorsvloer, waar al het koren, met uitzondering van de rogge, met een machine gewalst en gedorst wordt. In dezelfde ruimte staan ook de paarden met de hoofden naar voren, maar door schotten zo verdekt, dat men ze slechts met moeite kan zien. Een tweede bedrijfsgebouw staat op enige afstand los van de eerste.

De kelders onder het huis zijn niet diep, vermoedelijk omdat er vrij gauw water in komt te staan. In het ene bevinden zich de benodigdheden voor het huishouden, in de andere wordt de melk in houten, met zink beslagen vaten opgeslagen, en behoorlijk afgekoeld wordt de hele massa door middel van een met een paard aangedreven karnmolen tot boter verwerkt.

Buiten de genoemde machines zag ik ook nog een aardappelreiniger, die de aangekoekte klei verwijdert. In de zeer uitgebreide collectie landbouwwerktuigen te Groningen vindt men modellen van dergelijke en vele andere machines.

Dit hier zo belangrijke bedrijf wordt geleid door de landbouwer G. Reinders zelf. Onder zijn leiding werken zes knechten, vier meiden, en ongeveer veertien plaatselijke dagloners. Voor het maaien worden de boven beschreven hannekemaaiers gebruikt.

Het huis is zulk een ondernemer waardig. Het heeft grote, lichte, behangen en van fijne biezen matten voorziene kamers met fraaie meubels, zelfs ook hingen er muziekinstrumenten her en der aan de wanden.

In de zomer staat het personeel om drie uur en in de winter om vijf uur op voor de arbeid. In een naburig dorp begint men in de winter zelfs meteen na middernacht met het werk.

De keuken in dit huis is zeer doelmatig en schoon; alles is daar gedegen en praktisch, zoals men het bij ons slechts in de huizen van rijke landgoedeigenaren vindt. De proper geklede mensen waren vriendelijk en dienstvaardig, niet schuchter en nieuwsgierig.

De strook land, waarop dit grote bezit ligt, is op de zee veroverd en ingepolderd. Voor ruim honderd jaar begon de slijk van de zee zich op de oever af te zetten en deze te verhogen, en sinds 1811 heeft de huidige bewoner het aangewonnen land ingedijkt en voor overstromingen beveiligd. Waar  voorheen dus schepen voeren, ligt nu een welige bodem en een modelbedrijf, dat de aandacht van onze economen niet zou mogen ontgaan. Men verwacht hier nog meer van dergelijke geschenken van de weldadige, vrijgevige natuur, die doorgaat met het ophopen van slijk aan de kust, zodat schepen de oever nog maar nauwelijks kunnen benaderen.

Omdat men in zulke polders weinig of helemaal geen mest gebruikt, is daar ook de veeteelt niet het wezenlijkste, vooral niet sinds de tijd dat een runderpest veel schade veroorzaakt heeft. De overtollige mest verkoopt men naar contreien, waar er behoefte aan bestaat, en vervoert deze op een gemakkelijke wijze in schepen, waardoor er op de kanalen veel verkeer ontstaat.” 

Bron: Friedrich Wilhelm Dethmar – Freundliche Erinnerung an Holland (1840), deel III, pag. 262 – 267