Muntendam in de vaart der volkeren
Geplaatst op: 12 augustus 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesUit het Industrieel Adresboek van de Provincie Groningen voor het jaar 1952, een uitgave van de Noordelijke Economisch-Technologische Organisatie (NETO).
De Koppelpaarden of de Koppel Paarden – wat een spatie zegt
Geplaatst op: 6 augustus 2009 Hoort bij: Geschiedenis 10 reactiesIn dit atelier aan de Torenstraat in Uithuizermeeden heeft vroeger horeca gezeten. Dat kun je zo wel zien. En als je het niet gelooft, heb je hier een bewijs.
Toen ik er van de week langskwam, herinnerde ik me een kort gesprek naar aanleiding van een suikerzakje. Mijn gesprekspartner zei:
“Weet je dat de naam Koppelpaarden fout is? Het zijn eigenlijk twee woorden. Er hoort een spatie tussen.”
Ik beaamde dat grif. Omdat ik bij deze bekende horeca-naam altijd een span van twee of meer paarden in gedachten heb. Maar of ik wat dit betreft nu zo representatief ben? Waarschijnlijk niet. In elk geval spreek je die naam met of zonder spatie heel anders uit. Zonder spatie valt de klemtoon immers op kop, terwijl mèt spatie de klemtoon op de eerste lettergreep van paarden zit.
Bij koppelpaarden als één aan elkaar geschreven woord kon ik me ook weinig voorstellen. Ik betwijfelde zelfs of het woord koppelpaard bestond. Bij nader inzien geeft het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT) het wèl, zij het niet in een zelfstandig lemma, maar als een mogelijke samenstelling onder het lemma koppel.
Een koppel definieert het WNT enerzijds als een band, riem of ander voorwerp dat zaken aan elkaar bevestigt, anderzijds als datgene wat door een band of juk verbonden is, dus een stel of een span. Een stel bijeenhorende, of gezamenlijk verkochte, gebruikte of gereden paarden heet een koppel. Zo gaf Halma in zijn woordenboek van rond 1700 deze definitie voor een koppel paarden;
“Een reeks paerden, aan malkanderen gekoppeld”
Bij koppelpaard verwijst het WNT slechts naar het uithangbordenwerk van Van Lennep en ter Gouw uit 1868 (deel 2, pag. 334). Zij merken op dat men op uithangborden van logementen wel eens “de Koppelpaarden” aantreft. Geen verwijzing waar je veel mee opschiet. Al valt de spatieloosheid natuurlijk op.
Wie googelt op “koppelpaarden” zonder, en “koppel paarden” met spatie, zal het niet ontgaan dat de spatieloze variant een veelvoud aan zoekresultaten oplevert. Wat meer is, Koppelpaarden aan elkaar levert op de eerste pagina’s een aantal (nog steeds) bestaande horecazaken op, zoals in Dussen, Assen en Lichtenvoorde, terwijl Koppel Paarden uit elkaar slechts een paar niet meer bestaande café’s geeft, zoals in Marum en bij de veemarkt in de stad Groningen. Het lijkt er dus sterk op, dat de gespatieerde combinatie tegenwoordig weinig in tel is, vergeleken bij de spatieloze.
Maar is dat altijd zo geweest? Om dat uit te zoeken ben ik eens in mijn archiefnotities gedoken. Vooral krantenadvertenties bewezen hun nut in deze. Tevens heb ik gebruik gemaakt van enkele andere bronnen, zoals mijn collectie suikerzakjes. Wat hier nu volgt is een lijst met horecazaken die de Koppel Paarden of de Koppelpaarden hebben geheten, waarbij ik steeds kijk of de spatie in zwang was of niet.
1) Buiten de Herepoort, aan de Hereweg te Groningen
Hier had je in de bekendste horecagelegenheid met die naam, de zaak die het langst onder die naam voortbestond. Voor het eerst wordt ze genoemd in een rekest uit 1799, waarbij kastelein Klaas Helder van de Koppel Paarden mede namens zijn collega’s buiten de toenmalige Herepoort vroeg, of ze een harddraverij mochten organiseren om een zilveren zweep. Begin 1822 blijkt een weduwe Nuissema eigenares en kasteleinse van de Koppel Paarden hier. Ze liet de zaak veilen – er zat een paardenstal bij – maar getuige een advertentie uit 1830 bleef ook haar opvolger Reitsema de gespatieerde naamsvariant de voorkeur houden.
In 1847 was de “neringrijke herberg” eigendom van de erven weduwe P.S. Reitsema, terwijl een Koop Nuissema als kastelein optrad. Het goed wordt dan met de stal voor 60 paarden verkocht. In de advertenties blijft de naam zoals die is, dus met spatie. Onder B.J. Koning verhuist De Koppel Paarden van de west- naar de oostkant van de Hereweg, waarna het vroegere onderkomen gesloopt wordt en het nieuwe vreemd genoeg De Oude Koppel Paarden gaat heten. Nog steeds met spatie dus, zo ook als Koning in 1852 zijn stallen aanbeveelt voor een hengstenkeuring die buiten de Herepoort plaars zal vinden.
Als de weduwe en verdere erven Koning in 1863 van de zaak afwillen, sluipt er in hun veiling-aankondiging echter een verbindingsstreepje tussen Koppel en Paarden in. Stand houdt het niet. De nieuwe uitbater J.J. Eggers bezigt haar weer als vanouds:
“De ondergetekende maakt aan zijn geachte stad- en landgenoten bekend, dat hij door aankoop eigenaar is geworden van het logement de Oude Koppel Paarden staande aan de Heereweg, tegenover de Brandenburgersteeg. Dit logement en stalling, waarbij een groote tuin, heeft hij tevens ingerigt tot Bier-, Wijn-, en Koffijhuis. Eene prompte en nette bediening belovende, beveelt hij zich minzaam aan in de gunst van het geëerde publiek.”
Als Eggers en vrouw de zaak in 1876 verkopen, zit de spatie nog steeds in de naam. En dat geldt eveneens voor advertenties in de Leeuwarder Courant, tussen 1876 en 1897 voornamelijk gezet door de nieuwe uitbater G. Lammers en diens echtgenote en weduwe, al maakten zij in hun nieuwjaarswens voor 1896 een uitzondering op hun regel:
De Koppel Paarden aan de Hereweg heeft nog diep tot in de twintigste eeuw bestaan. Maar op het suikerzakje van begin jaren zestig is de spatie wederom foetsie.
Qua plaatje staat er ook geen koppel paarden op, maar een enkelvoudig paard voor een sulky met een pikeur. Kennelijk had Lindeman klandizie van de drafbaan in het Stadspark.
In 2000, toen het pand op de nominatie stond voor sloop, verzette de Bond Heemschut zich daartegen. Daarom liet het Dagblad van het Noorden onder meer Heemschut-bestuurder en historicus Johan de Haan aan het woord. Bij die gelegenheid gaf ook de krant weer de spatieloze variant:
“Ik ben de archieven eens ingedoken en het blijkt dat Hereweg nr. 34 met zijn uit 1894 daterende neo-renaissance gevel vroeger het gerenommeerde logement-café De Koppelpaarden is geweest. Op oude plattegronden nemen de vele bedsteden een prominente plaats in. Het iets ouder dan een eeuw zijnde pand werd oorspronkelijk gebruikt als café waar de paarden werden gewisseld.”
Kortom, bij de Koppel Paarden van de Hereweg sleet de spatie weg, na 1950 is het De Koppelpaarden.
2) Achter de Muur (nu Schoolstraat), naast het Ommelanderhuis te Groningen
Veel ouder dan De Koppel Paarden aan de Hereweg was de naamsgelijke kroeg aan het gedeelte Achter de Muur dat nu Schoolstraat heet. De herberg “alwaar ’t Coppel paerden uijthanght” stond hier naast het Ommelanderhuis en had een bedenkelijke reputatie.
Op donderdag 25 september 1704, ’s avonds om een uur of tien, elf, trok een klant er zijn degen. De waardin, Sibilla, vrouw van Bensingh Gramsbergen, kreeg een haal over haar neus, en ook sloeg de klant haar meid en kind. Hij werd daarom voor drie jaar uit de stad verbannen.
Er vonden wel vaker ruzies en vechtpartijen plaats in Sibilla’s kroeg en het stadsbestuur was van oordeel dat dat ook kwam, doordat vrouw Gramsbergen haar kroeg niet sloot na negen à tien uur ’s avonds, als de ruimstraatklok had geluid en het taptoe geboden was. Voortaan mocht ze niet meer schenken of zittend volk houden na negen uur. Deed ze dat wel, dan kreeg ze een pond groot (= 6 gulden) boete voor iedere klant of kroes bier die de schulte in haar gelegenheid aantrof.
In 1705 wordt over Sibilla Gramsbergen opgemerkt dat ze hoeren zocht ten dienste van anderen. Ze fungeerde dus als koppelaarster. Toch huurde ze de kroeg van een gezeten burgerfamile. Toen de eigenaar en brouwer Lambartus van Bolhuis overleed, en zijn weduwe in 1710 hertrouwde, kreeg hun minderjarige zoon Michiel van Bolhuis de brouwerij bij de Poelepoort, met het huis de Koppel Paarden en ook nog tapperijen in Uithuizen en Wetsinge.
Voor de reputatie van de Koppel Paarden naast het Ommelanderhuis maakte dat niets uit. In mei 1731 bleek de waardin opnieuw te tappen na het luiden van de ruimstraatklok. De schulte moest speciaal op haar letten, en er ook voor zorgen dat zich bij dag en nacht geen “oneerlijke vrouwen” in haar kroeg lieten vinden. Eind dat jaar echter, was het geduld van het stadsbestuur op. De schulte moest de waardin een tapverbod aanzeggen en haar pullen in beslag nemen. Ook moesten de olderman en heuvelingen van het herbergiersgilde haar naam uit hun gilderol schrappen. En als ze toch weer met tappen begon, zou de schulte haar uit de stad brengen met een verbod om daar ooit nog eens binnen te komen.
Bij al deze wederwaardigheden zit er steeds een spatie tussen Koppel en Paarden.
3) Buiten de Oosterpoort van de stad Groningen
De herberg hier zat eerst aan het begin van de Oosterweg oostzijde en had een aangenaam uitzicht over de lage weilanden van de stad, waar je nu het Zuiderpark hebt. Op het uithangbord stonden in 1799 twee paarden, naar ik aanneem in een span. De zaak bestond toen al meerdere jaren, eigenaar was een Folkert Jans de Vries, een voormalige moesker, die haar van de hand deed. In een verkoopadvertentie van 1816 lijkt het uithangbord te zijn verhuisd naar Onder de Boompjes, nu de Parklaan, het gedeelte dichtbij de Oosterweg. Er staat dan een koetshuis bij de zaak, waarin acht koebeesten kunnen staan, en bovendien hadden eigenaar- kastelein Simon Aaldriks Evenhuis en zijn vrouw de beschikking over een ruime hooischuur, waarin een paardenstal zat.
In de advertentie van 1816 zit een spatie in de naam.
4) Buiten het Kleinpoortje, Winschoterdiep oz., Groningen
In de Koppel Paarden hier vonden tussen 1803 en 1809 zeven geadverteerde veilingen plaats, van meestal niet al te goedkoop vastgoed in de omgeving, maar ook in Engelbert, Ruisscherbrug, en Garmerwolde. De eigenaar en kastelein Marten Hylkes zou dus wel eens uit een van die dorpen kunnen komen. Zijn broer had in elk geval een heerd met een watermolen in Garmerwolde. In januari 1809 kwam de herberg van Marten Hylkes zelf onder de hamer. Van de naam wordt daarna niet meer vernomen.
Die naam is hier steeds De Koppel Paarden geweest. Met spatie.
5) Buiten de A-poort, Hoendiep nz., Groningen
Met het oog op Friese klandizie, die per trekschuit over het Hoendiep in Groningen arriveerde, zette Meindert Jans Zijlstra, zelf afkomstig van Dokkumer Nieuwe Zijlen, op 9 mei 1823 een vestigings-advertentie in de Leeuwarder Courant:
“…maakt door dezen bekend, dat hij op den 1 Mei is komen wonen in de Herberg de Drie Koppelpaarden, op een na het eerste huis bij de aankomst bij Groningen buiten de A-poort (…). Verzoekt vriendelijk gunst van Reizigers en Bekenden, met belofte van eene goede en civiele bediening. Zal zorgen voor goede Stalling en best Grasland voor de Paarden.”
Het betreft ’t vroegste voorbeeld van aan elkaar schrijverij in mijn dataset. Maar de spatieloze variant werd zeker niet constant gebezigd. In twee advertenties uit 1826, als (zoon?) J.M. Zijlstra de zaak huurt, zit er weer een spatie in de naam.
Kortom, de variant met spatie had hier de voorkeur.
6) Appingedam
Net als veel van de stad-Groninger herbergen met een uithangbord waarop een koppel paarden prijkte, stamde De Koppel Paarden aan het begin van de Woldweg in Appingedam uit de eerste decennia van de negentiende eeuw. Eind 1826 adverteerde eigenaar Willem Klazens van Calcar in de Groninger Courant. Bij zijn herberg, “staande zeer voordeelig aan de Trek en Rijweg vooraan Appingedam”, zat 9 bunder beklemd land. Van Calcar schreef de herbergsnaam nog met een spatie.
In 1959 kocht Harmannus van der Klei het “doorridcafé”. Op de website Het Verhaal van Groningen staan enige herinneringen met foto’s van diens zoon Harry van der Klei:
“De stallen, de manege en de doorrit van “De Koppelpaarden” werden eind jaren vijftig afgebroken en het café werd uitgebreid met hotelkamers. De eerste jaren rook het er naar verschaald bier, kokosmatten, kolen en oliekachels.
In december rook het naar paardevolk. Dan werden er in de grote loodsen van strokartonfabriek “De Eendracht” een eindje verderop springlessen gegeven aan de landelijke ruiters en werden de weken afgesloten met een Internationaal concours hippique. De strobalen in de loodsen vormden de tribunes en in het midden volgden de paarden het parcours…”
Hij schrijft Koppelpaarden dus aan elkaar. “Maar”, zo zegt hij in een telefonische toelichting: “De klemtoon lag niet op koppel, maar op paarden”. Medio jaren zestig nam zijn broer Jan de zaak over en dat geeft dan mooi een handvat voor de datering van de drie suikerzakjes, die er van het bedrijf bewaard zijn. De oudste moet deze doorzichtige zijn, omdat er nog k voor het kengetal staat, een gewoonte die begin jaren zestig verdween:
Harmannus schreef de naam van zijn bedrijf zonder spatie. Ook op een tweede zakje uit zijn periode schittert ze door afwezigheid:
Bij zijn zoon Jan echter, beleefde de spatie een comeback:
Neemt niet weg dat de spatieloze variant hier overheerste. Al werd er volgens Harry van der Klei helemaal niet over die spatie nagedacht.
Grappig is, dat hij nog weet wie het het laatste zakje ontwierp:
“Dat is getekend door Wiebe Zandstra, een juwelier die ook tekeningetjes, spotprentjes zeg maar, voor de Damster Courant maakte. Je kon zo’n zakje zelf laten ontwerpen, hetzelfde plaatje stond op de servetten.”
Conclusie: in den beginne was het de Damster Koppel Paarden nog met spatie, De laatste halve eeuw deed men het overwegend zonder. Opvallend is dat de illustraties op de suikerzakjes wel paarden, maar niet echt koppels paarden laten zien.
7) Marum-West
Van de Koppel Paarden in Marum heb ik vier meldingen in advertenties, en een in een redactioneel stukje uit de Leeuwarder Courant. In 1919 liet eigenaar-bewoner K. Braaksma het “van ouds best beklante hotel-café-restaurant” aan de grindweg in Marum-West veilen. Het bedrijf stond vlakbij de halte van de Drachtster stoomtram en er zat onder meer een marktterein en ijsbaan bij. De doorrid en ruime paarden- en veestallen verkocht Braaksma op afbraak, maar getuige een advertentie uit 1925 van diens opvolger K.M. Elema, liet deze althans een van de stallen en de doorrid staan.
In deze drie gevallen werd de naam met spatie geschreven. Bij de aanbesteding van een kaaspakhuis voor de plaatselijke zuivelfabriek, begin 1950, werd de Koppelpaarden echter aan elkaar geschreven. Niet lang daarna nam de autobusonderneming ESA de panden over, om er een motorenrevisie- en en dieselservicebedrijf in te vestigen. In het verslag van de officiële opening van dit bedrijf bezigt de Leeuwarder Courant opnieuw een spatie tussen Koppel en Paarden.
Ergo: in Marum deed men het in de eerste helft van de twintigste eeuw overwegend met spatie.
8) Assen
In de Groninger Courant van 23 mei 1826 staat een vestigings-advertentie van G.H. Reiners dat hij eigenaar is geworden van het “voorheen gerenommeerde logement, waar de Koppel Paarden heeft uitgehangen en wederom zal uithangen”. De lokatie was aan het plein nabij de vaart in Assen.
In 1857 kreeg het pand een andere bestemming, het werd in drieën gesplitst, maar toen in 2002/2003 een van de drie delen opnieuw een horeca-functie kreeg, en daarvoor grondig werd verbouwd, kwam dankzij een lokale amateur-historicus het verleden weer boven. Delen van het casco bleken te stammen uit 1654, toen Tiete Douwes uit Diever hier de tweede herberg van Assen stichtte. Anno 1790, ten tijde van uitbater Albert Bolling, kreeg dit logement de status van officieel posthuis, halteplaats waar de paarden van de postkoets werden verwisseld. “Sindsdien”, schreef het Dagblad van het Noorden,
“…heet het De Koppelpaarden: een herberg met ‘doorrit’ achter het pand langs. “
Oorspronkelijk was het de bedoeling van de eigenaar het bedrijf Old Dutch te noemen, maar door de vondsten veranderde hij van mening en werd het “Herberg De Koppelpaarden”, een spatieloze naam die ook weer terugkeerde in diverse stukken van het DvhN:
“Gistermiddag stopte er opnieuw een postkoets aan de Markt voor een vers koppel paarden. Aan de gevel van het pand op de hoek van Markt en Marktstraat prijkt opnieuw die uit 1790 daterende naam, Herberg De Koppelpaarden.”
Kortom: in Assen hanteerde men in 1826 nog de spatie, maar vanaf 2003 doet men het zonder.
ALGEHELE CONCLUSIE
In de achttiende eeuw komt uitsluitend de naam De Koppel Paarden voor. In de negentiende en eerste helft van de twintigste eeuw duikt incidenteel al wel eens de naam De Koppelpaarden op, maar in het overgrote deel van de gevallen is de naam nog als vanouds met spatie. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw gaat de spatieloze variant overwegen.
Het is verklaarbaar waarom dat zo is. Veel van de établissementen met de naam hadden vanouds doorritten en deden aan het verversen van koppels paarden. Toen de paardentractie uit de alledaagse wereld verdween, raakte die praktijk ook uit de memorie. Men begreep vervolgens de betekenis van de naam niet recht meer. Tekenend is, dat de suikerzakjes van na 1950 paarden in diverse rollen laten zien, maar niet in koppels voor een wagen. De verdwijnende spatie in de ontwikkeling van De Koppel Paarden naar De Koppelpaarden markeert dan ook een wereld van verschil.
Tropisch weekend
Geplaatst op: 30 juli 2009 Hoort bij: Geschiedenis 4 reacties“Het is toch maar goed dat Nederland een waterland is, anders…”:
Het filmpje is van 1961. Nog niet uitgekeken? Er is ook ook nog een over de hittegolf van 1959 en een over de warme zomer van 1975.
Tarieven van de stadstol bij De Punt
Geplaatst op: 17 juli 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesIk was dus naar het archief voor dit stuk, een bekendmaking uit 1733 van de tarieven die de pachter van de stadstol bij De Punt moest hanteren:

De opbouw is eigenlijk een beetje onlogisch. Het stuk begint meteen met zware tarieven, terwijl de vrijstellingen achteraan staan. Dat draai ik in mijn uitleg maar even om.
Sinds 1467 was de Puntertol een stadstol en dat de stadjers er zelf geen tol hoefden betalen was misschien wel een beetje logisch. Maar ook de ingezetenen van Assen waren vrijgesteld. Waarschijnlijk traden zij in de voetsporen van het vrouwenklooster te Assen, dat in 1515 deze vrijstelling verkreeg. De ingezetenen van de hoge zijde van het Gorecht – dit zijn de Hondsrugdorpen Helpen, Haren, Glimmen, Onnen en Noordlaren – verkregen hun vrijstelling pas op een rekest in 1697. Verder waren er wel eens individuele vrijstellingen, die in dit stuk ongenoemd blijven. Zo kreeg iemand die vlak in de buurt woonde, in 1660 tolvrijdom omdat hij een perceel hooiland, ter plaatse gelegen “aan ’t Craenlandt”, afstond aan de stad.
Een voetganger die niet uit Groningen, ’t hooggelegen Gorecht of Assen kwam, of over een individuele vrijstelling beschikte, moest twee duiten betalen, dat is een kwart van een stuiver. Als een Drent van buiten Assen echter heen en weer ging op dezelfde dag, dan hoefde hij maar één enkele passage te betalen.
Per schaap en varken hief de tolmeester eveneens twee duiten, voor een veulen en een koe werd dat bedrag verdubbeld tot een halve stuiver, en een paard deed een hele stuiver.
Voor een wagen met paarden hoefde een Drent maar een halve stuiver te betalen. Mensen die niet uit de stad, het hoge Gorecht of Drenthe kwamen, gaven voor een wagen met twee paarden twee stuivers, en vervolgens kwam er voor ieder paard een stuiver bij. Als er een zware koets van een hoog personage uit den vreemde langskwam, had de tolmeester dus een buitengewoon goeie dag.
De stad beschermde deze pachter met een boete voor mensen die de tol verzuimden te betalen. Van hen mocht hij een daalder eisen, en voldeden ze die niet, dan mocht de tolmeester pand halen, dus letterlijk beslag leggen op levende have of bagage. Werd zo’n in beslag genomen pand niet door de schuldenaar gelost, dan volgde na een korte gerechtelijke procedure de executoriale verkoop.
‘Slecht weer was troef deze zomer’
Geplaatst op: 15 juli 2009 Hoort bij: Geschiedenis 6 reactiesDe zomer van 1956 was de “miserabelste winter sinds honderd jaar”:
Gebedenboek Thesinge (1525) integraal op ’t web
Geplaatst op: 12 juli 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesHet stadsarchief van Deventer heeft onlangs enkele tientallen topstukken integraal op internet gezet. Daartoe behoort ook een handgeïllustreerd gebedenboek, omstreeks 1525 vervaardigd in het vrouwenklooster van Thesinge. Je kan het doorbladeren vanaf het omslag.
De digitale bezorgers merken op dat het manuscript stamt uit een tijd dat de boekdrukkunst al was uitgevonden. Het zou daarom een “blijk” vormen “van het wantrouwen dat men aanvankelijk voor gedrukte boeken koesterde”. Eerlijk gezegd lijkt me dat onzin. Ten eerste konden boekdrukkers niet meteen alles wat maar enigszins in aanmerking kwam drukken. Er moest ook wel een afzet voor zijn. Ten tweede zou de vraag naar handgemaakte, kwalitatief hoogstaande manuscripten nog heel lang voortbestaan. Misschien wel tot in onze tijd.
Horeca-interieurs op suikerzakjes
Geplaatst op: 10 juli 2009 Hoort bij: Geschiedenis 12 reactiesSuikerzakjes staan bekend om de buiten-aanzichten van horeca-panden. Maar als ik naar mijn recent verworven plakboek kijk, gaat het maar om een minderheid. Eenvoudiger ontwerpen, waarvoor geen tekenwerk nodig was, waren populairder. Waarschijnlijk vanwege de geringere ontwerpkosten.
Een nog kleinere minderheid dan de exterieurs vormen de interieurs. Je zou denken dat deze plaatjes gestandaardiseerd zijn, maar daar is net zomin sprake van als bij de exterieurs. Ieder interieur verschilt, al zie je de mode van begin jaren zestig er beslist aan af.
De bar van hotel-café-restaurant Friesland in de Kleine Pelsterstraat te Groningen is bekleed met de indertijd hypermoderne schrootjes. Hij loopt schuin naar onderen af. De bierkranen zijn gemaskeerd met een blokje:

Bij café-restaurant Land in Grootegast zie je dat ook. Er zit een soort etage in de bar, waar je je tabak en je aansteker kwijt kunt. Sommige kroegen in de stad Groningen beschikken daar nog steeds over:

Ook bij het stad-Groninger café De Burcht tref je zo’n voorziening aan. Net als bij Land zit de buffetkast er niet bepaald opgepropt met drankflessen:

Bij café-restaurant De Groene Weide in Appingedam wijken ze in zoverre van dat beeld af, dat de barkrukken er vierkant zijn:

Waar tref je nog zo’n lekker robuuste stamtafel als van hotel Te Bos in Nieuwe Pekela?:

Een paar kilometer verder, bij hotel Reiderland in Bellingwolde, hadden ze daar andere ideeën over:

Eethuis Dijk, aan het Zuiderdiep in Groningen, vestigt de aandacht op de televisie in de zaak:

Terwijl café Velthuis in Woltersum prat gaat op TV, biljart en vooral ook de jukebox:

Er hangt daar ook een kastje aan de muur, dat ik in eerste instantie helemaal niet herkende. Het is voor de prijzen van de biljartclub (met dank aan Hendrika).
Kroeg hoorde bij Veemarkt, ook in Drenthe
Geplaatst op: 10 juli 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Beschouwen wij de Borgermarkt (…). Het rundvee was vroeger ter weerszijden van de hoofdstraat gesteld. Door de drankwet heeft hier een verplaatsing plaats gehad. Tal van koopers en verkoopers van vee beschouwen het als onmisbaar, dat een veemarkt in een dorp daar is, waar een herberg, café of kroeg in de nabijheid is, waar men een koop sluiten en waar men het gekochte betalen kan. Wat verversching aan den kooper, hetzij een borrel sterken drank of een kop koffie, wat meer algemeen wordt, hoort er bij. Daarom is deze rundveemarkt, niet op hooger bevel, maar door de veeaanbieders, verplaatst in de richting waar een logement en een café gevestigd zijn. Het vee staat er meer ineengedrongen, op verre na niet zoo goed als vroeger, maar de vergunning oefent op de markt een grootere invloed uit dan de standplaats voor de aanbieding.”
Bron: Harm Tiesing, ‘De jaar en veemarktren in Oostelijk Drenthe (2)’, in: Landbouwcourant voor de Veenkoloniën d.d. 22 september 1922.
Winnaars verloting
Geplaatst op: 7 juli 2009 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesGoed dat iemand me aan de verloting herinnerde. Ik heb meteen de acht deelnemers op briefjes geschreven, deze briefjes in een pot gegooid, de pot flink gehusseld en er twee briefjes uitgenomen. En de winnaars zijn:
Jos K. en Henk L.
Zij ontvangen dus elk een exemplaar van Stad & Lande!!!
Beide winnaars hebben inmiddels bericht gehad.
Hoe dat ging: melken in de wei
Geplaatst op: 25 juni 2009 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesKleine boer bij Oosterhesselen, 1970. Video van het Drents Archief:
Verloting Stad & Lande
Geplaatst op: 25 juni 2009 Hoort bij: Geschiedenis 8 reactiesIk heb een paar exemplaren over van de laatste Stad & Lande, het cultuurhistorische tijdschrift. Het nummer bevat artikelen over:
- Een slechte directeur van Minerva
- De foto’s van Guido Musch
- Volksgerichten wegens overspel in Appingedam en Groningen
- De zilversmid Reinder Frima
- De geschiedenis van de confessionele ziekenhuizen in de stad
Wie gading maakt en mee wil loten gelieve zich te melden bij de reacties.
Oogst in Drenthe
Geplaatst op: 23 juni 2009 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesHet Drents Archief heeft sinds begin 2009 een eigen YouTube-kanaal. En daarop staat dit verder totaal niet toegelichte filmpje over roggemaaien en stromennen:
Vergane schepen
Geplaatst op: 23 juni 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenZe kwamen al voor in de dissertatie van Van Holk over de scheepsarcheologie van de IJsselmeerpolders, maar nu is er ook een website waarop het sombere lot van twee Groninger schepen – het ene eind achttiende, het andere eind negentiende eeuw – uit de doeken wordt gedaan:
Huize ‘De Breukeboom’ te Yde
Geplaatst op: 12 juni 2009 Hoort bij: Drenthe, Drenthe vrogger, Geschiedenis 1 reactie
“Te Yde, een gehucht in Drenthe nabij de Punt, woont een hoef- of ijzersmid alias wonderdokter met name Willem Jans Smit, welke iederen vrijdag in Jelis kelder aan de Grote Markt in Groningen te spreken is en ter genezing van breuken (hernia), welke soort komt er niet op aan, spijkers verkoopt. De onnoozele lijder bekomt van dezen slinkschen bedrieger (…) drie latspijkers en slaat dezelve bijna horizontaal (…) in eenen dikken wilgenboom. Zoodra de koppen dier spijkers door de bast van den wilg overgroeid en zij onder de schors verborgen zijn, is (zoo zegt baas Smit) de breuk genezen, hetwelk vooral het geval is wanneer hij de spijkers zelf in den boom slaat, waarbij hij, na den hoed te hebben afgezet, en zich eerbiedwaardig voor den boom te hebben gebogen, onder allerlei gezigtsverdraaijingen eenig abracadabra uitspreekt.”
Uit: MD Teenstra, Volksverhalen en legenden van vroegere en latere dagen, deel I (Groningen, 1843) pag. 187.
Meer informatie over de breukeboom van Yde
Blauw gras is wat anders dan blauwgras
Geplaatst op: 11 juni 2009 Hoort bij: Geschiedenis 10 reactiesIk zat dat nou gister wel op te schrijven dat blauwgras anno 1731 kennelijk gewoon was bij de Hoornsedijk, maar intussen knaagt de twijfel.
Want was dat blauwgras van 1731, op die kaart van Corpuslanden, wel hetzelfde als het blauwgras van nu? Wikipedia zegt immers dat de plant in Nederland op droge kalkhellingen in Zuid-Limburg groeide en dat is een wereld van verschil met de venige landen bij de Groninger Hoornsedijk.
In Groningerland groeit er op sommige plekken bovendien in ruime hoeveelheden een blauw soort gras. Bijvoorbeeld op de Feerwerdermeeden:

Het plaatje dateert van precies een maand geleden. Omdat het blauwe waas me frappeerde, kiekte ik ook een individueel exemplaar:

Ik weet het, het is opnieuw een botanische vraag, mijn welgemeende excuses, maar ik heb echt nauwelijks verstand van planten en brand van nieuwsgierigheid: Hoe heet dit blauwe gras?











Recente reacties