De Hurdrider (uit de dikke Friese duim)
Geplaatst op: 2 januari 2010 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties“t verhaal gaat dat Adam door de Groningers uitgedaagd was voor een kortebaan-wedstrijd. Op de dag van de wedstrijd was Adam echter nog nergens te bekennen. Toen al getwijfeld werd of de wedstrijd wel door zo gaan kwam de Hurdrider, vlak voor het begin van de wedstrijd, op de schaats aanzetten uit Friesland. Zonder een pauze, en zonder zelfs zijn jas maar uit te trekken, schaatste Adam de wedstrijd. De eerste rit won de Groninger. De tweede rit wond de Hurdrider maar net en ook de derde rit wist Adam maar nipt te winnen. Al snel werd hij door de Groningers bespot omdat hij maar met zo’n krappe zege won. Toen deed Adam zijn jas uit en daagde de Groninger schaatser uit voor een laatste rit. Meteen stoof hij weg naar het keerpunt. Hij keerde en was al halverwege de terugtocht toen hij de Groninger tegenkwam, die nog maar de helft van de baan afgelegd had. Na die wedstrijd moesten de spotters toegeven dat Adam Hurdrider duidelijk de snelste geweest was.”
Commentaar: Een kortebaan-schaatswedstrijd (160 meter) met een keerpunt? Nooit van gehoord. De kans op valpartijen bij het keerpunt en daarmee op onterechte winnaars is ook veel te groot. Het strijdt met het uitgangspunt dat de beste schaatser moge winnen. Daarom dient dit verhaal met een korrel strooizout te worden genomen.
Oldambtster armen droegen een D op hun mouw
Geplaatst op: 29 december 2009 Hoort bij: Familie, Geschiedenis Een reactie plaatsenAls het Groninger stadsbestuur in 1781 een nieuw diaconiereglement voor het aan de stad onderworpen, oostelijke deel van de provincie afkondigt, staat daar dit artikel in:
“Alle perzonen, door de Diaconiën onderstand genietende, en beneden de sestig jaren oud zijnde, zullen dit teeken D of een diergelijke op de linker armen moeten dragen, waar toe de Diaconen alle en een iegelijk sullen houden.”
Nog niet al te oude armelui die steun kregen, moesten dus een D op de mouw dragen, en de armvoorstanders dienden er voor te zorgen dat dit uitgevoerd werd. De bedoeling van de maatregel was duidelijk het mobiliseren van sociale controle. Iedereen kon zo zien, wie een uitkering uit de lokale armenkas kreeg, en eventueel aanmerkingen maken op verzwegen bijverdiensten, bedelarij of ander wangedrag
De maatregel zou overal in het Wold- en Klei-Oldambt, het Gorecht en Sappemeer, Wedde en Westerwolde ingang moeten vinden. Hoe het met de andere rechtsgebieden zat, weet ik niet, maar voor het Wold-Oldambt is de naleving kenbaar uit een bundeltje rapportjes dat drost De Sitter opstelde tussen februari 1786 en februari 1788.
Bijna overal in het Wold-Oldambt zat toen…
“de D wel op nieuwe, dog niet zo strict op de oude kleederen”
Eigenlijk was dat ook niet zo verwonderlijk. Wilde men immers die D ook op kleren hebben die de armen al voor 1781 in hun bezit hadden, dan moesten de armen die kleren eerst inleveren. En dat ging het gros van de diaconieën te ver.
Alleen in Scheemda en Zuidbroek leidde de praktijk tot “geen remarques” bij de drost, Daar voldeden de diaconieën “volkomen” aan het nieuwe reglement. Zuidbroek was het ambtelijke machtscentrum van het Wold-Oldambt, wat enig conformisme in de hand kan hebben gewerkt. Maar hoe Scheemda in dit plaatje paste?
Of de D nog lang op de mouwen van de Oost-Groninger armen heeft gezeten, weet ik ook niet. In elk geval voerde de kerkeraad van Beerta de maatregel veertig jaar na de afkondiging van het reglement opnieuw in. Hij besloot eind 1821 dat alle ondersteunde armen onder de zestig
“…voortaan tot zigtbaar teeken eene D van geel koord of lint op den regter arm zullen dragen, en dat zulken die weigeren mogten zich aan deze bepaling te onderwerpen, geen onderstand, hoegenaamd ook, uit de Armenkas zal ontvangen.”
Aangezien voorouders van me in Beerta woonden en er ook onderstand van de diaconie ontvingen, moeten zij met zo’n gele D op hun rechtermouw hebben gelopen.
Opmars en aftocht van de Dollard
Geplaatst op: 16 december 2009 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesIn de hoge Middeleeuwen lag er nog een landstreek met enige tientallen, naar verluidt bloeiende nederzettingen. Maar achter de kleiwallen op de zuidoever van de Eems (Amasis Fluvius) schrompelde een metershoog veenpakket langzamerhand in tot een soort van dal:
Let op Nesserland, dat schiereilandje tegenover Emden. Op zeker moment breken zee en Eems hier dwars door de kleiwallen heen en ligt het dal in het achterland min of meer open. Tussen 1400 en 1550 ontstaat zo een zeeboezem die qua vorm wel wat doet denken aan een kies met een paar flinke wortels:
Vanaf 1550 wordt die zeeboezem weer stelselmatig ingepolderd tot zeg – de bovenkroon van die kies.
Hoe de Dollard langzamerhand expandeerde en zich weer liet terugdringen, kan je in honderden pagina’s, zeer gedetailleerd opschrijven. Is ook wel gebeurd. Maar je kunt het waarschijnlijk veel inzichtelijker in beeld brengen in een filmpje van zo’n tien, twintig minuten. Kost vanwege de benodigde animaties wel een paar centen, maar dan heb je ook iets wat leuk & leerzaam is.
Bron van de kaartexcerpten
Dijkgaten gedicht met levende wezens
Geplaatst op: 10 december 2009 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties“Als men een gat in de dijk niet dicht kon krijgen, dan wierp men er een levend hondje in, bedekte het snel met aarde. Men geloofde dan dat het gat dicht zou blijven.”
Aldus de folkloriste mevrouw Huizenga Onnekes, in een rede over het gebied van de Dollard die ze op 13 april 1953 afstak, dus enkele maanden na de Watersnoodramp. Volgens haar gebeurde dat levend begraven niet in werkelijkheid, want ze noemt het een “sage, die langs de hele Noordzeekust steeds weer terug keert”.
Haar interpretatie:
“Het is een herinnering aan het oude Heidense offer. Men trachtte op deze wijze de godheid te verzoenen, want men beschouwde de ramp als een straf van Hogerhand.”
Ik heb er nog even naar gezocht in de Volksverhalenbank, maar kan het verhaal daar niet vinden. Wel doet het me aan iets anders denken: de draconische straf die in het oude Stad & Lande gesteld was op het vernielen van zeedijken. Om het Oldambster Landrecht van 1618 aan te halen:
“Alle die geene dewelcke Zee-dijcken moetwilligh doorsteken / soo dat het solt-waeter daerin loopt / sal men in dat selve gat levendigh versmoren ende bedemmen.”
Zo iemand werd dus net als dat hondje bij volle bewustzijn een constituerend onderdeel van de te repareren dijk. Dat was niet alleen in het Oldambt zo. Bijna precies hetzelfde wetsartikel is te vinden in de landrechten van Fivelingo, Hunsingo en Westerkwartier.
Of het ooit eens in de praktijk is gebracht, waag ik overigens te betwijfelen. Een beetje jammer is dat wel voor ons, nazaten. Want uit zo’n praktijk, dààr hadden nog eens sagen uit voort kunnen komen.
Bronnen:
– EJ Huizenga Onnekes – ‘In het gebied van de Dollard‘ (rede NGV-afdeling Groningen 13 april 1953), pag. 3
– Groninger Archieven, Toegang 731 (Gerechten Oldambt) inv. nr 6180 Landrecht van de beide Oldambten (druk 1654, redactie 1618), pag. 138 art. LIX
– Frans van Rossum – ‘Van Lauwerszee tot Dollard tou; 125 jaar provinciale waterstaat‘ (Groningen, 1990), pag. 60
Legendarische kapitein Abbas bekeek eigen begrafenis
Geplaatst op: 8 december 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“”Bijgeloovigheid heeft haren zetel hier geenszins”, zei de schoolmeester van Finsterwolde in 1828. Er waren maar weinig spookverhalen in zijn kerspel in omloop, en het magere repertoire spitste zich toe op een boer Abbas die “voor eenige jaren” in de buurtschap Veenhuizen leefde.
Deze boer werd kapitein Abbas genoemd, omdat hij voorafgaand aan een carrièreswitch die rang in het leger bekleedde. Als boer hield hij zijn uniform aan, terwijl hij zijn personeel “op een militairen toon” bevelen gaf. Daarom waren mensen bang voor hem. En hun angst uitte zich na Abbas’ dood door allerlei verhalen. Deze waren zo erg, dat men ’s avonds de boerderij waar Abbas gewoond had nauwelijks voorbij durfde gaan. Sommigen gingen zelfs zo ver te beweren dat ze Abbas daar na zijn dood gezien hadden. Ook deed het verhaal de ronde,
“dat Abbas, terwijl zijn naburen zijn lijk naar het kerkhof bragten om het te begraven, hij op zijne eigen woning had gezeten om hetzelve na te staren.”
Tot zover de schoolmeester. Inderdaad heeft er een kapitein Abbas in Finsterwolde geleefd, die in 1745 eigenaar was van landerijen op Hardenberg. Die man zal in 1828 al lang zijn overleden. Dat “voor eenige jaren” was dus wel een wat langere termijn, dan je zou denken. Aan de andere kant illustreert dat ook wel weer de bijzondere statuur van Abbas in Finsterwolde. Nog lang na zijn dood sprak men over hem.
—
Bron: P. Th. F. M. Boekholt e.a. – Spiegel van Groningen; over de schoolmeestersrapporten van 1828 (Assen, 1996), 293 – 294
Sint Jacob als tijdsaanduiding
Geplaatst op: 7 december 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDat Sint Jacob in Stad & Lande tot zeker medio achttiende eeuw nog een redelijk gewone tijdsaanduiding was, en dat ondanks de calvinistische weerzin tegen paapse superstitiën, wordt bewezen door twee boedelinventarissen uit de jurisdictie Selwerd en Sappemeer.
De ene is van Jannes Leffers en vrouw en dateert uit 1695. Jannes had een brouwerij en daarnaast wat veenland. Waar hij woonde staat er niet bij, maar bij een obligatie valt de naam Winkelhoek, dus zijn woonplaats zal wel Hoogezand zijn geweest. Onder andere een Harmen Lefferts stond bij hem in het krijt. De onderhandse schuldbekentenis die deze broer (?) tekende, voorzag Jannes van de datum “25 July oft St Jacob 1692”. Bij andere obligaties en schuldbekentenissen – van andere data – voegde Jannes niet zo’n extra aanduiding toe. Het is of dat Sint Jacob de memorie extra kracht moest bijzetten. Niet dat het hielp, want bij de renten bleek Harmen alle drie jaren rente nog schuldig. In die post werd de vervaldatum nog eens Sint Jacob genoemd, terwijl de gewone datum hier zelfs werd weggelaten.
De andere inventaris is van de Harener boer Hindrick Wolters en dateert van 1745. In zijn geval heeft de schulte van Haren een boeldag gehouden en moeten de sommen gelds die geboden zijn uiterlijk met Sint Jacob betaald zijn. Omdat het de schulte en diens gerechtsdienaar zijn die de inventaris schreven en ondertekenden, mogen we aannemen dat de tijdsaanduiding Sint Jacob zelfs in bestuurlijke en ambtelijke kringen nog gangbaar was.
Basselonise doeken, krolnebde schuivels, kreeftsogen en beulszalf
Geplaatst op: 6 december 2009 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesAls de winkelier Harm A. Braam, en zijn vrouw Annigje Writzers in 1799 beide overleden zijn, maken de voogden over hun minderjarige dochter een inventaris op van Braams winkel in Kiel-Windeweer.
Het was, zoals in die tijd gebruikelijk, nog echt een magazijn met van alles en nog wat. De inventarisatoren brachten weliswaar drie hoofdstukken aan – winkelwaren, ijzergoed en kruidenierswaren – maar menigmaal weken ze van hun eigen indeling af, zodat je mag aannemen dat de zaken ook in werkelijkheid nogal door elkaar heen lagen en dus niet zo gemakkelijk te scheiden waren als ze wilden.
Met de winkelwaren bedoelden ze vooral manufacturen: kousen, sokken, linten, knopen, gespen, garen, band, kammen, vingerhoeden, gaas, neteldoek, linnen, katoenen, vijfschachten, karzaaien, kalminken, broekstreep, katindezak, baaien en bombazijnen. Interessant is vooral de internationale herkomst van veel van dit spul. Je had bijvoorbeeld Veelse kousen (uit Westfalen), en soorten linnen uit Bijleveld en Warendorp (Bielefeld en Warendorf ten oosten van Münster). Bovendien verkocht het echtpaar Braam bontgoed en doeken uit Harlingen, Haarlem, Rouaan en Barcelona (“Basselonise”), terwijl er naast de Oostindische katoentjes en sitzen ook Hollandse en Engelse te koop waren en bovendien Londense kamelot.
Tussen de ellewaren door treffen we al snuif- en andere tabaksdozen op de inventaris aan. Eigenlijk hoort dat spul in het hoofdstuk ijzerwerk, dat begint met paar honderd blikken pijpendoppen die op het veen en schepen het brandgevaar moesten bezweren. Trommen, koffie- en andere potten, koffiemolens, lampen, lantaarns en gereedschappen als klinkhamers, nijptangen, vijlen, boren en beitels behoren mede tot het metalen assortiment, evenals sloten, scharen, asschoppen, spijkers, nagels, zwanehalzen (van koper), bierkranen, inktkokers, boterpotten, lepels, vorken en messen (Zwolse en Engelse). Intussen treffen we een uitstalling van borstelgoed aan: kwasten, witters, bezems, boenders en luiwagens, naast griffels en pijpen, In dit hoofdstuk ook, hoewel van hout, meer dan 100 paar klompen, terwijl er bovendien op kopers werd gewacht door 24 paar “krolnebde schuivels”, oftewel schaatsen met een krul in de punt (kosten 10 stuiver per paar, ruim een dagloon voor veel mensen).
Tussen de stoffen bevinden zich al wat kruiden en “lodderanjen” (lodderein of Eau de la Reine), terwijl de opsomming van het ijzergoed Fremdkörper als stokvis en Haarlemmerolie kent. Onder de titel van de kruidenierswaren vinden we dan gort, tweebakken (beschuiten), meel, kaneel, peper, nootmuskaar, chocolade gember, komijn, koffie, pruimen, vogelzaad, kaas, krenten en rozijnen, zeezand en schelpzand, olie, azijn, potas, kandij, papier en klaverzaad. Verder diverse verfstoffen zoals Fries en Spaans groen, Berlijns blauw en Engels rood. En daar weer tussendoor diverse populaire geneesmiddelen, zodat de zaak van Braam ook nog eens iets van een drogisterij had.
Op basis van de middeltjes, zou je bijna een Kielwindeweerster kwalenlijst kunnen opstellen. Bijna, want niet van ieder middel valt met hulp van het WNT en internet thuis te brengen. Dit is de lijst:
- gensiaanwortel (gentiaanwortel, eetlustopwekkend en voor maag en ingewanden)
- mieke of wieke besilken (???)
- holwortel (kalmerend en verdovend, tegen spiersamentrekkingen)
- venegriek (fenegriek, ontstekingsremmend en aderversterkend)
- bakelaar (nonspecifiek voor – eetlustopwekkende – bittere kruiden)
- wormkruid (in olie, als poeder of als destillaat tegen wormen)
- grain (???)
- rabarber (oorspronkelijk uit Barbarije of Azië, gebruikt als purgeermiddel)
- tijlonij (tijloosknol – ontstekingsremmer, tegen rheuma, geelzucht en kiespijn)
- drieakel (triakel, ook theriakel, bekend panacee tegen allerlei kwalen)
- kremerlartrij (waarschijnlijk kwamen de voogden er hier niet uit, kramerlatijn voor geheimtaal?)
- kreeftsoge (lensvormige kalkvormingen uit de maag van een rivierkreeft, werkzaam gehouden tegen nier- en galstenen en oude zweren, tevens verwerkt in oogwaters en tandpoeders)
- alewee (aloë, droge stof, verkregen door inkoking van aloë-sap, gebruikt als laxeermiddel)
- kattarm salve (van cathartisch? zuiverend, reinigend)
- Spaanse vliegen salve (uitwendig toegepast bij inwendige ontstekingen en pijnen zoals in de keel, de knie etc.)
- lapdelon zalve (???)
- palm zalve (zalf op bazis van palmolie)
- drieakel gom (zie boven)
- me laoden zalve (???)
- beuls zalve (zalf voor wonden, mogelijk gekocht van de Groninger scherprechter mr. Snijder)
Sinterklaas in Drenthe
Geplaatst op: 5 december 2009 Hoort bij: Geschiedenis 5 reactiesCompilatie van beelden, bewaard in het Drents Archief en afkomstig uit Zuidlaren, Sleen, Gasselte en Gieten. Zwartwit vanaf 1947 en met valse kleuren uit de jaren ’70:
De Geuzenkeutel (2) – waar lag hij?
Geplaatst op: 2 december 2009 Hoort bij: Geschiedenis 8 reactiesIk had een mazzeltje. Ik googelde wat op Onnen binnen de website van de Groninger Archieven, en een van de stukken die daarbij tevoorschijn kwamen was een aankomsttitel van twee akkers bouwland genaamd “de Goestkeutel” op de Onner Es, in 1860 op een veiling gekocht door iemand uit de familie Quintus.
De Goestkeutel, dat moest een verbastering zijn van de “Guse Keutel” of Geuzenkeutel uit de jaren 1721-1742. Uiteraard dat stuk bekeken. Er stond in dat de verkoper, een boerenweduwe uit Onnen, en wijlen haar man de percelen hadden verkregen op een veiling die eind 1819 plaatsvond. Intussen was het kadaster ingevoerd. Omdat het niet eerder na de invoering van het kadaster vervreemd was, droegen de akkers nog de oorspronkelijke kadastrale nummers,
Uiteraard ook de acte van 1819 opgezocht. Daarin heet het land nog de “Geuse Keutel”, wat heel dicht bij mijn naamsverklaring zit.
Vervolgens met enig vloeken en zuchten de kadastrale nummers Haren sectie G (3) 531 en 535 opgezocht op de oudste kadasterkaart bij WatWasWaar. De percelen bleken dichterbij Glimmen te liggen, dan bij Onnen. Omdat de Rijksstraatweg (1828) door de omgeving kwam en ook de spoorlijn Assen – Groningen (1869) met later een uitwaaierend rangeerterrein, was de boel nogal grootschalig op de schop gegaan, ook door secundaire wegomleggingen, ontginningen en ruilverkavelingen overigens. Maar door het kaartbeeld van 1828 te vergelijken met dat van begin twintigste eeuw, en dat weer met de huidige situatie, viel er toch uit te komen.
Dit is de lokatie van de Geuzenkeutel op de kaart van begin twintigste eeuw:
De percelen Geuzenkeutel, in fuchsia, lagen in tamelijk geaccidenteerd terrein tussen het Landakkerveen (ook wel Langakkerveen) en Het Veentje (als je het mij vraagt een pingoruïne).
Geprojecteerd op het huidige satellietbeeld blijken de percelen te liggen tegenover het spoorviaduct van Onnen, of, meer precies, tegenover de driesprong van Viaductweg, Dalweg en Gieselgeer:
Nog even op de conventionele kaart:
Bronnen: RHC Groninger Archieven, Toegang 1464 (archief van de familie Quintus) inv. nr. 168. En Toegang 1870 (archief notaris Herman Trip) inv. nr. 93: de veilingacte met nummer 527 van 23 december 1819.
Geuzenkeutel
Geplaatst op: 1 december 2009 Hoort bij: Geschiedenis 6 reactiesOok al zit het stuk uit 1742 in de serie boedelinventarissen van het gerecht Selwerd en Sappemeer, het is eigenlijk helemaal geen boedelinventaris. Eerder is het puur een lijst van onroerende goederen. Deels heeft Willem Pauwels, woonachtig op de boerderij Westerhuis onder Onnen, dat vastgoed twintig jaar eerder geërfd van zijn moeder Jantien Schuiringe. Voor een ander deel is het afkomstig van wijlen zijn vrouw die uit Haren afkomstig was.
Het is een lange lijst, met flink wat veldnamen. Een daarvan springt er uit: de akker bouwland, groot 1 mud, die Willem als nummer 17 op zijn lijst opvoerde onder de naam
“de Guse Keutel”
Wat zou dat nou toch zijn?
Jan Naarding, die in 1953 een artikel over veldnamen van Onnen schreef, en daarbij hevig speculeerde over een Friese oorsprong van dat dorp, noemt de veldnaam niet. Wel kwam hij de Keutelbulten tegen, Die bracht hij in verband met de keuters, de kleine boertjes van het dorp die geen waardeel (aandeel) in de collectieve boermarke hadden en deels als arbeiders in dienst waren van de grote boeren. Keutelbulten, zegt Naarding,
“kan een spottende vervorming zijn van keuterbulten; het slechtste land, door de gewaardeelden niet gebruikt, bleef over voor de keuters!”
Naarding vond de verklaring kennelijk zelf al wat gezocht, en bood daarom tevens een alternatieve aan:
“Maar misschien mogen we ’t eerste lid ook in verband brengen met de talrijke sporen van konijnen op en bij die bulten, hoogten.”
Tot zover Naarding, die er wat mij betreft met zijn tweede verklaring dichterbij zat, dan met zijn eerste. Maar niet dichtbij genoeg.
Het zal intussen volstrekt duidelijk zijn dat “Guse Keutel” de oudste rechten heeft, en dat de naam “Keutelbulten” daar waarschijnlijk van afgeleid is. Maar waar staat Guse Keutel voor?
Over dat keutel kan wat mij betreft geen misverstand bestaan, dat is gewoon een excrement. Om de definitie van het WNT aan te halen:
“…dikwijls hard en gedrongen stuk of eind drek (van menschen); vaste, harde drekbal, drekklomp (van groote dieren); drekklompje, rond of langwerpig-rond drekballetje (van schapen en geiten, kleine knaagdieren, enz.”
Nu zagen de Onnenaren dergelijke voorwerpen afkomstig van schapen, geiten en kleine knaagdieren bijna dagelijks en dat op allerlei plekken. Dat onderscheidde de naar de keutel vernoemde akker niet. Die keutel was dus waarschijnlijk afkomstig van een mens, en dan een bijzonder mens.
Nee, niet iemand met de naam Guus, Want Guzen liepen hier nog niet rond.
Wel doet dat Guse denken aan een meervoudsvorm. En aangezien eu’s in de streektaal vanouds nog wel eens naar een ü verglijden (denk maar aan euro > uro) vermoed ik dat de Onnenaren er ter plaatse ooit door een keutel zijn achtergekomen dat er geuzen hadden gebivakkeerd.
De vernoeming van het akkertje hield de herinnering aan de geuzenkeutel en het bijbehorende verhaal over een vergeefse achtervolging door de Spanjolen nog tot in de achttiende eeuw levend. De naam ging op zich verloren en in de twintigste eeuw wees alleen het relict Keutelbulten er nog op, dat hij ooit had bestaan.
Bron: Groninger Archieven, Toegang 730, inv. nr. 786 ‘Boedelinventaris van Jantjen Schuiringe’, 1742
Totebel
Geplaatst op: 28 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis 8 reacties
Van de week zag ik in een veilingcatalogus van Sotheby een schilderij van ene Nicolaas Riegen (19e eeuw), waarvan dit hierboven een fragment is. Het doek heet: palingvissen.
Het plaatje hielp mij van twee misverstanden af. Ten eerste wist ik niet dat je vanaf een kleine boot met zo’n totebel kon vissen. Ik dacht dat je voldoende ruimte moest hebben om die hefboom omhoog te kunnen trekken.
Ten tweede dacht ik dat je er geen paling mee kon vangen. Maar zo’n totebel is een fijnmazig net, blijkt uit de gelinkte definities.
Tegenwoordig schijnt zo’n kruisnet verboden te zijn. Heeft iemand er wel eens mee zien vissen?
Van Giffen-filmpje
Geplaatst op: 26 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesFilmpje, dat indertijd te zien was bij Professor van Giffen & het Geheim van de Wierden. Van Giffen is zo intens met de opgraving in Ezinge bezig, dat hij de werkelijkheid van 433 voor Christus binnentreedt:
+ Nog een ander filmpje, dat op dezelfde tentoonstelling te zien was: over het paardengraf van De Bouwerd.
Hoe een boerderij in Beerta aan haar gracht kwam
Geplaatst op: 19 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieDe boer Eltie Unekes, meier van een stadsplaats in Beerta, wordt in het vroege voorjaar van 1722 en wellicht al wat langer met verschrikkelijke moord- en brandbrieven bedreigd. Het nachtwaken martelt hem en de zijnen af. Unekes vraagt het stadsbestuur, eigenaar van zijn grond, of hij een gracht om zijn huis mag laten graven.
Dat vindt het stadsbestuur goed, maar die gracht moet dan wel minimaal 22 voet (ruim 6 meter) breed zijn. Vanwege de graverij krijgt Unekes een half jaar kwijtschelding van zijn landhuur. Bovendien mag hij twee honden nemen. Overdag moeten die dan wel aan de ketting liggen.
—
Bron: Rekest (verzoekschrift) aan en apostille (kantbeschikking)van het Groninger stadsbestuur, geregistreerd op 20 maart 1722.
Krant komt op voor het prestige van de politie
Geplaatst op: 18 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties(Winschoter Courant 14 september 1894)
(Winschoter Courant 16 september 1894)
Alleen buitenstaanders betaalden imegeld
Geplaatst op: 17 november 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Door te googelen op bijen binnen de inventarissen van RHC de Groninger Archieven, vond ik zes losse stukken over imegeld: een willekeur uit Sellingen, een bevelschrift uit Winsum-Bellingeweer en drie ingewilligde rekesten van Oldambster kerspelen. Allemaal komen ze uit de achttiende eeuw. Hieronder behandel ik elk stuk apart, om daarna wat meer algemene conclusies te trekken..
Sellingen, 15 augustus 1712
Eigenerfden en belanghebbenden van het kerspel Sellingen stellen een lokale verordening vast,
“dat alle diegeene soo eenige vrembde Jmen van buiten uit het Oldampt of elders setten”
op Sellinger bodem, drie stuivers per korf moeten betalen. De ene helft van de opbrengst is bestemd voor de diaconie, de andere voor de kerk, dus de kerkvoogdij. Bovendien mogen degenen op wier grond de korven staan nog een stuiver per korf vragen.
Die van Sellingen volgen hiermee het voorbeeld van de kerspellieden van Vlagtwedde, die toestemming voor een dergelijke heffing kregen van het Groninger stadsbestuur, dat het voor het zeggen heeft in Westerwolde.
Winsum-Bellingeweer, 21 april 1777
Op hun verzoek krijgen de ingezetenen van Bellingeweer van de lokale rechter van Winsum en Bellingeweer toestemming om
“wegens ieder korf buitenlandsche bijen of ijmen ten profijte van voorschreven diaconije te mogen bedingen eene stuiver. En zullen dezelve het getal der korven, zoo door buitenlanders op voorschrevene conditie bij hun worden geplaatst aan de boekhouder van de respective diaconye moeten opgeven en gemelde korven niet laaten vaaren voor dat de bedongene stuivers door de eigenaren zijn voldaan.”
Met andere woorden, hier heb je de van Noordbroek bekende tax van 1 stuiver per korf. Deze moet in Winsum worden betaald door “buitenlanders”, waaronder je zowel mensen van buiten de jurisdictie als van buiten de Ommelanden of de provincie zou kunnen verstaan. Maar de betaling geschiedt waarschijnlijk indirect. Want degenen op wier grond de ‘buitenlandse’ korven staan, zijn verplicht daarvan aangifte te doen bij de diaconie. Bovendien mogen de grondbazen de korven niet laten gaan voordat er betaling geschied is.
Wildervank, 3 september 1776
De boekhoudend diaken van Wildervank memoreert bij de drost van het Wold-Oldambt dat zijn armenfonds een jaar eerder, op 11 september, toestemming van diezelfde drost kreeg
“om van ieder korf ymen, van buiten wordende ingebracht, te mogen vorderen 2 st[ui]ver en in cas van wanwilligheit der voldoeninge de ymen te mogen arresteren”.
Zo’n geval doet zich nu voor inzake de nalatige Jacob Braam. De boekhoudend diaken vraagt de drost om honorering van een “mandaat van arrest”, d.w.z. een machtiging om tot beslaglegging over te gaan. Volgens de kantbeschikking van de drost op het verzoekschrift geeft hij inderdaad die machtiging.
Nieuwolda, 23 mei en 6 juni 1780
De collector (belastinggaarder) Jacob Syses, geeft namens de diaconie van Nieuwolda aan de drost van het Wold-Oldambt te kennen…
“…hoe dat sommige van hun ingeseeten eenige korven met bijen uit andere Jurisdictieën zijnde gekoomen op hun grond hebbende, en daar voor het ordinaire geld aan de Diakonij ter plaatse competeeren, namelijk 1 stuiver per corv, aan dezelve weigeren te betaalen. Waar in de rem[onstran]ten sustineeren geensints wel behandelt te worden…”
Met andere woorden: sommige ingezetenen hebben bijenkorven van elders op hun grond staan, maar weigeren de gebruikelijke tax van een stuiver per korf aan de diaconie te voldoen. Daarom verzoekt de diaconie aan de drost om een algemene lastgeving.
Na een onderzoek geeft de drost de diaconie van Nieuwolda toestemming om de inwoners ter plaatse ieder jaar aan het begin van mei door kerkenkondiging aan de regeling te herinneren. Die regeling bestaat eruit dat alle inwoners van Nieuwolda die op hun tuinen, landen of hemen bijen hebben staan,
“aen persoonen buiten het carspel behorende”
verplicht zijn om voor iedere korf van die vreemdelingen een stuiver te innen, die bestemd is voor de diaconie. Deze gelden moeten de inwoners voor 1 november elk jaar aan de diaconie hebben betaald. Als ze dit niet doen kan de diaconie een onderpand bij ze weg laten halen.
Aan de andere kant legt de drost de diakenen de verplichting op om elk jaar voor 1 juni een inventarisatie te maken van degenen op wier terreinen de vreemde bijenkorven gezet zijn.
Finsterwolde, 29 juni 1784
De diakenen van Finsterwolde vertellen de drost van het Wold-Oldambt
“hoe des jaarlijks vele honderden korven met imen alhier worden gezet”.
Graag zouden ze daarvan, net als andere kerspelen van het Wold-Oldambt, een stuiver per korf heffen voor de armen, “wiens aantal groot is”. Maar omdat ze wel eens onaangenaam bejegend zijn bij de invordering van het imegeld, vragen ze expliciet om toestemming van de drost voor de heffing. Deze krijgen ze. Ze mogen van degenen
“bij wien vreemde korven geplaatst worden”
een stuiver per korf “stedegelt” eisen voor de armenkas. Deze beschikking mogen ze bovendien voortaan elk jaar in de kerk van Finsterwolde laten afkondigen..
CONCLUSIE
Veel van deze stukken gaan over de rugdekking die diaconieën van plaatselijke rechters vroegen en kregen voor de heffing van het imegeld. De inning sprak niet helemaal vanzelf. Er was wel eens oppositie tegen.
De rechters bepaalden daarbij vaak hoe de inning van het imegeld moest plaatsvinden. In Winsum zijn de grondbazen verplicht om aangifte van de korven op hun grond te doen bij de diaconie. Bovendien mogen ze de korven niet laten vertrekken voordat er voor ze betaald is. in Nieuwolda is zelfs expliciet geregeld dat de grondbazen het imegeld in eerste instantie moeten innen. De deadline voor afdracht is hier 1 november, wat sterk doet denken aan de novemberposten in de diaconierekeningen van Noordbroek. Ook in Finsterwolde zijn de grondbazen de door de diaconie aan te spreken partij. In Nieuwolda kan de diaconie een onderpand laten halen bij een wanbetaler, en in Wildervank is er zelfs een reële beslaglegging op korven. Om te zorgen dat de regelingen in elk geval als bekend verondersteld mogen worden, is er aan het begin van het bijenseizoen steeds een kerkenkondiging, zoals blijkt uit de voorbeelden van Finsterwolde en Nieuwolda.
De bestemming van het imegeld is overal de armenkas, alleen in Sellingen deelt de kerk mee in de opbrengst. Daar (en in Vlagtwedde) is het imegeld ook het hoogst: 3 stuivers per korf. In Wildervank bedraagt het 2 stuivers en in Winsum, Nieuwolda en Finsterwolde 1 stuiver de korf, net als in Noordbroek. Waar veel heide is, op zand en veen, is de tax blijkbaar hoger dan op de klei. Wellicht heeft men daar ook wat meer verlet om het geld.
Maar wat het allermeest opvalt, is dat het niet om korven van ingezetenen gaat, maar om korven van buiten het eigen kerspel. In Sellingen zijn het vooral korven uit het Oldambt, in Winsum gaat het om “buitenlandse” korven, in Wildervank om korven van buiten, in Nieuwoldas om korven “uit andere Jurisdictieën”, en in Finsterwolde om “vreemde korven”.
Dat was niet te merken aan de Noordbroekster diaconierekeningen, maar daar toch waarschijnlijk ook het geval. Het imegeld valt dan te beschouwen als een poging om een graantje mee te pikken van het periodieke verkeer van bijenkorven tussen de verschillende drachtgebieden (met bloeiend koolzaad, klaver, boekweit, heide enz.).
Als het imegeld inderdaad ook in Noordbroek louter van buitenstaanders gevergd is, dan komen de cijfers daar ook in een heel ander daglicht te staan. De gemiddeld 200, 300 vreemde korven die daar in de drie laatste decennia van de achttiende eeuw staan, vormen dan slechts een deel van het totale korvenbestand. Aangezien je mag aannemen dat de inboorlingen veel meer korven hadden staan, mag je het totale aantal bijenkorven dat gedurende die periode zo’n beetje jaarlijks in Noordbroek stond, schatten op minstens 600.
BRONNEN
- Alles in het RHC de Groninger Archieven:
Toegang 528, Familie Hesse (1), inv nr 122
Toegang 333, Hervormde gemeente Winsum, inv. nr. 162
Toegang 731, Rechterlijke Archieven Wold-Oldambt, inv. nr. 6161
Toegang 232, Hervormde Gemeente Finsterwolde, inv.nr. 2, notulen kerkeraad pag. 8 dd februari 1784.











Recente reacties