Taats en zijlkom
Geplaatst op: 15 oktober 2010 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties
Dit zijn de grootste spijkers die ik ooit van mijn levensdagen zag. Het betreft vier bronzen taatsen of taatsnagels.
Zo’n taats zat aan de onderkant van een sluisdeur, waar de bolvormige kop rustte in de ronde holte van de eveneens bronzen taats- of zijlkom die in de drempel van de sluis verwerkt was:

Samen vormden taats en zijlkom het scharnier waarop de zijl- of sluisdeur aan de onderkant draaide. De getoonde taatsen zijn afkomstig uit een Boterdiepzijl. Op twee ervan staat het jaartal 1593, uit dat jaar zal het hele kwartet dateren. De zijlpot is iets jonger, want anno 1733 gegoten in opdracht van jonker Evert Joost Lewe van Aduard als ”hoofmester”” (opperhoofd, president) van het Winsumer- en Schaphalsterzijlvest.
Taatsen en zijlkom maken deel uit van een mini-expositie van het Groninger Museum over de opsmuk van Groninger zijlvestenijen, die morgen te zien zal zijn op de vooral aan water gewijde Dag der Groninger Geschiedenis.
Oplichter uit Peize gebrandmerkt in Deventer (1523)
Geplaatst op: 13 oktober 2010 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties“In 1523 had zekere Arend Hermans, geboren van Peize bij Groningen, eene meijersche bij Tiel geld en kleinooden afhandig gemaakt onder voorgeven van eene openbaring van St. Hubert in de Ardennen te hebben ontvangen, dat haar overleden man niet uit het vagevuur gelost kon worden, tenzij zij hem al haar geld en kleinooden gaf. Hem werd te Deventer bij den kaak in beide zijne kinnebakken een sleutel gebrand en de stad bij verlies van zijn lijf ontzegd.”
Bron: De Navorscher 1859.
Een D voor de armen – de praktijk in Beerta
Geplaatst op: 11 oktober 2010 Hoort bij: Familie, Geschiedenis Een reactie plaatsenIk stond hier al meermalen stil bij de letter D, die alle Oldambster armen vanaf 1781 op hun linkermouwen dienden te dragen. De plaatselijke diaconieën moesten deze overheidsmaatregel implementeren. Alleen voor armen vanaf zestig jaar werd er een uitzondering gemaakt.
In Zuidbroek en Muntendam voerde de diaconie de maatregel zonder mankeren door. In 1784 naaiden twee kleermakers er een D van blauw laken op alle bovenkleding van de bedeelde armen. Wie de letter van de mouw afdeed, kreeg geen steun meer. Dit overkwam inderdaad een vrouw die de D weigerde te dragen, omdat ze, zoals ze schreef,
“…als een gemerkt schaap bij hare vrienden niet durfde komen, en omdat de rijken dat teken hadden uitgedagt om den armen smaadheid aan te doen”.
Van Beerta wist ik al dat de maatregel er in 1821, dus veertig jaar na de eerste afkondiging, opnieuw ingevoerd was. Het ging toen om een D van geel koord of lint op de rechterarm.
Wanneer de D hier in onbruik was geraakt, wist ik niet. Dat heb ik intussen echter kunnen opmaken uit een resolutieboek van de Beerster diaconie. Op 1 november 1784 werd hier bij de uitdeling van de winterkleren bepaald:
“Ook zal de roode D op de klederen gezet worden.”
Een rode D dus, en geen gele, zoals later in Beerta, of een blauwe, zoals tegelijkertijd in Zuidbroek. In het Beerster besluitenregister staat op 2 maart 1786 ook de aanmaning van de Oldambster drost, om de uitkering te stoppen aan armen die de D niet droegen. De kerkeraad gelastte bij die gelegenheid de boekhoudend diaken nog eens uitdrukkelijk om hierop te letten. De armen moesten hem zelfs elke week tonen, dat ze de D werkelijk op de mouw hadden.
In maart 1786 bleken alle Beerster armen inderdaad de D te dragen. Maar uit het feit dat de kerkeraad die zomer de diakenen nog eens beval om de rode D op nieuwe armenkleren te laten zetten, krijg je niet de indruk van een enthousiaste doorvoering. En ook in 1789 voelde de kerkeraad zich genoodzaakt de diakenen nog eens aan hun plicht in deze te herinneren. Later ontbreken zulke aanmaningen in het resolutieboek, de maatregel zal daarom in de jaren na 1789 in onbruik zijn geraakt, waarbij er mogelijk een verband is met de hoogconjunctuur in de landbouw, die de repressieve en stigmatiserende maatregel wellicht wat minder noodzakelijk maakte.
In Beerta was er trouwens hoegenaamd geen sprake van openlijk verzet, zoals in Zuidbroek. Maar dat kan ook komen door de manier waarop het diaconale resolutieboek werd bijgehouden. In Zuidbroek was dat besluitenregister veel uitgebreider en explicieter dan in Beerta.
–=
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 206 (archief hervormde gemeente Beerta), inv.nr. 38.
Een hut met gebruik van tuin en koeweide te Meerland (1780)
Geplaatst op: 27 september 2010 Hoort bij: Geschiedenis 7 reacties“1780 d. 11 8br (oktober ) Hebben wij Jacob de Vries & Aeilko Pieters in onze qualiteit als diaconen, van de wed. Luirt Meinderts en hare zoons de Meerhut voor de wed. Jan G. Ventman en de vrouw van Geert Ventman met hare kinderen, weder gehuirt voor de tijd van een jaar van May 1781 tot may 1782, om voor het gebruik van de hut en tuin nevens de koeweide & zo veel gelegentheid als verhuirders zelve vrijwillig zullen toestaan, om eenig Hoey te winnen, met annexen zoals voor dato gewoon, als opzigters van het vee te ageren dat in het Meerlant geweidt wordt en daar wel op te paszen. Dog houden verhuirders het regt om bij manquement van goede figulantie, zig deswegen bij de diaconen te beklagen, terwijl die zig verbinden, om zo veel mogelijk, gemelte perzonen tot hare pligt te houden, & dat niet batende, heeft de wed. vooorn[oemd] vrijheid om haar anstonts te delogeren.
Jacob de Vries
Aeilke Pieters”
In oktober 1780 sluiten de diakenen van Beerta niet voor het eerst een contract af met de (doopsgezinde) weduwe Luirt Meinderts en haar zonen, waarbij deze “de Meerhut” verhuren aan de diaconie voor gebruik door de ondersteunde familie Ventman, welke bestaat uit een moeder, een dochter en beider minderjarige kinderen. Bij het gehuurde in zitten een tuin, een koeweide en zoveel hooi als de verhuurders maar willen afstaan aan de bedeelden. Het contract is er een met gesloten beurzen. Voor het gebruik van het gehuurde treden de bedeelden op als opzichters van het vee dat geweid wordt in het Meerland. Blijkbaar is er vanuit het verleden reden voor enig wantrouwen of dit wel goed gebeurt, want er wordt bepaald dat als de familie Ventman haar plicht in dezen verzaakt, de verhuurders kunnen klagen bij de diaconie, die dan de familie Ventman tot de orde moet roepen. Mocht dat niet helpen, dan hebben verhuurders het recht om de familie Ventman uit hun hut etc. te zetten.
Het contract toont niet alleen een curieuze bedelingsconstructie waarbij huisvesting tegen werk wordt geruild, maar geeft door die hut ook een glimp van de woningtoestanden ter plaatse. Bovendien is het contract van belang voor de lokale agrarische geschiedenis. Op de slecht ontwaterde gronden van Meerland werd kennelijk extensief (vlees)vee geweid.
Bron: RHC Groninger Archieven, Archief Nederlands-Hervormde gemeente Beerta (toegang 206), inv. nr. 61: Bestedingenboek van de diaconie.
Klein fietsmuseum Kerklaan
Geplaatst op: 21 september 2010 Hoort bij: autobio, Geschiedenis 6 reactiesBerend Duiker, een bejaarde fiets- en bromfietshandelaar en -hersteller aan de Kerklaan, heeft een klein museum in zijn etalage ingericht.

– Een bakkersbakfiets, zoals ze begin jaren zestig nog rondreden:

– De befaamde Piet Pelle met daaronder nog een stukje van de gratis PUCH-poster uit 1969:

– Een plank met alle rijwielplaatjes van 1924 tot 1941:

Zo’n ‘plank had mijn grootvader ook. Als dorpscommies gaf die de rijwielplaatjes af, uiteraard na betaling van de verschuldigde rijwielbelasting. Werklozen en andere armlastigen konden er gratis één krijgen, maar dan wel met een gat erin.
Oudenbosch
Geplaatst op: 15 september 2010 Hoort bij: Geschiedenis, Oosterpoort 2 reacties
Vandaag in het West-Brabantse Oudenbosch eerst broeder Arnold bezocht. Hij speelde in de jaren 1987-1994 een prominente rol in de buurtorganisatie van onze wijk. Op zijn 88-ste zijn lange reizen er niet meer bij, maar hij fietst nog wel steeds en loopt ook de trappen op naar de tweede verdieping van het ‘klooster’, waar hij woont. Terwijl hij ook nog steeds twee pakkies shag per week rookt.
Hoewel groot fan van de heilige Fransiscus en indertijd fervent lid van de Fransiscaanse Vredeswacht, behoort hij tot de Broeders van Saint Louis, die vroeger in het onderwijs zaten. Die orde sterft uit. Huizen elders zijn inmiddels opgegeven, in Oudenbosch wonen nu nog de elf overblijvende broeders, waarvan de jongste bijna 70 is en de oudste 99. Ook daar is hun vastgoed al verkocht, op de begraafplaats met de eenvormige gietijzeren grafmonumenten na. Volgend jaar verhuizen ze naar de vleugel van een nieuw ouderenhuis, waar ook andere bejaarden wonen.
Arnold heeft me de belendende gebouwen laten zien, waarvan sommige gerestaureerd zijn. Op deze staat de patroonheilige:

In Oudenbosch kan je met geen mogelijkheid om het rijke Roomse leven heen. Zo staat er centraal in het stadje een soort schaalmodel van de Sint Pieterkerk:

Een tweede reden om naar Oudenbosch te gaan was het Zouavenmuseum, waarover ik laatst al schreef. Ze bewaren er een haarlok en een stapeltje brieven van de gesneuvelde Groninger zouaaf Johannes Stephanus Crone. Van de brieven heb ik nu kopieën in mijn bezit, en van de haarlok een foto, stof voor een artikel in de Stad & Lande. Crone liep er ongeveer bij zoals de meest linker en meest rechter paspop in deze vitrine:

Het El Dorado onder de kerkvloer
Geplaatst op: 10 september 2010 Hoort bij: Drenthe vrogger, Geschiedenis 2 reactiesMooi dat ik dit gevalletje terugvond.
De destijds twee eeuwen oude Koepelkerk van Smilde werd in 1981 gerestaureerd. De banken en de vloeren moesten er uit en dat gaf aanleiding tot een gerucht. Dat ongeveer als volgt op gang moet zijn gekomen. “Misschien ligt er geld onder die vloer”, opperde de eerste. De tweede maakte daar al een zekerheid van en een derde dikte het verhaal nog verder aan door te stellen dat er vast wel gouden ducaten zouden liggen.
De muntenverzamelaars van het dorp werden wakker en boden tegen elkaar op om die schat maar in huis te krijgen. Het hoogste bod, 1300 gulden, kwam van een slager.
Toen de banken en vloeren uit de kerk waren, vond men inderdaad zo’n 80 munten. Maar gouden ducaten zaten er niet bij en wat er wel tevoorschijn kwam, was lang geen 1300 gulden waard. Hoe kon dat? Een wellicht uit cognitieve dissonantie voortkomende vraag die aanleiding gaf tot een nieuw gerucht: er waren veel meer munten gevonden, maar de vrijwilligers die het sloopwerk hadden verricht, zouden minstens de helft van de munten voor zichzelf hebben gehouden.
Dit gerucht kwam ook de verslaggever van het Nieuwsblad van het Noorden ter ore, die de slager belde. Volgens de verslaggever bevestigde de slager het verhaal. Nu ontaardde het gerucht in een schandaal. In een ingezonden brief kwam de predikant op voor de kerkvoogdij, die volgens hem eerst alle munten aan de slager had laten zien, om de man vervolgens voor de keus te stellen of hij ze wilde kopen voor zijn bod of niet. Ook de slager zelf stuurde een ingezonden brief naar de krant. “Met boosheid en afschuw” had hij het artikel gelezen. Hij was verkeerd geciteerd:
“Het moet mij van het hart dat hiermee de leden van het bestuur van de hervormde kerk en helpers, die de munten wel allemaal hebben afgedragen, in het verkeerde daglicht zijn gesteld.”
Achteraf was het ook wel logisch dat die tachtig munten niet zoveel waard waren. Het moet voornamelijk om veel voorkomend kopergeld zijn gegaan: duiten, centen, halve en hele stuivers. Zilvergeld gooiden de kerkgangers veel minder in de zondaagse buil.
Hannekemaaiers, Hollandgangers en Moffen
Geplaatst op: 30 augustus 2010 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“Het was de achttiende juni, toen ik al vroeg door grote koppels zogenaamde Hollandgänger (Hannekemaaiers, Moffen) gewekt werd, die met hun zeisen, wandelstokken en reiszakken een eigenaardige stoet vormden. Vrolijk en welgemoed trokken ze naar hun bestemming, en deelden zich daarom buiten de stad in verschillende groepen op, waarvan elke zijns weegs ging naar de boeren, wier gras ze maaien zouden.
Om het u, mijn vriend, duidelijk te maken, moet ik opmerken dat de huidige spaarzame landbouwer geen andere mensen in dienst heeft, dan die hij het gehele jaar door gebruiken kan. Voor dringende werkzaamheden die slechts op bepaalde tijden voorkomen, zoals gras maaien, hooien en koren zichten, verkiest hij deze mensen uit Münsterland, Paderborn enzovoorts, die voor een ronde som gelds een bepaald aantal morgens weide of akkerland te maaien hebben. Deze brengen zoveel spek en ham mee, als ze maar dragen kunnen, verkopen deze waren met winst en kopen zich van de opbrangst brood, koffie en jenever.
Het zijn nijvere arbeiders, die dag na dag niets anders doen dan gras maaien. Hen komen op de plaats anderen achterna, waaronder ook vrouwen en kinderen. Deze nemen het op zich, het gemaaide gras in hooi te veranderen en dat droog aan de boer te leveren. Heeft een hannekemaaier zijn karwei af, dan gaat hij met zijn kameraden langs de kortste weg en zonder dralen terug, om van het door hem verdiende geld onderweg zo min mogelijk uit te geven.
Met de thuisgebrachte contanten, die een 25 tot 30 gulden bedragen, betaalt hij zijn huur en leeft dan van zijn overige werkzaamheden het gehele jaar door met vrouw en kinderen in een stille, huiselijke gelukzaligheid. Het aantal van deze arbeiders die naar Groningen, Friesland en enige andere streken in Nederland gaan, is dermate groot, dat het voordeel dat ze het Vaderland brengen, een gewichtige zaak is, zodat zelfs de regeringen daarvan kennis nemen en hun gedrag bewaken. Kenners hebben mij wel verzekerd, dat deze lieden meer dan een half miljoen gulden jaarlijks naar hun vaderland brengen. Daar het gewoonlijk ruwe en eenvoudige mensen zijn, die vanuit de aangrenzende provincies naar Nederland gaan, heeft bij de Nederlandsers de opvatting postgevat dat een Münsterlander, ja elke Westfaal een domme kerel is die ze voor het lapje kunnen houden. Vandaar ook de spotnaam Mof voor een ieder die het voor hun onverstaanbare Duits spreekt, vuil is en geen goede manieren heeft.”
Uit Freundliche Erinnerung an Holland (1840) van de Duitse predikant en jongedameskostschoolhouder Friedrich Wilhelm Dethmar (deel III, pag. 256-258). Dethmar schreef deze briefpassage tijdens zijn verblijf in de stad Groningen, toen de vrolijke hannekemaaiers zijn hotel, de Doelen aan de Grote Markt, passeerden.
Vertier op een Drentse jaarmarkt
Geplaatst op: 29 augustus 2010 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Er zeggen wel eens boerenjongens dat het echte kermisvermaak niet op de dorpsstraat te midden van eene vroolijk tierende menigte en van kermiskramen, liederenzangers en vioolspelers, en van een hansworst die allerlei potsen maakt, maar in de nabijheid van een goed zedig en bevallig meisje te vinden is.”
Uit een artikel van Harm Tiesing over de Drentse jaarmarkt eind negentiende eeuw, in: Hazelhoff’s Almanak, jaargang 113 (1926) pag. 74-85. Volgens Tiesing dansten de boerenzonen en dochters niet, maar zongen ze wel, en er was dus ook muziek en theater op zo’n Drentse kermis.
Vis in Finsterwolde
Geplaatst op: 28 augustus 2010 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 8 reactiesTe Finsterwolde werden in 1851 uit de Dollard gevangen:
- 8000 korven garnalen à ƒ 0.45
- 200 korven bot à ƒ 2 per korf,
- 40 korven aal à ƒ 1,50 per korf,
- 40 korven haring à ƒ 0.75 per korf,
- 20 korven spiering à ƒ 0.75 per korf.
- Voorts 4 zalmen à ƒ 4 per stuk.
- Opbrengst totaal ƒ 4117.
Bron: Statistiek over 1851. Groningen. Algemeen Handelsblad 8 september 1852.
Van de Venne en turf
Geplaatst op: 26 augustus 2010 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Het British Museum bezit van Adriaen van de Venne (1589 – 1662) een prachtig tekenboek, en het mooie is dat je dat tegenwoordig helemaal kunt bekijken en downloaden via het zoekvenstertje op de Research-pagina van dat Museum.
Er staan tekeningen in van hoogwaardigheidsbekleders, geleerden, koop- en ambachtslui, boeren en soldaten. Vaak vermaken die zich opperbest met bijvoorbeeld musiceren, dansen, rijden, varen, vogeltjes vangen, jagen, kolven, kaatsen, tennis, biljart of schaatsen. Maar er zitten ook scènes bij waarin mensen gewoon bezig zijn met hun werk.
Zoals op het bovenstaande plaatje, dat op didactisch verwantwoorde wijze een overzicht geeft van de lage veenderij. Dat is turfgraverij waarbij klyn, veenspecie, vanonder de (grond)waterspiegel wordt weggehaald met een beugel. Ontelbare meren zijn er zo ontstaan. Links op het plaatje zie je zo’n beugelaar of baggelaar bezig.
De klyn deponeert hij op de wal naast hem. Op dat zetveld zijn een man en een vrouw met plankjes onder hun voeten bezig de klyn te betreden. Zo ontwatert het spul al flink, bovendien krijgt het een mooie egale dikte. Achter de man en de vrouw zie in de verte een man bezig met het stikken van de egale en half ontwaterde klynlaag. Met behulp een ijzeren stuk gereedschap steekt hij de turven uit. Deze worden vervolgens van het zetveld weggehaald en neergezet in luchtige stapels, waar de wind vrijelijk doorheen kan spelen.

Het baggelen houdt op met de langste dag (21 juni), maar pas tegen de herfst zijn de turven zo droog dat ze klaar zijn voor huisbrand of voor gebruik in brouwerijen, stokerijen en andere nijverheid. Hoe de verkoop aan particulieren in zijn werk ging toont Van de Venne op een andere tekening. Een scheepje met turf ligt aan de wal, en in een vat past een turfmeetster de turven af in regelmatige hoeveelheden. In manden en zakken gaat het product uiteindelijk naar het huis van de consument.
Plaatjes: © The Trustees of the British Museum
Joueuse de Tympanon
Geplaatst op: 17 augustus 2010 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Af en toe bereikten zulke apparaten, die horlogemakersvernuft, muziek en menselijke poppen combineerden, ook Groningen. Zo was er een te zien en horen in een tent op de meikermis van 1786:
“Word geadverteert dat van Parys hier is aangekomen, Monsr. MEYER, met een Konstige Machine bestaande in een Mechanius Mucicalus Instrument, zynde een mahoni houten Konstkabinet op welker bovengedeelte een Horologie is geplaatst. De Kas geopend zynde vertoond een pragtig vertrek waar aan een Tavel [e]en Gochelaar met deszelfs Hansworst, welke gochelt. In het onder gedeelte is geplaats het heerlyk Mucicalus Instrument speelende een gehele Cinfoni op de Fluto Traver. De Vertoonplaats is op de Grote Markt ‘in de Tent, de prys is 2 en 6 st[uiver].”
In die jaren kwam er ook wel eens een ‘androïde machine’ langs, die ik helaas niet terugvond in de gedigitaliseerde kranten. Maar de meest opzienbarende specimina bleven uiteraard achter in Frankrijk.
Bron advertentie: Groninger Courant 9 mei 1786.
Met de jongedames Modderman mee naar het zuiden (VII en slot)
Geplaatst op: 16 augustus 2010 Hoort bij: Geschiedenis 6 reacties
“Des anderen daags den 13den Augustus gingen wij van Zwolle op Hasselt, waar wij ons wederom met de pont aan de andere kant van de IJssel lieten brengen en van daar op Zwartsluis. Van Zwartsluis langs een lage moddrige weg naar Wanneperveen. Van daar op Rokebosch langs een smalle slaagrige weg met kreupelbos omgeven. Van Rokebosch op Steenwijk, een aardig stadje dat een goede markt heeft en waar lekker wittebrood gebakken wordt. Van Steenwijk reden wij voorbij de buitenplaats van de Heer Van der Hoop naar Frederiksoord. Om alles recht goed te bezien hebben wij hier een geruime tijd stil geweest.
Op de Colonie No. 1 hebben wij eenige colonisten huizen gezien. Dezelve waren van binnen zeer netjes en rein, de inwooners alle zeer vlijtig. Ook hebben wij er de school bezien waar in zich een groot getal kinderen bevonden die alle stil en geregeld hunne bezigheden verrichteden. Vervolgens hebben wij het Magazijn bezien waar de voor de Colonisten gemaakte klederen die alle op de Colonie vervaardigd worden bewaard wierden. Daarna bezichtigden wij de spinzaal. Wij zagen daar een groot getal kinder alle evenzeer bezig, sommige met te spinnen wol. Kleine jongens van acht of negen jaren verdienden een stoter daags. De Colonisten gaan naar Fledder in de kerk.
Vervolgens hebben wij de Coloniën No. 3 en 4 gezien die net zoo zijn doch niet zoo voordelig . No 1 is wat meer vooruit. Het logement hebben wij ook bezichtigd, een groote zaal, noch een paar groote kamers en 10 à 12 slaapvertrekken. Er is een groot en fraai Bosch bij dat het logeren er zeer aangenaam maakt. Alles was er echter voor ditmaal zoo bezet dat wij ons verplicht vonden, hoe gaarne wij er des nachts ook wilden vertoeven, noch verder te rijden.
Na hier dus onze magen wat versterkt te hebben reden wij naar Diever en van daer op de Smilde waar wij logeerden bij Meijering in Het Roode Hart. Daar het bij uitstek fraai weder was, gingen wij na ons soupé besteld te hebben noch wat wandelen. Wij bezagen de kerk, een schoon ruim gebouw met een klein torentje. Bovenop de galerij kan men de grote toren van Groningen zien, benevens vele fraaije gezichten.
Des anderen daagsch, den veertienden Augustus, gingen wij van de Smilde op Assen, waar wij wederom eenen geruimen tijd pleisterden. Van daar op Vries, een triest dorp. Van Vries op IJ, van IJ naer de Punt, van de Punt op Glimmen alwaar wij het middagmaal hielden en thee dronken.
De regen hinderde ons daar te kunnen wandelen, waarom wij ons maer bijtijds in het rijtuig plaatsten. Van daer gingen wij op Haerdermolen, van Haerdermolen op Haren, van Haren op Helpen en van Helpen op Groningen waer wij om zes uren alle gezond en wel aankwamen, zeer te vrede over onze genoeglijke reis en door ondervinding geleerd hebbende dat het reizen beter voor het ligchaam is dan voor de beurs.”
—
NB: deze serie is tot een artikel verwerkt in Stad & Lande jrg. 2013.
Met de jongedames Modderman mee naar het zuiden (VI)
Geplaatst op: 15 augustus 2010 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
“De volgende dag, zijnde [zondag] den 12den Augustus stapten wij om vijf uren op de wagen en begaven ons van Praest op ’s Herenberg, een klein min roomsch stadje waar alle Roomsche candidaten voor zij priester kunnen worden één jaar moeten studeren. Van ’s Herenberg reden wij op Zetdam langs een aaklijke diepe veldweg die in het geheel niet spoorde. Van Zetdam op Wehl, een zeer aardig dorpje. Van Wehl op Keppel alwaar wij omdat de brug gemaakt wierdt door den IJssel moesten rijden. Van Keppel reden wij op Zutphen voorbij verscheiden fraaije buitenplaatsen.
Zutphen is eene lieve stad die sedert korte jaren veel verbetert is. De environs zijn ook lief. Het was er juist kermis. Van Zutphen op Gossel waar wij aten. Een aardig dorpje halfweg Zutphen en Deventer. Van Gossel op Deventer alwaar evenals bij Arnhem eene schipbrug is. Er staan vele fraaije huizen. Van Deventer op Olst en van Olst op Harke waar het ook al weder kermis was. Van Harke op Zwolle. Halfweg Deventer en Zwolle stond een zeer dikke boom welke waarschijnlijk door geen acht menschen kan worden omvaamt. Te Zwolle logeerden wij voor de Kamper poort, soupeerden en gingen naar bed.”
Met de jongedames Modderman mee naar het zuiden (V)
Geplaatst op: 14 augustus 2010 Hoort bij: Geschiedenis 8 reacties
“Des anderen daags, den 11 augustus begaven wij ons van Cleef na Griethuizen en aldaar in den pont over den Rhijn. Vervolgens langs een streek huizen naar het Spiekster Veer waer wij met een zeilpont schip aan den andren kant gebracht wierden. De Rhin was hier veel breder, de pont klein. Wij moesten de paarden voor de wagen wegspannen en de wagen moest er ruglings in.
Van daar op Laag Elten. Hier was weder een klooster. Er was slechts één monnik in. De Koning van Pruissen heeft dit klooster aan het dorp geschonken en aan de kloosterlingen een jaarlijksch pensioen met de vrijheid zulks te mogen verteren waar zij goedvinden. In dit klooster vind men bijzondere begraafplaatsen van in steen gemetselde vakken aan welks eene muur eene opening is, waarin de overledene monnikken op eene plank liggende worden ingeschoven evenals een brood in een bakkersoven, waarna die opening weer word toegemetseld.
Van Laag Elten reden wij tegen een zeer hogen berg naar Hoog Elten dat op een berg ligt. Hier hebben wij eene put gezien die 258 voet diep is, door de oude Romeinen gegraven. Een groot gedeelte van de inwooners van dit dorp moet hieruit water hebben. Deze put was besloten in een klein gebouw en waarover een zeker persoon en aan de reizende personen op hun verzoek laat bezigtigen. Het water van deze put was extra koud, zeer helder. In de winter is het warmer. Het water wordt opgehaald met een groote keten aan welks beide einden een ton met ijzeren hoepels omgeven hangt door middel van een groot rad waarin personen alsmede een hond die daartoe geleid is oplopen en alzoo het water naar boven trekken.
De man van deze put toonde ons deszelfs grote diepte door een wachkaarsje aan een der schakels van de keten even boven den emmer die het water uit de put zoude ophalen te binden, dat zoo ver naar beneden ging dat wij het licht naauwlijks meer konden ontdekken. Eene kleine hoevelheid waters uit den emmer in de put werpende duurde het niet minder dan 16 langzame tellen eer dat de val van dat water door ons gehoord werd. De emmer die het water uit de put ophaalde noch eenigszins hooger wordende opgetrokken sloeg in een ijzeren haak die door diezelfde beweging op de rant van de emmer viel. De emmer noch wat hoger opgetrokken wordende viel opzijde en ontlaste zich in eenen zarken bak die er tot dat einde onder geplaatst was. In deze bak was eene kraan waarmede het water in gewone emmers getapt wierd en tweemaal des weeks aan de inwoners werd rondgedeeld.
Van Hoog Elten reden wij naar Emmerich, eene fraaije stad aan den Rhin. Wij pleisterden in den Wijnberg, dronken er koffij en reden vervolgens voorbij het slot Reckenburg naar Praest. Hier gekomen zijnde eischten wij eene vrije kamer en zonden de meid uit het logement naar het instituut teneinde de Predikant van onze komst te verwittigen. Wij werden verzocht daar te eeten en het overige van den dag door te brengen. Wij begaven ons op staande voet derwaarts en aten met alle de daar aanwezig zijnde jonge dames aan eene tafel. Na aldaar Coffij en Thee gedronken en braaf in tuin en Bosch gewandelt te hebben, bezichtigden wij het slot dat ruim en groot is, gingen vervolgens wederom naar Praest waar wij soepeerden en ons vroegtijdig ter ruste begaven.”

Recente reacties