Het Dierenboek van Jonston, een dure liefhebberij

Geplaatst op 26 april 2010  dierenboek

Op de zaal Oude Kostbare Werken van de Groninger Universiteitsbibliotheek mag je tegenwoordig fotograferen, ontdekte ik vanochtend. Een paar jaar geleden was dat nog niet zo. Zoals medewerker Tonnis Musschenga, de man van de Boukenhouk zei, waren ook hier de panelen aan het verschuiven. Wel moet je eerst een aanvraagformulier voor het maken van eigen opnames invullen. Bovendien zijn die opnames slechts toegestaan voor eigen gebruik. Wil je ze publiceren, dan moet je nog weer apart om toestemming vragen.

Helaas had ik mijn camera niet bij me. Ik was er voor het eerst sinds een lange tijd weer even, om historische plaatjes te zoeken voor een verhaal over steur in de Hunze. Het mooiste trof ik aan in een overzichtswerk van de Schotse Pool Johannes Jonston (1603-1675), met de titel: Naeukeurige beschryving van de natuur der vier-voetige dieren, vissen en bloedlooze waterdieren, vogelen, kronkel-dieren, slangen en draken (1660).

Als ik vanavond op de auteur en de titel googel, om te kijken of het werk misschien op het web staat, merk ik dat het waarschijnlijk het duurste boek was, dat ik ooit van mijn leven in handen heb gehad. Antiquariaat Forum in Houten vraagt er 15.000 euro voor, terwijl Rare Fishbooks in Amsterdam er 12.900 euro voor wil hebben.

Het boek zelf staat niet op internet, maar links en rechts vind je er wel wat plaatjes die er uit afkomstig zijn, Bijvoorbeeld op de site van een Japanse Bibliotheek, omdat het boek het eerste grote overzicht was van Europese, Afrikaanse en Amerikaanse fauna, dat in Japan verscheen. In Japan woont ook een particuliere liefhebber. Maar aangezien Jonston tevens fabeldieren in zijn werk opnam, voelen fans van bijvoorbeeld eenhoorns zich er eveneens toe aangetrokken.


Paal en perk aan de ganzen in het Oldambt (1685)

Opnamedatum: 27-02-2008

“Gehoort het rapport van d’ E.E. Heer Presiderende Borgem[eeste]r Van Julsingha en syn Ed[el]h[eids] Assess[oren] dewelcke volgens apostille commissoriael gegeven op de remonstrance van de Ingesetenen en Interesseerden van Nieuwolda, Oostwoldt, Scheemder Hamrick en Wagenborgen hadden gebesoigneert en de Remonstran[ten] mondeling verstaen over derselven klaghten en doleances raeckende het groot getal van gansen, dewelcke van verscheiden particuliere huislieden te lande worden gehouden, waerdoor het gewas wierde afgegeten, en de Landen bedorven en onbequaem gemaeckt om vrughten te konnen draegen,
Om welcke voor te comen gaven welgem[elde] HH Gecommitt[eerden] in bedencken, of niet generalyck behoorde te worden verboden, dat niemant enige gansen soude mogen houden, tenwaer hij sestien deimbten landts in eigendom, possessie of gebruick was hebbende, en dat die geene dewelcke alsoo begoedt waeren, of meerder deimbten landts in eigendom hadden, possideerden of gebruickten, niet meer als een oude gent en twee geusen souden mogen houden, en geobligeert sijn deselve te korten of te knuijven, en op sijn eigen landen te weiden en waeren, dat voorts an jeder eigenaer of gebruicker behoorde te worden toegestaen om de vreemde ganssen, soo hij op sijn landt quam vinden weiden, vrijelijck te mogen dootslaen, sonder de minste breucke, En dat de eigenaers van sodane gansen daerenboven geholden souden sijn, om tot taxatie van d’Heer Drost de schade van gem[elde] gansen veroorsaeckt, te vergoeden, en te betalen,
Waer Over gedelibereert sijnde Hebbend’ HH Borgem[eesteren] en Raedt welgem[elde] Heeren Gecommitt[eerden] voor haer genomen moeite bedanckende sigh het gerapporteerde laten welgevallen, ende respective Ingesetenen en Intresseerden te lande geordonneert, om sigh hier nae sticteliyck te reguleren, sullende desen tot dien eijnde van de predighstoel in voorschr[even] Carspelen worden afgekundight, en geaffigeert.”

Aldus besloot het Groninger stadsbestuur op 13 maart 1685. Met andere woorden: voortaasn mochten alleen die mensen nog ganzen houden, die minstens 16 deimt (ruim zeven hectare) land in eigendom of gebruik hadden. En dan mocht het nog maar gaan om maximaal één volwassen mannetjesgans en twee vrouwtjes, die gekortwiekt moesten zijn, en op het eigen land moesten blijven. Mensen mochten vreemde ganzen op hun land doodslaan, zonder dat daar enigerlei boete op stond. Lieden wier ganzen op andermans land kwamen moesten de schade vergoeden, dit na een schatting van die schade door de Drost, de zetbaas van de stad in het Oldambt.

De maatregel werd in elk geval geafficheerd in, maar ook afgekondigd van de kansels te Nieuwolda, Oostwold, Nieuw Scheemda en Wagenborgen, waar bewoners nogal hadden geklaagd over het grote aantal ganzen dat sommige boeren hielden, waardoor het land kaal werd gevreten.


Hulpkist Wielrijdersbond, uitsluitend voor leden

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Circa 1900, 1910. Gezien bij het Cultuurhistorisch Centrum Oldambt.

 


Oldambster slaapbol bleek effectief

Geplaatst op 19 april 2010  a

Bron: Gratis Advertentieblad 15 september 1916


Aarbaaidersvraauw en heur bloumen

“Dit binnen wonderbloaden, dat is zoo goud veur zinkens….
Kiek, hier stoan ’n boske noakende wiefkes, ’n krolgeellelie, ’n bloumke-veur-blad, ’n poaskebloum, ’n vejooltje, ’n tulitoan en ’n oafrikoan en ’n gòldjebloum en aailoof tegen muur op. Moar nou is ’t ook net zoo vol as ’t moar immer ken, moar hou mooi dat ’t liekt, dat kenst zulf zain.
Nou, en veur mien baaide vensters heb ‘k ’n moanrooske, ’n fòksioa, ’n groanium, ’n muskes ….”

Mevrouw T. de Haas-Okken over de periode van ca 1870, zoals geciteerd in haar Levensbericht.

NB:
zinkens = soort koorts
noakende wiefkes = sneeuwklokjes
’n bloumke-veur-blad = winterjasmijn;
poaskebloum = narcis
tulitoan = soort Afrikaantje
aailoof = klimop


Een ton “op de steert van Babbelaar”

Het bestek uit 1802 van de kapen op Engelsmanplaat blijkt nog in copie aanwezig in de Groninger Archieven. Het ging in beide gevallen om een zeskant met een doorsnee van 30 voet (9 meter) en een centraal geplaatste makelaar van 53 voet (bijna 16 meter) hoog. De zware delen waren van alle Drents, Westfaals of Hamburgs eikenhout, de secundaire van grenen uit het Oostzeegebied. Mogelijk is er ook nog een tekening in het archief van het toenmalige ministerie van marine. Dan staat helemaal niets meer het maken van een replica in de weg.

Intussen ook nog snel even de rekeningen van de tonneboeier doorgeneusd. Hij probeerde nogal eens extra te vangen voor werk waarvoor hij al betaald kreeg. Zo declareerde hij 15 dagen met zijn knecht en zijn zoons schip “tot het herstellen van de kaap op de Engelsmans plaat” in zijn rekening over 1763. Ook bracht hij in 1765 het uitpeilen van twee “deurgescheurde zeegaten” in rekening, met als motivering dat hij wilde uitzoeken “of daar een van de twee bequaam zoude weezen tot dienst van de navigatie”. De rekenkamer trapte er niet in, en schrapte de posten.

Overigens moest de tonneboeier vrij vaak op zoek naar afgedwaalde tonnen, zoals onder meer blijkt uit zijn rekening over 1777:

“Uit order van UWEdMog twee tonnen opgenomeen, door het oversmyten der gronden zijnde wel 300 treden overgesmeeten dezelve weer op haar plaatzen gelegt daar ze behoorden te leggen, als de Een op de Steert van Babbelaar ende ander tegen over Oostmahorn”

Plekken waar de tonneboeier weggedreven tonnen vandaan haalde (voor zover de plaatsen worden genoemd) betroffen 12 maal een oostelijke bestemming en 7 maal een zuidelijke:

– Schiermonnikoog 7 x
– Borkum 2 x
– Oosteind Schiermonnikoog omtrent “Simens Zandt” 2 x
– Emden 1 x

– Peesums/Peesens 4 x
– Zoutkamp 2 x
– Uit zee bij de Lauwers 1 x

Wat natuurlijk wel iets zegt over de heersende stromingen. Opvallend is dat de de oostelijke ‘bestemmingen’ vooral in het begin van het rekeningenboek voorkomen en de zuidelijke pas later opduiken (de scheiding ligt zo ongeveer tussen 1770, 1780).


De zomer van ‘Het Jaar zonder Zomer’

De IJslands vulkaan met zijn enorme pluim die ons vliegverkeer lamlegt deed me denken aan de uitbarsting van de Tambora in april 1815, die van 1816 “het jaar zonder zomer” maakte. Maar toen ik op zoek naar sensationele verhalen eens in mijn notities van de Groninger Courant ging kijken bleek die zomer eigenlijk een heel gewone:

30 april
Veiling op de Grote Markt van onder andere vinkenetten.

30 april
Boeldag te Annerveen van de spullen die wijlen L. Grevyling naliet. Het betreft onder meer landmeetkundige instrumenten en astrolabiums

3 mei
Op de meikermis: Blondin en zijn troep van 26 kunst-paardrijders. Zij traden eerder op voor de Koning van Pruissen en maakten furore in onze hoofdstad Brussel.
Een latere advertentie (14 mei) rept van een steltendans, een pyramide te paard, een triomfpoort en vuurwerk. Tussendoor is er een komieke scène door Mme. Mango. Nog weer later (24 mei) is Blondin bezig met een trampoline en doet er een vuurspuwer mee. Blondin logeert in het Herenlogement aan de Brugstraat.

7 mei
Overleden G.C. Gockinga, oud-resident van Cheribon.

7 mei
Op de meikermis: Peyac, de weerglasmaker van de koning van Spanje.
Uit een latere advertentie (17 mei) blijkt dat hij van alles van glas maakt.

14 mei
Bij Hindrik Filippus te Scheemda: (Oldambster) knolselderijplanten, klaar om te verpoten

21 mei
Met permissie van de Schout van Haren organiseert de herbergier.Jan Folkers de Vries te Harenermolen op 23 mei een papegaaischieterij met aanzienlijke prijzen.

24 mei
Op de Jaarmarkt van Dokkum zullen geen ryfelaars, bedelaars en hazardspelen worden toegelaten. Wel is er traditiegetrouw de hardddraverij.

14 juni
Aankondiging harddraverijen te Ten Boer en Onderdendam

18 juni
Er waarde een wolf rond bij Namen.

18 juni
Herberg De Eerste Nadorst, ook wel De Koekkoek genaamd, heeft een nieuwe eigenaar: Jacob Eldercamp.

21 juni
Aankondiging harddraverij te Kollum

2 juli
Aankondiging harddraverij voor Welgelegen buiten de Boteringepoort van Groningen.

2 juli
E.J. Tiiddens in de Stadtlander buiten de Herepoort is te weten gekomen dat vele ingezetenen dezer stad menen dat hij een sociëteit houdt. Dat is niet zo, het is een publiek toegankelijk wijn- en koffiehuis.

16 juli
De eerste nieuwe haring van dit jaar.

26 juli
Duivenrace Londen – Antwerpen.

26 juli
Groenhoff te Sappemeer: rode bessengelei en “Conserf van Flier”.

30 juli
Een Italiaanse astroloog voorspelt het einde van de wereld.

6 augustus
Overvloedige graanoogst bij de Zwarte Zee

9 augustus
Waarschuwing tegen vuur in het bos en het afbranden van heide.

13 augustus
In Duitsland dreigt hongersnood door een tegenvallende aardappeloogst.

13 augustus
Teunis Luurts in De Zon aan de Turfsingel neemt fatsoenlijke arbeidslui in de kost. Het middageten kost er 6 stuivers per persoon.

20 augustus
Op de verjaardag van de koning is er een harddraverij om een gouden zweep buiten de Ebbingepoort. Bovendien wordt er gedanst in de Unie.

3 september
De vlekken van de zon zijn verdwenen.

13 september
Uit de hand te koop: een zonnewijzer met een pedestal. We gading maakt vervoege zich bij drukker dezes.

20 september
Met permissie van het stadsbestuur houdt E.J. Tiddens op woensdag 25 september om 10 uur ’s avonds een groot vauxhall in de Stadtlander. De gehele tuin wordt briljant geïlumineerd. Er is Turkse veldmuziek en een goede directie. Zie ook 24 september: de Herepoort is de hele nacht open tegen een stuiver per persoon poortgeld.


Brommer-, motor- en auto-acroniemen anders verklaard

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Henk Scholte bracht vanmiddag een lang vergeten staaltje volkscultuur in herinnering: de alternatieve verklaringen voor allerlei uit afkortingen bestaande merknamen, waarmee (adspirant-) auto-, motor- en brommerbezitters elkaar goedmoedig plaagden:

ARIEL – Alles Rammelt In Eens Los
BMW – Berend Mout Weg
BSA – Berend Stöt Aan
DAF – Duwen Anders Fietsen
DKW – Duutse Kinder Woagen, of: Dit Kreng Waaigert
NSU – Nait Sneller Uutvonden
RAP – Rotterdams Afval Produkt

Weet u er nog meer misschien? Uw bijdrage is van harte welkom bij de reacties!


Beknopte geschiedenis van Rottumeroog (1794)

“Het eiland Rottumer-Oog. Dit zal anderhalf uur in den omtrek hebben, en wordt nog door eenige duinen beschermd. Aan de oostzyde wint het wel iets, doch daartegen verliest het sterker aan de westzyde, en moet tegen den slag des waters met rys en andere schutwerken gehouden worden.

In voorige tyden behoorde het voor twee derde aan het klooster te Rottum, en voor eenderde aan het oude klooster in de Marne. Na de Reductie (het terugbrengen van Groningen tot de Republiek in 1594 HP) is het door de Staaten van dit gewest in beslag genomen; doch de klauwgenooten van den regtstoel te Warffum en de Breede beweerden, dat het eiland onder hen behoorde, dan by vonnis van de Hoofdmannenkamer is den 10 Novemb. 1642 het regtsgebied aan Heeren Gedeputeerde Staaten toegekend, en by revis op den 25 Jan. 1654 ook het strandregt.

Ten jaare 1659 verkogt de Provincie het geheele eiland met het daarop staande huis, en alle de geregtigheden aan de Heeren Schotto Tamminga, A. Huinga, Alje Bajes, en Hero Luitjen Jans voor zevenduizend driehonderd en tien gulden, onder voorwaarde egter van te blyven onder de souverainiteit van dit gewest. Van den Heer Tamminga, zyne deelgenooten uitgekogt hebbende, kwam het eiland in 1669 op den Heer Johan Tamminga, en van dien vervolgens in 1675 op den Heer Rudolf Sickinghe, en Vrouwe Amelia Clant, welke vrouwe in 1686 de andere helft mede aankogt.

Door haare erfgenaamen wierd het in 1695 in. koop overgedragen aan de Heeren Louis Trip van Warfumborg, en Michiel. van Bolhuis; en door derzelver erven ten jaare 1707 aan den Graaf van Clancarty, die, als een yverig Jacobiet en gewezen Kamerheer van den Koning Jacobus den II, om de onlusten naderhand over den Pretendent gerezen, uit Groot Britanien gevlugt was. Deeze heeft er in 1728 nog gewoond, maar kort daarna verkogt hy het eiland aan Pieter Pive, koopman te Dokkum; welks weduwe in 1735 drie vierde van Rottumeroog verhandelde aan de Heeren Jarich Georg van Burmania, Gnetman van Oost-Dongerdeel, den Burgemeester Timotius Heringa, en den Notaris Jan Suiderbaan voor ƒ 3459-9-0..

Edoch de Heeren Staaten deezer Provincie, by een besluit vari den 12 Juni 1738, het raadzaamste geoordeeld hebbende dit eiland weder aan zig in eigendom te brengen, is het daarop van die Friesche deelgenooten aangekogt voor ƒ 4612-12-0. Van dien tyd af is het tot heden onder het bewind gebleven van Heeren Gedeputeerde Staaten, die het door eenen strandwaarder onder den naam van Voogd laaten administreeren; en denzelven tot steun toegevoegd hebben twee uit de militaire geappointeerden, die te zamen in het enige huis, door de Provincie tot dat einde gestigt, woonen.”

Uit de Tegenwoordige Staat van Stad & Lande (1794)


Beatkanarie

Naar aanleiding van het logje over de grote kanarietentoonstelling stuurde een trouwe lezer mij deze foto:

Geplaatst op 8 april 2010  kanarie

Het betreft een kanarie die medio jaren zestig veel gekweekt werd. Het beestje floot graag mee met de plaatjes, gedraaid op de zeezender Veronica.


Buurt, gehucht, dorp, vlek of stad

Geplaatst op 2 april 2010  a

Wat mij altijd gefascineerd heeft aan de plaatsbeschrijvingen in de Tegenwoordige Staat van Stad & Lande (1794), is de manier waarop nederzettingen gekarakteriseerd worden. Op het eerste gezicht kan je er heel gemakkelijk de indruk door krijgen, dat de auteur tamelijk systematisch en precies was in het toekennen van predikaten als buurt, gehucht, dorp, vlek of stad en dat betitelingen als klein, groot, aanzienlijk en volkrijk samenhangen met de werkelijke aantallen inwoners. Maar is dat wel zo?

Uit de Tegenwoodige Staat heb ik al dit soort karakteriseringen gehaald, en bij de gekarakteriseerde nederzettingen de aantallen inwoners gezocht, zoals die bij de volkstelling van 1795 geconstateerd zijn. Vervolgens heb ik de predikaten gegroepeerd. In bovenstaande grafiek staan ze op een rijtje met in blauw het kleinste bevolkingsaantal, en in geel het grootste bevolkingsaantal dat bij zo’n predikaat hoort. In één oogopslag kan je zo zien dat categorieën elkaar niet uitsluiten, maar overlappen. Doezum in het Westerkwartier heet bijvoorbeeld “een klein dorp” in de Tegenwoordige Staat, en Grijpskerk, een eindje verderop, “zeer aanzienlijk en volkrijk”. Terwijl Doezum 436 bewoners telt en Grijpskerk slechts 372. Dat Grijpskerk er dan toch beter afkomt, zal liggen aan de indruk die het gaf – de nederzetting was veel compacter dan Doezum

Even alle categorieën bijlangs.

Een buurt is in de Tegenwoordige Staat een bevolkingsconcentratie zonder kerk, die bij een grotere nederzetting met kerk hoort. Veel buurten zijn zo klein, dat hun bevolking in het rapport van de Volkstelling niet eens apart vermeld staan. Dit geldt voor Hardeweer (bij Ezinge), Pieterzijl (bij Grijpskerk), Houwerzijl (bij Niekerk) en Den Hoorn (bij Wehe),  maar ook voor Onderdendam. Want hoewel dat in de Tegenwoordige Staat nog te boek staat als volkrijk, valt het bij de volkstelling onder het kleinere Menkeweer. Waar de volkstelling wèl aantallen bewoners noemt voor buurten, lopen die uiteen van 109 voor Borgsweer (bij Termunten), tot 1035 voor Muntendam (bij Zuidbroek), dat in de Tegenwoodige Staat dan ook het predikaat “zeer grote buurt” kreeg. Tussen die uitersten zit onder andere Helpman bij de stad Groningen, met 418 inwoners.

Gehucht is een predikaat dat weinig voorkomt in de Tegenwoordige Staat. Toornwerd bij Middelstum geldt als zodanig, met zijn 120 inwoners. Van weinig aanbelang is ook Fransum (tussen Aduard en Ezinge) met zijn 127 inwoners. Overigens waren dat er veel meer dan het er nu zijn, iets wat voor meer Ommelander buitendorpjes geldt. Sommige nederzettingen kennen daar al krimp vanaf de volle Middeleeuwen, toen deze Friese kleistreken de dichtstbevolkte regio van de noordelijke Nederlanden waren.

Als een zeer gering dorp staan te boek nederzettingen als Ranum, Dorkwerd, Den Ham en Harkstede. De bandbreedte qua bewonersaantal loopt van 53 (Ranum) tot 324 (Harkstede). Aangezien Toornwerd als gehucht binnen deze bandbreedte valt, zijn de predikaten gehucht en zeer gering dorp eigenlijk inwisselbaar.

Ook de meeste dorpen die klein of gering worden genoemd vallen binnen deze range. Oostum met zijn 63 bewoners had net zo goed gehucht of zeer gering dorp kunnen heten en dat geldt evenzeer voor bijvoorbeeld Westerdijkshorn (89), Krewerd (95), Garrelsweer (99), Eenum (125), Eppenhuizen (126), Mensingeweer (150), Oosternieland (174), Noordwolde (198), Huizinge (209), Feerwerd (231), Rottum (238), Garsthuizen (257), Thesinge (260) en Den Andel (322). Het verschil tussen zeer gering en gewoon gering of klein dorp wordt alleen maar gemaakt door Garmerwolde (356), Hellum (362), Kolham (388), Woltersum (430), Doezum (436) en Pieterburen (482)

Juist de dorpen die het verschil maken tussen zeer gering en gering of klein hadden qua bevolkingsaantal ook net zo goed groot of tamelijk groot genoemd kunnen worden. Hiervan loopt de bandbreedte namelijk van 287 (Eenrum) tot 945 (Bedum), waarbij Wehe (327), Ezinge (416) en Zuidhorn (585) binnen deze range vallen. Zoals gezegd is het predikaat dan niet zozeer toe te schrijven aan het bevolkingsaantal, als wel aan de compacte vorm van deze dorpen, die met hun aaneengesloten kernen verzorgingscentra waren voor een wijdere omgeving.

Tussen zeer groot of aanzienlijk dorp enerzijds en klein of gering dorp anderzijds bestaat er minder overlap. Kantens (368) is als aanzienlijk geboekstaafd, maar had net zo goed in die mindere categorie kunnen vallen. Afgezien van Kantens loopt de grootte van aanzienlijke dorpen uiteen van 501 (Visvliet) tot 1423 (Bellingwolde). Binnen deze bandbreedte vallen Stedum (512), Niehove (519), Middelstum (583), Vlagtwedde (661), Eenrum (768), Uskwert (771), Warffum (819), ’t Zandt (833) en Uithuizen (1249). Naast het feit dat dit verzorgingscentra zijn met veel middenstand en arbeiders, speelt bij het toekennen van het predikaat “aanzienlijk” wellicht ook de aanwezigheid van een bewoonde borg een rol.

Met de betiteling als volkrijk, komen voor het eerst flink wat nederzettingen in de Oost-Groninger stadsjurisdicties in beeld. Opvallend is dat de kleinste als zodanig betitelde dorpen nog in de Ommelanden liggen en net zo goed onder een vorige categorie hadden kunnen vallen. Dit zijn: Aduard (360), Grijpskerk (372), Winsum (543), Leens (644) en Loppersum (969). Ook voor het Gorechter Haren (902) en de Oldambster kerspelen Midwolda (1159), Beerta (1176) en Noordbroek (1262) gaat dit op. De plaatsen die pas echt volkrijk genoemd mogen worden, waren veenkoloniën zoals Sappemeer (2077 ), Wildervank (2720) en Veendam (5479).

Dan het predikaat vlek, wat een enigszins vage aanduideling is voor een groot dorp, waarbij je ook letterlijk een inktvlek voor ogen mag hebben: met dichte kern en daarbuiten steeds lossere en kleinere spetters. Verrassend is misschien dat Scheemda met zijn 762 inwoners “de gedaante van een vlek” heeft. Maar in de achttiende eeuw is dit dorp met zijn eigenerfden-elite een secundair centrum voor het Oldambt. Over Appingedam zegt de Tegenwoordige Staat dat het “de gedaante eener stad of groot vlek” heeft, en ook dat het na Groningen “de volkrijkste” plaats van Stad & Lande is. Maar dat laatste moet op een vergissing berusten, aangezien Appingedam bij de volkstelling van een jaar later slechts 1595 inwoners telt, terwijl de bovengenoemde veenkoloniën er beduidend meer hebben. Dat geldt overigens ook voor “het zeer grote vlek” Winschoten (1952 inwoners), dat pas in de loop van negentiende eeuw een echte stad is geworden met niet alleen een aaneengesloten kern, maar ook – vanaf ca. 1850 – gestapelde bouw in dat centrum.

De enige echte, “aanmerkelijk grote stad” van het gewest was in 1795 uiteraard Groningen met zijn 23.770 inwoners. Aardig is dat de Tegenwoordige Staat nog een raming geeft van 22.000 inwoners voor 1787. Dit op basis van het aantal van ruim 5500 huizen, dat de schrijver vermenigvuldigde met een gemiddelde van vier bewoners per huis. In 1740 werden er nog 4705 huizen geteld, het aantal bewoners van de stad zou toen dus neergekomen zijn op 18.820. In elk geval groeide de stad nadien zodanig,dat het resultaat van de volkstelling van 1795 menigeen tegenviel, zoals blijkt uit een brief die de arts Jacob van Geuns op 19 december van dat jaar aan zijn vader schreef:

“De volkstelling is hier in de stad volbragt, en is bevonden dat het aantal van levendige zielen is 23.759. Veelen valt het uit de hand die gedagt hadden dat het er meer zouden zijn. De bevolking over de geheele provincie beloopt 117.000 waarvan het Oldambt alleen 35.000 oplevert.”

Met het Oldambt werd niet alleen de kleistreek bij de Dollard bedoeld, maar ook de veenkoloniën als Veendam, Wildervank en Oude Pekela. Wat opvalt is dat stad en Oldambt samen al de helft van de hele provinciale bevolking uitmaken. Als je bedenkt dat de andere stadsjurisdicties Gorecht, Sappemeer en Westerwolde hier nog niet eens meegerekend zijn, dan had de stad met haar onderhorige gebieden een demografisch overwicht in het gewest.


Volkstelling 1795 Groningen

De uitkomsten van de volkstelling van 1795 voor de provincie Groningen waren nergens op het web te vinden. Daarom heb ik de copietjes die ik er ooit van maakte, gescand en hier maar neergezet voor de naslag:

Volkstelling 1795 a
Volkstelling 1795 b

Volkstelling 1795 c

Volkstelling 1795 d

Volkstelling 1795 e

Volkstelling 1795 f

v


Bot en garnaal uit een duister, donker woud

Geplaatst op 1 april 2010  a

(AJ de Sitter) – Tegenwoordige Staat van Stad & Lande (1794), pag. 220:

“Finsterwolde heeft den naam van het duistere, donkere woud, het geen hier voormaals was. Om de meerdere vastigheid des gronds bleef het by de overstroomingen des Dullards staan, en zag bezyden zig den noorder en den zuider inham van dien zeekolk tot diep in het land gevormd worden. Maar daardoor ook blootgesteld by ieder storm aan nieuwe aanvallen, was het lang het geringste der Oldamptster dorpen; en slegts eene woonplaats van armoedige vischers, die in het vangen van bot en garneel hunne kost zogten. Thans begint het by de steeds toeneemende verlanding des Dullards te deelen in den voorspoed; ja zal by de eerstkomende indyking eene zeer groote polder kunnen winnen.”

H. Kremer – Beschrijving der provincie Groningen (1818), pag. 111:

“Dit dorp ligt bijna 8 uren van Groningen , en moet oudtijds zeer boschrijk geweest zijn, zoo als deszelfs naam, beteekenende Duister-of Donkerwoud, aanduidt. Het bleef lang, door de gedurige aanvallen van het water des Dollerts, een gering dorp, bewoond door armoedige visschers, die hunnen kost in het vangen van bot en garnaal zochten. Thans is het, door de aangeslijkte en ingedijkte landerijen, een welvarend en groot dorp; en heeft eene sierlijke kerk, met een nieuw orgel. (…)
De Dollert geeft hier het, voorheen, ingeslikte, thans met dubbelen woeker terug. In het jaar 1819 zal hier weder eene indijking geschieden van meer dan 2200 deimten lands. Welke heerlijke aanwinst uit de zee in den tijd van 50 jaren! Menigvuldig is nog de bot en garnaal , welke in den Dollert gevangen, en door het geheele Oldambt en naar Groningen verzonden wordt. Deze vangst wordt op 18000 gulden jaarlijks begroot, en geeft aan een getal van 150 inwoners hun bestaan.”

Commentaar: De onderwijzer van Zuidhorn schreef de voormalige Oldambster drost dus dunnetjes over, inclusief het sprookje van het duistere, donkere woud. Maar Kremer actualiseerde de gegevens ook. In 1794 begon Finsterwolde, door De Sitter gekarakteriseerd als een voormalig vissersdorp, al te delen in de Oldambster poldervoorspoed. Nog veel grotere welvaart voorzag hij bij een eigen indijking. In 1818, ten tijde van Kremer, was het bijna zover. Maar zelfs toen waren er nog zo’n 150 mensen die hun brood in de visserijbranche verdienden.


Groninger albumplaatjes uit 1955

H. kwam aanzetten met vijf velletjes. Op elk van die velletjes staan vier foto’s. Omdat er scheurlijntjes tussen de foto’s zitten en de velletjes aan de achterkant gegomd zijn, denk ik dat ze bestemd waren voor een album, dat afgaande op de plaatjes, vooral inging op de economie van Groningen.

De titelgegevens van het album staan op elk velletje:

Van huis uit
M. Baaijens en M Groenendijk
Groningen
2e druk
Uitgave N.V. Uitgeverij A. Roelofs van Goor – Meppel

Ik heb gekeken of het album ook ergens in een openbare collectie aanwezig is, maar dat blijkt niet het geval. Wel komen vier plaatjes van de stad Groningen – namelijk Westindischekade, busstation, korenbeurs en Herestraat – ook voor in de Beeldbank Groningen. In drie van de vier gevallen zijn die gedateerd op juni 1955, zodat het album van even later zal dateren. Overigens zijn de foto’s in de Beeldbank afkomstig van de gemeentepolitie Groningen. Ik neem dan aan dat het gratis ter beschikking gestelde, gemeentelijke voorlichtingsfoto’s zijn, omdat de voorstellingen verder geen raakvlak hebben met politietaken.

Herestraat naar het zuiden gezien; linksboven hangt een spandoekje van Hotel Willems, onder de hoed rechts staat Stetson op het ovaal:

Geplaatst op 29 maart 2010  a

‘De nieuwe uitbouw’, is de titel van de volgende foto. Bedoeld wordt de Westindischekade, die dan nog geheel boomloos is. De naar het westen opstomende sleepboot is de Jeanne d’Arc van R. Steenbeek uit Maastricht:

Geplaatst op 29 maart 2010  b

Het busstation op dezelfde plek als waar het zich nu bevindt, met op de achtergrond een loods van Van Gend & Loos:

Geplaatst op 29 maart 2010  c

De Groninger suikerfabriek tussen spoor en Hoendiep:

Geplaatst op 29 maart 2010

Boer met alpinopet en tractorploeg (het nummerbord moet ook dateerbaar zijn):

Geplaatst op 29 maart 2010  e

Dwarshelling met coasters (in Hoogezand of Westerbroek):

Geplaatst op 29 maart 2010  f

‘Drukte in de haven van Delfzijl’; op de voorgrond kajuitloze binnenvaarders met opduwertjes erachter:

Geplaatst op 29 maart 2010  g

Rottum of Rottumeroog met de woning van de laatste voogd Jan Toxopeus, die het eiland in 1965 zou verlaten. Op de woning zit een (vuur- of uitkijk)torentje:

Geplaatst op 29 maart 2010  h

Mocht iemand het album in zijn bezit hebben, dan hoor ik dat graag. Ik zou de tekst wel eens willen lezen.


Apendans: een naam met dubbele bodems

Geplaatst op 28 maart 2010  a

De Apedans is een horeca-onderneming aan de Rademarkt in Groningen. In Den Haag blijkt het de naam van een straat. Waar komt de naam vandaan?

De Apedans in Groningen is beslist niet oud. Het bedrijf aan de Rademarkt (officieel Verlengde Oosterstraat) heette enkele decennia geleden namelijk nog de Radeholm. “Toen dit tot Apedans ingericht werd, aldus Pascal van de Apedans,

“…zijn hier meerdere architecten aan het werk geweest. Op die manier kreeg je hier diverse stijlen. En toen de pandeigenaar binnenkwam riep hij uit: “Wat is dit voor een apedans?” En dat werd vervolgens als naam gekozen.”

Van Lennep & Ter Gouw noemen in hun werk ‘De Uithangteekens‘ (deel II pag. 324) de Haagse straat Apendans, omdat die volgens hun naar een voormalig uithangbord heet. Voor een verklaring van dat uithangbord verwijzen ze naar de Sinne- en Minnebeelden van Jacob Cats, en wel nummer 42.  Dat zinnebeeld blijkt gebaseerd op een fabel bij Lucianus over een stel piekfijn geklede apen aan een hof, dat ook danste volgens alle hoofse regels. Tot een toeschouwer enkele noten over de dansvloer wierp en er een waar pandemonium ontstond. De apen vergaten alle decorum en rollebolden vechtend over de vloer om zoveel mogelijk noten te pakken te krijgen.

“Al gaet de baviaen met opgerechte leden
Iuyst op de rechte maet, en als een mensche treden,
Hy des al niet-te-min tijt haestigh opte loop,
Al worter maer een noot geslingert inden hoop.”

Moraal: iemand kan van alles en nog wat aanleren, maar uiteindelijk komt zijn ware aard altijd weer boven.

Het motief blijkt ook in de iconografie vertegenwoordigd. Apen die bij een doedelzak dansen komen zowel voor op middeleeuwse miniaturen, als op prenten uit renaissance en barok, zoals deze.

Overigens is volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) apedans – d.w.z. dans door apen uitgevoerd – een weleer geliefde kermisattractie, vergelijkbaar met die van dansende beren. Daarbij tekent het WNT aan dat het Haagse straatje zijn naam te danken heeft aan een schertsende verbastering door het bepaald niet francofiele volk:

“Toen in 1713, na het sluiten van den Utrechtschen vrede, de Fransche ambassade zich vestigde in een gebouw op den hoek van den Boschkant en de Casuarie- of Sterlingstraat, werden in het naburige straatje eenige bijgebouwen ingericht voor het gevolg en voor de bureelen der kanselarij. Die bijbehoorende gebouwen werden les Appendances genoemd, en daaruit is later door de Haagsche bevolking het vermakelijke Apendans gesmeed.”

Als dit klopt, dan was Lucianus’ fabel in Den Haag  hooguit een verre connotatie.