Oprichting moskeeën “Een waar Nederlandsch belang”

“Nu heeft ’t mij wel eens verwonderd dat in ons land met zijn eenige tientallen van miljoenen Mohamedanen tellende bezittingen geen enkele Islamsche kerk was,”

“Bezwaren om in ons land een moskee op te richten bestaan niet, want hier beerscht vrijheid van godsdienst.”

K.A. James, Neerlandia, Jaargang 8. (1904 ) 15, 16


Met de jongedames Modderman mee naar het zuiden (IV)

Geplaatst op 13 augustus 2010

“Van Arnhem reden wij des anderen daags den 10den Augustus over de heerlijke schipbrug over den Rhin naar het dorp Elst, ´t welk een fraaije kerk en tooren heeft, langs een puinweg naar het schoone dorp Lent bij Nijmegen gelegen het welk een frappante gezicht  op die stad over de Rivier de Waal opleverd. Wij gingen met de Gierbrug over. Daar zijn op dezelve twee onderkamertjes, zeven schipjes wordende vastgehouden aan ankers.

In Nijmegen hebben wij de grootte kerk bezien die van binnen zeer net is en een zeer fraai orgel heeft, hetwelk door acht zwarte marmoren pijlaren ondersteund wordt. Dominé Harecarspel predikte juist. Ook bevond zich in de kerk eene zwarte marmoren graftombe van eene Geldersche gravin. Zij zelve was er bovenop afgebeeld.

Vandaar zijn wij naar het stadshuis gegaan. Eerst liet men ons het zeer bekende Nijmeegsche Raadsel zien, vervolgens toonde men ons een groot staand uurwerk dat op vijf onderscheidene plaatsen eene wijzerplaat had en altoos zeer juist ging. Wij hebben er ook zeer veel oude Romeinsche zwaarden gezien, onder anderen dat zwaard waarmede de Graven Egmond en Hoorne onthoofd zijn. Alsmede de stoel waarin Willem de Vijfde zat als er Landsdag gehouden wierd, waarop wij voor de aardigheid alle even in gezeten hebben. Ook een boek met de pen geschreven getallen alles voluit voor de drukkunst bekend was. Ook drie huispannen welke gebakken waren voor de Geboorte van Jesus Christus. Beneden in de muur waren steenen beelden die meest alle het hoofd af hadden en die de heidenen aangebeden hadden voor de geboorte van Jezus Cristus. Vervolgens hebben wij de Audiëntiezaal gezien daar in 1678 de Nijmeegsche Vrede getekend is ten tijde van Willem den derde die toen Koning van Engeland en Stadhouder van Holland was. Zijn  afbeeldsel hong er benevens dat van de 7 Ambassadeuren, een van Rome, een van Holland, een van Engeland,  een van Hanover, een van Pruissen, een van Rusland en een van Spanje.

Van het Stadhuis zijn wij naar het Valkenhof gegaan, hetwelk gesticht is door Carel de Grootte 300 jaren voor Cristus geboorte. Het is geheel van duifsteen, in alle vengstergaten zijn kruizen. Deze halve kapel is zoo vervallen dat er alle oogenblikken steenen afvallen. Van daar zijn wij naar de geheele Capel gegaan welke niet ver van daer staat. In deze Capel plegen zij bovenop de galerij al wandelende te zingen. Beneden staat het hoofd van Carel de Grootte. Eene ontelbare menigte kleine leitjes lagen ook aldaar benevens de houten machines van latwerk waarmede zij de Capel plegen te verlichten. Aan de buitenkant van de Capel was noch een soort van uitstek waerop de preker stond als de gemeente zoo talrijk was dat zij in plaats van in de Capel in de open lucht vergaderde. Op het hek dat naar het Valkenhof gaat stond: “Gij die zooveel schoons komt roemen, houdt U hand van loof en bloemen”. Verder stond er een bank die een superbe gezicht op de Waal had met dit opschrift: “Weet gij mij een plaats te noemen die op zoo veel schoons kan roemen”.

Vervolgens zijn wij naer de Belvedère gegaan en hebben boven op dezelve met de verrekijker de uitnemenste gezichten gezien. Van Nijmegen zijn wij gereden bijlangs Wieling door een zandweg die niet spoorde op Kranenborg, een klein, niet zeer mooi Roomsch stadje. Hier vroeg men ons of wij ook contrabande goederen bij ons hadden, doch deze vraag met neen beantwoordende, wenschet men ons verder eenen voorspoedige reize. Van Kranenborg gingen wij langs hooge bergen die de uitmuntenste gezichten opleverden naar Cleve. Wij stapten af in de Diergaarde, een zeer brillant logement daar het zoo vol was dat wij moeite hadden een paar vertrekjes voor ons te bedingen.

Eerst deden wij  eene fraaije wandeling door het Bosch, beklommen den  Sterenberg en vervolgens den Cleefschen berg op wier kruinen wij de heerlijkste gezichten hadden op Hoog en Laag Elten, de Nijmeegsche berg, de stad Cleef over welks huizen wij overheen zagen, de stad Emmerich en meer andre fraaije gezichten.

Des avonds wandelden wij naar de stad Cleef waar wij een zeer diepe put bezichtigden waaruit op een zonderlinge manier wegens deszelfs diepte water uit wierd geput. Er is ook een oud klooster waar noch twee monnikken in waren, doch klooster en kerk waren beide oud en vervallen. Op het hof zaten 400 galeislaven alle met kogels aan de beenen.” 


Met de jongedames Modderman mee naar het zuiden (III)

Geplaatst op 12 augustus 2010  a

Andreas Schelfhout (1787-1870), Tuinaanzicht achterzijde Het Witte Loo. Collectie Paleis Het Loo, Apeldoorn.

“Van Appeldoorn de ander dag den 9 Aug. ’s morgens vroeg weer op het Loo om het Paleis te zien. Er bevonden zich wel met alles en alles 300 vertrekken, eene preek-kapel, een Comedielocaal, twee keukens, een suikerbakkerij, een linnenkamer, een hofmeesters- of provisiekamer. Het ameublement was zeer modern en kostbaar. In het salon van Hare Majesteit de Koningin stond eene zeer mooije Piano waar Natje en ik de eer gehad hebben van op te mogen speelen. Er was ook eene badkamer. Koning Lodewijk heeft eens dat bad gebruikt met zoete melk en andere versterkende geneesmiddelen, hetwelk volgens eene Apothecars opgave 70 Guldens gekost heeft.

Van het Loo eerst weer terug naar Appeldoorn en vervolgens van daar langs een bergachtige weg naar Beekbergen. Van Beekbergen naar Woestehoeve, een zeer klein arm dorpje onder Beekbergen behorend, doch dat zeer lief ligt. Van Woestehoeve op ter Let en zoo naar Rozendaal. Die schoone plaats  met uitmuntend grotwerk, hooge watervallen, fonteinen en frappante gezichten is zeven uren in den omtrek en behoort aan Mevrouw de Weduwe Turck, alsmede de kerk en de school. De predikant en den schoolmeester worden door Mevrouw Turck betaald. Ook zijn er 5 papiermolens die ook haar eigendom zijn.

Van Roozendaal zijn wij naar Beekhuizen gegaan, ook een zeer fraaije grootte plaats die minder kostbaar, echter meer natuurlijk is. Wij hebben er een papiermolen gezien die door het water gedreven wordt, ook het maken en bereiden van het papier, en hebben vervolgens langs en over hooge bergen gewandeld op welk eene zich noch hooger eene rustplaats boven in den boom bevond en waar men het herelijk dorp Velp, de stad Nijmegen, Kranenborg, Cleef, Laag en Hoog Elten en Emmerich zeer goed konde zien.

Van Bakhuizen zijn wij naar Velp gereden waar zich ook vele schone buitenplaatsen bevinden. Hier hebben wij alle mooglijke moeite aangewend om te kunnen logeren, doch het was overal zoo bezet dat wij genoodzaakt waren ons noch die zelfde avond naar Arnhem te begeven alwaar wij ons nachtverblijf verkozen hebben bij den logementhouder Burgers bij de Rhinpoort, vanwaar men een zeer brillant gezicht heeft over den Rhin.” 


Met de jongedames Modderman mee naar het zuiden (II)

Geplaatst op 11 augustus 2010 Modderman  a

“Woensdag den 8sten Augustus gingen wij om zeven uren van Meppel langs de Galgenkamp bijlangs het Zwarte Water naar Zwartsluis, waar het juist kermis was. Het is er zeer zindelijk en levert een heerlijk gezicht op met al die schepen op het Zwarte Water.
Van Zwartsluis gingen wij op een puindijk naar Hasselt, een net, zindelijk stadje met vier of vijf poorten.  De kerk en toren zijn extra fraai. De Kerk is van binnen met drie verwelven. Ook prijkt dezelve met een mooi orgel met vier pilaren ondersteund.
Van Hasselt in de pont bij het Hasselder veer over het Zwarte Water langs een weg gedeeltelijk van zand en van puin naar Zwolle waar wij voor de Camper poort gepleisterd hebben. Vervolgens binnen de poort gegaan zijnde, ontdekten wij eene fraaije ruime stad prijkende met een schoonen tooren die echter van boven open was, en niet weer vernieuwd wordt omdat er telkens het onweder inslaat. Zeldzaam was het dat de bot bijna meest levendig voor eene geringe prijs – wel zestig stuks voor drie stuivers – werd afgeslagen en de garnaat alle levendig op de bank te koop werden aangeboden.
Van Zwolle in de pont over den IJssel naar Hattem, een oude vervallene stad met slechts twee poorten. Van Hattem door een fraai ruim veld met kooren & boekweit voorbij een mooije buitenplaats waar wij een waterval zagen, naar Heerde, het eerste Geldersch dorp waar het noch al vrij wel gesteld scheen te zijn. Van Heerde op Epe, van Epe op Vaassen, van Vaassen op het Loo, van het Loo op Appeldoorn alwaar wij in het logement de Moriaan soupeerden en vernachteden.”

 


Met de jongedames Modderman mee naar het zuiden (1821)

Geplaatst op 10 augustus 2010  a

“Dingsdag den 7 Augustus met de groene wagen van Bras en met Marringh om vijf uren des morgens uit Groningen gereden zijnde door Haren naar de Punt en zoo vervolgens naar Assen. Van waar wij, na aldaar Koffij gedronken te hebben, langs de Smildervaart naar de Smilde en mede over de Dieverderbrug waar wij ons middagmaal hielden over Huffelte, een zeer fraai Drentsch dorp en door Havelte, alwaar het niet minder mooi is, wederom bijlangs de Smildervaart naar Meppel reden. Havelte is een bij uitstek boschrijk dorp met een fraaije kerk en tooren. Ook bevinden zich mede aldaar twee schoone buitenplaatsen toebehorende de eene aan den Heer Kymmell, de andere, die nader bij Meppel is, aan de Heer van Riemsdijck.
Te Meppel zijn wij afgestapt aan het Logement van de Weduwe Bontekoe. Na aldaar ons nachtverblijf besteld te hebben, begaven wij ons naar Dominé Hein met wien wij het vlek bezigtigd hebben als mede de kerk, het nut van het algemeen en de Concertzaal.”

Aldus de eerste dagnotitie uit een reisdagboekje, dat zich bevindt in het familie-archief Modderman (RHC Groninger Archieven). Een later familielid, dat dit archief ordende, dateerde dit reisboekje op 1810, maar dat is onmogelijk, want de schrijfster en haar gezelschap bezochten de koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid. En dus is het in elk geval van 1818 of later. Een nadere sleutel voor datering biedt de aan het eind van het citaat genoemde ds. Hein. Hij stond van 15 juni 1817 tot 30 september 1821 op de kansel in Meppel. Het reisdagboekje valt daarmee te pinnen op die periode minus 1817 wegens de Weldadigheid. Als we dan de jaren 1818 tot en met 1821 aan de hand van de Groninger Courant checken op het voorkomen van een dindag 7 augustus, blijkt het enige jaar met die combinatie 1821 te zijn. Dat was dus het jaar van dit reisje.

Het latere familielid meende ook, dat Angelica Catharina Modderman het dagboekje schreef. Dat kan evenmin kloppen, omdat het handschrift in haar brieven anders is. Bovendien komt er een Naatje voor in de tekst, als aanduiding voor iemand in het reisgezelschap. Waarschijnlijk schreef dus niet Angelica Catharina Moddermanj, maar een jongere zuster van haar de notities. Qua achtergrond maakt dat niet uit, de gezusters waren telgen uit een welgestelde, doopsgezinde en zeer verlichte familie in de stad Groningen.

Hun reis ging naar het Instituut van Reckenburg, een soort kostschool waar jongedames uit de betere standen een verlichte opvoeding ontvingen. Ofwel ze brachten een andere zuster weg, ofwel was er sprake van een sentimental journey om het Instituut nog eens terug te zien. In elk geval gingen de zusters en hun eventuele mannelijke begeleiding vrij recht op hun doel af: hun route liep strak naar het zuiden, al kende deze een lus aan het uiteind, want heen ging het over de Veluwe en terug door de Liemers en de Achterhoek.

Ondanks die doelgerichtheid, was er toch ook sprake van toeristische uitstapjes. Onderweg stapten de gezusters Modderman menigmaal af in dorpen en steden, waar ze ook wel rondkeken. Dat leverde korte karakteriseringen op , maar ook langere uitwijdingen over bezienswaardigheden. Vooral de bovenstaande passages over Havelte en Meppel, en verder die over Zwartsluis, Hasselt, Zwolle, Het Loo, de Woeste Hoeve, Roozendaal, Beekhuizen, Nijmegen, Kleef, Elten, ’s Heerenberg, Frederiksoord, Steenwijk en Smilde bevatten aardige bijzonderheden.

De komende dagen zet ik mijn transcriptie van dit reisdagboekje hier neer. De in werkelijkheid doorlopende tekst heb ik onderverdeeld in de dagen dat er gereisd werd. Ook heb ik alinea’s aangebracht. De schrijfster was maar matig bekwaam in interpunctie, die heb ik dus naar eigen hand gezet. Bovendien staan er nu hoofdletters voor geografische termen. Mochten er vragen zijn, stel ze gerust.

NB: deze serie is naderhand verwerkt tot een artikel in Stad & Lande jrg. 2013.

Verklaringen bij het bovenstaande citaat:

  • Bras – rijtuigverhuurder
  • Marring – de voerman op de bok
  • Huffelte – Uffelte
  • Kymmell – de eigenaar van Overcinge
  • Van Riemsdijck – Veenrust? aan de Veendijk

Oliespuiter in Schoonebeek

(1976)


Man uit Terwispel loopt over water

(1975)


Het gevaar van een korenaar

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA
(Winschoter Courant 21 juli 1895)

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA
(Winschoter Courant 31 juli 1895)


Ate Doornbosch overleden

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ate Doornbosch, de grootste volksliedverzamelaar die Nederland gekend heeft, is overleden. Hier en daar staan doorwrochte in memoriams, ook kwam er vandaag al een meer persoonlijke herinnering voorbij, maar ik heb zelf eigenlijk weinig toe te voegen aan het logje dat ik vorig jaar maart schreef naar aanleiding van het eerbewijs dat hem toen in zijn geboortedorp Nuis te beurt viel.

Ik ben blij dat dit en ander eerbetoon er is geweest, want dat verdiende hij ten volle. Zonder Ate Doornbosch was deze liederenschat grotendeels verloren gegaan. Alleen al uit Groningerland zitten er opnamen bij van zo’n 120, 130 zangers en zangeressen. In sommige fragmenten is de stem van Ate Doornbosch blijvend te horen als een vaak wat terughoudende interviewer die vraagt naar de omstandigheden waaronder gezongen werd:


Dodelijke zonnesteken

Geplaatst op 21 juli 2010  a

Aldus het Nieuws van den Dag op 19 juli 1880.

De zoekwoordencombinatie Groningen + zonnesteek leverde voor deze krant nog drie treffers op bij de KB-krantenbank. Op 29 juli 1876 meldde de krant dat de “bouwman” (boer) MPS te Meeden dood op zijn land was gevonden, op 27 augustus 1898 dat een G. Muis, die op weg was van Groningen naar Meppel, onderweg stierf aan “een zonnesteek, ontaard in krankzinnigheid”,  en op 26 juli 1901 dat er in Groningen zelf een vierjarig kind aan een zonnesteek bezweken was.

Zonnesteken kwamen eind negentiende eeuw veel vaker voor dan nu. Veel mensen moesten het ’s zomers op het land verdienen met keihard werk. Nu beschikt de danig uitgedunde agrarische sector over tractoren met airco.


Groninger sneuvelde voor de paus (1867)

Geplaatst op 17 juli 2010  a

Het is weinig bekend, maar in de jaren 1860 vochten 3181 Nederlanders als Zouaven in het vreemdelingenlegioen dat de pauselijke staat moest beschermen tegen de Italiaanse nationalisten onder Garibaldi. De Nederlanders maakten van alle 11.000 Zouaven bijna eenderde deel uit. Daarmee vormden ze de grootste natie onder de Zouaven.

In het register op de website van het Nederlandse Zouavenmuseum in Oudenbosch staan tien stad-Groningers. De oudste was Albert Meuge, die geboren werd in 1827 en dus al een eind in de dertig was toen hij de wapens tegen Garibaldi opnam. De jongste heette Kasper Jan Scholtens. Hij werd in 1845 geboren en moet dus om en nabij de twintig zijn geweest. Overigens waren alle mannen vrijgezel, want dat was een voorwaarde die de paus stelde aan de mannen die voor hem vochten.

Op het lijstje van de tien stadjers springt één naam er voor mij uit. Dat is die van Johannes Stephanus Crone, geboren op 24 november 1830. Volgens een internet-stamboom heette zijn vader Nicolaus Wilhelmus Crone en dat moet dan een oomzegger geweest zijn van de katholieke middenstander met dezelfde naam, die zich na de Bataafse revolutie van 1795 ontpopte als een radicale democraat. In 1798 was deze Nicolaus Crone nog ruim vijf maanden de machthebber van het voormalige Stad & Lande geweest. Bij de zuivering van het kiezersvolk ging hij grof willekeurig te werk. Nadat een gematigder putsch een eind aan het radicale regime maakte, ruimde deze Crone weer het veld en ging hij definitief naar Amsterdam, waar hij een functie bij de instelling kreeg die de zaken van Oost-Indië behartigde.

De radicaal-democratische en daarmee ultra-verlichte oud-oom had dus een achterneef, die het gewapenderhand voor de paus opnam. Katholiek zijn rond 1800 was nog heel iets anders dan katholiek zijn rond 1860.

De achterneef , Johannes Stephanus Crone, sneuvelde op 13 otober 1867 bij de slag van Monte Libretti. Met zo’n negentig andere Zouaven, voornamelijk Nederlanders, bestormde hij ’s avonds een op een heuvel liggend, versterkt dorp, dat door een overmacht van Garibaldisten bezet was. Met de andere gesneuvelden kwam Crone jr. in een massagraf terecht. Een half jaar later werd dit massagraf weer opengegraven. Volgens een bericht in het Weekblad van Tilburg herkende een overlevende kameraad hem dadelijk aan zijn knevel en riep: “Dat is Crone!”, waarop de opgravingsleider de slobkousen lossneed en zijn nummer 2298 vond. Door dat cijfer wist men definitief dat het ging om “den godvruchtigen Johannes Crone”. Hij werd gekist en met negen kameraden bijgezet in “de bevallige kapel van Onze Lieve Vrouw del Passo” aan de weg omhoog naar Monte Libretti. Moeder Crone in het verre Groningen kreeg nog een lok van zijn hoofdhaar toegestuurd.

In het overwegend protestantse Groningen raakte Crone al gauw vergeten, maar iemand die met hem in Monte Libretti sneuvelde, werd nog tot omstreeks 1960 diep vereerd, zowel op katholieke scholen als door de naam van de hoofdstraat in zijn dorp. Dat was Pieter Jong, “de held van Lutjebroek”. Als je de verhalen mag geloven sloeg hij veertien Garibaldisten met zijn geweerkolf de schedel in, toen zijn munitie op was geraakt.

Men had toen nog wat over voor de Paus!


Landbouwwerktuigen 1959

Gierverspreider:

Geplaatst op 15 juli 2010  a

Hooimestschudder:

Geplaatst op 15 juli 2010  b

Landbouwwagen:

Geplaatst op 15 juli 2010  c

Opraaptouwpers:

Geplaatst op 15 juli 2010  d

Her en der op het platteland zie je zulke spullen staan: afgedankt en verroest.  Een halve eeuw geleden waren het nog courante artikelen, getuige deze plaatjes uit een gestencilde boeldag-catalogus van de Aankoop-Centrale Groningen, die gedateerd is op 25 februari 1959.


Imkers in een natte augustus

Geplaatst op 30 juni 2010  a

“Onze tuinbijkers, en zij die van elders nog dikwijls hun volken om dezen tijd naar hier brengen, op de bloeiende dop- en struikheide, loopt het hier ook al lang niet mee. Het weert niet op de hei. Veel te veel nattigheid. Geen uitvliegdagen en ’n onvoldoende honingafscheiding. En dan, naar het bijkers oordeel, veel te veel nachtelijk onweer over de bloeiende hei (…),

Maar dit bedrijf is toch eigenlijk al sedert lang klein bijbedrijf geworden, sedert de boekweitvelden in de veenstreken verdwenen zijn, sedert de heidevelden in ‘t  groot werden ontgonnen door Staat of particulier, sedert den tijd dat de boerenbedrijven zich uitbreidden, zoodat er geen handen meer voor gemist konden worden.

Er zijn er hier anders nog wel afstammelingen uit oude families aan te wijzen, die er vroeger door op de kluiten waren gekomen, die met dat geld zich van landerijen gingen voorzien, om daaruit in latere jaren blijvende inkomsten te kunnen halen. Maar dat alles is geweest.
Wat we er nu nog van zien, is slechts ’n kleine schaduw van wat vroeger dit bedrijf in deze streken was.”

Bron: Harm Tiesing, ‘Slecht weer in Augustus’, Algemeen Nederlandsch Landbouwblad jrg. 13 (1927) nr. 692.


Heidelberger UB produceert valse vuvuzelanoot

Een vorm van papegaaiengedrag is dat allerlei mensen, die je anders wellicht serieus zou nemen, gaan meeliften met iets wat zich als populair voordoet, c.q. veel in de publiciteit is.

Zo maakten academische bibliothecarissen uit Heidelberg op de langste dag wereldkundig, dat het prototype van de vuvuzela al bestond aan het hof van de Boheemse koning Wenceslas, in de vroege veertiende eew. Wie echter het desbetreffende detail op het vermeende bewijsstuk beschouwt, ziet een rietinstrument:

Geplaatst op 26 juni 2010  vuvuzela

Hoogstwaarschijnlijk betreft het een schalmei, een voorganger van de klarinet. En met een schalmei kan je wel degelijk meerdere tonen maken. Wat muzikaal gezien nogal een verschil maakt met de primitieve Zuidafrikaanse lawaaitoeter, hoe trots sommige mensen ook menen te moeten zijn, als ze daarop die ene beschikbare toon weten te produceren.


Schrale en rijke gronden

Geplaatst op 23 juni 2010  a

Aan de kleurtjes kan je zien, wat zo rond 1820, 1830 de opbrengsten van de grondbelasting per hectare waren, in Groningerland.

Geel staat voor goedkoop: Westerwolde is vrijwel egaal geel, het zuidelijk Westerkwartier idem. maar ook het gebiedje op het Schiereiland van Winschoten waar zich nu de Blauwe Stad bevindt. In deze streken ligt nog veel woeste grond, venige heide op schrale zand, waar je zonder kunstmest weinig kunt beginnen, maar kunstmest bestaat nog niet.

Wat hoger geklasseerd zijn de blauwe gebieden, bij de oude uitgeveende veenkoloniën bijvoorbeeld, of het lageland rond Slochteren, of de streek bij Zuidwolde, Noordwolde en Bedum. Hoe blauwer hoe beter, De beste grond in deze categorie zit tegen purper aan, bijvoorbeeld ten oosten van Winschoten, bijvoorbeeld in de buurt van Ten Boer.

Het allerbest is oranje. eerst omfloerst of met purper gemengd, zoals op het Hogeland, of ter weerszijden van de Reitdiepmonding. Maar hoe ongemengder het oranje, hoe hoger de opbrengst van de grondbelasting. En dan springen er maar twee regio uit: de omgeving van de stad, waar de stadsburgers veel paarden laten weiden, wat prijzen opdrijft. En de jongste Dollardpolders, waar een monocultuur van graan bestaat, en de boeren bijna slapende rijk worden.

Bron van het kaartje: Hisgis