De structuur van Feerwerd (1822)

Geplaatst op 16 juni 2010  a

Feerwerd in 1822 (Bron: Hisgis). Rechts het Aduarderdiep, waar het Feerwerdermaar met een curieus bochtje op aantakt. De Schifpot bestaat nog niet en er is ook nog geen veerhuis. Er is zelfs nog geen weg langs het hele Feerwerdermaar. Wilde je van Feerwerd naar Garnwerd, dan moest je hoe dan ook (lopend, rijdend of varend) via Aduarderzijl. Ook naar Ezinge  was er geen weg langs het maar, Wilde je die kant op, dan moest je over land langs de route die nu het Lucaspad heet, waarvan ik juist meende dat dat een recente uitvinding was. En omdat het Feerwerdermaar nog niet tot Ezinge doorliep, kon je Ezinge over water ook alleen maar via Aduarderzijl bereiken. Aduarderzijl vormde zo dus het centrum van de gemeente Ezinge, was de draaischijf waarlangs de dorpen van de gemeente elkaar bereiken konden.

Over het Feerwerdermaar liggen er in de dorpskern van Feerwerd maar liefst drie bruggen: één, de middelste, op de lokatie waar nu nog een brug ligt, en twee in de ossegang of ‘rondweg’ om de langwerpige wierde.

Dat het ooit één wierde is geweest, betwijfel ik. De noordelijke helft van de pindavorm, waar de kerk staat, heeft nog wel iets de van oorspronkelijk  radiale wierdestructuur, maar de zuidelijke helft, waar tot 1735 op de zuidoosthoek een klein borgje stond, helemaal niet. Hier lag wel opgeworpen grond, die later is afgegraven, maar de omstandigheden waaronder de bult ontstond waren iets anders, althans, dat doen de perceelgrenzen ter plaatse vermoeden.


Stad & Lande nummer 2 van 2010

Geplaatst op 16 juni 2010  SenL

Morgen of overmorgen ligt-ie bij alle abonneees in de bus, daarna begint de losse verkoop, zolang de voorraad strekt. Met dit keer stukken over:

  • De topaffiches van Fongers
  • Steur in de Hunze
  • Morrelen aan de muur vanaf het Martinikerkhof
  • De aanwinsten van het Groninger Museum in 2009

Stad & Lande nummer 2 van 2010

Geplaatst op 16 juni 2010  SenL

Morgen of overmorgen ligt-ie bij alle abonneees in de bus, daarna begint de losse verkoop, zolang de voorraad strekt. Met dit keer stukken over:

  • De topaffiches van Fongers
  • Steur in de Hunze
  • Morrelen aan de muur vanaf het Martinikerkhof
  • De aanwinsten van het Groninger Museum in 2009

Muntendammer bijnamen

Eerst de bijnaam, dan de reden:

  • Johannes Hoaze – had een hazelip
  • Lammert mit ’t voessie – gehandicapt aan zijn hand
  • Blaauwe Harm – vanwege een hartkwaal die zijn sporen in het gelaat naliet
  • Jan Kopzeerte – klaagde veel over hoofdpijn
  • Oarend Sterenkieker – met scheef hoofd en scheel
  • Verbrande Hinne – vanwege verbrande en misvormde vingers
  • Derk Snoef – om het snuifgeluid vanuit de keel
  • Jan Konde – wegens een geprononceerde derriëre
  • Annoa Boekje – voortdurend in verwachting
  • de Lekkertjes – familie die kadavers opgroef voor consumptie
  • Jochum Kwaalster – produceerde onsmakelijke geluiden bij het pruimen
  • Janna Moddevidee – omdat ze als kind ooit eens Montivideo zo verhaspelde
  • Kloas Beere – oud-berenleider
  • Johannes Plankje – timmerman
  • Heemskerck – om zijn hoge voorhoofd, naar minister Heemskerk die dat ook had
  • Annoa Stoetje – broodventster

“Het geven van bijnamen gebeurde te goeder trouw”, zegt Brinkman, die ze uit zijn geheugen noteerde: “Er was geen opzet tot krenking aanwezig, ook accepteerde het slachtoffer zonder protest de hem geschonken bijnaam, die dikwijls getuigt van geestigheid en echte volkshumor.”

Toch waren de ouderen die ik ooit voor de Oosterpoorter interviewde, altijd vrij huiverig om vroegere bijnamen van buurtgenoten uit hun herinnering op te halen. Dat moest maar niet, ook niet als ze de echte namen er van mij er niet bij hoefden te geven. Het was beter, dat die bijnamen voor eeuwig in vergetelheid bleven.

Bron: EFW Brinkman – Muntendam en de Muntendammers (Assen 1948) pag. 50 – 52


Souvenir aan een Pyrrhusoverwinning

Geplaatst op 11 juni 2010  a

De forse legpenning met de kop van de latere Willem II, geslagen bij de instelling van het Metalen Kruis in 1831. Waarschijnlijk is zij net als de militaire onderscheiding zelf gemaakt van het brons, verkregen door het smelten van drie kanonnen welke bij de Slag om Hasselt veroverd waren op het ‘muitziek Belgenrot’.

De penning schijnt vrij zeldzaam te zijn. Althans, op internet komt hij niet vaak voor. De enige vermelding waar je wat aan hebt is op een site van metaaldetector-liefhebbers.


Het raakvlak tussen liberalisme en fascisme

Geplaatst op 1 juni 2010  a

Boekito vond weer iets belangwekkends in zijn boekenberg: het Bulletin 1936 nummero 4 van de Sociaal Democratische Arbeiders Partij, afdeling Groningen. Het strooibiljet memoreert dat er op 6 september dat jaar bij de demonstraties in de verschillende steden voor het Plan van de Arbeid, maar liefst 173.600 mensen op de been waren.

De katholieken zouden volgens het pamflet “een even grote volksmenigte” kunnen mobiliseren. Daarentegen kreeg de NSB maar 30.000 mensen op de been. De bewering “Mussert wint” van die “dictator-in-zakformaat” was dus ronduit belachelijk. “Wij stellen cijfers tegenover bluf”, aldus de SDAP-afdeling Groningen. En dan komt het:

“Het kliekje van weggelopen liberalen, dat N.S.B. heet, tracht op hitleriaanse wijze het Nederlandse volk te overbluffen.”

Een kliekje weggelopen liberalen. Of dat nu een honderd procent juiste perceptie was, zult u mij niet horen beweren, maar er zat zeker wel ièts van waarheid in.

Zo deed er in 1922 een Bezuinigingspartij mee aan de Tweede Kamerverkiezingen. Deze kwam voort uit de Nederlandsche Bond van Belastingbetalers. Beide organisaties, die een achterban van ongeveer 10.000 mensen kenden, bepleitten een zeer kleine overheid en bestreden actief het socialisme.  Met zulke doelstellingen was de Bezuinigingspartij tamelijk liberaal zou je kunnen zeggen, maar in 1928 – en dat geeft dan voedsel aan de gedachte dat de Groninger SDAP er ook weer niet helemaal naast zat – ging de Bezuinigingspartij op in het fascistische Verbond van Nationalisten.

Liberalisme en fascisme lopen voor sommige mensen dus in elkaar over. Beide ideologieën hebben een raakvlak, altijd gehad ook.  De overeenkomst zit hem een op een bedje van rancune voortwoekerend, verwrongen, spijkerhard darwinisme, waarvan het de aanhangers volledig worst zal zijn of mensen kreperen. Bij voorkeur zijn dit minderheden. Maar als de zaken niet naar hun wens gaan, dan sleept dit soort mensvijanden liefst iedereen mee de hel in.


De wonderbaarlijke redding van een schippersknecht

Geplaatst op 30 mei 2010  redding

De Vriesche Courant van 10 september 1808 bevat een bericht uit Sappemeer over de daar toen juist overleden, ruim 98 jaar oud geworden oud-schipper Jacob Pals, “een Man, die in meer dan een opzigte merkwaardig was”. Naast de in zo’n geval gebruikelijke bijzonderheden over de stokoude grijsaard zijn gezegende gezondheid en uitgebreide nakomelingschap, bevat dit bericht ook een verhaal uit de tijd dat Pals nog een jonge schipper was, dus van omstreeks 1740 of nog eerder. In die tijd voer Pals eens met zijn snabbe (veenkoloniaal turfschip) en een sterke wind in de rug vanaf Amsterdam voorbij het eiland Marken, in de bedoeling om de Zuiderzee uit en buiten Friesland om naar Groningen te varen:

“Op de hoogte van Edam gekomen zynde, slaat de Fok, die te loefwaard uitstond, over, en zyn Knecht Garmt Everts, die zich voorop het Schip bevond, over boord, in Zee. Wind en golven, het ledige Vaartuig, gelyk een. blaas wegwerpende, was het den Schipper onmogelyk den ongelukkigen eenige hulp toe te brengen, en derhalve vond hy zich genoodzaakt, hem aan zyn rampzalig lot over te laten. 

Vervolgens Enkhuizen binnen gezeild zynde, vertelt hy aldaar het ongelukkig omkomen van zynen Knecht, en neemt iemand aan, om hem naar Groningen te helpen.

Eindelyk in het Reitdiep, op de hoogte van Garnwerd gekomen zynde, ziet hy van verre, met verwondering, op den dyk iemand naderen, die volmaakt op zyn verdronken Knecht gelykt. Hoe verder hy komt, des te grooter wordt de gelykenis en tevens zyne ontroering, want met de vooroordeelen van zynen tyd behebt, waande hy nu niets minder, dan de geest van zyn voormaligen Knecht te zien. Doch de woorden, “Verschrik je maar niet. Schipper!, ik ben uw oude Garmt”, verdreven weldra zyne dwaling. De Knecht – want deze was het werkelyk – aan boord gestapt zynde, deed toen het volgende verhaal van zyne zonderlinge redding;

“Zo dra ik my in Zee bevond, deed ik myn best om U achterna te zwemmen. Doch bemerkende, dat wy hoe langer hoe verder van elkander afraakten, en wel wetende , dat ik veel gemakkelyker tegens de Zee liggen konde , keerde ik my met het aangezicht naar het water, als wanneer ik heel gemakkelyk lag, en my volkomen verzekerd hield, dat God op de een of andere wyze noch wel uitkomst geven zoude. Na aldus een langen tyd gelegen te hebben, werd het Volk van een Edamsche Botschuit my gewaar, en poogde my te bergen; hetwelk ook gelukte; maar niet, dan nadat de Schuit nog eens over my heen geworpen, en ik, onder dezelve door gezwommen, by het loefwaardsche zwaard weer boven was gekomen. Men bracht my te Edam, alwaar men my als een wonder beschouwde, en alle vriendschap bewees. Een Schuit aldaar gereed liggende bragt my naar Groningen. By myn aankomst vernemende, dat gy noch niet aangekomen waart, en vertrouwende, dat gy wel schielyk zoud komen, wandelde ik U te gemoete.”

Men verlangt buiten twyffel te hooren, hoe lang deze Persoon in het water gelegen hebbe. Dezelve heeft altoos verklaart, dat hy, by het overstappen in de Botschuit gevraagd hebbende hoe laat het was, en daarvan onderrigt zynde, gezegd had: “Dan heb ik drie uuren in de Zee gelegen.”

Wy deelden deze Anecdote hier mede, eensdeels om ten bewyze te strekken van het dikwerf zonderling bestuur der Goddelyke Voorzienigheid in het bewaren van ’s menschen leven; anderdeels om de groote nuttig- en noodzakelykheid van de maar al te veel verwaarloosde Zwemkunst, door een nieuw krachtdadig voorbeeld te staven.”

Getuige Alle Groningers kwam Garmt Everts oorspronkelijk uit Noordhorn, waar hij in 1729 trouwde.


Waarom Groningen in Suriname Groningen heet

Onlangs vroeg iemand me, of ik wist waarom Groningen in Suriname Groningen heet.

Dat wist ik toen niet. Maar nu wel:

“De post Groningen, 8 uur ten westen van Paramaribo, is aldus genoemd geworden naar de geboorteplaats van den gouverneur-Generaal Jan Gerhard Wichers, onder wiens regering dezelve in het jaar 1790 aangelegd werd.”

Bron: Overijsselsche Courant 8 december 1843 (Kolonisatie in Nederlands Guiana).


Alroentjes

Geplaatst op 25 mei 2010  a

“Overblijfselen van het voorvaderlijke heidendom: Alroentjes. In de provincie Groningen wordt meermalen door boerinnen, in het kabinet en bij het linnengoed, bewaard een zeer klein overgeërfd vrouwelijk beeldje, gewoonlijk alroentje genoemd, hetgeen voor haar een zinnebeeld is van voorspoed en rijkdom. Het is klaarblijkelijk de Godin Alruna, in de Noordsche mythologie genoeg bekend. Zijn er in ons vaderland nog elders sporen van bijgeloovigen eerbied voor vroegere Goden of Godinnen?  J.R. te L.”

Uit De Navorscher 1852, pag 182/183.

Ik denk niet dat deze Groninger boerinnen zich bewust waren van enigerlei heidense connotaties. Wel zal het medio negentiende eeuw als een bijgeloof hebben gegolden, waarmee je niet te koop liep.

Onder voorspoed en rijkdom moeten we waarschijnlijk vooral vruchtbaarheid verstaan. Dat is namelijk de functie, die alruin ook nu nog toegekend krijgt door mensen die vatbaar zijn voor dit soort zaken.


“Die vast aan de krant gelooft, is van ’t verstand beroofd”

Het lied ‘Courant of Mond Gevegt’ staat in de bundelHet nieuw, klugtig en zeer aangenaam zingende melk-meisje, of de vermakelyke turf-trapster‘, die in 1816 te Amsterdam verscheen. Maar getuige de verwijzingen naar de Slag bij Breslau (1757) en de Koningin van Hongarije werd de tekst in de Zevenjarige Oorlog (tot 1763) geschreven. Hij vormt daarmee een bewijs, dat de correspondentie van de verschillende hoven en oorlogsfronten in de diverse kranten intens werd gelezen en bediscussieerd, vooral ook in de kroeg. Maar volgens de auteur moest men die brieven ook met een korrel zout nemen. De vele mensen die er hun oren naar lieten hangen en zich door kranten tot verregaande partijdigheid lieten verleiden, waren in zijn ogen maar zotten die menigmaal de eer van vorsten schonden. En met zulke waarschuwingen vormt zijn lied een vroege proeve van media wisdom.

“Wat hoort men in ons Land
Een Mondgevegt uit de Courant,
het meest is wat men praat,
hoe ’t met den oorlog gaat.
Het scheind wel een geleerden Man,
Die maar de Crant goet lezen kan,
en als men ’t wel verzind,
is ’t meestendeel maar wind.

Die veel uit Cranten praat,
het meest met leugens ommegaat.
En meenig begrijpt het niet,
hetgeen de Crant vediet.
Een lompert die veel distrueert,
zy vat de Crant zomtijd verkeert,
nog wil hy in de schijn
de wijste zijn.

‘k Sag er laast twee loopen rad,
Gelijk als Gekken door de stad,
Sy zogten een Na Courant,
om tyding uit Duitschland,
die dat daar de Slag gewonnen had,
al voor Breslau die schoone Stad.
De Crand gaf tot hun spijt
geen regt bescheit.

Die vast aan de Crand gelooft
is zeker van ”t Verstant berooft,
hy volgt de Sanger naar,
en meld leugens en waar,
daar die wil weeten regt bescheid,
vervoegt hem selfs na den strijd,
en helpt wie hy is gezind,
als een trouw vriend.

Hier vegt men met de mond,
als Mavors knegten in het rond,
daar daar ’t gaat pief, pof, paf,
blijft men van af.
Al weer wat nieuws en de Courand,
daar is een Engelsche vloot geland,
leest de Londonze brieven maar,
is kool of waar?

Leest de brieven uit Parijs,
daar wind Frankrijk ter zee een prijs,
verlies dat schrapt men uit,
men schrijft daar al van buit,
en eenen houd het voor parool,
en ander zegt ’t is Fransche kool.
Dan gaat het Crantgevegt weer aan,
van Leeuw en Haan.

Leest de Brabandze Courand,
daar is victory in het Land
van de Ongaarsche koningin
haar overgroot gewin,
daar is de Pruis geheel te niet.
Als men Berlijnsche brieven ziet
dan is hy weer te veld,
dien dapperen held.

En leest men de brieven naar
al van de Rus of Saer,
daar vind men de schelmery
en roof van alle zij,
daar komt de Turk op de been,
den Pruis trekt door Morave heen,
om Zweden te houden staan,
hoe zal dat gaan?

Wat drie maal de Courant vermeld,
dat word voor vast verteld,
al is het by geval,
dat nog geschieden zal.
Daarover maakt men hier krakeel,
’t is waar of niet, ‘k zie het meestendeel
voor groten geklien aan
die ’t niet aangaan.

Het meeste courant gevegt
geschied daar men ’t eerste zegd
“Sa hospes of waardin,
kom schenk eens een Glaasje in”.
God Bagchus die is Generaal
van deze helden altemaal,
die voert aan den strijd
in korten tijd.

Den eenen die is voor den Frans,
den anderen op de Pruis zijn hand,
het best is dat er word
geen bloed gestort.
Sy gebruiken ook geen schietgeweer,
maar gaan malkaar met ’t Glas tekeer.
“Slaa dood maakt geweld”,
roept Bagchus held.

‘k Kwam laast by een gelag,
alwaar ik hoorden en bezag
hoe men met glasgeweer
elkanderen ging tekeer.
De kogels van Schiedam
– den waard men voor konstapel nam –
die vuurden in het rond
op Bagchus frond.

Sy vogten uit de Crant  zoo lank
tot daar een rolde van de bank
sijn Neus aan een Glas gekwest.
Doe dogt ik op het lest:
Hiervan zoo dient een Lied gemaakt,
dat al de Courant windvegters raakt,
opdat zy geen vorsten meer,
schenden haar eer.”


Verkeersborden, zoals ze medio jaren dertig ingevoerd zijn

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Napoleonjochie

Geplaatst op 11 mei 2010  a

Op zoek naar historisch verantwoorde Napoleonplaatjes, kwam deze voorbij.

Je staat trouwens versteld van wat er niet allemaal Napoleon heet: katten, honden, konijnen, vissen. Over de werkelijke Napoleon gaat maar een fractie van de plaatjes, meestal overbekende kost.


Westerwoldse woningtoestanden

Geplaatst op 10 mei 2010  a

Ik ontdek net dat ook het Openluchtmuseum een collectie foto’s van dokter Middendorp op zijn website heeft staan. Bekend is natuurlijk allang de website met een collectie Middendorpfoto’s in Groningerland.

Beide verzamelingen hebben hetzelfde onderwerp: Westerwoldse woningtoestanden, voornamelijk vlak voor en in de beginjaren van de Eerste Wereldoorlog. Ik zag wel wat doublures, maar niet veel. Getuige reacties op de Groninger site, duiken zo links en rechts ook nog wel eens foto’s van Middendorp op.

Ik heb nog even gekeken in de bibliotheek-catalogi van de UB en Groninger Archieven, maar er schijnt geen boek te zijn met de foto’s van Middendorp. Alleen een catalogus van een tentoonstelling in 1990, maar die telt slechts vier pagina’s. Niet echt veel voor een fotograaf, wiens naam verbonden is aan een tweejaarlijkse fotografie-opdracht van de provincie Groningen.

Het gemis van een Middendorp-boek prangt des te meer nu er over Jacob Molenhuis van Kruisweg wèl zo’n boek is. Molenhuis maakte portretten, die best genadeloos kunnen zijn, maar die meestal in een soort van studio tot stand kwamen. Bij Molenhuis zijn de mensen uit hun context gelicht, bij Middendorp verkeren ze er middenin. Vandaar dat ik aan een boek over Middendorp de voorkeur zou geven.


Ellende zonder einde – drost Wichers en de Maartensvloed (I)

Alsof drost Wichers, de zetbaas van de stad in het Oldambt, het al niet druk genoeg had met het opeisen van schepen voor reddingstochten, het regelen van humanitaire hulp en het sussen van allerlei onvrede, moest hij zich ook nog eens bezig gaan houden met plunderaars. De man kwam tijd tekort. Daarom zijn ze steeds in haast, of zelfs in allerijl geschreven, zijn brieven over de Maartensvloed.

Op 14 november 1686, ’s morgens heel vroeg, stuurde hij zijn eerste rapport naar het stadsbestuur:

“Edele Moogende Heeren

Mijn Heeren

De overgroote storm die eergisteren avondt naedat ick even van de dijckschouw waer te huis gekoomen, heeft het Oldampt  in een seer desolate staat gestelt en het landt soodanich doen inundeeren dat den landen voor mijn huis wel drie à vier voeten hebben onder water gestaen. En in cas het treckpadt niet was doorgebrooken soude in de huisen geraeckt hebben.”

Het trekpad lag op het dijkje langs het Winschoterdiep, waarin, na de doorbraak, een deel van het water gelukkigerwijs weg kon vloeien. Volgens Wichers’ knecht, die ’s nachts bleef waken bij de huizen, was er sprake geweest van eb en vloed. Er stond dus drie à  vier voet, dat is 90 à  120 centimeter water op de lager gelegen landerijen. Inmiddels was dat water alweer een 30 à  60 centimeter gezakt, maar het land in de omgeving van de drostenborg tussen Zuidbroek en Noordbroek stond op het moment van schrijven dus nog wel blank. En goed ook.

In Zuidbroek kwamen vele losse goederen, dood vee en hooiblokken aandrijven. Maar ook waren er al drie dode vrouwen en een kind opgevist. Verbazingwekkende zaken deden zich voor:

“…tot Noortbroeck bij de tille nae de Scheemda an, is een man van het Siddebuirster Oostwolt met sijn huissien koomen andrijven en levendich gesalveert, gelijck oock bij het tolheck tussen Zuitbroek en de Scheemda een huis met man vrouwe en soone van Wagenborgen koomen andrijven, waer van de laetste door het omvallen van het huis bij het treckpadt onder het goet is doot gevallen, doch man en vrouw levendich in het tolheck gebracht.”

Wichers wilde het stadsbestuur niet ophouden met al te veel details, anders kon hij wel bezig blijven,

“dewijl de veelheijt der elenden  van grooten getalle zijn”.

Alleen gaf hij door dat hij alle turfpramen van Sappemeer en Wildervank had doen pressen (vorderen),

“…om de in watersnoot noch levende mensen en vee uit hare huisen te redden die, soo als nu in de vroege morgen bericht ben, in het vallen van den avondt lakens hebben uitgesteeken. Hebbe oock redes tot Noortbroeck, Zuitbroek en sal soo doenlijck in de Scheemda  de caspels in kluften doen verdeelen en over jeder een à  twee stellen ten eijnde het goet niet versleept  of gestoolen, maer ten dienste van de overgeblevene elendigen gesalveert werden.”

Hij was dus meteen al beducht voor plundering, vandaar dat hij in Noordbroek en Zuidbroek mannen liet aanstellen, die dat moesten voorkomen. In het wat moeilijker bereikbare Scheemda zou hij dat zo gauw mogelijk laten doen. Intussen waren er in Zuidbroek al waardepapieren uit Oterdum of Wagenborgen gevonden, maar waar het water  vandaan kwam kon Wichers de heren nog niet zeggen.

Wordt vervolgd


Een zeehond bij Zuidbroek (1770)

Aan het slot van een beschouwing over zeevis (bijvoorbeeld zalm) in de diepen van de stad Groningen merkt de hoogleraar geneeskunde Van Doeveren op:

“Dus zal het ook minder verwonderlyk schynen, (’t welk ik ter aandenking van  dat voorval hier melde) hoe hier zeer onlangs ook een zeehond aangekomen is, welke den 5 Septemb. van dit jaar 1770, in de vaart tusschen Sappemeer en Zuidbroek omzwemmende doodgeschooten, en van my en veele anderen in deeze stad gezien is.”

Bron: W. van Doeveren,  Academische redevoering over de gunstige gesteldheid van Groningen voor de gezondheid, afteleiden uit de natuurlyke historie der stad (Groningen 1771) de noot op pag. 38.