De bijnaam Tuderopper

In ‘Joodse Stadjers‘ stelt Stefan van der Poel de vraag in hoeverre anti-semitisme in Groningen voorkwam:

Uit interviews blijkt bijvoorbeeld dat de ene persoon nooit iets gemerkt heeft van anti-joodse gevoelens en ontkent dat deze in Groningen bestonden, terwijl een ander met voorbeelden komt hoe hij of zij werd nageroepen met ‘vuile jeude’ of ‘tuderopper’ (kippenplukker).”

Bij dat tuderopper of kippenplukker (van tude = kip en roppen = woest rukken) nam Van der Poel nog een extra verklarende noot op:

Een bezigheid die door arme joden vaak werd uitgevoerd en die gold als weinig hygiënisch.”

Het is dat hij er het woordje vaak bij zet, want anders zou ik er bezwaar tegen aantekenen. Volgens een ouwe turfschipper die ik eens interviewde, was tuderoppers namelijk de bijnaam van een familie, die voor de oorlog aan het oude Winschoterdiep woonde. Deze familie hield zich hoofdzakelijk bezig met scheepsjagen, maar ze plukte als bijverdienste ook wel kippen. Vandaar dat de leden bij andere scheepsjagers en turfschippers uit de omgeving de bijnaam van tuderoppers kregen.

Ik ken deze familie. Ze heeft nu een winkel aan de Meeuwerderweg en ook elders in onze wijk wonen representanten. Deze mensen zijn niet joods. En de bijnaam tuderopper kan daarmee ook niet gelden als een blijk van onversneden anti-semitisme.


Clara de neushoorn (2)

Geplaatst op 20 september 2009  eelde  clara

In Dresden ligt een strooibiljet uit 1746, dat mensen lekker moet maken om een rondreizende rinoceros te zien. Het beest komt uit Bengalen. Als dat onze Clara niet is.

Hoe meer bibliotheken zulke dingen op het web zetten, hoe beter de zwerftocht van zo’n kermisattractie te reconstrueren valt. Uiteindelijk moet er een prachtig verhaal te maken zijn over de reacties op de exotische Behomoth.

Bron


Ternauwernood gered bij Cabo Finisterre

Geplaatst op 18 september 2009

Caledonian Mercury, 13 Mei 1822


Westerleester meute vermoordt belastinggaarder

Op 12 april 1724 gaf Eede Jans van Westerlee zijn jongste knecht Stoffer opdracht om naar de Pekela te gaan, waar hij enige broden op moest halen. In Pekela was het brood goedkoper, omdat de belasting op het gemaal er lager was dan elders in het Oldambt. Daarom mochten Oldambsters er geen brood halen. Wie dat toch deed, pleegde fraude.

Met een andere inwoner van Westerlee, Philippus Joosten, die twee broden en jenever uit de Pekel ophaalde, liep Stoffer op de terugweg tegen de lamp. Op het veen tussen Pekela en Westerlee patrouilleerde een zaakgelastigde van de gemaalpachters samen met de cherger van Westerlee. De belastinggaarders namen de smokkelwaar in beslag, maar lieten beide smokkelaars lopen.

Toen Eede Jans het verhaal van zijn knechtje hoorde, stuurde hij zijn oudste knecht Lodewijk naar de belastinggaarders op het veen om het brood los te krijgen. Maar ze bleken bewapend en niet voldoende onder de indruk van Lodewijk. Daarom kwam hij terug om een snaphaan op te halen. Zijn baas gaf hem er meerdere mee en ging zelf nu ook op stap naar het veen, vergezeld van een grote groep boze Westerleesters, die intussen waren opgetrommeld. Ze zouden de pachters wel even doodslaan, als die dat brood niet terug wilden geven.

Op het veen pakte Geert Jans de pachtersvolmacht aan en sloeg hem. Ook anderen vielen op deze man aan, Pieter Meijnders sloeg een snaphaan op diens rug aan stukken.

Jan Jacobs Cleve, de voornaamste aanvoerder van de meute, achtervolgde de cherger met een lange stok. Tot staan gebracht, kreeg de man van Wilbrant Hindriks een vuistslag in het gezicht. Achter de man stond Coop Jans, die hem met een dikke eiken stok vol tegen het achterhoofd sloeg. Toen de man op de grond lag , schopte Geert Jans hem nog en dreigde hem met de degen door de borst te steken. Maar dat hoefde al niet meer. Rochelend en stuiptrekkend liet de cherger het leven.

Na afloop tracteerde Eede Jans de anderen in zijn huis op “soopjes”. De volgende dag voorzag hij Coop Jans voor diens vlucht van spijs en linnen. Ook verschillende andere deelnemers aan de reboelie namen de benen.  Maar hoewel de achterblijvers de afspraak maakten dat ze zouden zwijgen, waarbij een enkeling gepaaid werd met een koe, kwam alles toch aan het licht, doordat de autoriteiten een infiltrant op Westerlee afstuurden.

Gedeputeerde Staten, onder wier competentie belastingzaken vielen, velden een half jaar later tien vonnissen, waarvan de helft bij verstek. Coop Jans hingen ze de doodstraf boven het hoofd, te voltrekken met het zwaard. Eede Jans zijn knecht Lodewijk werd gegeseld met een strop om de hals, en levenslang in het provinciale tuchthuis opgeborgen. Wilbrant Hindriks kreeg dezelfde straf en Geert Jans en Peter Meinders een levenslange verbanning.

Maar de voornaamste aanvoerders kwamen er relatief genadig vanaf. Jan Jacobs Cleve werd zes jaar verbannen, en Eede Jans mocht gedurende slechts twee jaar niet meer de provincie binnenkomen.

In het net verschenen nummer van Roots@Groningen vraagt  Antonia Veldhuis zich af, waarom Eede Jans er zo gemakkelijk vanaf kwam. Eigenlijk geeft ze zelf het antwoord al: hij was landeigenaar. Anders zouden de Gedeputeerden hem ook nooit de bijkomende boete van 720 daalders hebben opgelegd, met de betaling van de rechtskosten.

Het stuk van Antonia Veldhuis is bron voor dit verhaal, samen met het bestand: Gedeputeerde Staten van Stad en lande als rechtsprekend College


“Zoo styf niet meer, als in voorige dagen”

Volgens een recensent van de Vaderlandsche Letteroefeningen, jaargang 1799, waren de scherpe kantjes wel van de calvinistische predestinatieleer af:

“Verstandige Gereformeerden denken zoo styf niet meer, als in vorige dagen. Zy zwygen ‘er doorgaans van in ’t openbaar onderwys, gaan het geheel voorby, in ’t onderricht van den Godsdienst, dat zy aan eenvoudigen geeven, en hebben by den gemeenen man meer te doen met het misbruik van de leer der onmagt, dan wel van dit leerstuk. In het Theologisch Systema wordt het nog wel behandeld, maar niet zoo ruuw, als in voorgaande tyden.”

Ruim drie decennia later had je de Afscheiding, en nog eens een halve eeuw nadien de Doleantie. Achteraf treft de gematigd-verlichte taxatie door haar volstrekte zelfgenoegzaamheid. En door haar sociale bepaaldheid. De dominees en hun standsgenoten mochten er dan wel zo over denken, voor de onderstroom in de gereformeerd/hervormde kerk leken ze nauwelijks oog te hebben. Terwijl die onderstroom zich ook in 1799 hier en daar al flink manifesteerde.


Vader des Vaderlands gepekeld als varkensvlees

Ik lees hier dat de meneer die het graf van Willem van Oranje wil laten openen, zijn voornaam met die van de Vader des Vaderlands deelt. Bij ’s mans familienaam echter, zouden alle alarmbellen luide moeten rinkelen. De man heet van achter namelijk Van Spanje.

Verder leuke details over de balseming van de eerste Nederlandse Oranje. Na verwijdering van de ingewanden werd zijn vlees zorgvuldig ingewreven met een poeder, hoofdzakelijk bestaande uit aloë, myrrhe en soortgelijke kruiden,

“…zooals men varkensvleesch pleegt te zouten”.

Na deze behandeling ging er linnen om het lichaam heen, dat met een puike kwaliteit scheepspek ingesmeerd werd. Hetgeen naar het inzicht van de lijfarts slechts een houdbaarheid van acht à  tien jaar op zou leveren. Die Van Spanje kan straks dus mooi stofhappen.

Trouwens, nu ik nog wat meer over Willem van Oranje en diens einde zit te lezen – ik heb ook nooit geweten dat een Bask eerder een aanslag op hem pleegde. Zo leer je elke dag weer wat bij.


Huishoudschool, 1926

Filmpje gemaakt ter gelegenheid van een vijftigjarig jubileum. De cameraman haalt het beste uit de meisjes naar boven:


Een Winneweerder stamineetje

Weer zo’n bijkomstigheid uit een procesbundel. De zwervende boerenarbeider Wolter Willems (43), anno 1820 verdacht van een koperdiefstal in Siddeburen, rept in een verhoor van een tocht die hij maakte vanaf Appingedam, langs het Damsterdiep door Winneweer, tot een

“klein huisje dat daar stond op de rechterzijde van de weg, zittende er een bordje op de linkerzijde der voordeur als men dezelve ingaat, waar op staat met witte letters Tapper.”

Niet alle herbergen waren even groot, in de stad niet en op het platteland al evenmin. Er bestonden zelfs vrij grote verschillen. Eigenaren van de grotere dorpsherbergen konden zich meten met de boeren. Die kregen ze ook over de vloer. In dit geval was het een aggenebbish dingetje. “Het”, zegt Willems over de eigenaar van het Winneweerder stamineetje,

“was maar een arbeider en hebbende Tapperie”.

Groninger Archieven, archief Hof van Assisen (141), inv. nr. 6.61


Een Rotterdams paspoort, ver van huis

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Dit Binnenlands Paspoort verstrekten de Burgemeesters van Rotterdam op Nieuwjaarsdag 1819 aan de daar toen nog woonachtige Arnoldus Hengelaar (39). Links in de marge staan diens handtekening en signalement. Hij was ruim 5 voet groot, had bruine wenkbrauwen en hoofdhaar, een “matige” neus en mond en een ronde kin en aangezicht. Verder geen bijzondere kenmerken.

Hengelaar, die geboren werd in Steenwijkerwold en daar katholiek gedoopt was, ontvreemdde ongeveer een jaar na de uitgifte van dit paspoort een partij linnengoed bij Meyer Joseph en vrouw te Echten, vlakbij Hoogeveen. Zo kwam dit Rotterdamse stuk terecht in een procesdossier van het Hof van Assisen dat tussen 1811 en 1838 de provincies Groningen en Drenthe bediende. Het archief van deze noordelijke rechtbank is tegenwoordig in te zien bij RHC de Groninger Archieven.

Groninger Archieven, archief 141, inv. nr. 6.58


Een merkwaardig huishouden in Muntendam (1817)

Vier vrouwen in een huis. Naaisters, breisters, spinsters. Maar ook waarzegsters en kaartlegsters. En een ervan zou een heks zijn, en verantwoordelijk voor de padden in huis.

Vaak zijn de bijkomstigheden in een procesbundel interessanter dan het delict. Dat geldt ook voor het dossier over een diefstal, die plaatsvond in de nacht van 24 op 25 juli 1817 te Muntendam.

De korte toedracht: Johanna Demmers raakte die nachts op haar Muntendammer logies-adres twee rokken en een zak met een schaar en wat kleingeld kwijt. Ze beschuldigde naderhand Tetje Brandts, Hermine Kievit en Antje Harms van diefstal in vereniging. Antje was die nacht inderdaad uit de woning verdwenen, wat haar officieel tot verdachte nummer 1 maakte. Tetje en Hermine, volgens de bestolene medeplichtig,  gingen (al dan niet quasi) op zoek naar Antje, maar tevergeefs, De spullen kwamen in elk geval niet terug, Bij het proces stonden er vier verschillende lezingen naast elkaar en uiteindelijk werd Antje vrijgesproken.

Van het verhaal is misschien een aardig toneelstuk te maken. Maar historisch interessant zijn vooral de min of meer terloops genoteerde gegevens over de leefwereld van de vrouwen, hoe ze aan de kost komen, en hoe ze geestelijk in het leven staan.

Rolverdeling van de figuren in volgorde van opkomst en leeftijd:
De bestolene – Johanna Demmers
De logiesgeefster – Tetje Brandts
De (vermeende) handlangster – Hermine Kievit (travestie-rol)
De hoofdverdachte – Antje Harms

DE BESTOLENE

Johanna, ook wel eens Anna Demmers (70), weduwe Johannes Kemp, was geboren in Leeuwarden en daar nog niet zo heel erg lang weg. Sinds een jaar woonde ze bij de arbeidster Antje Schrik, vooraan het Heerenlaantje te Sappemeer, “van waar zij bij deze en genen zoo wat rond gaat om met te breiden een stuk broods te verdienen”. Van beroep was ze dus breister. En naaister. Zonder een erg vaste woonplaats.

Die 24-ste juli 1817 kwam deze “oude vrouw” door Muntendam gelopen. Volgens de andere drie vroeg ze zelf of ze bij de logiesverschafster kon overnachten. Iemand had haar dit adres aanbevolen, omdat zij aan “het waarseggen deed en de planeten zien” In ruil voor de overnachting had ze aan Tetje de logiesverschafster “den kaart gelegt en haare lotgevallen voorgezegt”. Volgens Tetje had Johanna haar gevraagd of zij “ook wel eenige geheimen wenschte te weten”…

“waarop zij comparante geantwoord hebbende van ja, als het iets goeds was”

Johanna was dadelijk begonnen haar de kaart te leggen,

“waaruit zij dan ook alles wat haar comparante begeerte was tot de minste omstandigheid toe had weten op te geven”.

Zelf ontkende Johanna dat iemand haar had aangeraden om eens de kaart te leggen bij Tetje. Ze wilde er alleen maar wat uitrusten en drinken. Het was juist Tetje die er bij haar op had aangedrongen om eens de kaart te leggen, “omdat zij de kunst ook wel zou verstaan”. Uiteindelijk gaf ze maar toe, “uit gekheid en kortswijl”. Ze deed het met haar eigen kaarten die ze bij zich had en waarmee ze in Sappemeer wel eens “uit tijdverdrijf” met haar kennisen speelde.

Tegenover de magistraat wilde Johanna dus niet bevestigen dat ze een kaartlegster was. Ze distantieerde zich ervan. Maar wellicht deed ze dat, omdat zo’n verlichte rechter sterk gekant was tegen bijgeloof.

Als die kaartleggerij van haar slechts “gekheid en kortswijl” was, dan ging dat wel erg ver volgens Tetje. Die vertelde hoe Johanna dronken werd, wat ze hoorde aan haar gepraat:

want zij had gezegd nog twee te moeten betoveren, en anders zelve te moeten verbranden, – onder de planeet van de noordster onder de grootste tovenaars te zijn geboren”.

DE LOGIESGEEFSTER

Tetje Jans Houteboom, in de wandeling Tetje Brandts (56), was vrouw van de arbeider Pieter Tonkens Keizer en zelf ook arbeidster. Haar man komt in het hele stuk niet voor, die werkte waarschijnlijk even elders. Hoe dan ook, hun huis stond op de hoek van het Nieuwe Laantje te Muntendam.

De magistraat wilde graag weten of Tetje daar een herberg en slaapstee hield. Waarschijnlijk had ze daarvoor geen vergunning en betaalde ze ook geen patentbelasting. De bestolen Johanna was hier dubbelzinnig over. In eerste instantie zei ze dat zij Tetje ’s middags alleen maar had gevraagd om wat te drinken. Tetje had toen gezegd dat ze er ook wel kon overnachten. In tweede instantie zei Johanna dat ze Tetje zelf had gevraagd of of die “kwartier hield”. Tetjes antwoord zou zijn geweest:

“Ja, ik berg wel eens een goed mensch voor een enkelde nacht – gij kunt hier deze nacht ook wel slapen.”

Dat van die enkele nacht was pertinent onwaar. Tetje gaf zelf toe dat de verdachte en de vermeende handlangster al anderhalve weeek bij haar in huis verbleven. Maar een slaapstede had ze nou ook weer niet. De verdachte en de handlangster sliepen – ook naar eigen zeggen – gratis “in het stroo van de schuur”. Tegen de officier van justitie verklaarde Tetje dat ze zo nu en dan wel eens iemand herbergde die “in verlegenheid” was, en daar kreeg ze ook heus wel eens iets voor, maar “dikwijls” deed ze dit “om niets en uit medelijden”. Ze accepteerde, kortom, alleen vrijwillige bijdragen. Zo had de later verdachte Antje “wel eens een draadje gesponnen voor tijdkorting op het wiel van comparante”. Het was ook niet Tetje, maar Antje, die Johanna meedeelde dat een overnachting in een van beide aanwezige bedsteden haar een dubbeltje zou kosten.

Die bedstede was gewoonlijk bestemd voor Tetjes broer, die bij haar in huis woonde. De man was “lam en sprakeloos” en “bijna geheel wezenloos” en kon desnoods ook wel slapen in zijn sluit- of kinderstoel bij het haardvuur.

Het licht van dat vuur, en dat van de maan en sterren door de open blijvende luiken, was na het invallen van de nacht vaak het enige licht in de kamer met de bedsteden. Door gebrek aan olie ging het lampje steeds weer uit. Zonder dat lampje kon je niet eens de klok zien.

DE (VERMEENDE) HANDLANGSTER

Harmina, vaker Hermine Jans Kievit of Kiewiet (53) was geboren in Winschoten en woonde daar gewoonlijk in een van de Armenkamers. Wat mogelijk ook samenhing met haar handicap. Want ze had een gebrekkig been en liep “hompelende”. Verder was ze ongehuwd en deed ze

“het breiden, en ook het kaartleggen wel voor menschen die wat nieuwsgierig waren”.

Tegen Johanna merkte Hermine op dat ze ooit ten oorlog was gevaren. Ook zat ze een pijpje tabak te roken. Op Johanna kwam dit als onvrouwelijk over. ’s Nachts in het duister raakte Johanna haar ook aan bij het “bloot hoofdhaar”.  “God bewaar mij”, riep ze toen,

“wat doe ik hier met een manspersoon!”

Berend Trip, de Vrederechter van Veendam die niet alleen de verdachte Antje, maar ook Hermine in verzekerde bewaring liet stellen, noemde Hermine een persoon

welke algemeen alhier gezegt wordt een vrouw te zijn en zig dan in mannen en dan in vrouwen klederen kleedt”.

Bij zijn vooronderzoek was Trip bijzonder nieuwsgierig naar dit aspect. Tegen hem noemde logiesverschafster Tetje Hermine eerst een vrouw. Is het geen man dan, vroeg Trip. Het antwoord van Tetje luidde dat Hermine…

“…in vrouwenklederen ging, maar Ja, dat Comparant gezien hadde, dat het een man was en even alzo geschapen…”

Ook de verdachte Antje was ondubbelzinnig in haar oordeel, tot welke sekse Hermine behoorde:

“Haar was voorgekomen dat zij een man was, aangezien zij trek hadt tot vrouwslieden en Comparant ook zodanig was aangeweest, en dat de zig noemende Hermine ook de baardt daaglijks uittrok en dat zij alle hare zaaken verrigte als een man behoord en konde doen.”

Ja,

“bij aldien men haar slegts behoefde te beschouwen, men dadelijk zoude ontdekken dat zij eene man en geene vrouw was”.

De vrouwen verschilden echter van mening over het motief  van Hermine voor haar travestie. Tetje meende

dat deze verkleding geschiede omdat hij het waarzeggen dede, en dat geene Vrouwlieden bij een Manspersoon zouden willen komen.”

Tegen Antje had Hermine daarentegen gezegd

“dit haar moeder te hebben belooft.”

Zelf zei Hermine er dit over tegen de Vrederechter:

“Als vrouw te zijn opgevoedt en niet anders bewust te weten als zodanig te zijn”

Ze bevestigde tegenover hem dat ze als man op zee had gevaren. In 1785 had ze gediend bij de schrijver Kijff in Groningen, een paar jaar later was ze naar Noord-Holland vertrokken, waar ze als meid diende bij baron Hoffman van Giesen en Oudekerk, op de hoek van de Appelsteeg tegenover de Waag in Hoorn:.

“Dat zij zig alstoen hadde omgekleedt als man, en om de wereldt te besien was gaan ter zee varen, zijnde dit ongeveer geschiedt in den jare 1792 en dat zij als toen nagenoeg 7, 8 à  9 Jaaren ter Zee hadde gevaaren.”

Wat betreft het kaartleggen en waarzeggen – dat bagatelliseerde ze bij Trip enigszins. Ze deed dat voor een keer wel eens…

“…als het zo eens te passe kwam konde zij eenige berekeningen maken.”

Hetgeen doet denken aan astrologie. Volgens Antje deed Hermine ook aan “de planeten zien”. Waarschijnlijk maakte Hermine een eigen eclectische waarzeggersmix van kaartleggerij en sterrenwichelarij. Volgens logiesverschafster Tetje verdiende Hermine daar “daaglijks” de kost mee. Zo had Hermine onlangs nog bij haar in huis de toekomst voorspeld aan Berend Roeker en zijn moeder Antje Roeker, landbouwers “op de hoogte van Muntendam”. En ook de meid van Hendrik Davids op Borgercompagnie was klant bij haar.

In elk geval vormden Tetje, Hermine en Antje voor de komst van Johanna een soort van gezamenlijk huishouden, waarin ze botje bij botje legden voor de aanschaf van leeftocht en drank. Hermine:

“Men had soms wat huiswerk verrigt, Antje ook wel eens een draadje gesponnen voor tijdverdrijf – overigens hadden zij gebedeld en het kaartleggen gedaan, en ’t geen zij hiermede ieder afzonderlijk verzamelden, verteerde men te zamen bij Tetje Brands. Als men wat te eeten of drinken noodig had, dan betaalde elk zoo veel duiten of stuivers daartoe als men verkoos te koopen.”

DE HOOFDVERDACHTE

Antje Harms (ca. 36), geboren te Veendam en normaliter daar woonachtig bij Willemtje in de Drie Schelvissen bij het Middelste Verlaat, was een ongehuwde naaister en breister.

Bij Tetje Brandt verdiende Antje naar eigen zeggen de kost met spinnen. Volgens Tetje echter, stelde dat niet veel voor. Op haar wiel had Antje

“wel eens een draadje gesponnen voor tijdkorting”.

Tetje noemde Antje zelfs een en andermaal een “hoertje”. Wat waarschijnlijk minder met een liggend beroep als met een ongehuwd moederschap te maken had.

Uit alles blijkt dat Hermine en Antje gezamenlijk optrokken. “Overdag zochten zij de kost bij de huizen”, vertelde Tetje. Hermine en Antje kenden elkaar ook al geruime tijd, voordat ze bij Tetje in het stro kwamen logeren. Antje woonde een week of drie in bij Hermine in het Armenhuis van Winschoten, tot de diakenen haar daar niet langer wilden hebben. Van Winschoten was Antje toen naar Noordbroek verhuisd, waar ze bij Willem Koning de kost verdiende met wieden. Hermine, die eerder een kind van deze boer genas, maar toen zelf ziek werd, kwam daar een een paar dagen bij Antje inwonen, voordat ze samen naar Muntendam vertrokken.

Hermine en Antje waren, kortom, twee handen op één buik met Hermine als dominante partij. Zo ontving Antje van een Muntendammer vrouw, Geessien Doppers, een schelling, waarmee ze in Zuidbroek of Veendam “kruidemuntwater” moest kopen. Dat spul vormde een onmisbaar ingrediënt voor een drankje tegen lintworm. dat Hermine voor die vrouw zou brouwen.

Van alle vier de vrouwen in het Muntendammer huis was Antje verreweg de bijgelovigste. Tegen Vrederechter Trip zei ze, dat ze bij nacht en ontij het huis had verlaten,

“omdat zij bevreesdt was voor deze oude vrouw (= Johanna), dewijl padden in haar huis waren!”

Bij de officier van justitie te Winschoten herhaalde ze dat. Uit angst had ze zich bedronken. Over Johanna, wier naam ze niet kende, had ze gehoord

“dat een toverheksch was, waarmede men wilde dat padden in betrekking stonden.”

Hermine had die padden aangetroffen in het stro, waarin zij en Antje sliepen. Ze maakte ze dood met een schoffel en meldde de vondst in de kamer aan Antje en Tetje.  Die gingen naar de schuur om te kijken. Het klopte. Er lagen dode padden.

“Harmina had gezegd de oude vrouw van Leeuwarden was een toverheks en Tetje had gezegd ook een pad in haar bed te hebben gezien.”

Daarom bleven ze die nacht op. Angstig en zwijgzaam bedronken ze zich aan de jenever, die meermalen werd opgehaald.

Bron: Groninger Archieven, archief 141, Hof van Assisen, inv. nr. 6.35.


Doodslag op vriend om nalezing bonen

Het was een erg drukke tijd qua “korenmennen”, oftewel het inhalen van de oogst. Die vroege donderdagochtend de 21-ste september 1815 waren in de Stadspolder, op het land van boer Jan Heijes Meijer, de arbeiders bezig de bonen in het stro van dat land af te voeren. Twee staken het “bonenkooren” met hun vorken omhoog, twee anderen vleiden het spul op de wagen. Een eind verderop raapte de vrouw van een van de dagloners losse bonen op van het land.

Toen de eerste wagen vol was, kreeg de menner, de ongeveer dertig jaar oude Jan Pieters uit Nieuw Beerta, woorden met  een andere arbeider, de circa vijftig jaar oude Hellenerus Luppens uit Bonda. Luppens was net begonnen aan het optasten van een andere wagen.  Pieters kwam van de zijne af, schreeuwde “Ik zal die duvel de boter betalen”, greep Luppens bij zijn halsdoek, draaide die enigszins om, en schopte hem met de voet in het onderlijf, om hem daarna weer los te laten.

Het leek een efemeer incident, iets van verregaand voorbijgaande aard. Vrouw Luppens bleef een eind verderop onverstoorbaar haar bonen oprapen en kwam niet eens naar haar man toe. Pieters klom na het akkefietje weer zijn wagen op en reed deze gewoon naar de boerderij. En ook het slachtoffer ging door met zijn werk en maakte, alsof er niets gebeurd was, de tweede wagen vol.

Luppens klom ook zonder hulp de volle wagen op en mende deze eerst nog zelf. Maar tijdens de rit naar de boerderij begon hij over hevige pijn in zijn lies te klagen. “Hij heeft mij vast een breuk geschopt”, zei hij tegen zijn vrouw en een boerenknecht. Hij maakte zijn broek los en ze zagen inderdaad een liesbreuk. Zijn vrouw mende de wagen verder naar de boerderij.

Ongeveer op het middaguur kwamen ze daar aan. De boer en zijn vrouw hielpen Luppens van de wagen af  en ondersteunden hem tot in het binnenhuis. Zijn eigen vrouw hielp hem daar naar bed.

Chirurgijn Roelfsema kwam over van de Nieuweschans en onderzocht de patiënt.  Deze leed volgens de heelkundige aan een “merklijken Hernia Scrotelus” met “zigtbare tekens van uitwendige belediging”. Al eerder had Luppens een breuk aan dezelfde linkerlies, maar dit gebrek was “merklijk verergert” door de schoppen in zijn onderlijf. Toch was Roelfsema nog optimistisch. Zijn heelkunst kon dit vast wel verhelpen. De breuk was niet gevaarlijk, verklaarde hij.

Schout Geertsema, die vlakbij in de Stadspolder woonde, maakte daarom ook geen haast in deze zaak. Pas de 26-ste september, vijf dagen na de mishandeling, stelde hij een rapport op voor het gerecht. Juist op dat moment verslechterde de toestand van Luppens aanzienlijk. De liesbreuk ontstak en het ingewandsweefsel eronder stierf af. Mogelijk kwam er koudvuur bij. Luppens vrouw en kinderen, die constant bij hem waakten, zagen hun man en vader in de ochtend van het tiende etmaal sterven.

De Officier van Justitie gaf opdracht om Jan Pieters te arresteren. Die was een paar dagen na het incident nog aan het werk geweest op Meijers boerderij, had er ’s avonds zoals gewoonlijk gegeten  en sprak er zelfs nog Luppens op diens ziekbed, maar vertoonde zich er daarna niet meer. Zijn vrouw verklaarde dat zij hem sinds de mishandeling niet weer gezien had. Waar hij uithing, wist ze niet. De huiszoeking bleef vruchteloos.

Op de procesbundel in het archief van het Hof van Assisen staat geen straf, zoals meestal. Pas jaren later is er een vonnis geveld, dat ik nog niet heb gezien. Maar of Jan Pieters zwaar gestraft is, lijkt me twijfelachtig.  De Officier wist ook wel dat Luppens al eerder een breuk had, dat er geen opzet in het spel was, en dat Luppens dood geweten moest worden aan een tragische samenloop van omstandigheden.

Heb ik het nog niet gehad over het motief, of liever: waar de kwestie tussen Jan Pieters en Hellenerus Luppens over ging. Volgens collega-dagloner Anton Berends (45) hadden ze ruzie over het “nazamelen” van de losse bonen door hun vrouwen. Hij zei dat Jan Pieters…

“…de verstrooyde of op den grond liggende bonen door zijn vrouw wilde doen inzamelen in eene regte lijn over de helft van het land, terwijl Hellenerus deze inzameling (zoo als ook te Bonda de gewoonte was) in eene schuinsche lijn over de akkers wilde doen.”

Er waren, zo blijkt uit de woorden van de jongste getuige Meeno Oentjes (17) vier stukken land in een vierkant. Pieters wilde de vrouwen naar de lokale gewoonte “rechtdoor” laten inzamelen, op twee stukken naast elkaar, terwijl Luppens vond dat het land kruislings verdeeld moest worden, comform de gewoonte in zijn dorp Bonda.

Jan Pieters was normaliter “uitterlijk zeer bedaard” en men kende hem niet uit eigen waarneming als een driftkop. Er was vooraf ook geen sprake van haat of vijandschap tussen de twee dagloners. Volgens boer Meijer waren ze eerder altijd “goede vrienden, goede makkers” geweest.


Plattegrond van een boerderij in Bierum, 1814

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Naar de “Figurative kaart van het huis van Pieter Jans Terborg te Bierum”, 1814.  Pieter Jans ter Borg (1774 – 1828) was een dikke boer (pdf), een van de hoogstaangeslagenen van het Departement van de Westereems. Het boerderijplattegrondje is gemaakt naar aanleiding van een poging tot brandstichting in zijn schuur door de oudste meid. En aangezien het plattegrondje op zich nogal vervaagd is en er niet zoveel boerderijplattegronden uit deze periode overgeleverd zijn, heb ik het maar even digitaal overgetrokken.

Links is het zuiden. Met de keuken wordt het woongedeelte bedoeld, met de bedsteden erin. Waarschijnlijk zat tussen de keuken en het ‘luchthuis’ een brandwerende muur, aangezien de haard er met een schoorsteen tegenaan zit. Opvallend is dat er geen krimp is tussen het woongedeelte en het bedrijfsgedeelte – de buitenmuren lopen immers in één rechte lijn door. Volgens een notitie bij het plattegrondje lag er koren op een zolder boven de koedeel. Met goelen worden graanvakken bedoeld.

Bron: Groninger Archieven, toegang 141 – Archief Hof van Assisen Departement van de Westereems (Groningen + Drenthe), inv. nr 6.9 procesbundels mei – augustus 1814.


Quatre Bras ging in ’59 al over van Hansen op Postema

 

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Naar Zuidhorn geweest om in het gemeentehuis daar enkele bouwdossiers in te zien van café Quatre Bras. Bij het allereerste was het meteen raak. Eind 1959 vroeg en kreeg Pieter Postema vergunning voor een nieuwe, tweede dakkapel links van de eerste. Postema was toen blijkbaar Hansen al opgevolgd. Dat betekent dat drie van de vier suikerzakjes hier in elk geval van voor 1959 zijn. Ook staat die tweede dakkapel niet op de zakjes. Zodat ook het vierde zakje de situatie weergeeft van voor de verbouwing van 1960.

De suikerzakjes zijn daarmee ouder dan ik vermoedde. Ik dacht immers dat de meeste uit de jaren zestig kwamen. Thuis met de nieuwe kennis nog even het archief van de Leeuwarder Courant ingekeken. En bingo, want daarin stond op 12 februari 1959 deze overdrachts-advertentie:

Geplaatst op 24 augustus 2009  Quatre Bras b

Hansen, sinds ongeveer 1930 eigenaar van café Quatre Bras, was dus al verhuisd naar de andere kant van Aduard. Daar zat hij in de paardenhandel, maar misschien was dat ook al eerder het geval. Met zijn verhuizing behield hij het telefoonnummer 318 aan. Daarom kreeg het café onder Postema een nieuw nummer, namelijk 400.

Overigens bleek uit een horecavergunning uit 1974 in een ander dossier dat toen een A. Rutgers Neef het café in handen had. Postema is dus hooguit vijftien jaar uitbater geweest.


De gloriejaren van de GADO

“Gaat Altijd Doch Ongeregeld”, mopperden wachtende buspassagiers, als hun bus aan de late kant was. Natuurlijk stond de afkorting GADO voor heel iets anders: Groninger Autobus Dienst Onderneming.

Deze werd in 1924 opgericht, in de tijd van de ‘wilde autobusdiensten’, toen busondernemers elkaars klanten nog probeerden af te pikken bij de haltes. Na een paar jaar kwam er een eind aan deze ongeregelde, en misschien ook wel eens gevaarlijke toestand, doordat de overheid een vergunningensysteem invoerde en kwaliteitseisen ging stellen. Hier stonden subsidies tegenover.

‘Gewoon Aan de Dood Ontsnapt’ zou wellicht nog steeds hebben bestaan, ware het niet dat de loonexplosie van begin jaren zestig een enorme toename in het brommer- en autogebruik veroorzaakte. Door de opkomst van het particuliere vervoer kwam de klad in het openbare. En dus ging de overheid, die er zwaar op moest toeleggen, bezuinigen en marktwerking invoeren. Voor de GADO hield die ontwikkeling een overname door Arriva in. Elf jaar geleden alweer viel het doek.

Bij de Groninger Archieven hebben ze nog tot 26 september een tentoonstelling van GADO-materiaal, zoals briefhoofden, dienstregelingen, buskaartjes en reclame-brochures. Daar is onder meer dit te zien:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Bij de tentoonsteling zit een vouwblad met informatie, zoals een overzicht van bedrijven die de GADO zelf in de loop van de jaren opslokte. Onder andere ging het om Buiskool uit Zuidlaren (1929), de Stoomtramwegmaatschappij Oldambt-Pekela (1941), Huizenga’s Auto Bus Onderneming te Ezinge (HABO, 1944), Goliath te Hoogkerk (1944), Roland in Slochteren (1963), de Marnedienst in Zoutkamp (1967), de Damster Auto Maatschappij in Appingedam (DAM, 1970) en ’t Gronings-Drents Snelvervoer uit Haren (GDS, 1975).

Filmpje rtv Noord


De oorlogsmisdaad van Quatre Bras

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Om te weten te komen wanneer café Quatre Bras bij Aduard overging van Hansen naar Postema, nam ik vanmiddag Eén klooster, drie dorpen door, het boek dat in 1992 verscheen ter gelegenheid van 800 jaar Aduard. Helaas is die overgang er niet in te vinden. Wel zegt het boek dat het café na de oorlog domicilie was van de lokale rederijkerskamer De Egelantier. Maar belangrijker, er zit een oorlogsverhaal aan het café vast.

Op 7 januari 1942 kwam een Groninger visclub de verkleumde ledematen warmen in het café. Daar kwam ook een Duitse onderofficier binnen, Joachim Kath, met wie de visclub ruzie kreeg. Volgens Kath probeerden de vissers hem zijn pistool af te pakken en schoot hij daarom de 40-jarige Jan Koorenhof dood.

Het Aduarder geschiedenisboek vertelt dat Kath in 1980 alsnog in Arnhem werd gearresteerd. De Groninger rechtbank veroordeelde hem wegens een oorlogsmisdaad tot een jaar gevangensisstraf. Maar in hoger beroep zou de Hoge Raad er in oktober 1981 doodslag van hebben gemaakt, met handhaving van de straf.

Waarschijnlijk is dit uit het geheugen opgetekend, want in de Leeuwarder Courant staat het allemaal net even iets anders. Ten eerste was Kath al in 1949 door het bijzondere gerechtshof in Leeuwarden (strafkamer Groningen) bij verstek veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. Op het moment van die veroordeling hield Kath zich waarschijnlijk ergens in Duitsland schuil. Maar hij trouwde een Nederlandse vrouw, die hij helemaal niets vertelde en met wie hij omstreeks 1968 in Arnhem ging wonen. Na zijn arrestatie daar, tekende hij beroep aan tegen het vonnis uit 1949, dat vanwege het delict oorlogsmisdaad nog steeds niet onherroepelijk was. De Groninger Rechtbank vond het nu geen oorlogsmisdaad meer, maakte er doodslag van en gaf Kath een jaar cel. Omdat Kath meende dat doodslag al verjaard was, ging hij in cassatie. Waarna de Hoge Raad vond, dat het wel degelijk een oorlogsmisdaad was en de Groninger rechtbank opdroeg om dit alsnog in het vonnis te vermelden, zonder verandering van de straf.