Archeologen gaan weer duiken naar schip bij de Eemshaven

Geplaatst op 4 februari 2010  a

Archeologen gaan weer bezig met het eeuwenoude scheepswrak dat ten noorden van de Eemshaven ligt. Dit keer willen ze iets van de lading boven water zien te krijgen. Zo valt er wellicht iets te zeggen over de functie van het schip.

Vijf jaar geleden zaagden mensen van het ARC hier in Groningen al eens twee plankmonsters uit het wrak. Deze werden dendrochronologisch onderzocht. De jongste kapdatum van het hout was 1667 met een mogelijke afwijking van zes jaar terug of vooruit. Het schip dateert dus uit het derde kwart van de zeventiende eeuw, de tijd van drie Engelse oorlogen.

De nogal forse planken doen vermoeden dat het een vrij groot zeeschip was, zeker dertig meter lang. Mogelijk gaat het om een smak, een fluit of een dergelijk schip dat op de Oostzee voer.

Of er binnen afzienbare tijd nog eens een fundamenteler en minder vluchtig onderzoek komt, is nog maar zeer de vraag. Het grootste deel van het schip ligt verzonken in klei en dat conserveert hout redelijk goed. De bemonsterde planken waren ook nog steeds hard en stevig. Het aangetroffen bot van een bovenarm zag er eveneens nog goed uit. Waarschijnlijk geldt dit dus ook voor de lading en de scheepsinventaris.

Overigens moet er tussen de Eemshaven en Borkum nog een Engels schip liggen. Deze HMS Sorlings verging tijdens de grote Kerstvloed van 1717, getuige dit bericht dat even later in een Engelse krant verscheen:

Geplaatst op 4 februari 2010  b

Bron: Weekly Journal or British Gazeteer van 11 januari 1718.


Het Pijpkergilde en de armenkamers

In het Oldambt was elke nederzetting verdeeld in gilden, oftewel buurten die vooral van belang waren voor naberhulp bij kraam-, ziek- en sterfbed. De vrouwen van een gilde assisteerden bij geboorte en ziekte, de mannen van een gilde droegen de doden naar het kerkhof, zo zat de rolverdeling ongeveer in elkaar.

Soms manifesteerde zo’n gilde zich ook bij het bevoegd gezag. Het Pijpkergilde in Noordbroek bijvoorbeeld, leverde omstreeks 1800 een rekest in bij de Drost van het Wold-Oldambt.

In het Pijpkergilde stond een rijtje van vier armenkamers, schamele eenkamerwoninkjes onder één dak waar de diaconie gratis of tegen een gereduceerde huur bedeelden liet wonen. Nu was er verschil van inzicht gerezen tussen de diaconie en het gilde over het waken bij zieke, en het afleggen en ter aarde bestellen van dode bewoners van die kamers.

Omdat de diaconie, aldus het Pijpkergilde, “gewoonlijk in die kamers oude en zwakke menschen” liet wonen, “en wel dikwijls uit andere gilden of plaatsen herkomstig”, werd het Pijpkergilde veel meer dan de andere Noordbroekster gilden bezwaard met naberplichten. Het Pijpkergilde wilde hierover graag een uitspraak van de Drost.

Die kwam de Pijpekers een eindje tegemoet. De ingezetenen van hun gilde hoefden voortaan niet meer te waken bij een zieke in een van de armenkamers. En bij een sterfgeval aldaar hoefden ze het het stoffelijk overschot niet meer af te leggen en te kisten. Daarmee werd het gilde zo’n beetje ontheven van alle intramurale naberplichten in deze woninkjes  Aan de andere kant bleven de mannen van het Pijpkergilde wel verantwoordelijk voor de naberplichten buitenshuis: het vervoer van een doodskist naar het sterfhuis, het delven van het graf, het luiden van de kerkklok voor de begrafenis, en uiteraard de teraardebestelling zelf.

Nu de dienstverlening zo’n beetje gehalveerd was, halveerde de Drost ook de gewone gift voor de nabers na een begrafenis. De diaconie hoefde het Pijpkergilde voortaan slechts een kwart ton bier te geven, in plaats van de traditionele halve ton (77,5 liter kluin met 9 % alcohol).

De Drost stelde de bewoners van de armenkamers hélemààl vrij van gildediensten. Kennelijk had het Pijpkergilde die van de broze oudjes geëist.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 731 – Rechterlijk Archief Wold-Oldambt, inv.nr. 6156, rekest van het Pijpkergilde in Noordbroek (ongedateerd, maar ca. 1800).


Toen Trijntje Kaaloor opnieuw zwanger bleek

Op 23 februari 1779 vernam de kerkeraad van Zuidbroek & Muntendam dat Trijntje Kaaloor, geboren te Meeden, maar zich ophoudend in Muntendam, zwanger ging van een onecht kind. Straks kwam ze ten laste van de plaatselijke diaconie. Dat zag de kerkeraad helemaal niet zitten. Afgesproken werd, dat de diakenen zo spoedig mogelijk bij de Drost van het Wold-Oldambt zouden verzoeken “datt die persoon gedelogeerd moge worden”.

De Drost wenste vooreerst niet te besluiten tot zo’n gedwongen verhuizing. Trijntje moest binnen zes weken een borgstelling, denkelijk van de Meedener diaconie, bij de Zuidbroekster diaconie komen brengen en bracht ze die niet, dan zou ze “verdreven worden”. Het vereiste papier leverde ze niet in. Eind mei werd in de kerkeraad gerapporteerd dat ze inderdaad “gedelogeerd” was. Waarschijnlijk gebeurde dat door de plaatselijke wedman.

Ruim een jaar later bleek dat Trijntje haar onechte kind toch in Muntendam ter wereld had gebracht. Dat kind was nog steeds niet gedoopt. Met de diaconie van Meeden maakte die van Zuidbroek intussen de schikking dat het kind half door Meeden en half door Zuidbroek & Muntendam zou worden onderhouden.

Niet altijd was de kerkeraad van Zuidbroek & Muntendam zo hard tegen ongehuwde moeders, die in die tijd nog habitueel voor hoeren werden uitgemaakt. Een meisje dat zich in de stad had laten bezwangeren noemde hij “dit ongelukkig mensch”, een formulering waaruit enig medelijden sprak. Waarom was de houding tegenover Trijntje dan zo anders?

Trijntje had een verleden. Ze was eens tot vier jaar tuchthuis veroordeeld wegens diefstalletjes. Maar dat was het enige niet. Oh nee.

Tijdens haar detentie leek het of ze zwanger was. Ze werd op 22 juni 1769 vanuit het Provinciale Tuchthuis overgebracht naar Zuidbroek, waar ze tot haar bevalling ten huize van Tjasso Jans zou verblijven. De 62-jarige Tjasso (ook wel Tjaske) Jans was de roderoede van Zuidbroek, de kerspelsoldaat, zeg maar een soort van politieman. Ze kon niet weg uit zijn huis, ze zat zat er in “daartoe expres vervaardigde boeijens”. De roderoede mocht ook niemand bij Trijntje toelaten zonder machtiging van de Drost.

Na vijf weken menstrueerde Trijntje. Of, zoals het toen heette, ze had de “gewone vrouwlijke suiveringe”. Zo ontdekte ze dat ze niet zwanger was. Op de zesde zondag van haar verblijf, “wanneer het andere volck na de kerk was, en zij werkelijk om haar been geboeijt zat”, probeerde Tjasso Jans haar over te halen tot “ontugtigheden”. Ze weigerde, maar hij had haar  “onder eenige sware vloeken” met boeien en al tegen de grond gegooid. En terwijl zij “met het hooft buiten de keukendeure hadde gelegen” had hij “door gewelt met haar vleeschelijk geconverseert”.

In augustus moest de vrouw van Tjasso Jans bij een naber waken. Toen misbruikte hij Trijntje nogmaals, “gedurende zij haren gewonen plage de vallende ziekte hadde gehadt, zijnde ter dier tijdt niet geheel buiten verstant maar ten enenmaal kragteloos, en dus tegens hare wille gebruikt”. Het hek leek toen van de dam. Voortdurend had hij haar onbehoorlijk betast, “zijne ontbloyte mannelijkheit voor haar onbeschaamdelijk ten toon gestelt, en andere vuiligheden geëxperpetreert”.

Ze dreigde hem te zullen aangeven, en op op een oktober-avond maakte hij haar beenboeien los, met de raad om te vluchten, “gelijk ook dieselve nagt geschiedt was”.

Ze werd al gauw weer gepakt, in de buurt van Wildervank. Tjasso Jans had nog een boodschap naar haar ouders gestuurd dat men fanatiek naar haar zocht. Omdat Trijntje niets losliet over de verkrachtingen, viel hem alleen te verwijten dat zij ontsnapte door zijn “nonchalance, zo niet opzettelijke conniventie” (oogluiking). De Drost nam zijn armoede ook nog eens in overweging, en veroordeelde hem slechts tot acht dagen water en brood, een berisping en vergoeding van de 44 gulden die de opsporing van Trijntje had gekost. Zijn baantje mocht de roderoede houden. Dat nog wel.

Intussen zat Trijntje weer in het Tuchthuis. Na haar arrestatie had de Drost haar laten onderzoeken door een ervaren vroedvrouw, en daarbij bleek natuurlijk al gauw dat ze helemaal niet zoveel maanden heen was, als ze volgens het verhaal zou moeten zijn. Maar in april 1770 dienden zich desondanks in het Tuchthuis “de zekerste tekenen van zwangerschap” aan. Deskundigen hielden het dit keer op de zevende maand. Daarom werd ze op de twaalfde van die maand naar het huis van Evert Jans overgebracht. Hij was de roderoede van Noordbroek.

Tijdens de barensweeën, de ‘partus dolore‘, verklaarde Trijntje Stoffers Kaaloor daar, dat ze tijdens haar detentie bevrucht was door door Tjasso Jans, de roderoede van Zuidbroek. Hem liet de Drost opnieuw in hechtenis nemen, nu op de gijzelkamer in het rechthuis van Zuidbroek. Maar Jans bleef de verkrachtingen en de ontucht hardnekkig ontkennen, ook in de confrontatie met Trijntje.

De Drost overwoog dit keer dat het bewijs moeilijk te leveren viel. Maar als je negen maanden terugrekende, dan klopte het precies. En Tjasso Jans kon evenmin toegeven dat er dan een andere kerel bij Trijntje was geweest. De Drost veroordeelde hem nu tot 40 daalder boete. Ook moest hij binnen  een maand het kostgeld van zijn gijzeling aan de kastelein van het rechthuis betalen. En nu kreeg hij wel zijn ontslag als roderoede.

Na de geboorte van een meisje moest Trijntje opnieuw terug naar het Tuchthuis. Haar dochtertje werd op last van de Drost gedoopt in Zuidbroek. Maar omdat het kind met geen enkele diaconie een directe relatie had, verordonneerde de Drost dat alle Oldambster diaconieën er gezamenlijk voor verantwoordelijk zouden zijn. Jaarlijks moesten ze elk voor 1 mei de somma van vier-en-een-halve gulden betalen aan de diaconie van Zuidbroek, die het meisje zou opvoeden en verzorgen. Bleven ze in gebreke, dan kwam er voor straf nog een gulden overheen.

Dat was met zoveel woorden, wat de kerkeraad van Zuidbroek zich herinnerde, toen Trijntje Stoffers Kaaloor opnieuw zwanger bleek.


Arme Teenstra

“Dwazer boek heb ik in lang niet onder de oogen gekregen”

“Volgens berigt aan H.H. Inteekenaren is het tweede deel ter perse. Dat is, helaas! dus niet te keeren…”

>>> Vaderlandsche Letteroefeningen 1859


Uitkering kwijt om kind

De armen van Zuidbroek & Muntendam moesten een D op hun linkermouw dragen, mochten geen honden hebben, mochten niet teveel koffie drinken en waren in alles afhankelijk van de diaconie. Zelfs wat betreft hun kinderen hadden ze niets in te brengen dan lege briefjes. En als een arme daartegen in verzet kwam, was dat opmerkelijk.

Toch waren er van die types. Zo bevat het Zuidbroekster armenprothocol onder de datum 30 januari 1781 deze melding:

“Wierd geklaagd dat Pieter Tiddes met zijn huishouding nimmer in de kerk komt, dat zijn kind éénmaal in de week, ten hoogsten twemalen in de school komt en dat als de diakonen gesproken hadden van zijn kind te besteden, hij hen zeer stout had geantwoord, dat zulks de diakonen niet raakte, maar dat hij zelf als vader daar toe mans genoeg ware.”

Met de besteding van het kind werd bedoeld dat dit na de schoolljaren, zo omstreeks het twaalfde , dertiende levensjaar, werd ondergebracht bij een leerbaas. Dat kon een boer, maar ook een koop- of ambachtsman zijn. In eerste instantie verdiende zo’n jeugdige dienstbode slechts de kost inwoning (want hij of zij kwam bij de baas in te wonen). Hoe sterker en/of handiger zo’n interne knecht of meid werd, hoe hoger het surplus-loon. Bij gewone jongelingen ging een deel daarvan wellicht naar de ouders. Maar bij bestedelingen van de diaconie vloeiden zulke verdiensten in de armenkas. Ze kregen er hooguit wat zakgeld voor weer. Tot ze met een bescheiden uitzet van de diaconie, de zogenaamde uitboedeling, op eigen benen kwamen te staan.

Om terug te komen op Pieter Tiddes, de kerkeraad van Zuidbroek nam zijn brutaliteit hoog op. Hij daagde Tiddes voor zich:

“Wanneer gemelde klagten aan hem in deze vergadering wierden voorgesteld, hield hij met eene stoute onbeschaamdheid staande, dat het besteden zijner kinder den diakonen niet aanging, maar hem als vader alleen raakte. Waarop eenparig besloten is hem het gehele subsidie 6 weken te onthouden, tot dat hij ootmoediger worde en het character der diakonen over hem en zijn kinder erkenne, om zig daar aan gewillig te onderwerpen.”

Met andere woorden: de uitkering aan Pieter Tiddes en zijn gezin werd anderhalve maand stopgezet. Een week voor afloop van die termijn bleek dat het kind nog steeds niet regelmatig naar school kwam, zoals ook Tiddes en vrouw nog steeds uit de kerk wegbleven. Besloten werd dat Tiddes pas weer steun zou krijgen als hij ootmoedig schuld bekende.

Dat deed Tiddes niet. Eind maart ontzegde hij de diakenen andermaal het recht om zijn kind te besteden. Hij bleef daarom verstoken van onderstand.


Koffieverslaafden vermaand

“Wierdt door den Boekhouder geklaagd, dat eenige Personen, die van de Diakony onderhouden worden, de aalmoezen door overvloedig Coffy drinken verteerden. Daarop is besloten. Dat de Diakonen hierop nauwkeurig zullen letten en alle die zij daaraan schuldig bevinden voor de maandelijkse vergadering zullen citeren (= dagen) om daar over vermaand te worden.”

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 339 Archief Nederlands-Hervormde Gemeente Zuidbroek, inv. nr. 34: ‘Protocol van ’t verhandelde in de maandelijksche consistorie van Zuidbroek en Muntendam ten behoeve van de Diakonij’ (1778-1804), notitie d.d. 25 aug 1778.


Het wintertje wel

“Ik heb nog een herinnering aan de strenge winter van 1890-1891. Toen hebben wij zeventien weken strenge vorst gehad met veel sneeuw. Die lag soms wel drie meter hoog langs de weg. Toen moesten zij bij dat oude huis van Jurrie Baas een tunnel in de sneeuw graven om in en uit dat huis te komen.”

“Ongeveer half december 1890 deed de winter zijn intrede en hij duurde tot einde maart. Het was verschrikkelijk koud en de sneeuw lag meters hoog bij de weg. Van transport op de weg was geen sprake. het ijs in de vaarten lag tot de bodem toe. De snikken van Noordbroek hebben in het laatst van april het ijs gebroken. Daar waren een massa paarden en mensen voor nodig.”

Bron: De jeugdherinneringen van Freerk Bennema (geb. 1882), zoals ze zijn opgenomen in: H. Antonides, ‘Noord- en Zuidbroek in vroegere jaren‘ (Noordbroek 1973), pag. 168-169 en 238.


‘Eene mishandeling van de hoge overheid’

Zoals verteld, moesten alle bedeelden in het oosten van Groningerland, die nog geen zestig jaar oud waren, vanaf 1781 een “teeken D” op de linkerarm dragen, en dienden de plaatselijke diaconieën (armenfondsen) ervoor te zorgen dat dit ook gebeurde. De maatregel had de bedoeling om sociale controle te mobiliseren, en daarmee steun van een armenkas minder aantrekkelijk te maken. Iedereen kon zo zien, wie een uitkering kreeg, en eventueel aanmerkingen maken op ongewenst gedrag.

Getuige rapportjes uit de jaren 1786-1788 werd de maatregel in de praktijk niet volledig nageleefd. Bijna overal in het Oldambt zat toen “de D wel op nieuwe, dog niet zo strict op de oude kleederen”. Voor een D op hun oude goed, moesten de bedeelden dat goed immers eerst inleveren. Iets waarvoor de meeste diaconieën terugschrokken.

Een uitzonderlijke model-diaconie, vertelde ik, was het kerspel Zuidbroek, dat indertijd ook Muntendam nog omvatte. Hier werd de maatregel wèl nageleefd, maar waarschijnlijk kwam dat ook doordat hier het ambtelijke machtscentrum van het Wold-Oldambt zat. Een andere factor, ben ik inmiddels achter, zou wel eens de berooide staat van de Zuidbroekster armenkas in die tijd kunnen zijn. De tering was er soms anderhalf maal zo groot als de nering, en in menig jaar moest er een buitengewone huis aan huiscollecte gehouden worden om het tekort aan te zuiveren.

Ik weet dat uit een diaconaal besluitenregister van Zuidbroek en Muntendam, dat loopt van 1778 tot 1804. Dit register laat ook mooi zien dat deze gemeente in 1784 nog niet alles op orde had, qua naleving van het Diaconiereglement. Op 20 maart van dat jaar bepaalde de kerkeraad bijvoorbeeld, dat alle armen, oud en jong, op straffe van intrekking van de uitkering bij de aanstaande voorjaarsmonstering aanwezig moesten zijn. Bij zo’n monstering keek men, of iemand ’s zomers nog wel werk kon krijgen, zodat hij of zij wat minder steun behoefde. Blijkbaar gaven de bedeelden eerder niet allemaal acte de présence.

Bovendien, zo bepaalde de Zuidbroekster kerkeraad, moesten de ondersteunden bij de monstering…

“…hunne rokken en buisjes aanhebben, tegen welken tijd de diakonen genoegzame letters D van blauw laken geried zullen hebben om daarvan één op den linker arm van ieder armen, zo wel op den hemdrook als bovenrok en buisje door twee kleermakers, daartoe verzogt, te laten najen (…) met bekendmaking, dat een ieder, die deze letters weg doet, ook van de diakonylijst zal worden afgedaan.”

In Zuidbroek en Muntendam zat er dus vanaf maart 1784 een D op de oude bovenkleding van de bedeelden. Bij de najaarsmonstering van dat jaar werd er op gelet of alle armen “de D nog dragen”. Je bent dan geneigd om te denken dat de maatregel zonder morren is doorgevoerd, maar dat blijkt toch niet helemaal waar. Volgens de besluitenlijst van 28 februari 1786 rees er namelijk enig verzet:

“Wierd door den Boekhouder ingeleverd een brief van Eza van der Tuuk aan hem geschreven, waarin dezelve weigert met haar man de Letter D op den arm te dragen, omdat zij als een gemerkt schaap bij hare vrienden niet durfde komen, en omdat de rijken dat teken hadden uitgedagt om den armen smaadheid aan te doen.”

Eza of Esa van der Tuuk woonde in Muntendam en was de vrouw van een Tjakke Jans, met wie ze in 1768 en 1771 twee zonen kreeg. De naam Van der Tuuk is die van predikantenfamilie, mogelijk ging het om een aan lager wal geraakte telg. In elk geval durfde Eza haar familie niet met goed fatsoen te bezoeken met die D op haar arm en voerde ze ook een sociaal-kritische reden aan, die je eerder eind negentiende eeuw zou verwachten, dan in de standenmaatschappij van eind achttiende.

Hoe dan ook, de kerkeraad pruimde haar weigering natuurlijk niet:

“De vergadering beschouwde dezen brief niet alleen als een blijk van onbetaamlijke stoutheid, maar ook als eene mishandeling van de Hoge Overheid, die het dragen van di[t] teken in haar reglement had geboden, en nog onlangs den Hr. Drost had geauctorizeerd om alle diakonyen van ’t Oldambt voor zig te ontbieden om onderzoek te doen of ook deze order wierde geobserveerd.”

De kerkeraad besloot unaniem…

“… dat de Boekhouder het onderhoud van deze personen zal inhouden en hen aanzeggen, dat hen niets zal gegeven worden, eer zij beiden op eenen zondag, voor- of na den middag, in den Kerkenraad zijn verschenen, om excuus over deze hooggaande stoutheid te verzoeken, met beloftenis om voortaan de D te dragen en zig jegens de Overheid en den Kerkenraad eerbiedig en ook ootmoedig te gedragen, gelijk het den armen betaamd.”

In eerste instantie voldeden Eza en haar man niet aan de eis. Het voorjaar en de zomer kwamen er aan, dan was er werk zat. Maar uiteindelijk moeten ze toch bakzeil hebben gehaald. Want op 27 november 1787 verscheen ze in de vergadering met het verzoek om 8 stuivers brood per week, een verzoek dat ingewilligd werd, terwijl de 5 stuivers weekgeld die ze sinds een paar weken kreeg, werd ingetrokken. Nergens staat expliciet, dat ze onder het juk doorging, maar het is heel moeilijk voorstelbaar dat de kerkeraadsleden deze vrouw gewoon haar zin hebben gegeven.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 339 (archief hervormde gemeente Zuidbroek, inv.nr. 34: “Protocol van ’t verhandelde in de maandelijksche consistorie van Zuidbroek en Muntendam ten behoeve van de Diakonij” (1778-1804).


Armbrood is niet voor honden

Artikel 19 van het diaconiereglement, dat de kerkeraad van Zuidbroek in 1778 vaststelde:

“Het brood zal zijn gemerkt met ARMEN, en zullen diegene, welke daar van genieten, niet vermogen eenige hond of honden in hunne huizen te voeden, zullende in cas van wederstreving in de broods uitdeling worden gepasseerd.”

Dat het armbrood gemerkt werd, was om het verkopen daarvan door de armen te voorkomen. Met de bepaling dat structureel bedeelden geen honden meer mochten houden, liep Zuidbroek ruim drie jaar voor op de stad Groningen, waar eind 1781 een dergelijk verbod werd afgekondigd.


Moeder vermoordt dochter om erfenis

Geplaatst op 23 januari 2010  dochtermoord

Ze kreeg naderhand levenslang, deze oud-burgemeestersvrouw. En ze werd door de familie onterfd.

Bron van het knipseltje: Goessche Courant 1 januari 1891


Moord in Dorkwerd

Eind 1799 moest de jonge arts Jacob van Geuns een lijkschouwing in Dorkwerd verrichten. Op 3 december deed hij hier verslag van in een brief aan zijn vader, de hoogleraar geneeskunde Matthias van Geuns te Utrecht:

“De Herbergier had herhaalde reyzen aan Stuut zijn huis verboden uit hoofde van ongeoorloofde conversatie met zijn vrouw. Nog zeer nadruklijk had hij dit sondag te voren gedaan, toen hij hem weer bij zijn vrouw vond. Donderdag ’t huis komende van Aduart, alwaar hij met veele van de plaats was heen geweest  om de 5e termijn der geldheffing te betalen, vond hij hem weer in zijn huis. Er ontstonden woorden, & de man wilde hem het huis uitzetten. Doch tegenweer biedende en hem dreigende, haalde de herbergier een sabel. De vrouw en haar zuster met nog een man lopen ’t vertrek uit, de Herbergier raakt met Stuut aan ’t schermutselen, krijgt hem egter tot in de gang, dan voort daar op brengt Stuut aan de andere een steek in de rug toe, dat hij nae enige ogenblikken dood nedervalt!

Bij de schouwing bevonden wij, dat de steek, denkelijk met een mes gedaan, 2 vingerbreeds onder het regter” schouderblad, half duim van[af] de ruggegraad was ingegaan, tussen de 10 & 11e rib en doorgedrongen in de borst, meer dan 3 duim in de substantie der long penetrerende. deze waren alomme geweldig sterk aan ’t plura vastgegroeit. De bloeding was alerhevigst geweest en de dood was korte minuten nae de wonding gevolgt.

De moordenaar weerd vrijdag morgen in de stad gevat, hebbende die nagt nog in een herberg geslapen, menende ’s morgens vroeg de Bot[eringe]poort uit te gaan. Onderweg werd hij ingehaalt en nae veel moeite gevat.”


Koning van Holland leed aan een SOA

Geplaatst op 18 januari 2010  a

Koning Lodewijk Napoleon gold als

“een dier ongelukkigen, die de tol hunner amoureusheid levenslang moesten betalen”.

Hij had lues, oftewel syfilis, de harde sjanker. Hiertegen dronk hij aanvankelijk ezelinnemelk. Later gebruikte Zijne Majesteit het zog van een min. Deze dame zat altijd in een volgkoets, als hij ’s zomers naar buiten reed.

De ezelinnemelk en de min waren de koning aanbevolen door zijn eerste lijfarts, Matthias van Geuns, een hoogleraar geneeskunde aan de Utrechtse Academie. Van Geuns, een oud-Groninger stadsarts die nogal recht voor zijn raap kon zijn, verkeerde op vertrouwelijke voet met de koning.

Voordat Van Geuns Premier Médecin Consultant werd, ontbood de Koning hem eens met drie andere gerenommeerde geneesheren. Allemaal moesten ze hem apart onderzoeken en een eigen recept uitschrijven. Daarna moesten de heren overleg plegen om onderling tot een vergelijk te komen. Van Geuns paste hier toen voor, omdat zijns insziens een “hutspotrecept” het resultaat zou zijn. “Sire”, zei hij,

“dat is een maatregel waaraan ik mijn hond nog niet zou willen onderwerpen.”

Bron:
J.H. Sypkens Smit – Leven en werken van Matthias van Geuns M.D. 1735 – 1817 (Groningen diss.1953) pag. 132 – 138


Raadsverslagen uit een stakingsjaar

Een rondvraag over tractoren die mensen ’s nachts uit de slaap houden. Allerlei woningtoestanden van arbeiders. De aanvraag van een lokaal in de school als vergaderruimte voor de Landarbeidersbond (150 leden). Het samenscholingsverbod dat burgemeester Roelofs (een dikke boer) afkondigde. En de schuld die hij zou hebben aan de dood van Eltjo Siemens. Et cetera, et cetera.

Het zittingsjaar 1928/1929 was een ongemeen spannend jaar in de gepolariseerde gemeenteraad van Finsterwolde, waar de gevestigde orde nog vaak nipt stemmingen won met vijf tegen vier stemmen. De gedrukte officiële verslagen zijn gescand en staan op de website van het Cultuurhistorisch Centrum Oldambt. Ze zijn te bereiken door in de rechterkolom onder het kopje Archiefloket de link ‘Zoeken in collectie’ aan te klikken, om dan in het zoekvenstertje scan, gemeenteraad en Finsterwolde in te vullen.


‘Dunkles aus Finsterwolde’

Het in Luxemburg verschijnenden Escher Tageblatt  schreef op 23 november 1950 dit profiel van Finsterwolde, naar aanleiding van het voornemen om een regeringscommissaris te benoemen in die gemeente. De beoogde man was burgemeester Tuin, een neef van mijn grootvader:

Geplaatst op 11 januari 2010  a Geplaatst op 11 januari 2010  b Geplaatst op 11 januari 2010  c Geplaatst op 11 januari 2010  d

De correspondent die dit stuk schreef heette H. Bleich. Bespeur ik nu terecht een enigszins met de communisten sympathiserende toon?

Onthutsend, die vicieuze cirkel waarin de arbeiders van Finsterwolde gevangen zaten. Als werklozen werden ze communist, als communisten bleven ze werkloos.

Ik vond het bericht door met ‘Groningen’ te zoeken in de nieuwe krantendatabase van de Luxemburgse Nationale Bibliotheek.

In totaal leverde dat 191 berichten op, voor het leeuwendeel sportnieuws. Dat ging weer vooral over turnen, schaken en boksen. Wist u dat in Nederland bokstoernooien een tijdlang alleen in Rotterdam en Groningen konden worden gehouden? In andere steden waren ze verboden.

Ook zaten er wat oorlogsberichten bij, wat brandberichten, zoals over de brand van het warenhuis T.A.N.T.E. aan de Vismarkt (1939), en natuurlijk een stuk over de ontploffing van de sleepboot aan de Trompkade (1929).


IJsdrama tussen Haren en Glimmen

“HAREN den 18. Februarij. Onder de menigvuldige ongelukken, welke bij den tegenwoordigen winter door het ijsvermaak veroorzaakt zijn, is er voorzeker geen, dat grooter en meer treffend is, dan het navolgende, hetwelk, voor weinige dagen in deze Gemeente heeft plaats gehad en waardoor onderscheidene huisgezinnen in diepen rouw zijn gedompeld.

Eenige jonge lieden, van beider kunne, meest alle in deze Gemeente woonachtig, hadden zich op Donderdag den 14 dezer op schaatsen begeven, en wilden in den avond van dien dag, ten getalle van 12, wederom huiswaarts keeren. Van den kant van Haren komende namen zij de rigting over de zoogenaamde vlakte, Westwaarts Harender-Molen.

Het gezelschap had zich in tweeën verdeeld. Negen personen van hetzelve hadden zich achter elkander gevoegd, de overige drie bevonden zich op eenen kleinen afstand achter hen. Omstreeks 7 uren op het water de Broeken genaamd, zijnde een baggerwijk toebehoorende aan den heer C.H.W. Haack en achter deszelfs buitenverblijf gelegen, alwaar zij zich op een veiligen baan waanden te zijn, gekomen zijnde, had het negental het ongeluk in een opengebleven wak te storten, en door niets in deszelfs vaart gestuit voor het grootst gedeelte dadelijk onder het ijs te schieten en zoo eenen gewissen dood tegemoet te snellen.

Zeven dezer ongelukkigen hebben dan ook, op deze droevige wijze, hun leven in het water verloren. De beide anderen zijn nog gelukkig gered, hoezeer derzelver uiteinde mede zeer nabij was, en deze hebben, naast God, hun leven te danken aan den moed en het overleg van de jonge dochter Hendrikje Vos genaamd, oud 20 jaren, wonende ten huize van haren vader te Glimmen. Tot de drie personen behoorende, die achter aan kwamen, had zij gelegenheid om zich, met hare beide medgezellen, in tijds op te houden.

Op het gezigt van het verschrikkelijke schouwspel dat zich aan haar voordoet, is zij dadelijk met levensgevaar werkzaam om hulp toe te brengen, zoo veel zij kan. Maar ook slechts zij alleen kan werkzaam zijn, daar een harer medgezellen een kind was van 12 jaren die geen hulp kon toebrengen, en de andere, door de schrik bevangen, zijne tegenwoordigheid van geest voor het grootste gedeelte had verloren.

Hendrikje Vos spant echter alle hare krachten in, en, hoezeer de duisternis hare pogingen in den weg stond, had zij echter het geluk om twee harer reisgenooten, schoon voor het oogenblik bewusteloos, uit het water te trekken en van eenen zekeren dood te bevrijden. Welligt zou het haar gelukt zijn een derde persoon mede te redden, doch deze te veel van zijn bewustzijn verloren hebbende om het voorschoot, waarvan zij zich had ontdaan en waarvan zij het eene einde aan denzelven had toegeworpen, aan te grijpen, kon deze den dood niet ontgaan. Groot echter was hare aandoening over het redden van 2 hareer vrienden; doch onuitsprekelijk hare blijdschap, toen zij in een derzelver haren vollen broeder erkende. De andere geredde is een enigste zoon.

De 7 personen die verdronken zijn, zijn de navolgende: Aaltien Geerts, oud 18 jaren, Jantien Harms, oud 21 jaren, Beertien Hekman, oud 15 jaren, Jacob Pikkert, oud 22 jaren, alle vier dienstbaar onder Glimmen; Hindrik Mulder, oud 18 jaren, Harm Bouwkamp, oud 17 jaren, en Willem Kamps, oud 17 jaren, allde drie op de Punt onder Vries woonagtig.

Mogt dit droevig voorval tot voorzigtigheid leiden en vooral strekken tot waarschuwing, om zich niet in het duister op het ijs te begeven.”

Aldus een bericht dat op 19 februari 1828 in beide Groninger Couranten stond en dat naderhand bijna letterlijk in de Drentsche en Leeuwarder Couranten overgenomen werd.

Met de vlakte ten westen van Harenermolen werd de waterrijke omgeving van het Hemrik bedoeld, waar blijkbaar in het voorjaar nog lage veenderij plaatsvond. Het buiten van de heer C.H.W. Haack was het huis Voorveld. Daarachter lagen de Broeken, de lokatie van dit drama.