Wanderina en Klaas
Geplaatst op: 1 december 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn een procesbundel van de Etstoel, eertijds de hoge rechtbank van Drenthe, zitten vijf moeizaam geschreven epistels van de Deventer dienstbode Wanderina Wynoldi. Zij schreef deze brieven aan haar Groninger verloofde Klaas Remkes met tussenpozen van ongeveer een maand. De eerste was van 2 september 1713 en de laatste van 29 januari 1714. Dankzij de brieven raken we op de hoogte van vijf maanden uit hun relatie.
Over de adressant, Klaas, komen we, zoals gebruikelijk bij eenzijdig bewaard gebleven correspondentie, alleen indirect wat te weten. Aanvankelijk woont hij in herberg De Hulzebos aan het Schuitendiep in de stad Groningen, maar met Sint Maarten verhuist hij naar het huis van Jan Eppes in Kropswolde, waaruit af te leiden valt dat hij net als Wanderina tot de dienstbare stand behoort.
In drie gevallen luidt de algemene aanhef van Wanderina: “Looft Godt booven alle”, en in twee “Looft Godt altydt”. Tot besluit van haar brieven roept ze steevast een zegenwens over Klaas uit: “Zij Godt in genade bevolen”. Ze is dus tamelijk gelovig, maar dat is anno 1713 ook niet zo vreemd.
Nauw in verband met dat geloof staan de mededelingen over gezondheidstoestanden die een flink deel van haar brieven vullen. Zo heet het in de eerste:
“…wat mij angat yn staat van gesontheyt dat kan wel nu noch passeren. (…) Maar yck wenschen wel dat yck eens een half uer bij mijn UL alderlyfte waar (…), dan soude mijn UL lyeft noch wat hoore.”
Hier lijkt dus wat meer aan de hand. Later bepaalt ze zich tot: God zij dank gezond, hoop van u hetzelfde en dat zulks “ter zaligheid” nog lang mag duren etc. Voor ons gevoel lijken het misschien frasen. Toch doen we er goed aan de ernst van dit soort mededelingen niet te onderschatten. Gezondheid is anno 1713 een hoogst ongewisse zaak, zoals Wanderina’s derde brief laat zien:
“…mijn oom die heeft een splynter in de vynger gestooten en daer heeft hij het vyer in gekregen, soo dat wij ander niet te verwaghten waar dan de doot, maar de dockter die verordrede er dran dat hem weer van hert of trock, soo dat heij nu al de achte week te bedde gelegen heeft en heft noch alle dage soo dat wij nu verhope dat het Godt saal versyn dat hij haest weer yn staet van gesontheyt mogh herstelt woorden, want wij sijn der soo verdryt an. Het een lyt is al ofgeset.”
Een splinter in de vinger kon via koudvuur tot de dood leiden. Tenzij God de chirurgijn een gelukkige hand gaf.
Wanderina spreekt Klaas op zeer verschillende manieren toe. Termen van respect – eerwaarde, eerwaardige, waarde, eerzame – gebruikt ze 9 maal, termen van liefde – (zeer) beminde, zeer geliefde, allerliefste lief en engel – 92 maal. Meestal heet Klaas “mijn beminde lief”. Ook valt de term “uitverkorene” drie keer, alle drie keren in de tweede brief (30 oktober 1713), en de term “bruidegom” 12 keer, een maal in de derde brief en maar liefst elf maal in de laatste. Ook de term “engel” reserveert ze voor de laatste brief. Waarom dat zo is, daar kom ik op terug.
Intussen noemt ze zichzelf in de brieven steevast dienstwillige en/of getrouwe “dienresse totterdoot”, behalve in de laatste brief waar “u beminde bruit” er nog eens overheen komt. De verhouding tussen haar en Klaas is die van een vrouw en een man die weliswaar niet getrouwd zijn, maar elkaar al wel bindende huwelijksbeloften hebben gedaan, welke zijn bekrachtigd door bijslaap, bruidspenning en/of akte. Wellicht dat Wanderina’s opmerking over haar gezondheid in de eerste brief erop duidt dat zij en Klaas het bed hebben gedeeld.
Hoe verloopt het contact tussen Deventer en Groningerland? Vrij moeizaam, kan ik zeggen. Om te beginnen heeft Wanderina nauwelijks tijd om haar epistels neer te krabbelen. Op drie van de vijf noteert ze dat deze “met hast” geschreven zijn en uit de tweede brief blijkt ook waarom: “met hast omdat yck alleen nu ben”. Als haar kost- en werkverschafster, de weduwe Menting, thuis is, heeft Wanderina als dienstbode geen tijd om te schrijven, laat staan als de weduwe Menting logé’s over de vloer heeft:
“… wij hebben het huis soo vol vrinden gehadt dat ick soo lange geen tijt gehadt hebbn om UL mijn beminde lieft te schrijven het gene mij leet genogh gedaen heeft.”
Ten tweede gaat er nogal eens iets mis met de post tussen Groningen en Deventer. Zo blijkt uit Wanderina’s tweede brief (30 oktober) dat ze nog geen antwoord gehad heeft op haar eerste:
“…yck ben in honderderley gedagten of UL mijn beminde lyeft maer syck mog wesen…”
Ze haalt zich allerlei muizenissen in het hoofd, vandaar het voor het eerst opduiken van de termen “uitverkoren” en “bruidegon” plus de bezwering:
“…wij sijn voor Godt getrout ons [onleesbaar wegens inscheuring] sal ge minschen schijden dan Godt”
Uit haar derde brief de dato 28 november blijkt de overbodigheid van deze verzuchting. Klaas is nog een regelmatiger correspondent dan zij, en heeft al drie brieven geschreven waarvan zij er twee ontving. Waarom die ene niet aankwam?
“…eer vrou Mentings krijch soo ben de breven opgebroken want dese laste brift van UL ontfangen die waer hel los, daer kon yck gen synnen op syn. Nu ben wij in twijffen omdat het en ander hant van schrijven is dy ick nu heb ontfangen en dat Anken daer voort woorden van make en heft vrou Menting d voort de huer opgesigh dat sij de bryft moch oopgebroken hebben.”
Blijkbaar kan Klaas zijn eigen brieven niet schrijven en laat hij dat door wisselende schrijvers doen. Hoewel Wanderina de laatste brief, die opengebroken was, niet meteen kon ontcijferen, las de jongere dienstbode Anke de woorden meteen hardop voor, iets wat haar tot verdachte nummer één van het openbreken bestempelde. De weduwe Menting ontsloeg haar daarom.
Wanderina neemt ook maatregelen. Klaas moet voortaan maar weer zijn post naar Trijntien Harmens sturen, die aanvankelijk ook al postadres was. Deze “kammeraet” van Wanderina fungeerde toen nog als dienstbode bij de heer Diemen in de Assestraat. Na haar huwelijk met de tuinman Jan ten Verhoors hield ze op het postadres te zijn. Nu raadt Wanderina Klaas aan om zijn brieven opnieuw naar Trijntien te sturen. Deze woont nog steeds in de Assestraat, maar dan in het derde huis vanaf de “Fleyshower stege”:
“Maer UL belieft daer een Couvert om te maken om voor te behand aan mij.”
Hoewel de tuinmansvrouw als adressante van Klaas in eerste instantie voor de porti opdraait zijn de brieven toch niet voor haar ogen bestemd!
Uiteraard ontmoeten de gelieven elkaar liever in levende lijve dan dat ze elkaar steeds moeten schrijven. Uit Wanderina’s eerste brief blijkt dat Klaas in september 1713 nog in Deventer was. Waarschijnlijk hebben ze bij deze gelegenheid afgesproken dat ze in mei 1714,zullen trouwen. Eind november al blijkt dit op problemen te stuiten. De weduwe Menting zeurt elke dag of Wanderina na mei niet langer aan wil blijven:
“…omdat sij dan gen twee nije meyden wylde hebben want ik bin der nu maar allen en dat valt mijn wat te swar.”
Wanderina is weliswaar een oudere, ervaren kracht in de huishouding, maar ze kon het moeilijk alleen af. Als zij weg zou gaan zou de weduwe Menting twee nieuwe dienstboden moeten inhuren in plaats van één, iets wat de routine in haar huishouden natuurlijk danig in het gedrang brengt.
Nader bericht volgt in de brief van tweede kerstdag. Met de nieuwjaarswens krijgt Klaas dan het verzoek nog wat “passinti” (geduld) te hebben “om over te komen”, want Wanderina is in principe voor de aandrang van haar werkgeefster gezwicht. Alleen vraagt ze haar verloofde nog wel
om instemming. Ook de mening van zijn familie telt mee:
“…want daer dan te komen en niet wel worden ontfangen dat soude droefheyt wesen.”
Blijkbaar zou het stel zich bij het huwelijk in Groningerland vestigen. Maar voorlopig gaat dat niet door. Uit Wanderina’s laatst bewaard gebleven brief (29 januari 1714), dezelfde waarin ze Klaas zo menigmaal bruidegom en engel noemt, blijkt hoe hij tegenover dit uitstel staat:
“UL schrijft mij dat ik over soouden koomen. Mijn beminde is wel bewust dat ick dat niet doen kan…”
Ze verzoekt derhalve nogmaals om uitstel van het huwelijk:
“Ick wet wel dat UL mijn liefte eengel seer verlaande is(…) Mijn beminde bruidegom UL wilt alle swaar gedagten laten varen, sit welgetrost…”
En om de bittere pil te vergulden pakt Wanderina tegen haar gewoonte in aan het eind van haar brief nogal hartstochtelijk uit:
“…sit ock van mij UL beminde bruit duisent maal van mij UL bruit gekust.”
Zelfs de groeten van de weduwe Menting en haar beide dochters en van kameraad Trijntje en haar tuinman worden voor de gelegenheid aanmerkelijk aangedikt:
“…die dot UL ock hondert en duisent mael groeten.”
Evenals de zegenwens die nu luidt:
“…hier mede wensche ick UL in de allerhoogsten Godt die mijn beminde wil spaaren en bewaaren voor alle onheyl en sonden.”
Die zegenwens mag niet verhoeden dat Klaas Remkes even later op weg naar zijn Deventer verloofde op verdenking van paardendiefstal wordt opgesloten in het Asser cachot.
Leeftijdentrap
Geplaatst op: 12 november 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn 1550 drukte Peter Warnersen in de Witte Valk te Kampen een klein octavo-deeltje: Gemeene Duytsche Spreckwoorden: Adagia oft Prouerbia ghenoemt. In dat boekje is deze Trap des Levens te vinden:
“Thien Jaer een kijndt.
Twintich Jaer een Jongelinck.
Dertich Jaer een man.
Veertich Jaer welghedaen.
Vijftich Jaer stille staen.
Sestich Jaer gaet dy tolder an.
Seventich Jaer een grijs.
Tachentich Jaer nummer wijs.
tNegentich Jaer der kijnder spot.
Hondert Jaer ghenade dij Godt.”
Ik wist niet dat leeftijdentrappen ook nog een spreekwoordengenre vormden, kende ze eigenlijk alleen van populaire prenten:

Wapenstilstandsdag
Geplaatst op: 11 november 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenLonden, 1918. De eerste Duitse U-boot arriveert voor de London Bridge na de overgave van de Duitse vloot aan de Engelsen:
Alle platen van het Nationaal Archief op Flickr met de tag Armistice Day (slideshow).
Van Quast naar kwast
Geplaatst op: 10 november 2008 Hoort bij: Geschiedenis, Taal Een reactie plaatsenPieter Quast (1606 – 1647) was een meester van de tweede garnituur. Er bestaat zelfs geen biografie van hem op de Nederlandse wikipedia. (Merkwaardig genoeg wel op de Spaanse.)
En dat terwijl Quast met zijn serie prenten van narren en zotten mogelijk aan de wieg heeft gestaan van de term kwast in de zin van malle vent, kwibus. pedante gek. Althans, volgens het Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) is kwast in die betekenis “van onzekere oorsprong”, terwijl het eerste literaire werk waarin de term zo voorkomt, Het koddig en vermakelyk leven van Louwtje van Gerrit van Spaan, in 1700 verscheen, dus na de dood van de kunstenaar.




1966
Geplaatst op: 6 november 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIk heb geprobeerd die beatbar aan de Oosterweg te lokaliseren. Oudere buurtgenoten wisten het niet, popmuzikanten op leeftijd evenmin. De Groninger adresboeken van 1964 en 1968 leverden niets op en ook in het Nieuwsblad van het Noorden van 1966 zag ik, afgezien van deze ene melding, geen beatbar aan de Oosterweg.
Op de Uit-pagina’s in het NvhN van dat jaar staan bijvoorbeeld wel concerten van The Tigers, The Outsiders, The Seahawks en The Bats in tenten als Frigge, Huize Maas, ’t Krotje en Tour 66. Maar die beatbar aan de Oosterweg schittert door afwezigheid in de Uit-kolommen.
Gelukkig hoef je je nou ook weer niet te vervelen met die ouwe kranten. Verschillende dingen kwamen weer boven:
- De Ford Cortina van mijn opa, een type waarvoor flink reclame werd gemaakt;
- De ontvoering, door eerstejaars Vindicaters, van het Lieverdje uit Amsterdam;
- De mistwedstrijd Ajax – Liverpool, 5 – 1 (en die Bill Shankley maar pochen dat Liverpool Ajax in eigen stadion zou gaan wegspelen met minstens 7 – 0. Haha, daarginder werd het 2 – 2);
- Fyffes gaat Chiquita heten;
- 10 astronauten voor twee kwartjes.
Bij een genre-tafereel van Jan Miense Molenaer
Geplaatst op: 31 oktober 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Op Sint Maartensdag is er bij Sotheby in Amsterdam een veiling van oude meesters, waarbij dit doek van de Haarlemse genreschilder Jan Miense Molenaer (ca. 1610-1668) als kavel nummer 30 onder de hamer komt. Het stuk, nu nog Duits bezit, dateert van voor 1630 en is dus een vroeg werk van Molenaer. Volgens een schatting van Sotheby moet het iets van 50.000 euro doen.
Maar daar gaat het me niet om. Wat me opviel is de beschrijving. Sotheby beweert daarin namelijk dat het hier gaat om een man en een vrouw die staande op tonnen hardop de krant voorlezen. En ik denk dat de kunsthistoricus van het veilinghuis in dit geval slecht gekeken heeft, en ook historisch de plank nogal misslaat.
Als je goed kijkt naar de man en de vrouw, dan zie je dat beide de mond open hebben. Ofwel beiden uiten zich simultaan, ofwel ze praten door elkaar heen, wat niet zo handig is. Verder heeft de vrouw geen lectuur voor haar neus, zij leest dus niet echt voor. Als het al kranten zijn, die zij in haar handen heeft, dan kent ze, afgaande op die beschrijving van Sotheby, de inhoud uit haar hoofd. Wat wel een beetje vreemd is met kranten, waarvan de inhoud regelmatig verandert.
Echter, kranten vormen anno 1630 nog een vrij nieuw en tamelijk zeldzaam verschijnsel. De eerste Nederlandse krant kwam in in 1618 uit. Oorspronkelijk ging het om correspondentie tussen internationaal opererende kooplui over zaken van meer algemeen belang. Zulke brieven gingen van hand tot hand en werden veel afgeschreven, vandaar dat men tot druk overging. Zeker in deze begintijd was de krant nog een uiterst elitair artikel. En het werd met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet op zo’n volkse manier aan de man gebracht, als Sotheby hier nu impliciet beweert.
Maar wat doen die man en die vrouw dan wel op die tonnen? Nou, dat is heel eenvoudig. Ze zingen. En tegelijkertijd verkopen ze gedrukte vellen met de tekst van hun lied. Mogelijk gaat het om een nieuwsballade, waarmee ze dan toch wel weer verspreiders van actualiteiten zijn, al kent balladenieuws een wat langere looptijd.
De zangeres overhandigt net zo’n liedvel aan een man die een mand met waspenen bij zich draagt, wat ongetwijfeld een allegorische bedoeling heeft. Zo zal ook die hangende haan ergens voor staan, daar achter de rug van de figuur op de voorgrond. Wat de betekenis is, weet ik niet. Wat dat betreft is het hondje dat voor de tonnen zijn behoefte doet gemakkelijker te duiden. Hij heeft er schijt aan.
Noormannen? Kooplui! De Nieuwe Geschiedenis van Groningen
Geplaatst op: 30 oktober 2008 Hoort bij: Geschiedenis 1 reactie
Als de kruistochtprediker Olivier van Keulen er de mis opdraagt, zit de kerk van Bedum afgeladen vol. Duizenden mensen hebben er geen plekje kunnen vinden. Ze hangen rond in de velden om het dorp. Dan begint Olivier zijn preek. Plotseling verschijnen er drie kruisen aan de nagenoeg wolkenloze hemel. Golgotha! Tallozen werpen zich ter aarde. En velen zweren op kruistocht te zullen gaan.
Drie jaar later, op 31 mei 1217, is het zover. Een ‘Friese’ vloot van wel tachtig schepen met duizenden strijders vertrekt uit de Lauwerszee naar het Heilige Land. Volgens mensen met verstand van de hoofse riddercultuur waren het slechts ongelikte beren, maar de onstuimige voetsoldaten met hun ‘kletsies’, speciale speren die ook als polsstokken konden dienen, vergaren eeuwige roem bij Damiate.
Het verhaal van de ‘Friese’ kruisvaarders is te vinden in het eerste deel van de nieuwe, driedelige Geschiedenis van Groningen, over de prehistorie en de Middeleeuwen. Met de trilogie mikt de uitgever op een breed publiek. De vraag is of dat ook bediend wordt door de auteurs en redacteuren, onder wie zich nogal wat RUG-historici bevinden, zoals in dit eerste deel Cathrien Santing, Remi van Schaïk en Renée Nip.
Het nieuwe overzicht was zonder meer urgent. Ruim dertig jaar geleden verscheen het vorige en sindsdien vond er ontzettend veel archeologisch en historisch onderzoek plaats, dat sommige opvattingen ook danig heeft veranderd. In dit boek moesten de nieuwe inzichten terechtkomen in een doorlopend, chronologisch verhaal. Dat dwong de auteurs ook om verbanden tussen ontwikkelingen te leggen, die in het vorige overzicht nog thematisch uit elkaar getrokken waren. Nog een ander verschil met het vorige overzicht is, dat Groningen niet meer beschouwd wordt als een perifeer en geïsoleerd gebied, maar als integraal onderdeel van West Europa. Er is, kortom, ook over de grup gekeken.
Over de oudere perioden is er duidelijk de meeste discussie. Omdat de auteurs over die oudere perioden af en toe stelling moeten nemen, bevatten hun hoofdstukken het meeste nieuws.
Zo was er volgens de provinciaal archeoloog Henny Groenendijk lang niet zo’n abrupte overgang tussen de rondtrekkende jagers-verzamelaars van het Mesolithicum en de plaatsgebonden landbouwers van het Neolithicum als altijd werd verondersteld. Integendeel, het verzamelen van voedsel in de vrije natuur maakte maar heel langzamerhand plaats voor de productie van voedsel in eigen beheer. Net als jagerskampen bleven landbouw-nederzettingen nog lang zwerven binnen een bepaald gebied op de zandgronden. Qua bevolking ziet Groenendijk geen verschil.
Op grond van technische dateringen denkt hij ook, dat de oudste bewoners van het kwelder- en wierdengebied na 400 voor Christus uit Drenthe kwamen. Over land dus, en niet over zee uit Noord-Duitsland. Daarmee rehabiliteert hij een oude theorie van de emeritus-hoogleraar Harm Tjalling Waterbolk.
Het hooggelegen kleigebied was weldra, aan het begin van onze jaartelling, de dichtstbevolkte streek van ons land. Vanaf 300, 400 na Christus echter, dunde de bevolking dermate uit, dat de oude Friese maatschappijstructuur niet langer functioneerde en er ruimte ontstond voor Saksische immigratie. Daarna wil Groenendijk de bewoners niet meer etnisch Fries noemen. Wel had Fries een goede reputatie, zodat ook de nieuwe bewoners die naam wilden blijven dragen.
Met Remi van Schaïk ziet Groenendijk niet langer rovers, maar kooplui in de Noormannen (of Denen), die hier zo tussen 810 en 1010 herhaaldelijk op visite kwamen. Dat het rovers waren beweerden veel latere clericale schrijvers, maar die hadden belang bij om het martelaarschap van hun heilige voorbeelden zo pregnant mogelijk voor te stellen. In elk geval zijn gewapende raids van Vikingen maar moeilijk aantoonbaar. Muntschatten en dergelijke werden vooral aangetroffen in contactzones, onder meer aan de rand van hoogveen, wat eerder wijst op offers voor bijvoorbeeld een riskante reis.
In die tijd zijn de zand- en hoge kleigebieden van het huidige Groningerland dus al bewoond, maar de lage kleigebieden nog bedekt met ontoegankelijke moerasbossen of wolden. De vroegste ontginningen hiervan beginnen in de negende en tiende eeuw en nemen in de elfde en twaalfde een grote vlucht. Dan komen er ook de eerste dijken.Volgens Van Schaïk was deze openlegging en waterstaatkundige infrastructuur in de pionierfase vooral het werk van lokale boeren. Dus niet van de kloosters, zoals men tot nu toe vaak aannam, omdat die instellingen zich pas rond 1200 vestigen. Wel nemen de kloosters later het voortouw in waterstaatsaangelegenheden, maar dat is pas als ze zich voldoende bestaanszekerheid hebben verworven. Ze stappen als het ware op een rijdende trein.
Opmerkelijk is hoe Van Schaïk de ontwikkeling van de stad ziet. Hij blijkt een aanhanger van de theorie dat er van de zevende tot de tiende eeuw twee dorpjes op de noordpunt van de Hondsrug lagen, een ten zuiden van het latere Zuiderdiep in de omgeving van de Prinsenstraat, en het andere zo’n beetje tussen de Grote Markt en de Visserstraat. In de elfde eeuw zouden die dorpjes naar elkaar toe zijn verplaatst, waarna er een wal omheen kwam. Tegelijkertijd droeg de Duitse keizer het landgoed waar de fusienederzetting deel van uitmaakte, over aan de bisschop van Utrecht, die er zetbazen aanstelde. Deze kregen het naderhand steeds meer aan de stok met autochtone kooplui zoals de Gelkingen, tegen wie ze rond 1300 het onderspit dolven. Sindsdien was de stad min of meer zelfstandig, maar in dit proces was ze zeker niet uniek, want bisschopsssteden als Utrecht, Keulen en Straatsburg maakten een soortgelijke ontwikkeling door.
Simultaan met de grootschalige ontginningen en de verstedelijking was er een dieptekerstening, waar niet alleen lokale heiligen als Sint Walfridus en kruisvaardersenthousiasme de vrucht van vormden, maar ook vele kerken. Van Schaïk bespeurt in religieuze architectuur en luxe voorwerpen een geleidelijk verschuivende invloed. Rond 1000 was de kompasnaald van Groningerland cultureel nog gericht op het Rijnland, een paar eeuwen later treedt Westfalen op de voorgrond, en weer een paar eeuwen later wendt men zich tot Noord-Duitsland, met name de Hanze-steden Bremen en Hamburg. De oriëntatie was dus steeds op het oosten. Het westen in de zin van Holland kwam later pas goed in beeld.
In sommige opzichten is er best kritiek mogelijk op de nieuwe ‘Geschiedenis van Groningen’. Zo mis ik wat betreft de stad een verklaring voor het opmerkelijk regelmatige stratenplan ten zuiden van de oostwest-as Grote Markt -Vismarkt. Kwam dit grid er voor de brand van ca 1250, of lag het er voordien misschien al? De vraag wordt niet gesteld, en dus niet beantwoord. Ook laat de integratie van thematische kennis wel eens te wensen over. Zo ontbreekt het gegeven dat de opstandige Groninger kooplui hun fortuin maakten met ontginningen langs de flanken van de Hondsrug, iets wat juist een eye opener was in de dissertatie van Jan van den Broek.
En toch heb ik er ook bij vlagen van zitten genieten, van dit boek. Zo staan er kostelijke anecdotes in. Neem de humanistische jurist Johannes Canter, die zo’n beetje naast de UB woonde, en wiens liefde voor het Latijn zo groot was, dat hij deze taal tot de voertaal van zijn familie maakte. Renée Nip vertelt dat zelfs de dienstmeid des huizes vloeiend Latijn sprak.
Dat laatste zou een groot publiek nu niet op prijs stellen. Maar de taal in deze nieuwe Geschiedenis van Groningen is niet moeilijk. Jargon werd vermeden waar dat kon, al lijkt de doelgroep eerder te bestaan uit lezers van de NRC, dan die van het Dagblad van het Noorden.
—
Red. M.G.J. Duijvendak e.a. – Geschiedenis van Groningen, I Prehistorie – Middeleeuwen, 396 pagina’s, uitgeverij Waanders Zwolle; € 35,00.
(In een iets afgeslankte vorm verscheen dit stuk in de UK van deze week.)
‘Het verzet is morsdood’
Geplaatst op: 28 oktober 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Het kwade geweten van na de oorlog. Uit de Leeuwarder Courant van 17 juni 1946.
De Musselkanaalster roulette
Geplaatst op: 25 oktober 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenHeb me uitstekend vermaakt bij het concert van Törf op de coaster Anda, gisteravond. Wat zijn die jongens gegroeid, in dertig jaar tijd. Muzikaal dan hè. 😉
Henk Scholte vertelde tussendoor weer een verhaal van zien katholieke opa Kloas Poep uit Musselkanaal. “Dei man kon zo laigen”, zei Henk,
“dei loog kikkers ain sloot oet woar hailemoal gain kikkers in zaten.”
Dit keer ging het verhaal over een man met de bijnaam Bochel. Bochel Supèr, zo heette hij voluit. Deze Bochel nu, had een bijzonder gewaardeerde functie in zijn dorp. Als de mannen in de kroeg wilden gokken, legden ze Bochel ruggelings op het biljart. Bochel trok zijn knieën in en een sterke kerel gaf hem een beste slinger, zodat Bochel op het biljart rondtolde. De kant waar zijn hoofd uitwees had gewonnen. Dit was de wijd en zijd vermaarde Musselkanaalster roulette.
Bochel Supèr kwam ook een keer een commies tegen. Zo’n commies – mijn eigen grootvader Perton was er een, dus ik kan het weten – inde lokaal belastingen, bijvoorbeeld op geslachte varkens, motorrijtuigen en fietsen, maar hij kon ook bekeuringen geven, onder meer wegens het niet voeren van het vereiste licht. Die keer fietste Bochel langs het diep terwijl de carbid in zijn fietslamp op was. Een commies hield hem staande. het was nog een jonge kerel, net nieuw en dus niet zo bekend in Musselkanaal. “In naam der wet, ik moet u bekeuren”, sprak hij streng. Bochel vond dat niet zo leuk vanzelf, en zei: “As ie mie ’n boute geven, den schoakel ik mien bruir in, dei is rechter”. Daarop stak de commies zijn bonnenboekje toch maar weer in de binnenzak van zijn jas. Op het kantoor vertelde hij zijn chef over het geval. Die lachte hem uit: “Hahaha, man, wat ben jij ertussen genomen”. Wat bleek nou, Bochel had helemaal geen broer die rechter was. Ja hij was wel rechter, die broer, maar rechter dan Bochel zelf was.
—
Vidimah heeft haar clip van het optreden op Youtube staan.
Een glasfabriek te Nieuw-Buinen
Geplaatst op: 21 oktober 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen


Van zo’n glasoven is er ook een schilderij, door Heijenbrock, de industrie-schilder:

De drie foto’s komen van het Flickr-account, dat het Nationaal Archief in Den Haag vanochtend heeft geactiveerd. De bedoeling is dat mensen hier hun eigen informatie aan foto’s toevoegen.
In dit geval gaat het om foto’s die de Arbeidsinspectie omstreeks 1910, 1920 maakte in de panden van NV Nieuw-Buiner Glasfabrieken v/h Meursing en Co, even over de Drents-Groningse grens. Deze fabriek, in 1845 gesticht door de veenkoloniale landbouwer Jan Meursing, was lang niet de enige glasfabriek in Nieuw-Buinen, maar wel een van de grotere.
Begin negentiende eeuw bestond er nog geen glas-industrie in Groningen en Drenthe, terwijl er wel een groeiende behoefte aan glas was, bijvoorbeeld voor de hier geproduceerde jenever. In die behoefte werd onder meer voorzien door rondtrekkende Duitse kramers. Een van hen was Johann Cristian Thöne (1792 – 1860). In 1847 vestigde hij het eerste glasfabriekje in Winschoten met kapitaal van de plaatselijke notaris en wijnhandelaar Jan Fresemann Viëtor.
In 1832 verhuisde Thöne zijn fabriek naar Stadskanaal, en in 1838 naar Nieuw-Buinen, waar de vervening net begonnen en de brandstof turf dus ruim voorhanden was De glasblazers haalde hij uit Duitsland, en de gewone arbeiders kwamen uit de omgeving. Dat gold later ook voor de andere glasfabrieken, zoals die van Meursing. Met elkaar produceerden deze ondernemingen enorme hoeveelheden glas voor alcoholica, medicijnen en kwakzalversmiddelen als Haarlemmerolie.
In de fabriek van Meursing alleen werkten in 1876 109 arbeiders (bij Thöne 261). In de jaren negentig bleken er bij Meursing 150 à 200 arbeiders aan het werk te zijn, terwijl dat in 1906 toegenomen was tot 409 mannen en 172 vrouwen. Waarschijnlijk zijn hier minderjarige kinderen bij inbegrepen – in 1896 telde men hier nog 127 van bij Meursing.
Het ging dus om een groot bedrijf. Ook hier zal wel eens arbeidsonrust geweest zijn, want er werkten de wat linksere arbeiders. In het algemeen gold voor de Nieuw-Buiner glasindustrie dat arbeiders met handen en voeten gebonden waren aan de fabrieken door contracten, huisvesting van de baas en gedwongen winkelnering.
De NV Nieuw-Buiner Glasfabrieken v/h Meursing en Co. werd in 1938 overgenomen door de Verenigde Glasfabrieken in Schiedam. In 1967 sloot die het bedrijf in Nieuw-Buinen.
Literatuur :
Spoor Stadskanaal-Emmen kan op oude spoordijk
Geplaatst op: 18 oktober 2008 Hoort bij: De actuele wereld, Drenthe, Drenthe vrogger, Geschiedenis 8 reacties
Tussen Veendam en Emmen heeft vroeger al een spoorlijn gelegen, die langs Stadskanaal, Gasselternijveen, Drouwen, Buinen, Exloo, Valthe en Weerdinge liep en deel uitmaakte van de nog veel langere Noord-Ooster Lokaal Spoorweg Maatschappij (NOLS). In 1905 kwam deze spoorlijn in gebruik, in 1945 maakte men een eind aan het personenvervoer en eind jaren zeventig werden de laatste lange stukken rails weggehaald.
Neemt niet weg dat grote delen van het tracé nog goed in het landschap te herkennen zijn. Sommige stukken van de spoordijk zijn weliswaar verdwenen in een zandafgraving, of uitgevlakt in een weiland, maar op andere delen liggen fiets-en wandelpaden en stroken bos. In elk geval zou voor een nieuwe lijn tussen Stadskanaal en Emmen vrij gemakkelijk gebruik gemaakt kunnen worden van de zandlichamen die indertijd de lijn fundeerden. Wat aanzienlijk in de aanlegkosten scheelt.
Op internet is de NOLS ruimschoots aanwezig. Wikipedia heeft er een artikel over, dat doorverwijst naar een veel uitgebreidere website. En vorig jaar nog, verkende Victor M. Lansink van Railtrash het tracé tussen Emmen en Stadskanaal in twee gedeelten. Op 19 augustus liep hij van Emmen naar Buinen, en op 9 september van Stadskanaal naar Buinen. Op die tochten fotografeerde Lansink niet alleen het tracé op zich, maar ook de nog veel vergankelijker NOLS-relicten zoals stationsgebouwen, spoorstaven, hectometerpaaltjes en stootjukken. Met zijn fotoseries heb ik me zonet kostelijk vermaakt.
Een stadschroniqueur van twee eeuwen terug
Geplaatst op: 17 oktober 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Christiaan Andriessen zou je een soort weblogger avant la lettre kunnen noemen. Tussen 1805 en 1808 maakte deze Amsterdamse behangselschilder immers bijna dagelijks een schets van iets wat hem die dag bijbleef. Vaak ging het om familiedingen, of scènes die samenhangen met zijn tekenlessen, meest aan dochters uit vermogende milieus. Maar hij schuwde genretafereeltjes ook niet bepaald, en zo komen er dan in zijn schetsboeken markt- en kermiskramen, straatventers, koffiehuizen en muzikale bedelaars voorbij. Vandaag opende er in het Amsterdamse stadsarchief een tentoonstelling van, waar natuurlijk een mooi boek bijhoort. Maar dit archief had ook de gelukkige gedachte om alle bekende bladen van Andriessen eens virtueel op een rijtje te zetten, waarbij ze zowel op datum, als achter elkaar aan in chronologische volgorde kunnen worden bezien. En dit weblog avant la lettre vindt men hier.
Het grote verschil tussen Stad en Lande
Geplaatst op: 23 september 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen

Uit: Henry Havard, Picturesque Holland, een vrij bekende reisbeschrijving uit 1876, waarvan de eerste drie hoofdstukken gewijd zijn aan Friesland, Groningen en Drenthe. Voor de stad Groningen herkauwt Havard, een Parijse journalist, een boel historische weetjes, hem aangereikt door archivaris Feith, maar over zijn bezoeken aan Schiermonnikoog, Appingedam en Nieuw-Beerta brengt hij ook nog wel wat origineels te berde. Je kunt het hele boek overigens in diverse bestandsformaten downloaden van Archive.org, dat net als Google boeken inscant en op internet zet.
Vergaan voor Norderney
Geplaatst op: 19 september 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenEr stond al een stevige noordnoordwestenwind boven de Noordzee, maar op woensdag 31 oktober 1827 groeide die aan tot orkaankracht. Overal strandden er schepen op de waddeneilanden. Alleen al op Norderney waren het er zes. Een daarvan was de Minna van kapitein Richard Cortis uit Hull. In een brief aan zijn zuster, eind november afgedrukt in de Londense krant The Morning Chronicle, vertelt Cortis hoe het hem en zijn bemanning was vergaan. Ook doet hij verslag van de indrukwekkende begrafenis van de Groninger schipper Jan Caspers Uil en diens drie zonen uit Windeweer. Hun galjoot, onderweg met een lading hout van Noorwegen naar Groningen, sloeg voor de kust van Norderney om.

“We marched without a halt through that dreary country”
Geplaatst op: 18 september 2008 Hoort bij: Geschiedenis 5 reactiesIn de ijskoude winter van 1794/1795 trokken de Franse revolutionaire legers over de bevroren grote rivieren, en dreven de Engelse hulptroepen van stadhouder Willem V voor zich uit. Hoe die Franse opmars zich voltrok, is in grote lijnen bekend. Maar dat alleen dankzij berichten van de overwinnaar. In Engelse kranten echter, stonden ook berichten van de verliezers, die in februari 1795 op hun terugtocht door Stad en Lande kwamen.
Zo bevatte de Whitehall Evening Post van 28 februari een brief, twaalf dagen eerder uit het Oost-Friese Aurich verzonden door een Franse emigrant, die als officier in dienst was van het Engelse leger. Op 10 februari, vertelt hij, kwam hij met de Engelse artillerie over de Eems, waarbij verschillende paarden in het ijzige water omkwamen, en er ook wagens achterbleven. Eerder kwamen ze over de IJssel, en bivakkeerden ze in Zuidbroek. Op dat moment was de revolutie in de stad Groningen al in volle gang:

Dat er nogal wat Franse emigranten bij hun haastige overtocht over de Zuiderzee verdronken waren, is nieuw voor mij. Een bericht dat zes dagen later werd verzonden in Lingen, meldt dat de Franse troepen maar liefst 12.000 man omvatten. Van 25 februari dateert een epistel uit Oudeschans, dat drie weken later in de Lloyd’s Evening Post terechtkwam:

Van belang is vooral de passage dat de Nederlanders zich in het bijzijn van de Engelsen uiterst trouw aan Oranje betoonden, maar dat die loyaliteit als sneeuw voor de zon verdween zodra de Engelsen hun hielen hadden gelicht. Groningen heet een zeer oproerig gewest. Inderdaad stonden er in oktober 1794 al berichten in de Engelse kranten, dat de Groningers (en de Friezen) hoogst ontevreden over de stadhouder waren. De troepen van de Engelse bevelhebber, Lord Cathcart, kwamen de stad Groningen dan ook niet in, al kregen ze er wel voorraden vandaan. Drie dagen lang verbleven ze in Hoogezand (“Hagestat””), voordat ze over de Eems naar Pruissen retireerden. Naderhand bezette hun achterhoede dus alsnog even de Groninger vestingen Bourtange, Oudeschans en Nieuweschans. Een brief uit Emden de dato 3 maart in de Sun van 18 maart, vertelt weer wat er in eind februari aan de grens van Oldambt en Westerwolde gebeurde:

De troepen van Lord Cathcart werden volgens deze briefschrijver verjaagd door een aanzienlijke macht, voornamelijk bestaande uit Nederlandse patriotse boeren, Blijkbaar hadden de Engelsen nogal wat gewonden, waarover de briefschrijver zich zorgen maakte. Een bericht van 5 maart in de Morning Chronicle van 19 maart, afkomstig vanaf de andere kant van het front, is wat mededeelzamer over de toedracht aan de grens. Volgens dat stuk waren het troepen van Brigade-Generaal Reynier geweest, die de Engelsen bij Beersterzijl versloegen. Vele Engelsen verdronken in de polders bij Nieuw-Beerta en Nieuweschans die ze zelf onder water hadden gezet:



Recente reacties