Geliefde kamervogel in het zonnetje
Geplaatst op: 27 maart 2010 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Een Groningse vroedvrouw had ze al, rond 1660. Toch was het toen nog een elitaire kamervogel, en dat zou het nog lang blijven, tot mijnwerkers in Tirol en de Harz ze gingen kweken en ze hier kwamen brengen in grote korven op hun rug. Mijn grootouders hadden ze ook, maar tegenwoordig worden dergelijke liefhebbers steeds zeldzamer. Het Natuurhistorisch Museum in Rotterdam heeft nu een tentoonstelling over het houden van kanarie’s gemaakt.
Hoe de kapper zich kenbaar maakte (1910)
Geplaatst op: 20 maart 2010 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“Uithangborden zijn zelden meer de traditioneele koperen bekkens, waar ze zijn, behooren ze te glimmen. Vuile bekkens zijn morsige visitekaartjes – zijn zeker geen reclame, leggen daarentegen een getuigenis af voor den onattentheid van den patroon, die op die kleinigheden geen acht geeft.
De geschilderde houten gevelborden moeten bij tijd en wijle door een nieuw verflaagje verfrischt worden. Een onooglijk uitziend gevelbord is evenmin een reclame, waarvoor het toch uitsluitend dienst moet doen.
De emaillebordjes kunnen zeker zindelijk gehouden worden en wanneer er eenige attentie in de regendagen aan geschonken wordt, door ze ’s avonds binnen te halen en goed af te drogen. of waar dit niet mogelijk is, de oogen waarin ze hangen wat te vetten, dan kan men de leelijke roeststrepen voorkomen.
De uithangbal is een leelijk ding wanneer het verguldsel verdwenen is en de staart, in plaats van ’n fraaien golvenden paardestaart te lijken er uitziet als ’n zeer onzindelijken koeienstaart,. De uithangbal is een dure reclame wanneer men hem mooi wil houden en zeer onpraktisch voor ons klimaat. Het beste en op den duur het goedkoopste is een koperen bal. Dit voowerp kan gepoetst en is daarom zeer aan te bevelen.”
Uit: W. Inte Onsman e.a., Technisch handboek (voor den Heerenkapper) (Amsterdam 1910) pag. 7/8. Het exemplaar dat ik van mijn kapper mocht lenen was getuige een notitie voorin afgegeven door het Hoofdbestuur van de Nederlandschen Barbiers- en Kappersbond ten behoeve van het kappersonderwijs in de Groninger Ambachtschool.
Commentaar: Het is opvallend dat de indertijd op hun vakgebied gezaghebbende auteurs niet de kapperspaal noemen die volgens een nu gangbare opvatting al sinds de middeleeuwen het symbool voor barbier en kapper zou zijn geweest. Blijkbaar gaat het hier om een nieuw uitgevonden traditie.
Groei en krimp van Sodom
Geplaatst op: 17 maart 2010 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Grafiekje van de aantallen inwoners die Winschoten tussen 1796 en 2009 herbergde.
Tussen 1811 en 1830 was de groei ruim 50 %. Waarschijnlijk kwam dat doordat de plaats toen een centrum van bestuur en rechtspraak werd. Verder is er vanaf midden negentiende eeuw tot (na) 1976 een voortdurende groei, soms wat sterker en soms wat minder sterk. Zo deed zich rond 1900 een groeispurtje voor, dankzij een bescheiden industriële revolutie in dit handelscentrum van Oldambt en Westerwolde. Zeker een kwarteeuw krimpt nu de bevolking van Winschoten.
Helaas mis ik een getal voor het begin van de jaren tachtig. In 1976 telde de plaats 19.761 inwoners (Potjewijd), en in 1991 nog maar 19.162 (WP Encyclopedie). Weet iemand of Winschoten in de tussenliggende periode nog boven de twintigduizend is gekomen? De plaats hing er tegenaan, maar is er destijds ook werkelijk een twintigduizendste Winschoter in het zonnetje gezet? Diverse websites geven nogal optimistisch een getal van 20.000 inwoners voor Winschoten, maar dat is dus allang niet meer het geval, als het er überhaupt ooit zoveel geweest zijn.
Nachrift 18 maart 2010:
De 20.000ste inwoner van Winschoten was Jacob Buurmeijer op 26 april 1976.
Bronnen van de cijfers: T. Potjewijd, Leven en werken in Winschoten in de negentiende eeuw (Winschoten 1977), pag. 16, aangevuld met gegevens uit J.H. Timmer en F.C. Oostman, Uit Winschoten’s verleden (Winschoten 1950) en diverse meer recente encyclopedieën.
Heer Ivanhoe en de Winschoter watertoren
Geplaatst op: 16 maart 2010 Hoort bij: autobio, Geschiedenis 4 reacties
“Jammer genoeg heb ik de watertoren nooit meegemaakt”, schreef Daniel Oudman. “Het schijnt dat het een heel mooi gebouw was.”
“De prachtige watertoren bij het spoor in Winschoten, miste ik ook”, aldus Bob Poppen: “Ik herinner mij het markante gebouw nog zeer goed uit mijn jeugd.” En hij gaf een linkje naar een foto.
Zelf vond ik bovenstaande prent, maar dan in onbewerkte staat, in een werk van de Winschoter stadshistoricus Potjewijd.
Tot mijn verbazing staat er zelfs een lemma op de Wikipedia over deze 34 meter hoge toren, een ontwerp van de watertoren-architect Jan Schotel dat van 1902 tot 1967 aan de Winschoter Watertorenstraat heeft gestaan.
Waarom roept deze toren zulke warme gevoelens op? Mij doet het basis-ontwerp sterk denken aan de nog steeds bestaande watertoren van Meppel, en je zou hem daarmee kunnen betitelen als doorsnee. Maar het Meppeler exemplaar heeft wat minder tierelantijnen en ik vermoed dat die nou net een grote rol in de beleden waardering spelen.
Door zijn bovenkant kan je tegen de Winschoter watertoren aankijken alsof het ’t meest kapitale stuk avan het schaakspel is: de koningin. Of dat de reden zal zijn, betwijfel ik echter. Het zit hem veeleer in de combinatie van het renaissance-achtige portaal, de vensters die zo nauw zijn dat ze je aan schietgaten doen denken en het gepuntdakte torentje er helemaal bovenop.
In dat mini-torentje zit al jaren jonkvrouwe Rowena te wachten op haar bevrijder. Heer Ivanhoe ziet dat dit een zware klus wordt. Deze burcht laat zich niet van buiten beklimmen, de vijand zal onophoudelijk uit die spelonken vuren, en gewoon met een kanon op die poort los gaan kan ook al niet want dan gaat Rowena wellicht dood.
Het bezorgt Ivanhoe hoofdbrekens, hoe hij bij Rowena moet komen.
Ik denk dat het zoiets is.
Oldambtster kappers van het Fin de Siècle
Geplaatst op: 15 maart 2010 Hoort bij: Familie, Geschiedenis 3 reacties
Freerk Bennema, geboren in 1882 te Noordbroek, herinnerde zich op hoge leeftijd nog twee haarspecialisten uit zijn jeugd. De eerste heette Koos Waslander:
“Hij was arbeider en ook scheerbaas. Hij ging met zijn scheergerei rond, wel tot Noordbroeksterhamrik. Hij had dan zijn scheernap bij zich en een keteltje met water, dat warm gehouden werd door een vuurstoof. Als het een beetje waaide, stoof het vuur over de weg. Hij kreeg als loon voor het scheren een halve stuiver.”
Ook was er in Noordbroek iemand die net als mijn overgrootvader Hindrik Vondeling de ambachten schoenmaker èn barbier combineerde. Deze Bartelds liep eveneens met zijn scheernap en keteltje door het dorp, maar:
“Des zondagmorgens zat zijn schoenmakerswerkplaats helemaal vol arbeiders. Die lieten zich maar eenmaal in de week scheren. Tweemaal kwam te duur.”
In een heuse stad als Winschoten had je natuurlijk een kapper met wat meer allure. Dat was in deze tijd Jean Köny, ook wel Koenie genoemd. Maitre Köny was geboren in Trier, maar had, naar werd verluid, een poos in Parijs geleefd en gewerkt. In Winschoten ergerde hij zich er hevig aan, dat hij ook op zondagochtend aan de arbeid moest. De klanten verwachtten dat van hem, ze vonden het dan juist gezellig bij de kapper en lieten een ander graag voorgaan. Maar de coiffeur gaf blijk van zijn bittere ongenoegen over deze schandalig achterhaalde wantoestanden tegen een van zijn klanten, mr. D. Bosch, alias Neuze Bosch, een advocaat die tevens in de gemeenteraad zat. Omdat deze er ook niets aan doen kon, nam Neuze bij zijn volgende bezoek aan Koenie een bordje mee, dat de maitre in zijn salon mocht plaatsen:
“Hij die goed wil worden geschoren
Komt zaterdag of de dag tevoren
Maar die mij op zondag kon bezoeken
Vindt stompe messen en vuile doeken!”
Bronnen:
H. Antonides, Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren (Noordbroek 1973) pag. 167-169;
T. Potjewijd, Leven en werken in Winschoten in de negentiende eeuw (Winschoten 1977) pag 50-51,
‘Panneern! Panneern!’
Geplaatst op: 12 maart 2010 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesOver het venten met vis en dergelijke in het Winschoten van voor 1900 las ik:
“En de visch uit den Dollard werd daarlangs aangevoerd. Karren, zelfs boerenwagens met schelvisch kwamen van Finsterwolde of den Ganzendijk binnen. En kruiwagens met bot of schol. “Panneern! panneern!” hoorde men schreeuwen: ’t was om een kleinen eenigszins haringvormigen, witachtigen visch, de panharing, aan den man te brengen. Maar of die venters geen Muntendammers waren? Ik weet het niet meer; de kerels schreeuwden in elk geval hard genoeg om het te zijn.
En dan kwam reeds vroeg de oude Voske naar de brug geschommeld met haar garnalenkorven, die door haar wiegelenden gang zoo sterk in beweging waren, dat zij de touwen stevig moest vasthouden, anders zou het juk van de schouders vliegen. Ondanks haar jaren liep zij iederen werkdag in den garnalentijd van Finsterwolde om ons van haar waar te voorzien. Zij behoefde niet te roepen of reclame te maken. Ieder kende haar: Voske was Voske. Hoe zou men van een ander dan Voske garnalen hebben kunnen koopen. Ik denk dat men nog al van haar hield, vooral de kinderen, tegen wie zij met haar tandeloozen mond wat vriendelijks zei en wien zij geschenken in de hand drukte, natuurlijk garnalen.”
Bron: ‘Op en om de ‘Oude Pijp’ te Winschoten’, Oud Winschoten, jaargang 3 (2000) pag 11-20, met name pag. 13. De oorspronkelijke tekst stond in een nummer van het Maandblad Groningen uit de jaren 1920.
Database Nederlandse fotografen vanaf 1839
Geplaatst op: 11 maart 2010 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieSoms wil je een oude familiefoto dateren, en heb je alleen de naam van een fotograaf en diens vestigingsadres. Voor zulke vragen is er nu een database van fotografen in opbouw. En die is hier te vinden.
Biebcat Groninger Archieven online
Geplaatst op: 11 maart 2010 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieOnlangs kwam het ervan, zonder dat er veel ruchtbaarheid aan is gegeven. Er moet nog wel iets aan gebeuren – denk aan tags en linkjes – maar je kunt als bezoeker nu in elk geval voorafgaand aan een bezoek aan de Groninger Archieven kijken, wat voor boeken en artikelen er zoal over je (lokaal of regionaal-historische) onderwerp bestaan. De aanvraagnummers zitten steeds onder het boodschappenmandje in de rechterbovenhoek van de items. Voila.
Met het online komen van deze catalogus is een oude wens vervuld.
Notities over het ontstaan van Winschoten
Geplaatst op: 10 maart 2010 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Misschien was er in de Hoge Middeleeuwen nog een oudere nederzetting op het grondgebied van het huidige Winschoten, en dan waarschijnlijk ter hoogte van de Garst. Er is ook ergens sprake van twee middeleeuwse kerken op dat grondgebied. Maar de kern van de huidige stad ligt op de plek waar de weg van de stad Groningen (vanaf S = Scheemda) naar Westerwolde ( B1 = Blijham) met een voorde of een brug het veenriviertje de Rensel (R) passeerde en een aftakking had richting Reiderland (B2 = Beerta).
Een mooie plek om elkaar te ontmoeten. een mooie plek voor handel ook. En dus een mooie plek om een uitspanning te beginnen. Waarbij zich dan als vanzelf wat ambachtslieden vestigen die een wat grote gebied met hun producten bedienen, bijvoorbeeld wevers en pottenbakkers. Zo ontstaat hier een soort van centrum voor Oldambt (S), Reiderland (B2) en Westerwolde (B1).
Waar de Rensel voor 1585/1653 lag, is problematisch. Het Winschoterdiep zou hier de gekanaliseerde Rensel zijn, maar ik denk dat de Rensel ten westen van het verkeersknooppunt een zuidelijker koers gehad moet hebben. Ten eerste zijn de huizen aan de westkant van de primaire weg (S – B1) lang na de komst van het Winschoterdiep, zelfs na 1800 nog op die weg georiënteerd en niet op het diep. Ze hebben de kont naar het water, niet zo logisch als dat er altijd gelegen zou hebben (en bevaarbaar geweest zou zijn). Ten tweede had je meer naar het noorden nog andere veenriviertje, wat een oorspronkelijke ligging daar wat minder logisch maakt. Ten derde heette het Winschoterdiep hier later de Venne, wat eigenlijk een veldnaam was die stond voor puik weiland. Met de komst van een eerder diepje vanaf Noordbroek (1585) zou de Rensel trouwens ook wel eens noordwaarts verlegd kunnen zijn.

Vanaf 1594 lag er een rugbybalvormige vesting om het verkeers- en handelsknooppunt heen. Na een opknapbeurt door Bommen Berend (1672) raakte deze sterkte in verval. Terwijl voor Bommen Berend de vesting Winschoten een belangrijke vooruitgeschoven post was, moet de Nederlandse republiek er meer een logistieke achterwacht voor Nieuweschans en Bourtange in hebben gezien. In elk geval gaf ze geen geld uit voor de handhaving. De inwoners vonden dat toentertijd nog niet erg. Ze slechtten langzamerhand de wallen, en gooiden wat er van de grachten overbleef vol met hun afval.
Maar hoewel je de militaire waarde van Winschoten als vesting dus niet al te hoog moet taxeren, ontleent de stad er wel een deel van haar stadspretentie aan. Van oudsher zijn veel van de lokaal-historische inspanningen er dan ook op gericht. om juist dit bescheiden, militaire deel van Winschotens verleden weer zichtbaar te maken.
Het schoonmaakgebeuren van destijds
Geplaatst op: 8 maart 2010 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Zo’n borstelkoopman met fiets kwam ook bij ons thuis, ca. 1960. De foto maakt deel uit van een serie uit het Nationaal Archief over het huishouden, vroeger. Inspiratiebron vormde waarschijnlijk de allerwegen losbrekende, klassieke grote schoonmaak, Hier heb je de slideshow.
Streek met koopkrachtige bevolking
Geplaatst op: 25 februari 2010 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
Advertentie van De Oldambtster in De Reclame van januari 1922. “In deze streek met zijne koopkrachtige bevolking” – daar laten zich nu geen adverteerders meer mee werven.
Een angst die bewaarheid werd
Geplaatst op: 24 februari 2010 Hoort bij: De actuele wereld, Geschiedenis 3 reactiesStad en Lande was tegen de vorming van de eenheidsstaat, zo blijkt ook uit een brief van Jacob van Geuns de dato 10 december 1796:
“De zoo zeer met overhaasting naderhand gedecreteerde absolute eenheid, zoo wel nae buiten als omtrent het bestuur van binnen, staat hier veelen zeer slegt aan. Men vreest dat, zoo het binnenlands bestuur onder volkstrekte eenheid gebragt wordt, dat dan de afgelegene deelen van Den Haag, waar tog het Hooftbestuur zal blijven, zullen verwaarloost worden. Of dat de belangens van Holland zullen voorgetrokken worden ten koste van de anderen. (…)
De Ineensmelting van de provinciaale schulden vindt hier geene verdeedigers, men is er hier over het algemeen genoomen bang voor, en egter vreest men, dat het zoo wel als de volstrekte eenheid zal doorgaan. Wij verliezen er dan vast bij, als meer schulden krijgende dan wij thans hebben, en mooglijk dat dan ook de stads & provincie aanzienlijke goederen weg gaan…”
De eenheidsstaat zou er toch komen, onder druk van de Fransen en na een putsch van unitarissen in januari 1798. Via een gruwelijk gemanipuleerd referendum verkregen zij de goedkeuring van het volk.
Wat betreft het weggaan van de aanzienlijke goederen uit Stad & Lande hoeven we intussen alleen maar te denken aan de aardgas-opbrengsten, waarvan onze provincie nog niet eens een procentje krijgt, terwijl ze in in Europees verband wel doorgaat voor een van de rijkste regio. Dat scheelt ons een smak subsidie, die nu natuurlijk deels naar de Hollandse Rupsjes Nooitgenoeg gaat, vandaar dat er totaal niets gebeurt aan deze onrechtvaardige constellatie.
Het is goed om dit even te bedenken voor we straks een nog extremer Randstad-kabinet krijgen.
Zesvingerige families
Geplaatst op: 12 februari 2010 Hoort bij: Geschiedenis 6 reacties
“In het begin dezer eeuw woonde ergens in de provincie Groningen eene boerenfamilie die naar ik meen Detmers heette. De leden dier familie waren allen zesvingerig.”
Aldus A.C.J. Kremer in De Navorscher van 1888, bijlage O.
Zesvingerigheid komt sporadisch voor. Een Pruisisch arts vond omstreeks 1760 onder de honderdduizend inwoners van Berlijn slechts een paar zesvingerigen. Hij schreef:
“Een aanzienlyke geleerde in Duitsland, en minister van den Hertog van Wurtenberg, de Heer Bilfinger, was van eene dergelyke familie, en geboren met een zesden vinger, welken zyne ouders hem hadden doen afzetten, als iets monsteragtigs. Voor het overige weet men, dat de naam zelve de byzondere eigenschap dier familie aanduidt, en, naar alle gedagten, daar van herkomstig is, zynde Bilfinger alleenlyk eene verbastering van Fielfinger of veelvinger.”
Dat afzetten was in die tijd niet van gevaar ontbloot. Immers, antibiotica bestonden nog niet. De familie Veelvinger nam het risico maar wegens de manier waarop er tegen haar werd aangekeken.
Drentse dorpenstrijd om een geschoten wolf
Geplaatst op: 11 februari 2010 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie“Reden wederom over een barre sandige heide, lieten Erme en de schans Ten Holle an de linkerhand leggen en kwamen te 7 uur tot Dalen, alwaar een weinig pleisterden en onze paerden een voertje aan de bok gaven. Bezagen hier immiddels een wolf, die twee dagen van te voren gevangen was door die van Schonenbeek, die hem ook in triumph hadden opgehangen. Dog die van Dalen meede bij die jagt geweest zijnde, eigenden zig den wolf toe en namen hem stilletjes bij nagt weg en hongen hem weer tot Dalen an een paal op, daar wij hem bezagen, zijnde nog jong maar van een brave grote zo dat veel schade kan gedaan hebben, en was wel getroffen met twee kogels door en door geschoten.”
Bron: De Navorscher, 1895, pag. 352. Passage uit het ‘Journal of Dagverhaal van een plaisir reisje van Groningen na Kleef, in 1740 door P. Muntinghe JUD, A.H.W. de Vriese JUD, M. van Bolhuis advocaat en Theodorus Beckering JUD’
Over wolvenjachten zie
Het wintertje wel (II)
Geplaatst op: 10 februari 2010 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties“Lemmer den 27 Januarij. Heden kwam alhier, des namiddags te vier uren, een gezelschap van negen personen, onder geleide van de schippers J.J. v. den Borg, Wiggert Visser en Pieter v. Dijk, met drie paarden en sleden, van Enkhuizen over zee aan. Hetzelve was, na eenigen tijd op het eiland Urk vertoefd te hebben, van daar naar Schokland gereden, en vervolgens naar de Overijsselsche kust overgestoken, en verklaarde eenparig, dat op sommige plaatsen het ijs geheel en al tot op den grond zat, en geene zwakke plaatsen op hunne reis waren aangetroffen. De daaraanvolgende dag zijn deze personen van hier weder naar Enkhuizen vertrokken.”
Bron: Groninger Courant, 4 februari 1823

Recente reacties