Oost-Groninger observaties in de DBNL
Geplaatst op: 30 januari 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesDr. L. van Egeraat over het Oldambt:
“In heel dit gebied groeit alles om zo te zeggen vanzelf. Hier wonen de boeren in paleizen. Boeren? Het zijn eerder technici, monteurs en economen en hun vrouwen zijn geen boerinnen, maar hebben de leiding van de administratie.”
Uit: ‘Dagtrip naar de veenkoloniën en de boerenburchten‘, een van de 25 hoofdstukjes uit Gezinsuitstapjes in Nederland (1966).
Uitgever Wim Schouten in Oost-Groningen:
“Op een ochtend hadden wij de boekwinkels in Veendam en Winschoten bezocht met een naar onze smaak niet onaardige aanbieding. Over de verkoopresultaten waren wij niet ontevreden. In die afgelegen veenkolonie verkochten wij in iedere boekhandel wel vier of zes exemplaren van de herdruk van onze best-seller Die van ons van Willy Corsari.
Om twaalf uur ’s middags sloten plattelandsboekverkopers de voordeur om warm te eten. Wij begaven ons daarom naar het dorpscafé in Winschoten voor het eten van een uitsmijter. Op straat kwamen wij Geert van Oorschot tegen. Hij ging niet met ons mee, eerst moest hij nog een boekhandel bezoeken. “Dat kan niet”, riepen wij, “die mensen eten”. Geert van Oorschot vond dit geen punt. Hij zou wel achterom lopen en door de keukendeur naar binnen gaan, dan kon hij nog best zijn aanbieding doen. Na een halfuur kwam hij terug en wij vroegen hem of hij goed had verkocht.
Toen kwam de klap! Aan de boekhandelaar, aan wie ik zojuist vier exemplaren Die van ons had verkocht à zes gulden en twintig cent, had de grote uitgever vier verzamelde werken van Dèr Mouw gesleten à vijfendertig gulden per stel. Zij zijn er ongetwijfeld vele jaren op de plank blijven staan.”
Uit: ‘Een vak vol boeken‘ (pag. 58/59)
Beide titels maken deel uit van de nieuwe DBNL-oogst.
Een peperdure doedelzakspeler
Geplaatst op: 26 januari 2009 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten 3 reacties
Eind deze week wordt deze doedelzakspeler van Hendrick ter Brugghen geveild bij Sotheby’s in New York. Naar het veilinghuis verwacht, zal het doek vier tot zes miljoen dollar opbrengen. Niet gek voor het konterfeitsel van een muzikant die in zijn eigen tijd niet veel meer dan een armoedzaaier, bedelaar of boer kan zijn geweest..
Ter Brugghen (1588-1629) geldt als leerling van de Utrechtse meester Adriaen Bloemaert. Vanaf 1607 vertoefde hij een tijdlang in Italië, waar hij onder meer werk van Caravaggio zag. De doedelzakspeler schilderde hij in 1624, als deel van een set.
Wie er sindsdien eigenaar waren is zo’n beetje bekend. In 1676 was het werk waarschijnlijk in bezit van de Utrechtse stadsbestuurder Aernout van Lingen. Ruim twee eeuwen later, in 1915, dook het weer op bij een veiling in Berlijn. Het werd toen gekocht door de joodse industrieel Von Klemperer, wiens zoon het in 1938 gedwongen moest verkopen. Sindsdien was het museum Wallraf-Richartz in Keulen ‘eigenaar’, tot juli 2008, toen het museum het teruggaf aan de nazaten van de Von Klemperers. En die laten het nu dus veilen.
Een typering van Krugers werk
Geplaatst op: 26 januari 2009 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieZit ik wat in mijn oude dagboeken van ruim twintig jaar geleden te neuzen, loop ik aan tegen dit citaat van Willem Ellenbroek over de sociale fotografie van Dolf Kruger:
“Een land vrijwel zonder auto’s, zonder neonreclame en televisie, vol kinderen die spelletjes op straat spelen die nooit meer gespeeld worden, vol handkarren en bakfietsen, paarden voor de wagens en wastobbes met een wringer – een gemoedelijk land dat zich veilig achter de dijk voor de wereld afgesloten had, dromend van alledaagse dingen en niet van een revolutie.”
Bron: Volkskrant 21 november 1987.
FOTOMUSEUM HERBERGT GRONINGS MATERIAAL VAN KRUGER
Geplaatst op: 24 januari 2009 Hoort bij: Geschiedenis 5 reactiesHet Nederlands Fotomuseum in Rotterdam heeft een nieuwe website. Getuige de bijbehorende beeldbank zijn ze er reuze benauwd voor plaatjesratsers, zodat je foto’s in hun geheel alleen maar in heel petieterige formaatjes kunt bekijken en er bij details altijd een beeldmerk overheen schuift. Vanwege dit wantrouwen zou je er eigenlijk geen reclame voor moeten maken, maar ja, ze hebben wel fantastisch materiaal in huis.
Zoals het werk van de Waarheid- en Uilenspiegelfotograaf Dolf Kruger (geb. 1923):
- Landarbeiders Finsterwolde, 1954
- Landarbeiders bij vergadering CPN
- Landarbeiders aan het greppel graven
- Tractor met ploeg, 1951
- De CPN-wethouder Schwertman en zijn vrouw aan tafel
- Interieur met verstellende vrouw
- Dezelfde vrouw maar dan uit een andere hoek
- Garnalenvisser, 1951
- Garnalenvisser op de Dollard 1953
- Garnalenvisser kookt vangst
- Roggemaaien in Westerwolde
- Aardappelrooien in Westerwolde, 1954
- Buschauffeurs en -conductrices in een koffiehuis, Groningen 1953
- Schoonheidswedstrijd voor babies, 1952
HH Uitgevers, uit dat Groningse materiaal van Kruger is een erg mooi fotoboek samen te stellen!
Fietsende dienstboden en juffers
Geplaatst op: 19 januari 2009 Hoort bij: Geschiedenis 5 reacties
Rond 1900 was de fiets nog een elitair ding. Al begon dat wel wat te veranderen. Kostte in 1896 een nieuw rijwiel nog 200, 300 gulden, industriële import uit de VS was goedkoper: ca. 125 gulden. Maar ook in Nederland kwam de massafabricage op gang, waardoor in 1899 de prijs al gezakt was tot 90 gulden. Daarnaast kreeg je steeds meer fietsen op de tweedehandsmarkt, en kon je ook een fiets op afbetaling kopen. En zo mocht Jan met de Pet er dan langzamerhand aan gaan denken.
Anne-Katrin Ebert, die in de bundel ‘Fatsoenlijk vertier‘ de bedragen noemt, geeft ook cijfers voor de verbreiding van de fiets in die tijd. In 1899 bezat één op de 53 huishoudens een fiets, in 1904 was dat er één op de 24, en in 1912 één op de 9. Na de Eerste Wereldoorlog, toen die opmars onstuitbaar verder ging, gold de fiets niet langer als luxegoed.
Dat was het voor 1900 wel geweest. De fiets was toen nog voorbehouden aan dat deel van de gegoede en liberaal gezinde burgerij dat zich spiegelde aan Engelse sportsmen. Je had er ook nog een speciaal Engels sportpakje voor nodig, om te fietsen.
Bij de ANWB, nog bij uitstek een club van zulke lieden, heerste enige zorg over het feit dat de fiets financieel binnen het bereik van het plebs dreigde te komen. Zo was een bestuurslid in 1900 verontwaardigd dat er inmiddels dienstmeisjes fietsten. In de damesrubriek van het ANWB-orgaan De Kampioen kwam ene Cosmopolita weliswaar op voor het recht van dienstbodes om te mogen fietsen, maar hoon was haar deel:
“…waar moet het nu heen, als men haar toestaat evenals mevrouw of de dochter des huizes te gaan wielrijden? Is het niet bijna de zekerste weg om die zucht naar opschik, en vooral naar meer schijnen te zijn, aan te wakkeren. en wat is het gevolg? […] Het meisje komt door de beoefening van den sport in kennis met heeren, in plaats van met jongelieden van haar stand, ze zal zich langzamerhand te goed achten voor meidenwerk en zich volkomen den pas afsnijden om eenmaal een eenvoudige werkmansvrouw te worden.”
Het fietsen van dienstboden zou op die manier zelfs tot prostitutie kunnen leiden.
Het stuk van Ebert sloeg ik weer even op, omdat ik in de NvhN-rubriek ‘Noorder Rondblik ‘van 3 april 1968 de herinneringen tegenkwam van de 82-jarige Gezina Hofstede, alias opoe Geessie. Ze woonde in Overschild. Op haar vijftiende, dus in 1901, was zij dienstbode geweest op de boerderij van de weduwe Kuil bij Overschild. En daar leerde ze fietsen:
“Bij wed. Kuil waren drie jongens en die hebben mij het fietsen geleerd. Met de rokken aan kon je op die fiets niet rijden. Daarom gooide ik mijn rokken uit en moest in mijn onderbroek op de fiets. Nu, dat was een feest hoor. Vooral de dorsmachinekerels bleven er naar staan kijken en hadden er schik in. De boerendochters konden het echter niet best hebben dat een arbeiderskind het fietsen leerde. Ze spraken er schande van. Vooral hadden ze een grote mond over mij vanwege het feit dat ik er in de broek op zat. Maar ik was er voor in de gelegenheid en ik wilde het graag leren. Een broek die ik erover aan kon trekken bezat ik niet. En als men graag iets wil leren, moet men er wat voor over hebben.”
Ongetwijfeld waren de honende woorden in de De Kampioen de boerendochters uit het hart gegrepen. Niet dat ze er echt iets tegen konden doen, maar als ze het hadden gekund zouden ze een stokje hebben gestoken voor de sociale proliferatie van de fiets.
Soms kwamen dochters uit de bovenlaag van de bevolking ook wel fietsend in mindere buurten en hadden ze wegens het een of ander ongeluk de hulp van arbeiders nodig. Dat leverde dan verhalen op als dit, uit de Winschoter Courant van 6 september 1894:

Ik denk dat de scène van de juffrouw die op de kop in de sloot lag nog menigmaal in dit buurtje is opgerakeld.
Steenrijk en onsterfelijk met middeleeuws handschrift
Geplaatst op: 18 januari 2009 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactieEen Ripley Scroll is een alchemistisch handschrift uit de late middeleeuwen. Het toont in beeldcryptogrammen de productie van de Steen der Wijzen, waarmee men het eeuwige levenselixer kan maken en goud uit lood.
DBNL-goodies
Geplaatst op: 3 januari 2009 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesBij de nieuwe aanwinsten van de digitale letterenbieb zien we staan:
- Het grote Bescheurboek van Koot en Bie, met bijvoorbeeld de Uithangbrillen
- De Economische Liedjes van de dames Wolff & Deken, met onder meer De eerlijke Bedelaar
- De drie delen brieven aan zijn broer Theo van Vincent van Gogh, met natuurlijk ook de Drentse epistels uit het najaar van 1883, waaruit ik dit citaat licht over een plaggenhut in de buurt van Hoogeveen:
“Om U een staaltje te geven van het echte van deze streek. Terwijl ik die hut zat te schilderen, kwamen er twee schapen en een geit, die op het dak van dit woonhuis begonnen te grazen. De geit klom op den nok en keek den schoorsteen in.
De vrouw die iets op het dak hoorde, schoot naar buiten en slingerde haar bezem naar de geit voornoemd, welke als een gems naar beneden sprong.”
Een verordening op de ijsbaan (1852)
Geplaatst op: 30 december 2008 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
De bestaande verordening op de ijsbaan voldeed niet meer. Zij was onvolledig en deels ook onuitvoerbaar. Daarom stelde het gemeentebestuur van Appingedam op 29 december 1852 een nieuw reglement vast.
Een copie van het stuk hing van de zomer nog op de kerk van Solwerd. Zoals impliciet uit het eerste artikel blijkt, gaat het over het Damsterdiep, vroeger een zeer populaire route voor scheuvellopers. Zodra het ijs sterk genoeg was, zou de Damster burgemeester zijn ambtsgenoten van Loppersum en Delfzijl moeten waarschuwen, dat de baan klaar werd gemaakt.
Feitelijk was er sprake van twee gescheiden banen, een voor schaatsers en de andere voor arresleden. Deze werden volgens artikel 2 aangegeven met grote letters op borden aan palen. De shared space ideologie bestond nog niet, beide stromen ijsverkeersdeelnemers dienden uit elkaars vaarwater te blijven, alleen als de andere baan geheel vrij was, mocht men erop. Getuige artikel 3 gold dit verbod vooral voor de niet-professionele ijsvoertuigen:
“De baan der Schaatsrijders zal niet met paarden, arresleden, bevrachte sleden, wagens, rijtuigen, looikes en met al wat nadeel aan de baan, of hinder aan de Schaatsrijders kan aanbrengen, mogen worden gebruikt, op straf eener geldboete van drie gulden. Hiervan zijn uitgezonderd zogenaamde toesleden, bevracht met personen en goederen; mits de aanvoerders niet te voet gaan.”
Bovendien gold (art. 4) dat men rechts moest aanhouden. Passeerde een schaatser een andere schaatser, dan moest hij dat zo links mogelijk doen.
Volgens de artikelen 5 tot en met 10 stelde de burgemeester baanvegers aan, een per zoveel honderd meter. Deze BaanVegers droegen de letters BV van rode of gele stof op hun hoed of pet, en iemand die zich zonder aanstellingsbrief van de burgemeester als baanveger voordeed riskeerde ook weer een boete van drie gulden.
De baanvegers moesten een schaatsbaan van 3,5 meter vrijhouden en mochten “op eene bescheidene wijze en zonder eenige de minste beleediging of hindernis” een vrijwillige bijdrage voor hun moeite vragen. Zij waren ook verantwoordelijk voor het plaatsen, controleren en innemen van de gemeentelijke borden, maar kregen voor die moeite geen rooie cent.
Ging een baanveger over de schreef, dan was het voor hem een ander:
“De baanvegers welke zich aan onbecheidenheid, beleedigingen, aan het misbruik van sterken drank, of aan pligtsverzuim ten aanzien van de baan schuldig maken, zullen dadelijk van hunne betrekking worden ontzet en terstond door anderen vervangen worden.”
Art 11 van de verordening regelde commerciële activiteiten op de baan: koek en zopie, maar ook gokkerij. Alleen met toestemming van de burgemeester mocht iemand een tent, kraam of tafeltje “met kleine negotie, om te spelen of anderszins” op het ijs plaatsen. De burgemeester wees hiervoor ook de plaatsen aan “in het belang der publieke passage en veiligheid”.
De gemeente-veldwachters zouden gaan toezien op de naleving van de verordening, en overtreders verbaliseren. Maar mochten de koddebeiers niet in de buurt zijn, dan moesten de baanvegers overtredingen doorgeven aan de burgemeester.
’t Oud Vaderlandsch Swiervermaeck
Geplaatst op: 30 december 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
(Parijs, 1816)
Automaatfoto’s
Geplaatst op: 29 december 2008 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesVan mijn grootvader Harm Perton heb ik er een paar, die gemaakt zijn in Winschoten tijdens de Eerste Wereldoorlog:

In het oude Groninger foto-album van Groothelm trof ik er vier aan, afkomstig uit cabines aan de Guldenstraat en de Brugstraat in Groningen:
In die tijd poseerden soms hele families voor zo’n automaat. Zoals deze onbekende in een zaak die zich bevond op de hoek van de Zwanestraat en de Oude Kijk in het Jatstraat in de stad. Leden van deze familie gingen trouwens ook wel naar de Guldenstraat en de Brugstraat.
De eerste foto-automaat verscheen anno 1890 in het Franse Touffreville, begrijp ik uit een jaartallenlijst (pdf) van de fotografie-geschiedenis. Dat was dan nog geen volledig geautomatiseerde, want die kwam er pas in 1925. Een Russische immigrant in New York werd miljonair dankzij die uitvinding.
Vroeger had je die automaten op alle stations, nu zijn ze praktisch uitgestorven. In Amerika kan je ze alleen nog maar huren als attractie bij feestjes.
Wat er zo aantrekkelijk aan was, aan zo’n foto-automaat, bracht Martin Bril kort geleden nog onder woorden.
Transistor-radio’s
Geplaatst op: 26 december 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenEen prachtige verzameling van enige honderden oude transistor-radio’s, alleen zit de mijne er niet bij.
Kerstfoto’s van het Nationaal Archief
Geplaatst op: 19 december 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen22.000 Bekende Nederlanders
Geplaatst op: 19 december 2008 Hoort bij: Geschiedenis 2 reactiesZo. Voor het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek (NNBW) hoeven we ook niet meer naar de bibliotheek. Deze week is het veel geraadpleegde tiendelige lexicon onder redactie van Molhuysen en Blok (1911-1937) integraal op het web gezet. Met alle 22.000 biografieën van – in hun tijd – bekende Nederlanders. En dat gebeurde ook nog eens op twee lokaties, zodat er geen nood is als er een server uitvalt:
Vliedende tijd
Geplaatst op: 10 december 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe eerste en oudste betekenis van filosoof is: “Iemand die de kennis bemint en aankweekt, die de wijsheid en wetenschappen beoefent, een vriend van geleerde onderzoekingen, een geleerde.” (WNT)
Rembrandt portretteerde er een paar, maar van te veraf, en bovendien hadden ze louter boeken. Mij gaat het ook om de andere voorwerpen waarmee de filosoof wordt omringd. Die vind je vooral bij meesters van de tweede garnituur.
Abraham van der Hecken schilderde omstreeks 1635 bijvoorbeeld deze gemelijk opkijkende wijsgeer. De paperassen waaruit hij passages copieert zouden in een officieel archief met gezwinde spoed naar de restauratie-afdeling gaan. Deels heeft hij ze neergezet tegen een globe, symbool van de universaliteit of het al. In de nis achter hem valt de crucifix op. Maar daarnaast staat er een zandloper, symbool van de vliedende tijd, en ligt er een schedel, symbool van de dood:

De filosoof van Jacob van Spreeuwen (1645) lijkt zich met opzet van zijn even flodderige papieren af te keren om de zaken nog eens goed te kunnen overdenken. Hij heeft het daar moeilijk mee. Dit keer leunt er een foliant tegen de globe. In de hoek hangt de zandloper. Een schedel ontbreekt:

De filosoof van een anonieme meester omstreeks 1700, mogelijk uit de Leidse fijnschilderschool, houdt zijn boeken wat netter en beschikt verder alleen nog over een zandloper:

Uit Duitsland komt deze tijdgenoot, al even keurig in zijn boekbehandeling, en in bezit van een zandloper en een schedel:

Bij alle vier komt de zandloper voor, terwijl globes en schedels nogal eens ontbreken. De zandloper was hèt waarmerk van de filosoof.
Cox op avontuur
Geplaatst op: 7 december 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenHoe Cox Habbema (19) er vandoor ging met Charles Aznavour (39). Henk de Weerd vond de affaire in een Winschoter Courant uit 1963.

Recente reacties