Ime, yme, iem, imme, yemken

Geplaatst op 16 november 2009  a

“Het woord Imen kende ik niet, imker natuurlijk wel. Is het Gronings?”,

vroeg Aargh laatst.

Daar was ik ook wel nieuwsgierig naar. Ik keek even in het WNT, maar de oud-Groningse spellingsvarianten ime en yme leken er niet in voor te komen. Ik nam dus aan dat het streektaal was, Nedersaksisch, al zou het ook een Fries relict kunnen zijn.

Dat was iets te snel aangenomen, blijkt me nu. De zoekwoorden ime en yme leverden weliswaar niets op in het WNT, maar er blijkt ook nog de variant iem te zijn. En op die pagina geeft het WNT een verwijzing naar imme, wat staat voor

“een bijenzwerm; een bijenvolk met de korf te zamen”.

Bij zo’n WNT-lemma moet je voor de contextuele duiding altijd even onderaan de pagina kijken. Daar staat wanneer zo’n lemma precies geschreven is. In dit geval dateert het van 1908. Over de verspreiding van het woord imme op dat moment zegt het WNT:

“Thans slechts in het oosten van Noord-Nederland in gebruik.”

Toch komen de erbij gehaalde historische voorbeelden uit een veel groter gebied: Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht en Zeeland. De vorm ‘iemen’ zou in Overijssel voorkomen. Maar in Drenthe evenzo, getuige het aangehaalde over een “jonge Yme ofte Zwerm” uit het Drents Landrecht van 1614. Wel vreemd dat een query binnen het WNT op yme je dan niet bij ’t lemma imme brengt.

Voorbeelden van imme met een korte i geeft het WNT uit het westen van Gelderland (1889) en uit Utrecht (1614), terwijl de tevens aangehaalde ‘Zeeusche Nachtegael’ uit 1623 het heeft over

“een Yemken uyt den gront van een bloemken”,

Imme lijkt dus vooral een term uit Utrecht, en, neem ik bijna voetstoots aan, Holland. Als mijn intuïtie me dit keer niet bedriegt, heeft het WNT bij het lemma imme een voorkeur voor het taalgebruik in de machtigste regio van Nederlaand.

Dit allemaal opschrijvend, valt me ineens in de zin, dat iem oorspronkelijk wel eens een onomatopee geweest kan zijn. Neurie maar een een i met de lippen op elkaar en je bent sprekend een bij. Met imme is dat veel minder het geval. De taalvorm die de voorkeur kreeg, stond het verst af van de taalgenererende situatie.


Geen brood zonder preek in Beerta (1756)

Dominee Lubbers vernam dat enige van de arme lieden – dwz door de diaconie ondersteunden – weinig of niet in de kerk kwamen en hun kinderen ook niet naar school stuurden zoals het hoorde…

“waar op de Kerkenraad met eenparige stemmen besloten heeft dat men die menschen die zonder nootzake de middelen der Genade bleven verwaarlozen, so lange het brood zoude onthouden, tot dat zij zig beterden door neerstig zig tot het gehoor van Gods woord te begeven, en haar kinderen ter school deden gaan, dewijl de Kerkenraad oordeelde so wel te moeten sorgen voor de behoudenis der zielen, als der lighamen van die an haar opzigt toevertrouwd zijn.”

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 206 (archief hervormde gemeente Beerta (1) 1596 – 1924), inv. nr. 1,  kerkeraadshandelingen, de notitie dd 3 december 1756.


Smet op zondag in Finsterwolde (1818)

“Onderzoek gedaan zijnde, naar den staat der gemeente, gaf de Predikant aan de vergadering zijne droefheid te kennen, dat, schoon het grootste gedeelte der Gemeente den dag des Heeren godsdienstig vierde, er echter sommigen gevonden werden, die, in weerwil der uitdrukkelijke bevelen van Z.M. de Koning, dien grootelijks ontheiligden, door het buiten enige noodzaak verrigten van dagelijksche bezigheden.
Men vond goed, dat er hier omtrent van den predikstoel eene ernstige vermaning aan de Gemeente zoude worden gedaan.”

Met andere woorden:
De meeste dorpelingen waren goed bezig, op zondag, en voerden geen klap uit. Alleen hield je altijd een paar etterbakken over die alle sociale controle aan hun laars lapten. Die kregen het vanaf de kansel ingepeperd. Of dat hielp, is de vraag, want als je op zondag aan het werk was, ging je natuurlijk niet naar de kerk.

Bron:
RHC Groninger Archieven, Toegang 232, Hervormde Gemeente Finsterwolde, inv.nr. 2, notulen kerkeraad d.d. 2 september 1818.


Noordbroekster imegelden

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Ik zocht naar een sterfgeval in de twee oudste bewaard gebleven diaconieboeken van Noordbroek en noteerde tegelijk voor hoeveel korven er imegeld aan de plaatselijke armen werd betaald. Voor elke geplaatste korf bijen bedroeg dat imegeld een stuiver, een zeer bescheiden tax, als je beseft dat een volle korf bijen een rijksdaalder deed. Omdat de tax tot haar afschaffing gelijk bleef, laat het aantal korven zich ook berekenen, als er alleen een som geld in de rekening staat.

Vanaf 1800 staat er geen imegeld meer in de boeken. En dus loopt de serie van 1769 tot en met 1799. Maar enkele jaren, te weten 1779, 1793 en 1795 vallen er tussen uit. Mogelijk komt dit door nalatigheid van de diakenen.

Als er een datum bij de posten staat is dat vaak een dag in november, vlak voor de traditionele sluiting van de rekening in december. Dat betekent dat de diakenen veelal pas na het bijenseizoen de imegelden inden. Op dat moment wisten de imkers ook hoe hun seizoen geweest was. Wellicht werd daar rekening mee gehouden. Een iets minder populaire inningsmaand was juni, vlak na het zwermseizoen.

Geplaatst op 14 november 2009  b

Door alle jaren heen stonden er, voor zover bij de diaconie bekend was, gemiddeld zo’n 200, 300 imegeld opbrengende korven met bijen in het kerspel Noordbroek (inclusief Noordbroeksterveen, Stootshorn, Korengast en Noordbroeksterhamrik). Wel zijn er aanzienlijke fluctuaties, ook bij individuele imegeld-betalers. Neem Sebo Jans:

  • 1774: 100 korven
  • 1775:  –              (niet genoemd)
  • 1776: 110 korven
  • 1777:  –              (niet genoemd)
  • 1778: 140 korven
  • 1779:  –              (helemaal geen imegeld genoteerd)
  • 1780:  70 korven
  • 1781:  60 korven
  • 1782:  60 korven
  • 1783:  –             (niet genoemd)
  • 1784: 20 korven
  • 1785: 16 korven
  • 1786: 30 korven
  • 1787: 17 korven
  • 1788: 20 korven
  • 1789: 20 korven (laatste melding)

Het valt moeilijk te geloven dat Sebo in de jaren 1770 van het ene op het andere jaar zo varieerde in zijn imkerij. Waarschijnlijk komen die fluctuaties ook weer door slordigheid in de inning. In 1778 betaalde Sebo inderdaad twee maal imegeld, een keer voor 50 en een keer voor 90 korven, zodat de ene post waarschijnlijk het achterstallige over 1777 betrof. Opvallend zijn ook de ronde getallen die Sebo eerst steeds opgeeft. Waarschijnlijk wist hij aan het eind van het seizoen nooit meer, hoeveel korven hij precies had staan. Als hij later afdaalt tot het niveau van een hobby-imker, wordt hij wat preciezer in zijn opgaven.

In elk geval kan je van jaar tot jaar niet al te harde conclusies trekken uit de grafiek. Wel lijkt de animo in Noordbroek voor de bijenhouderij aan het eind van de achttiende eeuw wat afgenomen. Ook zijn de pieken in de jaren 1780 – 1782 onmiskenbaar. Door de vierde Engelse oorlog zat de zee dicht, kwam er weinig suiker binnen, en schoot de prijs van honing omhoog, met het gevolg dat de imkerij een stuk rendabeler werd.

Vervolg: imegeld werd alleen betaald door imkers van buiten het kerspel.


Zeven Kostverlorens in Groningerland

Deze week is het aantal bekende Kostverlorens in Groningerland, te weten deze drie:

  • Kostverloren bij Finsterwolde. Volgens de site van rtv Noord verwijst de naam naar slechte grond “waarop de kost verloren gaat”. Wikipedia geeft een plausibeler verklaring. In 1701 werd er een afwateringssloot gegraven, die naderhand overbodig bleek. De kost was verloren, er kwam geen baat van. De investering leverde niets op.
  • Kostverloren als verdedigingswerk van de vesting Delfzijl – als dit werk verloren ging, was de kost verloren.
  • Kostverloren als wijk in de stad: genoemd naar een herberg, maar waarom heette die dan zo?

Met nog eens drie vermeerderd:

  • Kostverloren bij Winschoten. Hier had de chirurgijns- en tichelaarsfamilie De Jonge percelen in eigendom, waar in 1774 een aangeplant bos op stond.
  • Kostverloren bij Noordlaren, bouwland in de buurt van de Pollseweg
  • en Kostverloren bij Onnen, bouwland in de buurt van Felland en Tijdverdrijf.

Ik vond ook nog een zevende:

  • Kostverloren bij Sappemeer, waar schulte Rudolph Julsingha en vrouw in 1739 twee stukken veen en ondergrond hadden in “Kost Verloor”.

Ik dacht dat het puur een eigennaam was en dat hij daarom niet in de WNT zou staan, maar dat bleek een onderschatting van dit onschatbare woordenboek. Kostverloren, zegt het, is een

“…benaming voor verschillende zaken waarvan de kosten als verloren moeten worden beschouwd, hetzij de zaak deze kosten niet opbrengt, hetzij ze slechts een voorloopige bestemming heeft.”

Als eigennaam, aldus het WNT, is de term verbonden aan “bepaalde verdedigingswerken, wegen, sluizen, wateren, buitens enz.”, waarbij het verwijst naar een geschrift van Bredero uit 1612. De verbinding met een herberg, zoals aan de Friesestraatweg bij de stad Groningen, ligt besloten in een citaat uit het werk Bacchus van de dichter Jan Pietersz. Pers:

“Het vierde (land is) Sint Reyn-uyt, daer Kael-bil, Al-verbrast, Aen Kostverloren schiet, en is aen Calis vast”

Vervolg: de achtste Kostverloren, te Marum.


Veldnamen van Haren

Stel je zou de oude veldnamen van Haren willen verzamelen. Dan ga je natuurlijk niet in Oldambster archieven kijken, maar in die van Selwerd en Sappemeer. En toch bevatten die van het Oldambt de boedelinventaris van Anna Maria Warmolts, uit 1756. Zij was niet alleen de vrouw van dominee Jan Suilman Themmen van Nieuw Scheemda, maar ook de zuster van Gezworene Roelof Warmolts op huize Hemmen bij Haren. En samen hadden zus en broer nogal wat ouderlijk onroerend goed bij Haren. Onderverdeeld in akkers bouwland, min of meer recent ontgonnen kampen èn matten hooiland ging het om:

BOUWLAND

  • in de Vijgenkorf
  • de Broekakker
  • op de Zandbrink

KAMPEN

  • de Luisebargh (waarschijnlijk hooiland)
  • het Velt (waarschijnlijk hooiland)

HOOILAND

  • de Luisebarg
  • het Rak
  • over de Zijl (bedoeld wordt het Harenerzijltje ten oosten van Haren)
  • de Blauwe Ven (tevens weide)
  • het Broek
  • het Harten Camp

Vooral die Luisebarg oftewel Luizenberg intrigeert me. Harenaars, de waarheid moet er maar uit, ik denk niet dat deze heuvel naar een Louise genoemd is,


Veldnamen van Noordlaren

Geplaatst op 5 november 2009  a

Hindrick Sijbring was de broer van de Gorechter gezworene Jan Sijbring. Samen hadden ze een boerderij. Op de boedelinventaris van Hindrick uit 1703 staat onder dat huis een lange lijst met veldnamen.

Hoewel de woonplaats van Hindrick niet genoemd wordt, laat zich Noordlaren herkennen aan een paar nu nog bestaande namen zoals de Pollse Weg en ’t Besloten Veen. De lijst van Hindricks percelen is onderverdeeld in akkers (op de es), weiden, en hooi- of madelanden. De eersten lagen het hoogst en waren het droogst, de laatsten lagen het laagst en waren het natst. Als liefhebber geef ik de namen hier weer, misschien dat iemand uit Noordlaren er ooit nog eens wat aan heeft bij een onderzoek naar lokale toponiemen.

AKKERS

  • lijn acker – 3 maal (dit zijn kleine perceeltje met vlas)
  • loo acker (ontbost terrein?)
  • tafel acker – 2 maal
  • krum paelsche acker (naar een kromme paal)
  • werelsche acker
  • del acker (relatief laaggelegen)
  • steenbeergh acker (bij het hunebed?)
  • bergh acker – 2 maal (lag er een grafheuvel op de es?)
  • hestinck
  • suijdnoort
  • veld acker (dichtbij het veld oftewel de heide gelegen)
  • lange toght acker – 2 maal (bij een tochtsloot?)
  • polsche wegh acker (de Pollseweg dus)
  • kost verloor (Kostverloren, mogelijk was hierin vergeefs geïnvesteerd)
  • rijsbergh of rijsebergh – 2 maal (op glooiend terrein)
  • boonsche acker
  • poel acker (bij een waterpoel)

WEILANDEN

  • het brinckelant (land op de Brink van Noordlaren)
  • ’t (hooge) oosterweer – 2 maal (bij een wal die het oprukken van woeste grond moest voorkomen?)
  • noortzijt
  • ’t eel
  • het onlant besloten veen genaamt – 2 maal
  • westerlant

HOOI- EN MADELANDEN

  • kortegagel (met gagel, een struik die op natte en zure veengrond gedijt)
  • ammeringh lant (naar een oude familie)
  • neije mae (aangewonnen groenland)
  • geere (taps toelopend)
  • broeck deel – 2 maal (vermoedelijk erg nat)
  • hulmer mae
  • oever
  • kruijs ham
  • over die bickse
  • ’t ossebroeck
  • kercken mat (ooit eigendom van de kerk)
  • die waem
  • die horn (hoek)
  • het noorden lant
  • trillage

De honingpotten van Geert Harms

Ik zie dat ik gister verzuimd heb om iets af te maken.

Als een volle bijenkorf een rijksdaalder doet, en een lege zeven stuivers, dan brengt de raathoning uit één korf twee gulden en drie stuivers op.

Zo’n pot honing bij Geert Harms deed vijf gulden. Laat de pot eens vijftien stuivers gekost hebben. Dan ging er raathoning uit twee korven in zo’n pot bij Geert Harms.

Wat ik al vermoedde: dat waren grote potten.


Oorlozies en imen

In mei 1783 wil de horlogemaker Geert Harms te Nieuw Beerta hertrouwen. Omdat hij kinderen heeft van wijlen zijn eerste vrouw Eltje Jans, moet er een boedelinventaris worden opgemaakt, dit om het erfdeel van die voorkinderen te beschermen.

Op de voorpagina van het stuk staat gelijk al een een mooie horlogemakersvoorraad. Zo heeft Geert drie klokken in zijn winkeltje en werkplaats te koop. Gemiddeld doen deze 33 gulden. Verder liggen er veertien nieuwe en tweedehands “oorlozies” voor gemiddeld ruim 20 gulden. En dan heeft Geert veertjes, beugeltjes, kettingen, wijzers, nagels, draad en sleutels in zijn werkplaats, waar zich uiteraard ook een “dreibanke” en een “bankschruve” bevinden.

Nog mooier, op fo. 7 het spul dat hij als imker heeft:

Geplaatst op 4 november 2009  a

Het is mei, de koolzaad bloeit bij Nieuw Beerta en het de zwermtijd begint. Bovenaan het lijstje staan 17 volle bijenkorven. Ze doen een rijksdaalder per stuk. Geert verwacht een goed bijenjaar, want hij heeft 21 nieuwe korven gekocht die met de opzetters bijna zeven stuivers per stuk kostten. De “ime passe met puiten” zal wel een soort van honingpers zijn, en verder heeft hij een bijenkap, een imkersmes en een “ime ledder”, waarmee hij een zwerm uit de boom kan halen.

Intussen kwamen er twee potten honing voorbij op de inventaris, die getaxeerd werden op tien gulden samen.  Dat lijkt rijkelijk veel voor die tijd. Maar waarschijnlijk komt dat, doordat je bij dat woordje potten de hedendaagse glazen exemplaren erbij ziet. De honingpotten van Geert Harms kunnen wel eens veel groter geweest zijn.


De boeken van de Oldambtster drost (III)

Geplaatst op 3 november 2009  a

Op Pruimers boekenlijst staan vijf literaire werken. Opvallend is dat twee daarvan vrouwelijke auteurs hadden.

Deze boeken zouden natuurlijk ook het eigendom geweest kunnen zijn van zijn vrouw Hester Catharina Hoeth, die iets eerder overleed dan hij. Dan nog vallen die vrouwelijke auteurs op.

Het literaire werk was wat ouder dan de politieke pamfletten, maar veel jonger dan de juridische handboeken in Pruimers boekerij.

De nieuwe Clarisse, eene waarachtige geschiedenis verscheen in 1768. Het was een vertaling van een werk van de Franse schrijfster Jeanne Marie Le Prince de Beaumont, die medio achttiende eeuw als gouvernante in Engeland een talent voor het vertellen van sprookjes en verhalen ontwikkelde. Naderhand zette ze dit om reeksen brave publicaties voor kindertjes. Een van haar Magazines bevatte ‘Belle en het Beest’, oftewel ‘The Beauty and the Beast’. Dankzij haar sterk ingekorte versie werd dat verhaal beroemd, maar ze ontleende het aan een andere vrouwelijke auteur, Gabrielle-Suzanne Barbot de Villeneuve.

La Nouvelle Clarisse, histoire véritable (1767), zoals het werkje op Pruimers lijst eigenlijk heette, was evenmin een origineel werk van Le Prince de Beaumont. Hier ging het om een ingekorte en bewerkte versie van Samuel Richardsons brievenroman Clarissa, or the History of a Young Lady (1748). Het boek verhaalt van een extreem schone en deugdzame jongedame, wier familie net boven Jan is geraakt en enigszins parvenu-achtige neigingen vertoont.. Door duistere machinaties gaat Clarissa er vandoor met een jonge edelman, die ze helemaal niet wil trouwen, maar hij drogeert en verkracht haar en ze komt nog in een bordeel terecht ook. Nog steeds weigert ze een huwelijk met deze loverboy avant la lettre. Ze sterft in het volle bewustzijn van haar deugdzaamheid en haar verwanten realiseren zich dan wat voor ellende ze hebben aangericht. De loverboy komt aan zijn einde in een duel. In 1991 vond de BBC hierin nog eens stof voor een serie.

De trilogie Evelina, een Engelsche geschiedenis, verscheen tussen 1782 en 1785. Hier ging het om de vertaling van Evelina, or the History of a Young Lady’s Entrance into the World (1778). Dit was de eerste roman van Fanny Burney, de dochter van de muziekauteur waarvan werk door de Groninger organist Lustig vertaald werd. Fanny publiceerde Evelina zonder medeweten en toestemming van haar vader. Het boek is een zedenschets van de Engelse hogere middenklasse door de ogen van een jonge vrouw, en tegelijk een satire op de allerlei vormen van hypocrisie en beperkingen waarmee vrouwen moesten leven, De vrouwelijke hoofdpersoon heeft, anders dan de driehonderd procent deugdzame Clarissa, enige karakterzwakten en het cockney-dialect van Londonse arbeiders schijnt in Evelina ook meesterlijk getroffen te zijn. Het boek werd mede dankzij critici als Dr. Samuel Johnson een succes en beleefde meerdere herdrukken in het Verenigd Koninkrijk. Toen Burney senior ontdekte dat zijn dochter het geschreven had, kon hij niet eens meer kwaad op haar zijn.

Verder stond op de lijst van Pruimers een driedelig werk van de Franse schrijver Marmontel, Les Incas (1777). Het richtte zich tegen geloofsijver. De wreedheden die de Spanjaarden begingen op de Indianen van Zuid-Amerika zouden volgens Marmonteel zijn voortgekomen uit hun religieuze fanatisme. En dan had Pruimers, net als wedman Sijpko Stheeman van Scheemda in 1767, een exemplaar van Le Philosophe de Sans Souci, waaruit je mag concluderen dat Der alte Fritz in het Oldambt door meerdere lezers gevolgd werd.

Dit segment van Pruimers boekerij sluit ik af met de vermelding van De Hollandsche wijsgeer in Vrankrijk (1790), een boek van de radicale patriot Gerrit Paape, die zijn romanfiguren in de actuele politieke situatie van vlak na de Franse revolutie plaatste.


De boeken van de Oldambtster drost (II)

Rudolf Joan Pruimers was inderdaad eind 1788 afgezet als predikant van Ten Boer, zo blijkt uit Duinkerkens overzicht van alle predikanten van Stad & Lande. Daarna werd Pruimers advocaat in de stad. Ziedaar de reden van zijn promotie in de juridische faculteit.

Pruimers’ naam komt ook voor in de notulen van de Commissie tot Handhaving van de Gevestigde Constitutie over augustus 1788. Die commissie was een paar maanden eerder door het gerestaureerde orangistische regime in het leven geroepen om onder meer onderzoek te doen naar de leiders van de patriotse “woelingen en cabaalen”. Op 1 augustus 1788 werd haar bestaan officieel afgekondigd in een placcaat. Dat gebeurde samen met een placcaat dat alle politieke clubs verbood, die zich tegen de overheid richtten. Ds. Pruimers echter, weigerde deze placcaten vanaf de kansel voor te lezen, zoals de Commissie weldra vernam. Zij stuurde de fiscaal erop af, maar Pruimers zei dat hij het wegens tijdgebrek in de morgendienst verzuimd had. Hij bleek de placcaten ’s middags wèl te hebben voorgelezen. Daarmee was de kous voor de zuiveringscommissie af. Waarschijnlijk deed zich dus later lokaal nog iets voor, waardoor Pruimers als predikant niet te handhaven viel.

In de bescheiden boekerij die Pruimers dertien jaar later naliet, vormen politieke titels de op een na belangrijkste categorie. Kersvers was Nadenken van een staatsman, oftewel Nadenking van een staatsman weegens zijn ministerie in Holland, door Laurens Pieter van de Spiegel. Van de Spiegel was de laatste raadspensionaris van het orangistische bewind dat in 1795 aan de dijk werd gezet. Zijn apologetische werkje beleefde drie drukken in 1800. Hij schreef het in de gevangenis, waar hij zat omdat het nieuwe patriotse bewind hem voor een aanstichter hield van de orangistische plunderingen van najaar 1787 in Zeeland. Daar was geen bewijs voor en daarom liet men hem ook gaan. Een recensie van Van de Spiegels werkje constateerde dat het nogal populair was bij Oranje-aanhangers. In het Oldambt vormden die een grote meerderheid. Drost Pruimers stelde zich dus op de hoogte van wat zijn pappenheimers dachten.

Een nationale commissie die onder meer onderzoek moest doen naar de “opstookers der oproerige beweegingen in den Jaare 1787” was het werken onmogelijk gemaakt. Daarover gaat Bouwens aan zijne Committenten, een werkje van maar liefst 630 bladzijden uit 1797. Ook had Pruimers een Rapport van Johan Hora Siccama en Boudewijn van Rees over een belasting, evenredig naar vermogen. Het plan, uit 1798, ging niet door, maar Pruimers stelde er kennelijk belang in.

Ook de Franse politiek volgde hij. In zijn bezit waren drie pamfletten over de Fructidor-staatsgreep die op 4 september 1797 plaatsvond. Bij die coup wilden generaal Pichegru, voormalig redder van de Franse natie en de veroveraar van Nederland in de winter van 1794 op 1795, en zijn medestanders zoals Ramel, de macht overnemen. De coup mislukte en de samenzweerders werden subiet op een schip naar Cayenne gezet, waaruit Pichegru en Ramel in 1798 via Suriname wisten te ontsnappen. In Londen publiceerden ze in 1798 een aantal brieven over hun ontberingen, en die zijn in vertaalde vorm dus in het bezit van Pruimers. Evenals trouwens een in 1800 verschenen verdediging van hun vijand Carnot, de wiskundig zeer onderlegde vader van de Franse leer- en dienstplicht, die ten tijde van de Fructidor-coup het kopstuk van het zittende Franse regime was.

Wordt vervolgd


De boeken van de Oldambtster drost

Ik heb me vandaag eens beziggehouden met de bibiotheek van Rudolf Joan Pruimers, drost en daarmee bestuurlijk-juridisch de hoogste baas van het Wold-Oldambt. In 1800 stierf hij te Zuidbroek

Misschien is bibliotheek het verkeerde woord, want de boekenlijst op Pruimers boedelinventaris omvat, afgezien van drie pakketten kleine boeken, 49 uitgeschreven titels, wat al met al niet extreem veel is. Ook al zitten er verscheidene meerdelige seriewerken tussen de wel uitgeschreven titels.

Qua formaat waren 5 van die boeken in folio, 7 in kwarto en 37 in octavo. Inhoudelijk in categorieën verdeeld waren 20 titels juridisch van aard, 6 politiek, 5 literair, en gingen er 4 over de klassieke oudheid, ook 4 over filosofie, 3 over geografie, 2 over geschiedenis en 2 over stichtelijke en theologische zaken. Bovendien waren er dan nog enkele boeken die in hun eentje hokjes vullen als algemeen, muziek en meetkunde.

Spreekt het vanzelf dat een beroepsbestuurder en rechter veel juridische titels had, minder voor de hand ligt het nagenoeg ontbreken van theologische en godsdienstige boeken bij de ex-predikant Pruimers. Hij had onder meer op de kansel gestaan in Stitswerd (vanaf 1781) en ten Boer (1786). Ik meen me te herinneren dat hij als patriot in 1788 ook te maken kreeg met de Commissie tot Handhaving van de Gevestigde Constitutie, en misschien wel als predikant werd afgezet. In elk geval promoveerde hij in 1789 aan de Groninger academie op juridische stellingen, niet op theologische. Na de patriotse revolutie van 1795 werd hij (weer) politiek actief, om dus als bestuurder te eindigen.

Aan de boekerij van de Oldambster drost wordt onmiddellijk duidelijk, waarom er kort na 1800 een enorme inhaalslag op juridisch terrein gemaakt moest worden. Van de 20 juridische titels, waaronder al zijn folianten en kwarto’s, is het merendeel namelijk stokoud, want afkomstig uit de zeventiende eeuw. Drie folianten zijn er van Carpsovius (1595-1666), een Saksische rechtsgeleerde, die inderdaad nog heel lang als autoriteit gold. Voor hem overtrad de dader van een delict niet alleen de wet, maar was het ook een zondaar die zich tegen God verzet had. Vandaar die draconische straffen. Overigens was Carpsovius nou ook weer geen liefhebber van tortuur. Folteren mocht alleen binnen zeer nauw omschreven grenzen, en Carpsovius zou liever een schuldige laten lopen dan een onschuldige veroordelen.

Ook de Fransman Brissonius, wiens juridische woordenboek telkenmale herdrukt werd van 1559 tot 1805, was een klassieke autoriteit, evenals de Nederlanders Antonius Matthaeus III (1635 – 1710; met drie titels op de lijst vertegenwoordigd), Simon Groenewegen (1613 – 1652) en natuurlijk Grotius oftewel Hugo de Groot (1583 – 1645), wiens ‘Inleydinge tot de Hollantsche rechtsgeleertheit’ uit 1631 op Pruimers’ boekenlijst staat. Dit was De Groots’ bekendste Nederlandstalige werk. Hij schreef het in gevangenschap en had er een kist boeken voor nodig, welke hij naderhand in leegelezen toestand zou benutten voor zijn ontsnapping uir Slot Loevestein. Wat betreft het zeerecht had Pruimers, wiens jurisdictie zich tot de Dollard uitstrekte, werk van Grotius’ tegenstander, de Engelsman John Selden (1584 – 1654). Deze betoogde dat de zee helemaal niet vrij was, zoals die Hollander beweerde.

Wat minder belegen en nieuwer juridisch werk is er van de Duitser Just Henning Böhmer (1674 – 1749) en de Nederlander Johannes van der Linden van Spranckhuysen (1766 – 1855). Diens ‘Verhandeling over de judicieele practijcq of form van procedeeren’ (Leiden 1794-1798), was zogezegd nog kakelvers toen de inventarisatoren Pruimers’ nalatenschap optekenden.

Wordt vervolgd


Een handvol tichelaars

Jan-Willem Swane - Ruïne van veldoven in Ooij, Gelderland. Flickr cc.

Bij mijn verkenning van de Oldambster boedelinventarissen kwam ik ook een handvol tichelaars tegen. Een tichelaar was een ondernemer met een steen- en pannenbakkerij, in de achttiende eeuw doorgaans nog een vrij primitieve veldoven. In het lange zomerseizoen groeven ploegen gastarbeiders uit Lipsland klei in de onmiddellijke omgeving van het tichelwerk, vormden dit in houten mallen op vormtafels, stapelden de gedroogde vormelingen op een bepaalde manier met turf op in de oven, die ze vervolgens dagenlang vakkundig stookten. Er kwam heel wat bij kijken, bij het maken van bakstenen, Lees daarvoor maar eens het laatste nummer van Stad & Lande, dat helemaal over baksteen gaat,

A propos, dat handvol Oldambster tichelaars:.

De tichelaar Jan Jans, 1730
Plaats onbekend.
Had een behuizing met tichelwerk op eigen land, met daarbij voorraden gegraven klei, stenen en pannen, en turf. Maar het boerenbedrijf lijkt veel belangrijker voor hem en zijn vrouw. Verreweg hun grootste gewas is  boekweit, ze zullen dus wel dicht op het veen hebben gezeten. De inventaris is waarschijnlijk niet helemaal compleet, want de uitstaande vorderingen en eigen schulden ontbreken bijvoorbeeld. Juist aan zulke lijstjes kan je vaak alsnog een lokatie bepalen, als die in de aanhef of bij het vastgoed ontbreekt.

De tichelaar G.L. Scheltes, 1745
Opnieuw is de plaats onbekend. De naam zou wel eens vaker als Scheltens gespeld kunnen zijn.
Naast het tichelwerk als vastgoed is er sprake van groenland in Bovenburen bij Winschoten, en ongespecificeerd land in de Wupping en bij Bourtange. Vermoedelijk bevond het tichelwerk zich bij Winschoten.
Op deze inventaris staat ook een voorraad produkten van het tichelwerk:
– 50.000 bakstenen
– 40.000 pannen
– 9000 drielings (kleine bakstenen)

I. de Jonge, 1754
Plaats onbekend
Had een chirurgijnswinkel en was dus chirurgijn, ik denk in Winschoten (zie de volgende). Daarnaast bezaten hij en zijn vrouw nog een huis in de Pekela, drie kampen land genaamd de Kostverloren, al met al 5 deimt groot, en een klein stukje veenbouwte genaamd de Ketellapperie,
Bij het pan- en steenwark lagen deze voorraden:
– 60.000 gare bakstenen
– 40.000 pannen

De tichelaar Sipko de Jonge te Winschoten, 1774
Bewoonde met zijn vrouw een huis in de Witte Vrouwenstraat aldaar en had net als voorgaande (zijn vader?) een chirurgijnswinkel. Ook komt dit stuk onroerend goed bekend voor: een vierde part in een plantage bomen de Kostverloren genaamd, staande en gelegen bij de Hessenbril aan de vaart te Winschoten.
Het tichelwerk bevond zich te Winschoten aan de Trekvaart. Bij het tichelwerk lagen dit keer slechts:
– 6000 gare pannen

H.S. ten Have, tichelaar te Winschoten, 1810
Vermoedelijk hetzelfde bedrijf als de vorige vier, De bedrijfsvoorraad bestond uit:
– 15.000 pannen
– 25.000 stenen
– 2000 vloeren (vloertegels)
– 2000 esters (estrikken?)
Dit keer staat er de waarde bij. De pannen zijn getaxeerd op 300 gulden en de stenen op 325. Per 1000 zijn de pannen dus 20 gulden en de stenen 13. Pannen vormden ook een wat bewerkelijker product, denk ik. De vloeren moesten met elkaar 1000 gulden opbrengen, ze kostten dus 50 gulden de duizend. Dan kon je beter esters nemen. Die had je al voor 20.

Wat opvalt bij deze laatste inventaris is dat de voorraden pannen en stenen veel kleiner waren dan in 1745 en 1754. De productie van vloeren en esters was nieuw. Maar er werd ook nog op een andere manier aan assortimentsverbreding gedaan. Bij het bedrijf lagen 60 ton meelkalk en 30 ton veldkalk, tesamen 260 gulden waard. Achtergrond van de smallere core business en het bredere assortiment was waarschijnlijk de bouwcrisis in de Napoleontische jaren. Door de handelsboycot tegen Engeland en de Engelse suprematie ter zee kwam er nog maar weinig hout het land binnen. Zo’n crisis ging natuurlijk ook niet aan een tichelwerk voorbij.

Echt overdreven groot waren de voorraden nooit. Zeker niet als je het vergelijkt met de productiecijfers die steenbakkerijen omstreeks 1850 en 1900 haalden, respectievelijk 450.000 en 1000.000 stenen per bakseizoen. De oude tichelwerken waren relatief kleine bedrijven, meer ambacht dan industrie.

(De foto is van een veldovenruïne in Ooij, Gelderland, en werd gemaakt door Jan Willem Swane)


Akkerbouw domineerde ook in achttiende eeuw al het Oldambt

Geplaatst op 30 oktober 2009  akkerbouw

Aan Oldambster boedelinventarissen kan je mooi zien, in hoeverre dat gedeelte van de provincie Groningen  voor 1811 al een graanrepubliek was. Uit de immense reeks pikte ik boerennamen die me nog bekend voorkwamen van het bronnenonderzoek voor mijn doctoraalscriptie, begin jaren tachtig. Als de hoeveelheid land in deimten (kleine halve hectares) gegeven werd met daarbij de hoeveelheid bouwland, dan noteerde ik die gegevens om de bouwlandpercentages uit te rekenen. Daarnaast noteerde ik waar mogelijk de volwassen paarden en melkkoeien. De kwantitatieve verhouding daartussen zegt ook wat.

Zijlvest Hittjo Gerrits te Nieuwolda, 1732
Behuizing met de provinciale landen daaronder beklemd.
Die specifeert hij niet.
Wel de landen die hij volledig in eigendom heeft:
– ca 25 dt groenland
– ca 14 dt bouwland. Dit vormt van het totaal aan eigen land 36 %.
De zijlvest heeft 10 paarden en 17 koeien. Een en ander doet een gemengd bedrijf vermoeden,

Jan Jurriens Meijer te Finsterwolde, 1747
De landerijen worden met hun maten genoemd, in totaal gaat het om 34,25 deimt.
Maar ook wordt gemeld hoeveel land met wat is ingezaaid: 29,25 deimt. Dat betekent een bouwlandpercentage van 85 %
De levende have bestaat hier uit 10 oude en jonge paarden en 3 oude (= volwassen) koeien. De akkerbouw overweegt hier enorm.

Jurjen Jans Nap te Nieuw Scheemda, 1751
Huis met ca. 48 deimt beklemd land.
Volgens het lijstje met “vruchten op het land” is 25 à 28 deimt bezaaid, maakt 52 à 58 %.
De volwassen levende have bestaat uit 7 paarden en 5 koeien. Al zijn er ook 7 jonge ossen, de akkerbouw overweegt hier,

Ameling Hindriks te Midwolda, 1755
Behuizing met 60 + 17 = 77 deimt,
31,5 deimt is bezaaid en dan nog en dan is er nog 8 mud roggeland met rogge.
Ik vermoed dat iets minder dan de helft van al het land bezaaid is: max 50 %.
Levende have: 3 oude paarden, 3 oude koeien, maar ook hier weer 3 ossen. Gemengd bedrijf met wat vetweiderij.

Ludolf Heeres te Eexta, 1760
90 deimt onder de heerd beklemd en 4 deimt groenland maakt 94 deimt.
53,25 deimt blijkt daarvan bezaaid, maakt  57 %.
Aan levende have zijn hier o.a. 3 olde peerden en 7 melkkoeien, bij 2 driejarige ossen. De akkerbouw overweegt hier enigszins.

Harm Eppes, waarschijnlijk te Noordbroek, 1771
Bij het huis zit 46,5 boute en groen + 8 deimt land – maakt 54,5 deimt.
Het meeste wordt gehuurd van de kerkvoogdij Noordbroek.
37,5 deimt is bezaaid, maakt 69 %.
Er zijn 2 olde peerden en 2 koeien, ook weer een paar (jonge) ossen. De akkerbouw overweegt zeer.

Aapko Jacobs te Nieuw Beerta, 1773
Areaal is 70 deimt onder het huis en nog enige deimten los land (hou ik op 5), maakt ca. 75 deimt.
Koren dat op het veld staat is zeker 60 deimt, maakt 80 %.
Er zijn 8 paarden oud en jong, 7 melkkoeien en 4 jonge ossen. De akkerbouw overweegt enorm.

Daniel Daniels Barenborgh te Finsterwolde, 1777
Boerderij lag aan de weg naar Goldhoorn?
Er zit ongeveer 64 deimt bij, met stukken van 25, 6 en 5 deimt en nog enkele akkers. Maakt in totaal minstens 100 deimt. Bezaaid is 71,5 deimt. hetgeen neerkomt op een akkerbouwpercentage van maximaal 72 %. Er zijn 8 olde peerden  en 5 koeien. De akkerbouw overweegt zeer.

Andrieas Hannes Gramsbargen te Nieuw Beerta, 1778
Bij het huis zit ongeveer 80 deimt land.
71,5  deimt daarvan is bebouwd, oftewel 89 %.
Ook de 7 oude paarden en de 2 koeien en 2 jonge ossen laten zien dat de akkerbouw hier heel erg overweegt.

Hindrik Gosselaar te Nieuw Beerta, 1779
Bij de heerd zit 83 deimt land,
55,5 deimt is bezaaid, maakt 67 %.
Er zijn 7 oude paarden en 4 oude koeien.
De akkerbouw overweegt hier zeer.

Harm Pieters te Nieuwolda, 1785
Heerd met 71,5 deimt eigen en beklemd land.
39,5 deimt is bezaaid, maakt 55 %.
Er zijn 7 oude paarden en 6 koeien, bij 4 ossen.
De akkerbouw overweegt hier.

Harm Jans Haken te Nieuw Beerta, 1792
Behuizing met 85 deimt op de Kroonpolder plus 8,75 deimt dijkland beklemd plus 4 deimt oostwaarts in Nieuw Beerta, maakt met elkaar 97,75 deimt.
De inventaris is van eind maart, op dat moment is 72 deimt enige malen geploegd, en ingezaaid. Dit geeft een bouwlandpercentage van 74 %
Er zijn 11 oude paarden, samen getaxeerd op 770 gulden en 7 koeien die samen 280 waard zouden zijn. De akkerbouw overweegt hier enorm.

Jacob Hinders te Beerta, 1795
Bij de behuizing zit 63 deimt land.
45,5 deimt is bezaaid, oftewel 72 %.
Er zijn hier 5 oude peerden en 3 melkkoeien.
De akkerbouw overweegt ook hier weer enorm,

Jan Alberts te Midwolda, 1801
Boerenplaats met 98 deimt gedeeltelijk eigen en gedeeltelijk beklemd land.
43,5 deimt is bezaaid, maakt 44 %
Er zijn 6 paarden en 6 koeien.
Akkerbouw lijkt hier meer in tel dan veeteelt,

Jan Hindriks Groen te Nieuwolda, 1801
Bij de heerd zit 98 deimt beklemd land.
Slechts 32,25 deimt is bezaaid, maakt 33 %.
Daarnaast wordt 18 deimt hooiland genoemd.
Er zijn 10 paarden oud en jong, die getaxeerd worden op 600 gulden, 8 oude en jonge melkkoeien die op eenzelfde bedrag geschat zijn, en dan nog 5 guste koeien voor samen 400 gulden.
Hier lijkt sprake van een gemengd bedrijf.

Tonnis Tiddens te Midwolda, 1810
Boerenbehuizing met beklemming van ongeveer 87,5 deimt land.
43,25 deimt is bezaaid, maakt 49 %
Er zijn 7 oude paarden en 7 koeien. Als je dat erbij betreft is de akkerbouw hier licht dominant.

CONCLUSIE

Ook in de achttiende eeuw domineerde de akkerbouw al in het Oldambt.

Plaats en jaar % West % Oost
Nieuwolda, 1732 36 %
Finsterwolde, 1747 85 %
Nieuw Scheemda, 1751 52 à  58 %
Midwolda, 1755 max 50 %
Eexta, 1760 57 %
Ws Noordbroek, 1771 69 %
Nieuw Beerta, 1773 80 %
Finsterwolde, 1777 max 72 %
Nieuw Beerta, 1778 89 %
Nieuw Beerta, 1779 67 %
Nieuwolda, 1785 55 %
Nieuw Beerta, 1792 74 %
Beerta, 1795 72 %
Midwolda, 1801 44 %
Nieuwolda, 1801 33 %
Midwolda, 1810 49 %

Maar in het oostelijke gedeelte, bij dorpen als Nieuw-Beerta, Beerta en Finsterwolde, waren de bouwlandpercentages het hoogst. Daar was gemiddeld ongeveer driekwart van het land met granen, zaden en peulvruchten bezaaid. Bij de meer westelijk gelegen dorpen Midwolda, Nieuwolda, Nieuw Scheemda ging het maar om de kleine helft van het land. Daar was het boerenbedrijf wat gemengder dan in het oosten. Mogelijk is er een samenhang met de ouderdom van de Dollardpolders.


Hop in de kist (1)

 

Geplaatst op 30 oktober 2009  hop

In september 1716 overleed de brouwer en solliciteur Peter Luijckens in Zuidbroek. Hij werd begraven op het koor van de kerk aldaar, wat wel wat voeten in de aarde had, want zijn zwager Amsing moest eerst naar Groningen om de kerkvoogd, Rekenmeester Schaffer, over dat graf te spreken.

Na de begrafenis was er de “uittighst”, oftewel de begrafenismaaltijd. Begin zeventiende eeuw kon zo’n maaltijd nog dagenlang duren, De gereformeerde kerk had flink tegen dit overblijfsel uit heidense tijden geprotesteerd, en het al te uitbundige was er rond 1700 beslist af, maar toch werd er ook op de begrafenis van Luijckens het nodige verteerd, gezien een paar pagina’s achterin zijn boedel-inventaris.

Ga maar na. Er bedienden vier mensen. Er waren een os en een kalf geslacht, maar er kwamen ook nog 8 schinken (hammen) op tafel. Maar liefst 5 mud rogge was verbakken tot grof- en kleinbrood. Verder gingen er vermoedelijk een hoop rijst, maar in elk geval 4 spint grauwe erwten, 4 pond krenten en een half pond gember doorheen. Om dit alles weg te spoelen werden er 4 kroes brandewijn, en maar liefst 5,5 halve tonnen bier aangerukt. In totaal ging het om bijna 430 liter bier!

Dat bier werd warm en zoet gedronken. Want er is ook een post wegens het “syroop soo tot het Warmbier is gekomen”. Maar de vreemdste post is nog weer een andere:

“Voor vier mudde hoppe soo in de kiste en anders is gekomen.”

Dat er hop in een doodskist ging, ben ik nooit eerder tegengekomen. Misschien hing het samen met Luijckens’ brouwersambacht? Of was het iets particuliers van hemzelf?

Van hop in bier gaat een conserverende werking uit, Misschien hoopte (de familie) Luyckens dat ook van de hop in zijn kist?

Zie verder