Pootjebaaiende nonnen en zo
Geplaatst op: 2 juni 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesStrandfoto’s van het Nationaal Archief op Flickr – de slideshow.
Pasop revisited
Geplaatst op: 11 mei 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Allerlei ongecontroleerde ‘weetjes’ gaan een eigen leven leiden en worden vervolgens als ‘waarheden’ gepubliceerd.”
Aldus Siebrand Homan in zijn artikel ‘Klein Auwema of Pasop’, dat eind 2006 verscheen in Historisch Leek. Homan toont in dat stuk aan, dat de herberg-boerderij die haar naam aan de streek en straat tussen Midwolde en de Dijkstreek gaf, zich bevond op het perceel met het huidige adres Pasop 27.
Daarbij bevestigt Homan de indruk, dat herberg de Pasop bij de wring aan de noord- of Dijkstreekzijde van de Midwolder meenscheer stond. Ook maakt hij duidelijk dat hier de oude, later verlegde hoek van de Traansterweg was. Wat de strategische positie van de herberg veel beter verklaart, dan die meenscheer-wring.
De hoofdweg die langs de herberg voerde, nu dus Pasop geheten, droeg oorspronkelijk de naam Auwemaweg, naar grietman Auwema van het Vredewold die deze weg medio zestiende eeuw liet aanleggen. Naar hem en zijn familie heette het bruggetje over de Matsloot vlakbij de Dijkstreek nog lang Auwema-, of Aumatil. “De Auwema’s waren sterk geïnteresseerd bij deze verbinding”, vertelde Ligterink nog, “omdat ze een boerderij op de Dijkstreek hadden”.
Het vastgoed waarbij op gedrukte kaarten van medio negentiende eeuw de naam Pasop verschijnt, heet volgens Homan in 1801 nog Klein Auwema, waarbij er sprake lijkt van een impliciete verwijzing naar de veertig jaar eerder gesloopte Auwemaborg in Tolbert. Ook in 1811 heet het vastgoed voorbij de Midwolder mienscheer in een verkoopacte nog Klein Auwema. De naam Pasop voor hetzelfde vastgoed komt intussen al voor op een handmatig schetskaartje van 1810. Uiteindelijk gaan de ‘officiële’ naam en die uit de volksmond dan in een koopacte van 1854 samen als “Klein Auwema, doch in de wandeling de Pasop genoemd”.
In 1801 deed dat vastgoed eerst 700 en vervolgens 1000 gulden, een niet erg indrukwekkend bedrag dat er ook in 1811 nog eens voor neergeteld werd. In 1854 echter, deden opstallen en beklemming 6650 gulden, zodat de waardevermeerdering tussen 1811 en 1854 aanzienlijk was. Dat is louter op het conto te schrijven van het herbergiersechtpaar Sietze Jans Bousema en Grietje Jacobs Olthoff dat intussen op het vastgoed zat. Bousema oefende ’s zomers toezicht uit op de ongeveer 125 stuks vee die rondliepen in de Midwolder mienscheer. Waarschijnlijk was hij de man die passanten toeriep dat ze de wring niet open mochten laten staan: Pas op!
Wat er op het uithangbord van de herberg stond is ook bekend. Aan de ene kant:
“Hier wordt verkocht aan alle man
Bij ’t glaasje, kruik of bij de kan,
‘r staat ieder vrij, treed in dees woning
‘k Laat u bedienen als een Koning”
En op de andere:
“Elk land brengt zijn producten voort;
Men weid hier vee in vele soort.
En uit Schiedam komt edel nat
Dat hier getapt wordt uit het vat”
Voor stuiversklanten werd het edele nat ook wel eens met water aangelengd, zoals de leverancier van het zuivere produkt eens mocht merken. De weduwe Bousema raakte niet voor niets in bonis!
Waar komt de naam ‘Pasop’ vandaan?
Geplaatst op: 3 mei 2009 Hoort bij: Geschiedenis, Ommelanden 7 reactiesIn 2001 vroeg cultureel geografe Tialda Haartsen voor Noorderbreedte aan mensen in Pasop, wat die naam eigenlijk betekende. Een lokale boer opperde twee verklaringen:
“De eerste is dat er vroeger een tolhuis was. Als de tollenaar even in de tuin aan het werk was, probeerden de mensen zonder te betalen langs het hek te komen. De tollenaar zou dan uit de verte met de vuist omhoog ‘Pas op!’ geschreeuwd hebben.”
Een mooi verhaal, maar totaal ongeloofwaardig, ook in de ogen van Haartsens’ zegsman. Er was wel een tolhuis geweest, maar dat stond veel noordelijker, bij de Fanerweg, zoals oude kaarten tonen.
De tweede verklaring van de boer was:
“…dat Pasop een verbastering is van het Latijnse pascua, dat weiland en rijk aan weiden betekent, of van het werkwoord pascere, weiden of laten grazen.”
Deze latijnse verbasteringshypothese klonk de boer èn Haartsen “wel logisch” in de oren, omdat een deel van Pasop nog steeds ‘de mienscheer’ heet, naar het gemeenschappelijke weidegebied dat er ooit lag.
Het stukje van Haartsen staat inmiddels niet alleen op de site van Noorderbreedte, maar ook op de dorpswebsite van Midwolde-Pasop. Bovendien is het herdrukt in het aprilnummer van Historisch Leek en heeft de Wikipedia er overduidelijk uit geput. En daarmee lijkt de Latijnse verbasteringshypothese vrij veel gezag te hebben verworven. De vraag is of dat terecht is.
Opvallend aan het stukje van Haartsen is, dat ze heel weinig documentatie gebruikte, eigenlijk alleen de Nieuwe Groninger Encyclopedie. Die rept inderdaad van de gemene weiden of (in dialect) mienscheren, en komt op de proppen met een verklaring voor de naam Pasop die Haartsen verder niet noemt:
“..men zou bij Pasop dus aan een hut voor een veehoeder kunnen denken.”
Natuurlijk liet het format van de serie in Noorderbreedte geen uitgebreide literatuurstudie toe, maar zelfs al had Haartsen alle plaatsnaam-vraagbaken geraadpleegd, dan nog was ze niet ver gekomen. Qua Pasop heb je daar namelijk niet veel aan. Het was ook nooit een officiële plaatsnaam. Zo negeert Van der Aa Pasop in zijn aardrijkskundige woordenboek (1847, 1851) en noemt Moerman Pasop evenmin in zijn overzicht over Nederlandse plaatsnamen. De laatste wijst wel weer op namen met pas (pasch, pech, peske), die verband houden met het Latijnse pascuum voor weide, terwijl Van Berkel en Samplonius in hun werk alleen genre-gelijke namen noemen als Kijkuit, Kopaf en Valom.
Dergelijke namen stammen vaak uit de negentiende eeuw. Dat gaat ook op in dit geval. De eerste kaart waarop het toponiem Pasop verschijnt is bij mijn weten de Topografische en Militaire Kaart van het Koninkrijk der Nederlanden die tussen 1851 en 1854 verscheen. Daarop zien we de naam Pasop staan bij een al veel langer bestaande huiskavel ongeveer halverwege de afstand Midwolde – Dijkstreek, Hetzelfde geldt voor Kuypers’ gemeente-atlas van 1867. Het heeft er veel van weg dat de hele wegomgeving de naam Pasop aan die enkele huiskavel ontleende.
Helaas schittert Pasop ook weer door afwezigheid in het register van Ligterinks’ werk over de cultuurgeschiedenis van het Westerkwartier (1968). Maar dat register blijkt bij nader inzien uiterst zwak, In de tekst van het boek staat namelijk wel degelijk een naamsverklaring voor Pasop. En wat mij betreft is deze de plausibelste.
Ligterink geeft zijn verklaring in de paragraaf over de Midwolder meentscheer, op pagina 377. Van alle kerspel-meentscheren in het Vredewold, zo laat hij doorschemeren, was die van Midwolde de grootste. Denkelijk waren de woeste gronden hier ook het ruigst, en kwamen ze het minst voor een andere exploitatie in aanmerking. Zeker heeft hier de praktijk om naar rato van betaalde grondbelasting gemeenschappelijk vee en paarden te laten weiden, het langst bestaan. Tot in de tweede helft van de negentiende eeuw, namelijk.
Volgens Ligterink werd de weg door deze wildernis die nu Pasop heet, ook weer op basis van aandelen onderhouden door de Midwolder boeren die gerechtigd waren tot het laten lopen van vee en paarden in de meentscheer. Bij het begin van de meentscheer bevond zich een wring of hek:
“Daar stond de herberg waar de boeren die naar hun vee kwamen kijken, door het uithangbord werden uitgenodigd tot een dronk. De herbergier hield tevens enig toezicht op het ingeschaarde vee, waardoor de herberg de naam ‘Pasop’ kreeg. De naam is tot op heden blijven bestaan voor het hele meentscheergebied.”
De verklaring die Ligterink hier geeft, lijkt me veel minder vergezocht dan de Latijnse verbasteringshypothese. Latijn werd lokaal alleen gesproken door de dominee, de dokter en de notaris, en het is maar de vraag of een plaatselijke bevolking zonder enig begrip Latijnse termen overnam. Bovendien vormen herbergen heel vaak naamgevers voor hun omgeving. Als ik mijn geld ergens op zou moeten inzetten, dan zou het dus op de verklaring van Ligterink zijn.
Alleen wil ik die verklaring dan wel een ietsjepietsje amenderen. Want volgens de oudste kadasterkaarten van ca. 1832 hadden de volmachten van de Midwolder meenschaar nog uitgebreide weidegronden TEN ZUIDEN van het bewuste huisperceel. In casu ging het om sectie C, de nummers 401 en 410. Vanuit Midwolde gezien stond de herberg dus niet aan het begin, maar aan het eind van de meentscheer.
Sectie C 402, ten noorden van C 401, bleek anno 1832 hooiland van een herbergier Gerrit Jans Reitsma uit Tolbert. Deze bezat ook land op de plek van latere petgaten, aan de westkant van de weg. Misschien dat Reitsma zich hier later op de hoek van de zijweg en de hoofdweg als vervener en herbergier heeft gevestigd? Zo ja, dan was het vooral Reitsma die “Pas op” zal hebben geroepen als zijn klanten en andere passanten de wring van de meentscheer vergaten te sluiten.
Nederland verpruimde 500 ton tabak per jaar
Geplaatst op: 28 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesEind 1968 vroeg Stadjer zich af of er nog “fiks” gepruimd werd. Hij gaf zelf het bevestigende antwoord.
Dat deed hij aan de hand van cijfers, die iemand van Niemeyer hem verschafte. Het bleek dat er per jaar in Nederland nog zo’n 500 ton tabak werd verpruimd:
“Dat zijn tien miljoen pakjes per jaar. Da’s ongeveer één pakje per Nederlander en dan hou je nog zo’n twee miljoen vaderlanders over om de kwispedoren te legen.”
Maar de groep werkelijke gebruikers was “betrekkelijk klein”, en werd allengs kleiner:
“Dat ligt aan de sluiting van de mijnen. Even moeilijk, Maar in die mijnen werd er vroeger driftig tegenaan gepruimd, omdat je er niet mocht roken.”
Anno 1968 waren het volgens Stadjer “vooral veel boeren” die nog pruimden:
“Is goed voor de akker, en je lucifers kunnen niet uitwaaien in het vlakke land. Maar ook die groep pruimers wordt kleiner. Het is op de meeste veemarkten nog wel even uitkijken. Maar in het astronomische jaar tweeduizend is de pruimer waarschijnlijk een schuwe zonderling, vrij te bezichtigen.”
Bron: Nieuwsblad van het Noorden 14 december 1968
Boer Koekoek en Beerta
Geplaatst op: 27 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties
Uit De Nieuwe Holevoet d.d. 17 mei 1966. Als Koekoek nou gezegd had: “Vlakbij Denemarken“, dan had hij nog gelijk gehad ook.
De immer onvoltooide oorlog
Geplaatst op: 22 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesGister werd bij Staphorst, in een ondiep graf onder een bult kuilvoer het gebeente aangetroffen van de onderduiker Pieter Hoppen. Eind juli 1943 was hij ter plaatse geliquideerd.
Een stokoude verzetsman kreeg berouw. Bij onderzoek bleek hem onlangs dat Hoppen totaal onschuldig was. De man wees alsnog de plek van het graf aan.
Het uit Rotterdam afkomstige slachtoffer wilde eigenlijk in Friesland onderduiken, had in Steenwijk geen onderdak kunnen vinden en reisde daarom door naar Meppel. Het gewapend verzet daar dacht met een verrader en provocateur van doen te hebben. Twee man namen hem mee naar Staphorst en maakten hem daar van kant.
In het boek ‘Recht op wraak, liquidaties in Nederland 1940 – 1945‘ dat deze maand verscheen, is de naam Pieter Hoppen te vinden in het hoofdstuk over lastige en gevaarlijke onderduikers:
”Vermoedelijk is hij door het verzet geliquideerd. (…) Geen aanwijsbaar graf.”
Dat mogen de auteurs dan in hun volgende, derde druk verbeteren. Denken ze het definitieve overzicht te hebben geleverd, gebeurt er zoiets.
"De techniek heft allemoal bracht"
Geplaatst op: 19 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenAppe Kruut (1893) vertelt in 1972 over innovaties in Valthe:
- De eerste fietsen – de peerden sloegen er nog van op hol.
- De eerste stoomfiets – we hadden nooit zoiets gezien.
- De eerste auto – de straat stond zwart van de mensen.
- De eerste dorsmachine – ach miejonge miejonge
Gestoorde godsdienst in Zuidwolde
Geplaatst op: 17 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesIn Zuidwolde (Groningen) waren er na de Afscheiding en de Doleantie altijd meer gereformeerden dan hervormden, en eigenlijk kan je dat midden achttiende eeuw al aan zien komen.
De oorspronkelijk uit Zwolle afkomstige, via het eilandje Nesserland gekomen dominee Jonas Gronouw (1701 – 1760), van 1735 tot zijn dood predikant van Zuidwolde, nam bijvoorbeeld nauwelijks lidmaten aan. Er heerste een enorme avondmaalsschroom. In totaal deden maar acht mensen belijdenis bij Gronouw, waarvan zeven in zijn laatste vijf jaar.
De totale aanwas aan belijdenissen en attestaties, die van 1720 tot 1725 nog 14 mensen omvatte, liep onder Gronouw terug tot gemiddeld minder dan eenderde per periode van vijf jaar. Op zich hoeft dit niets over de kleur van de predikant te zeggen – dit gebeurde ook in gemeenten met meer verlichte voorgangers – maar dat er in Zuidwolde een zware broeder op de kansel stond, blijkt wel uit zijn kerkeraadsprothocol, dat op dezelfde webpagina staat als de lidmatenadministratie.
Zo weerden Gronouw en zijn kerkeraad vanaf 1737 Cornelis Derks en vrouw te Beijum van het Avondmaal. Ze zouden van hem en de kerkeraad hebben gezegd dat “maar zijn dieven en moordenaars, die niet door de regte deur zijn ingekomen…” Naar analogie van een usance in het civiele recht, legde de kerkeraad het Beijumer echtpaar op “dat zij dese en dergelijke lasteringen of bewijzen moeten, of zig des te verootmoedigen en schuld belijden”. Hun laster werd beschouwd als “veragtinge gods”, die “tweedragt in de kerklijke regering” zaaide. In 1739 haalden Cornelis en vrouw bakzeil, door toe te geven dat ze de predikant en de kerkeraadsleden “grouwelijk met hare laster tongen uit nijt en wraakzugt mishandelt hadden”. Ze toonden berouw, zochten verzoening, en beloofden beterschap. Daarom werden ze “met toewensing der verzoenende en hertveranderende genadens weder tot het gebruik van s H. Avondmaal toegelaten.”
Tussen 1738 en 1740 was het de afgaande boekhoudende diaken Jan Derks, die in ongenade viel. Dominee betichtte hem van “grouwelijke en onreine handelingen met zijn dienstmaagt”. Ook Jan toonde in eerste instantie geen “genoegzame verootmoeding”. Daarom ontzegde de kerkeraad onder Gronouws’ leiding hem het Avondmaal tot hij inkeer zou tonen. Toen hij onder het juk doorging, gebeurde dat met “smert, schaamt en berou”,
“…gepaart met een voornemen in des heren Ligt en kragt om voor het toekomende zig te wagten tegen zulk of dergelijke buitensporigheden. Ja wenst van harten aller zonden vijand te zijn en Lust tot alle geregtigheid te tonen…”
Uiteraard nam de kerkeraad onder leiding van Gronouw hem weer aan, uitdrukkelijk unaniem zelfs, “met toewensing van versoenende Heiligende en verzegelende genadens”.
Die taal is typisch orthodox-bevindelijk. dat was ook weer zo in de zaak van de oude schoolmeester Evert Pieters aan het Maar. Bij een huisbezoek in 1739 sprak dominee hem aan op de “innerlijke en uitterlijke oefening der Godzaligheid”. Blijkbaar mankeerde daar iets aan. De meester reageerde met “veel bitterheid en boosheid”, ja zelfs op “spotagtigen wijze”. Na zijn schorsing van het Avondmaal – “met toewensing van ware boetveerdigheid” – bond hij snel in, “onder inwagten van des Heren genade”. Gronouw en de kerkeraad lieten hem weer toe met een wens van “wezentlijke versoening en waragtige bekering”.
Het meest spraakmakende zaakje staat echter niet in het kerkeraadsprothocol, maar is te vinden in de Acta van de Academische Senaat. In het najaar van 1743 klaagde de kerkeraad van Zuidwolde bij Gedeputeerde Staten…
“…dat eenige studenten. insonderheid de studiosis Haringcarspel haar onderstaan op verscheide maalen te Suidwolde in de Kerk te koomen en met alle onordentelijkheid onder het prediken veele ongeregeltheden te plegen, waardoor de Godsdienst wierde gestoort.”
GS, de materiële voogden der Academie, verzochten de rector om de Senaat bijeen te roepen voor een onderzoek naar de zaak en bestraffing van de schuldigen. Inderdaad gaf de Senaat gehoor aan deze wens. Het bleek te gaan om gebeurtenissen die hadden plaatsgevonden op 1 september en 6 oktober.
Op 1 september was Haringcarspel samen met drie andere studenten in Zuidwolde geweest. Ze gingen zitten in de kerkbanken,
“…ieder apart, sonder iets te seggen of eenige gebeerden te maaken. Dat de predikant, na den text voorgelesen te hebben, dezen wensch dede, dat de Here met zijn ligt en waarheid zig ontdekken mogt in het midden der vergadering, in het besonder aan de herten van die vier spotagtige, huichelse en niewschierige tafelbroeders, die hier gekomen zijn om met God, zijn woord, en knecht te spotten. Waarop hij Haringcarspel en van der Spuij heeft aangekeeken, en dese hem toeknikte dog sonder lachen. De Predikant seide: Mijn Heer lacht gij om mij, koomt gij lieden hier om mij uijt te lachen? Van der Spuij antwoorde: Wij zijn niet gekomen om met mijn Heer te lachen of te spotten, dat sij verre van ons. Haringcarspel seide: Mijn Heer heeft immers niet gesien dat wij gelacht hebben? De pastor seide, Hij had wel gesien, dat gekomen waaren om die reden. Haringcarspel weder dat niet gekomen waaren om die reden, maar om op den dankdag de predicatie te hooren. De predikant ging voort in het prediken en in de toepassing heeft hen vier met veel scheltwoorden en bedreigingen door gestreeken, geweldig afgevende tegen de opgeblasen Academi kennis. De heer pastor na geëindigde predikatie op kerkhof gevraagt van Van der Spuij, waarom hen lieden voor de gemeinte soo smadelijk gehandelt had, antwoorde de pastor, hij had daarvan geen rede te geven, dat wel wist wat met sulke te doen had, onder scheltwoorden ook dat van Flegels gebruijkende.”
Op 6 oktober was Haringcarspel opnieuw naar Zuidwolde getrokken, nu met zeven mede-studenten. Twee anderen kwamen hen nog na, maar hoorden niet bij de groep:
“Dat ordentelijk gesamentlijk waaren gaan sitten, dat de predikant stilhield en hen lieden vergramt aansag, wetende sij lieden geen andere reden, als dat van elkander een snuijfje namen, hun sweet door het gaan afdroogden, en één uyt hun snieste. Waarop dan [de predikant] zig van hun af en na de ouderlingen wendende, die aan het ander ainde der kerk saten, die aansprak, versoekende de Kerkenraadt te beleggen om die nieuwsgierige spotters die altijdt quamen om te spotten, want seide verder, dan snuijfense, dan proestense, dan sittense met de neusdoek in de handen, dan guichelense en lachen om mij. Waarop zig tot hen lieden kerende regt uijtliet in veele schelt- en bedreigingswoorden, schimpende veel op de letter en Academi kennis, waerop zij onbekeerde letterknechten soo trotz en opgeblasen waren. Waarop de studiosis Hulten seide geene redenen te weten, waarom hij hun lieden soodanig behandelde. Indien er iets gepasseerd was, zijn Eerwaarde sulks liever aan het eerwaarde classis of den Senatus Academicus sou bekent maaken, als hen lieden op sulke onbetaamelijke manier te behandelen. De predikant hen lieden toen weder met den naam van onbekeerde tafelbroeders aanspreekende. vroeg of uijt de Kerk wilden gaan. Dat eenige studenten deden, dog hij Haringcarspel met eenige andere daar toe geen rede siende, waarom hen de kerk sou worden verboden, bleven stil sitten. Dog seide ten derden maal soo sij er niet wilden uijtgaan, sou hij er uijtgaan, den hoed nemende en de deur van den predikstoel openende. Hij Haringcarspel oordelende dat het beter was, dat zij lieden uijt de Kerk gingen, als dat de Godsdienst sou ophouden, seide: Mijn Heer gelieve te blijven. wij sullen liever uijtgaan, maar het is droevig dat men studenten en sommige wel leden der kerk de godsdienst verbied. Daarop bleef de predikant. Na dat waren uijtgegaan heeft weder lustig op hen gescholden als voorheen, gelijk gerapporteerd is van twee studenten die na hun binnen quamen (…) Ook heeft hij hem Haringcarspel op Kerkhoff gescholden lange Fielt, Flegel etc. ten aanwesen van verscheiden.”
Volgens andere studenten had Gronouw ze uitgescholden voor “schorken, schavauten” en “kinderen des duijvels”. Eén herinnerde zich dat de predikant na zijn preek aan de ouderlingen vroeg “of niet de studenten allarm hadden gemaakt. Desen seiden van ja””. Gronouw had tegen Haringcarspel opgemerkt:
“Gij komt maer uijt nieuwsgierigheid”. Waarop hij Haringcarspel antwoorde: Zacheus quam ook uijt nieuwsgierigheid. Waarop de pastor: Gij, zijt gij een Zacheus gij lange Flegel, ik sal u wel krijgen, gij zijt gekkent.”
Op basis van de klacht van de kerkeraad en de verhoren van de studenten kwam de Senaat tot de conclusie “dat er aan weer zijden schuld was”. De Rector vermaande alle studenten die naar Zuidwolde waren geweest, waarbij hij onderscheid maakte tussen de aanvoerders en de meelopers. Voortaan moesten de studenten zich “absenteeren van de Kerk van Suidwolde, opdat de Hr. Pastor of de gemeinte geen aanstoor gegeven worde..”
Wel kreeg ds. Gronouw de kans om zijn grieven alsnog persoonlijk toe te lichten voor de Senaat. Hij kwam, maar gaf weinig details, behalve dan dat de studenten giechelden en lachten. Zelf had hij niet eens gemerkt dat ze dat onder het gebed deden, dat had hij van horen zeggen. Hij stelde zich zelfs “vrij onheusch” op, willende self den persoon van vrager aannemen, ’t welk zijn eerw. als niet passende erinnert wierd.” Er zou nog een sessie komen, maar daar daagde Gronouw niet op en daarom liet de Senaat de hele zaak verder maar rusten.
Voor Gronouw kreeg de zaak in zoverre nog een staartje dat er “verscheidene gerugten” over hem rondgingen waarin zijn persoon en ambtsbediening er minder goed afkwamen. Daarom vond de Zuidwoldiger kerkeraad het in september “nodig en nuttig” om een verklating op te stellen dat ds. Gronouw zich tijdens zijn gehele periode in Zuidwolde gedroeg “gelijk het een Herder agter zijn kudde betaamt”.
Maar ook Haringcarspel zou belasterd worden, uiteraard door zijn eigen ideologische tegenstanders. Over hem circuleerde er in 1744 een paskwil in studentenkringen, dat ettelijke keren gecopieerd werd, Uiteindelijk zou de studenten-aanvoerde ook geen glanzende carrière maken. In 1747 werd hij adjunct-predikant in Loenen aan de Vecht, een typische proponentengemeente. Na de dood van de eerste predikant volgde hij die op. Nog tot zijn emeritaat in 1784 bleef hij in Loenen staan.
Kornelis ter Laan in het Mauritshuis
Geplaatst op: 14 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis 2 reacties
“’t Eerste wat wie deden was ’t Mauritshuis. De Ontleedkundige Les, ’t Petret van Michiel; wie wàrren der stil van. Moar ’t allermooiste was toch de Stier van Potter. Doar hebben wie wel n ketaaier stil veur op baank zeten: zo leventeg, allerdeegs de kikker leek net of e zo votspringen wol. En de boer leek net op Jan Ziel in Slochter. Moar Jan Ziel mog ook willen, dat e zoon bol haar. Dat zee ik ook. Moar Koerts zee: “Och man, din haar e nou ja al laank dood west”.”
Op 11 augustus 1890 ging Kornelis ter Laan, later de grote voorman van de Groninger beweging, naar Den Haag om examen te doen voor zijn onderwijs-akte Duits. Met een paar streekgenoten die hetzelfde examen deden, bezocht hij toen ook het Mauritshuis. Bovenstaand citaat komt uit een herinnering die hij zestig jaar later opschreef.
Die herinnering haalde ik weer uit een relaas van zijn jongste kleindochter Stip ter Laan. Morgenavond spreekt zij over haar grootvader in RHC de Groninger Archieven. Aanvang 20.00 uur.
‘Wie een broedmachine heeft, kijkt niet op een eendje’
Geplaatst op: 13 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieVoor de oorlog waren er 600.000 eenden in Nederland. Na de oorlog nog maar 11.000. Alle eieren waren nog een hele poos op de bon. Maar in 1947 kwam de zaak weer een beetje op gang, getuige dit filmpje dat de eierverwerking en eendenhouderij in Barneveld e.o. in beeld brengt:
Verzameling nesten en eieren van onderscheidene vogels
Geplaatst op: 13 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Aardig om door te bladeren: de honderd platen achterin het vogelnestenboek van Günther & Wirsing (ca. 1780). De namen van de vogels staan er in het Frans en in het Duits bij en dus is een woordenboek geen overbodige luxe.
“Oh dat was zo mooi altied”
Geplaatst op: 13 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesJantje Brunink-Oosting (geboren in 1896) vertelt over de paasgewoonten van haar jeugd in Valthe (Oost Drenthe). Opnamen uit 1972 van Onder de Groene Linde:
Spek-zondag
Geplaatst op: 12 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Aldus bericht in 1898 de Uffelter correspondent van De Telegraaf waar ik met Palmpasen ook al naar verwees. In de noot bij Witte Donderdag meldde hij dat die aanduiding ook bestond in de provincie Groningen, Goede Vrijdag echter, heette hier Stille Vrijdag.
Omdat er in Uffelte buiten de schoolmeester niemand zal zijn geweest die Amsterdamse pers van kopij voorzag en de verwijzingen naar toestanden in Groningerland ook opvallen in zo’n bericht, denk ik dat de afzender niemand minder was dan Berend Bymholt.
Bouman, slaaf bij de Mingo en Shawnee
Geplaatst op: 6 april 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenUit de St. James’s Chronicle or the British Evening Post d.d. 3 mei 1768:

Abel Tasman in de Moordenaarsbaai
Geplaatst op: 31 maart 2009 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
‘Abel Tasman ontmoet de Maori’s in de Moordenaarsbaai’ is een van de platen die het Nationaal Archief op Flickr heeft gezet in het kader van een serie over water als vriend en vijand. Een groot deel van die serie bestaat uit kaartmateriaal, in het bijzonder van Holland en de grote rivieren. Verder komen er wat koloniale gezichten voorbij. Het Noorden komt er in de set bekaaid vanaf. Desalniettemin: de slideshow.



Recente reacties