Oldsmobile
Geplaatst op: 12 september 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe wagen met dit Starfighter-achtige logo stond vanmiddag in de Oude Ebbingestraat. Het merk bestaat niet meer, zo blijkt. Indertijd was het ’t eerste dat nikkel en chroom toepaste op de carrosserie.
Walvisvaart in de couranten
Geplaatst op: 6 september 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenZo staat er in een van die Britse kranten, The Reads Weekly Journal van 30 augustus 1755, tussen de gewone scheepvaartberichten door opeens een heel aardig lijstje van havens op het Europese vasteland met de aantallen walvisvaarders die er die zomer uitgerust zijn. Van de in totaal 178 schepen kwamen er 151 uit Nederland. De Nederlandse havens in volgorde van belang :
- Amsterdam 70
- Zaandam 29
- Rotterdam 8
- Westzaan 7
- Middelburg 7
- De Rijp 6
- De Koog 4
- Vlissingen 3
- Zaandijk 2
- Oostzaan 2
- Dordrecht 2
- Alkmaar 2
- Monnikendam 2
- Wormerveer 1
- Krommenie 1
- Schiedam 1
- Krimpen 1
- Spanbroek 1
- Jisp 1
- Groningen 1
Amsterdam en de Zaanstreek vormen met 126 van de 151 uitgeruste schepen het centrum van deze negotie, maar ook in Groningen blijkt er een schip uitgerust.
Dat er zo’n staatje in een Britse krant stond komt waarschijnlijk door de concurrentie op dit terrein. De Britten probeerden in deze handel te komen door reders van walvisvaarders te subsidiëren, aldus de Leeuwarder Courant van 11 augustus 1753.
Diezelfde Leeuwarder Courant bevat weer, net als waarschijnlijk veel andere in Nederland verschijnende kranten, getallen over de aantallen Britse walvisvaarders. Volgens een bericht op 2 februari 1754 zouden dat er in de komende campagne 100 zijn. Rijkelijk veel vergeleken bij de 36 waarvan er op 15 september 1753 sprake is, maar wellicht zette de groei inderdaad door bij de Britten. Al waren ze nog lang geen marktleiders.
Overigens vingen die 36 Britse walvisvaarders die in 1753 naar Groenland voeren 144 walvissen. Maakt 4 per schip. Als deze ‘productie’ maatgevend is, dan haalden alleen al de Nederlandse schepen twee jaar later zo’n 600 walvissen uit zee.
“The town of Stodt in the province of Groningen”
Geplaatst op: 3 september 2008 Hoort bij: Geschiedenis 6 reacties

Deze advertentie, voorkomend in diverse Engelse kranten uit februari en maart 1765, spreekt tot de verbeelding, omdat de hoofdrolspeler op een joodse versie van Rockin’ Billy lijkt.
Omstreeks 1741 liet Levie Simons Koehein zijn vrouw en dochtertje in de steek en vestigde zich ver weg over de Atlantische Oceaan in het dan nog Britse New York. Een kwart eeuw later hoorde zijn Nederlandse familie dat hij er schathemeltjerijk was gestorven. Daar wilden ze heel graag het fijne van weten. Personen die inlichtingen konden verschaffen moesten zich wenden tot de Haagse stadsklerk Jager, die het Engels kennelijk machtig was.
Het probleem met deze advertentie: waar ligt de “Town of Stodt in the Province of Groningen”?
Recept voor goedkope inkt
Geplaatst op: 3 september 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Om goeden swerten Inckt te maken die men de kinders vercoopt.
Neemt een Hollandtsche menghelen-pot van aerden ende doet die vol reghenwater van leyen ghecomen, ende doet daerin twaelf loot galnoot, gestooten so cleyn als erten oft pepercorlen, ende drie daghen daer nae sult ghy er in doen twelf loot coperroot, onghestooten, want dat smelt van hem selven, ende dry daghen daer nae indoende acht loot gom van Arabiën. Deze materiën suldy dickmael ommeroeren, omtrent twintigh daghen. Aldus in malcanderen ghemenghet, dan suldyse af gieten in eenen anderen schoonen pot oft kanneken, dat is dan inckt om den kinderen te vercoopen. (…)”
Uit: Dirck Adriaensz. Valcooch, Den reghel der Duytsche schoolmeesters (1591), een van de nieuwe aanwinsten van de DBNL, deze maand.
En wat ik verder uit die lijst oppik:
- W.Gs Hellinga – Kopij en druk in de Nederlanden
- A.H. Hoffmann von Fallersleben – Horae Belgicae
- J.J. Kloek en W.W. Mijnhardt – 1800. Blauwdrukken voor een samenleving
- C. Kruyskamp – Nederlandsche volksboeken
- Andries Vierlingh – Tractaet van dyckagie
- Nicolaas Witsen – Aaloude en hedendaagsche scheeps-bouw en bestier
- anoniem – Ulenspiegel
Tachtig jaar getrouwd in Muntendam (1737)
Geplaatst op: 1 september 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIk heb wat zitten grasduinen in de ’17th/18th Century Burley Collection Newspapers’ van de British Library, waarop de Groningse UB sinds vorige week een trial heeft.
Het trefwoord Groningen leverde daarin maar liefst 2188 treffers op. Bij steekproefjes tot het jaar 1750 bleek het vaak te gaan om bekende gebeurtenisssen als het beleg van 1672, de diverse stadhouderlijke intochten, de gruwelijke kerstvloed van 1717, de provinciale loterij van 1722/1723 (met Londense verkooppunten en winnaars), en de oproeren van 1748 en 1749. Maar er zitten ook wat minder bekende zaken bij.
Zo verging er in december 1717 een vrij groot Engels schip tussen de Groningse kust en Borkum. Ook wist ik niet dat de Groningse hoogleraar Barbeyrac aan de andere kant van de Noordzee zo beroemd was. Niet alleen verscheen in 1738/1739 een door hem geannoteerde Engelstalige editie van Hugo de Groots’ werk over het oorlogsrecht, ook werd Barbeyrac na zijn overlijden in 1744 door een Engelse krant herdacht. Al verraadt de beknoptheid van de passage dat er op dit punt nog geenszins de latere Britse in memoriamcultuur bestond:
“His reputation is too great, to need the fable assistence of a Character in a News Paper”,
aldus The Penny London Advertiser van 4 mei 1744. Maar het alleraardigste bericht uit Groningen was wel dat van 2 april 1737 in de The Daily Gazetteer:
“They write from Groningen that the wife of Martin Jans died lately at Muntendam, a place in the jurisdiction of that city, in the 110th year of her age, after an illness of about 4 days. Her surviving husband is no less than 99. They were both born at Muntendam, and baptised at Zuibroek, where they were also married, the woman at 30 years of age, and the man at 20, so that they had been married about 80 years. The man still enjoys a good share of health and understanding, but is almost overcome with grief for the loss of his wife, who, tho’ so much older, was more lively, and took the chief care both of his person and houshold affairs.”
Ook Groningerland kende dus zijn extreem viefe centenaires.
Een roedel herten in de Dollard (1660)
Geplaatst op: 29 augustus 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Maandag 21 mei 1660, 6 uur ’s ochtends. De zetbaas van de stad Groningen in het Klei-Oldambt, Ambtman Phoebus Themmen, krijgt te horen dat er vlakbij zijn woonplaats Termunten een hert bij de koeien in het land loopt. Meteen laat Themmen de verschillende boeren met windhonden bij zich komen. Ze overleggen hoe ze het aan zullen pakken en de jacht kan beginnen.
Met een ongelooflijke snelheid sprong het hert over de Dollarddijk en in de Dollard, waar het zich achter provinciaal paalwerk verschool. Toen de jagers en hun honden daar aankwamen, sprong het dier in ’t water en zwom weg. Maar een van de honden ging er achteraan en haalde het na een poosje in. De hond sprong bovenop het hert, en beet het van boven in de kop en de oren. Van zijn kant drukte het hert de hond steeds met zijn voorpoten onder water, zodat nu de hond, dan het hert kopje onder ging, Beide dieren zouden zijn verdronken, ware het niet dat een van de jagers ook in de Dollard sprong, en ze redde door de hond aan een stuk touw om de hals naar de wal te slepen.
Bloedend en proestend kwam ook het hert aan land. Omdat het beest waarschijnlijk te zwaar gewond was, werd het meteen gedood en op stokken naar Termunten gedragen. Het bleek 6,5 voet lang en 4 voet hoog. Het woog naar schatting 150 pond en het had twee hoornstronken op de kop.
Dezelfde ochtend pikte een schip een bijna even grote en zware hinde uit de Dollard op. Deze hinde bleek drachtig en werd levend en wel naar het ambtmanshuis in Termunten overgebracht, waar ze enige weken in leven is gehouden. Het jong dat de hinde wierp dronk wel melk bij haar, maar stierf toch. Dezelfde dag als de bok en de hinde werd nog een tweede bok bij de Punt van Reide in de Eems gevangen en dood op een wagen naar Termunten gebracht. De twee dode bokken en de levende hinde oogstten danig bekijks, Een menigte mensen kwam “van alle oerden en plaetsen” naar Termunten om de herten te bezien.
Ambtman Themmen stuurde de beide dode bokken naar Groningen om ze ten geschenke te geven aan het stadsbestuur. Alle vier de Burgemeesters en alle acht Raadsheren, maar ook de Syndicus, de Stadsrentmeester en de beide Secretarissen kregen een portie van het vlees. De levende hinde schonk Themmen aan de twee Gedeputeerden van Stad en Lande die dat jaar het post- en paalwerk van de Klei-Oldambster dijken kwamen inspecteren.
Naderhand maakte Ambtman Themmen een notitie van het opmerkelijke geval in zijn rechtdagenprotocol, dat door Jacob Boerema is getranscribeerd. En zo weten we dan, wat er die maandag in Termunten geschiedde.
Krachtelooze hartstercking
Geplaatst op: 28 augustus 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenToon: Woorom bedruufft to dich mien hertz? &c.
Woor om bedruuft to dich mien hertz?
Bekummert dich unt dreegest smertz?
I hebt jo noch nien noudt
Is ’t hous to Wedde voor dem drous
’t Woor jo nien speck vour miene mousIk bidde die, mook nien misboor.
Denck of ik noch dom koster woor,
Un one Goudt und Geldt
Von Laeze und Wummel vook e fuur
Noe hebst to Korel noch tom vrundt.Ik vuur ein Vurstelikhe Stoot
Ik bin, in ’t woopen, ein Soldoot
Ein Bisschop vuer ’t oltoor
Sint Jurgen is op miene zie
Dat mook mie iummer vro undt blieSchoon Moritz in Westfoolen kam,
Un vrat zich zat aan speck und ham
Un of ik Prodel zag
Mit zien rappalje in Munsterland
Ik hild, mit Gorgas, lickwol stant.Ik hing den Mieter op den tuun,
Undt reedt, mit mienn swarten ruun,
In ’t Harnasch flux vooroet,
Undt woogde mienen griezen Boort,
Went kienen drous mookt mie voor voort.Mien hert, hebt dan ein frisschen moudt,
Al bulckt undt boort durch hungers noudt,
Den lomppe undt plompen bour,
Wat bruut ons dat, ’t is nich ein dreet,
Of d’einen ezel d’ander vreet.Ik woog, zo knap ’t man vrust, ein kans
Op Kouverden, of d’Ommer Schans,
Bourtange of op Rooven
Un mook de schoode weddet goedt
De mie nos ’t hoes te Wedde doet.Al de den Pous me in den ban,
Al nam den Keezer nue nicht an,
Schoon Kullen, Mentz und Trier,
Und Deen und Sweed goudt Hollandts woor,
Ik vrucht al liekwal nicht ein hoor.Fris op dan Stoffel, ruur den trom
Alarm, alarm! tza bour ik kom,
Mit strueprs weer toe veldt,
Wie dat verlust, Van Goolen wint,
wen he man buut, voorsloogen, vindt.Man, och! ik vrucht voor eine slag,
Wat of mien vulcxken denken mag
Dat ik dus poch und bloos
Scheer voort mien kriegers, holt die sin,
’t Moet noe doch, stront of Kuningh zien.Allachende Byster
Gelijkheid in het kerspel kwam schoolgang ten goede
Geplaatst op: 25 augustus 2008 Hoort bij: Geschiedenis 5 reactiesDe onderwijsenquete van 1799 geeft voor het lagere onderwijs zowel bevolkingsaantallen per dorp, als aantallen leerlingen per school. Daar moest iets mee te doen zijn dacht ik. Door de percentages van de leerlingen op de bevolkingstotalen te berekenen, kan je achterlijke en voorlijke gebieden van elkaar onderscheiden. Op een kaart moeten die gebieden dan duidelijk contrasteren, met natuurlijk ook overgangssituaties ertussen.
Maar een eerste blik op de Groningse gegevens (pag. 161-204), leert al, dat de verschillen hier vooral die tussen dorpen zijn. Oldehove telde vier maal zoveel inwoners (587) als Saaxum (148), en toch zaten er in Saaxum anderhalf maal zoveel leerlingen op school (30) als in Oldehove (20). In percentages: 3,4 % van de Oldehoofsters zat in 1799 op school, tegen 20,2 % van de Saaxumers.
Geen lappendeken van grove lappen dus, maar van allemaal kleine stukjes. Intussen is met die percentages van Oldehove en Saaxum ook meteen wel ongeveer de bandbreedte aangegeven. Aangezien beide dorpen qua leeftijdspyramide niet veel uiteen zullen hebben gelopen, zou je kunnen concluderen dat zeker driekwart van de Oldehoofster kinderen in de schoolleeftijd aan het werk was, op het land.
Individuele opmerkingen bij de leerlingen-aantallen laten ook wel zien hoe het met het schoolbezoek gesteld was:
– Niehove:
“Wisselvallig. Gewoonlijk ’s Zomers 30, ’s Winters 20.”
Ook met die 30 zat Niehove nog lang niet aan zijn maximum, zoals het percentage van 5,8 % leerlingen op het totaal van de bevolking laat zien.
– Feerwerd:
“20. Wordende wel 20 door armoede verhindert.”
Hier was het percentage 8,7, wat inderdaad bijna de helft is van het potentieel
– Noordhorn (6,0 %):
“32 à 33, kon veel groter zijn”
Etcetera, etcetera, etcetera. De onderwijskundig zwakste gemeenschappen, met perecentages onder de 5, waren: Helpman (4,8 %), Uithuizen ( 4,8 %), Den Andel (4,5 %), Garsthuizen (4,2 %), Stedum (4,6 %), Loppersum (3,1 %), Westeremden (4,1 %), ’t Zandt (4,8 %), Godlinze (4,2 %), Tjamsweer (4,7 %), Siddeburen (3,7 %), Beerta 4,3 %), Nieuw-Beerta (3,9 %), Blijham (4,4 %), Veendam (4,7 %) en Wildervank (3,7 %). Gemeenten met veel graanteelt en een grote groep boerenarbeiders zijn in deze groep sterk vertegenwoordigd.
Hoge percentages, van boven de 12, werden gescoord door: Saaxum (20,2 %), Ezinge (16,8 %), Den Ham en Fransum (13,7 %), Aduard (16,7 %), Hoge en Lagemeden (13,5 %), Niezijl (20,0 %), Zuidhorn (12,8 %), Lucaswolde en Noordwijk (13,9 %), Opende (18,3 %), Middelbert (14,7 %), Hoogkerk (13,8 %), Leegkerk (17,2 %), Wetsinge (14,3 %), Bellingeweer(27,7 %), Tinallinge (19,8 %), Baflo en Raskwerd (12,8 %), Onderwieruum en Menkeweer (15,6 %), Stitswerd (15,2 %), Oosternieland (14,3 %), Huizinge (14,3 %), Thesinge (12,5 %), Lellens (13,2 %), Krewerd (12,6 %), Oosterwijtwerd (14,9 %), Oterdum (13,5 %), Garrelsweer (15,2 %), Borgsweer (22,9 %), Midwolderhamrik (15,2 %), Eexta (13,6 %), Ter Apel (16,1 %), Sellingen (15,9 %), Bourtange (15,6 %), Vlagtwedde (13,6 %) en Onstwedde (12,6 %). Bij deze groep zijn de veeteeltgebieden veel sterker vertegenwoordigd, hoewel er ook dorpen bij zitten met veel graanteelt. In ieder geval valt de relatief florissante situatie in Westerwolde op. In de veeteeltgebieden en Westerwolde was de sociale pyramide veel platter dan in de graanstreken. Een meer egalitaire samenleving, kortom, was beter voor de schoolgang, dan een samenleving met grote sociale verschillen.
Verdwenen cultuurgoed: de Zevenhuister dans
Geplaatst op: 22 augustus 2008 Hoort bij: Geschiedenis 3 reacties
Rond 1860 had je in het veendorp Zevenhuizen altijd een dansavond op Pinkstermaandag. Topnummer was daar een speciale Zevenhuister dans, een soort quadrille (of square dance op zijn Engels).
Hoogstwaarschijnlijk ging het bij deze dans om een eigen compositie van de lokale dansmeester Jan-Oom. In elk geval maakte Jan-Oom flink propaganda voor deze dans op de dansavonden, waar hij niet onverdienstelijk viool speelde, en zijn vrouw tamboerijn.
Jan-Oom zong er ook bij. De standaard-tekst was:
“Zeuven zieden spek is vierdehalf varken
Vierdehalf varken is zeuven zieden spek”
Als hij echt in zijn sas was, kwamen daar wat regels bij:
“En d’r sprong een meid op krukken
En zij brak haar been in stukken
Falderalderiere, falderalderare
Falderalderiere, falala”
Of ook wel:
“En onze olle geitebok
Vrat zien zeuven jongen op
Falderalderiere, falderalderare
Falderalderiere, falala”
De Zeuvenhuister dans was niet gemakkelijk te leren, maar de echt geoefende dansers voegden er nog een element aan toe. Op een seintje hurkten deze jongs en wichter op hun rechter knieën tegenover elkaar en maakte dan gebaren als van een schoenmaker:
“Zoo steek ik mijn nadeltje
Zoo steek ik mijn dradeltje
Zoo sla ik de plug in het gat”
Later heb je op Terschelling nog een dans, die sterk aan dit addendum doet denken. Op de Liederenbank staan een instrumentale versie, en een versie met tekst.
De roemruchte Pinkster-dansavonden in Zevenhuizen liepen af als Jan-Oom een paar extra forse krassen op zijn viool, en zijn vrouw een een paar abnormaal harde klappen op haar tamboerijn gaf. Dan moest iedere jongen een stuiver aan de dansmeester betalen, die op zo’n avond goed boerde.
Na de dood van Jan-Oom, aldus de Zevenhuister schoolmeester C. Reijntjes in zijn dorpsschetsen Voorheen en Thans (1901), kwam er de klad in. Er dienden zich wel opvolgers aan,
“…maar het getal lui dat de Zevenhuister dans op een viool of eene harmonika kunnen spelen is uiterst gering en nog geringer het getal van hen, die den dans goed kunnen leiden.”
Brief van een vrouw aan haar ter dood veroordeelde man
Geplaatst op: 18 augustus 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenRoden, 1782. De turfgraver Jan Jacobs Blaauw krijgt hooglopende ruzie met zijn landeigenaar en steekt uiteindelijk een huis en een baggelveld in de fik. Hij wordt gepakt en gaat in de boeien naar Assen. De Etstoel, de Drentse rechtbank, veroordeelt hem tot de wurgpaal – vooraf moet de beul zijn armen en benen blakeren. Vlak voordat Jan deze gruwelijke executie ondergaat, ontvangt hij de laatste brief van zijn vrouw, die inmiddels met haar kinderen bedeeld wordt door de Leekster diakonie:
Mijn tedergeliefde man,
Ik kan niet nalaten om UE dese letter nog te senden. Og ik wenste dat ik U mijn seer geliefde man nog eens sprak, maar og ik kan niet want mij dogte ik moeste ommekomen. Ik verga van hertseer als ik aan UE denk. O man, o man wat koomt ons over, dat wij soo leit. Ik moet stille zijn, maar ik wau dat ik met UE mogte swerven in vreemde landen, al moeste ik brood voor ons bidden. Og als ik denk aan alle omstandighededen waardoor gij tot dit quaat zijt gekomen, als gij het gedaan hebt mijn lieve man, dan moest ik stille wesen, maar hadt gij maar doe aan de Here U vast houden, die kon en sou onse de nootdruftigheeden wel weder besorgt hebben, maar o man waar sal ik U met troosten. Dit sijn de laaste woorden. O man, de Godt van hemel van aarde onders[t]eu[ne] Ue met zijn eeuwige armen. Ik wens o lieve man dat sterven u gewin nog mogte wesen. De moordenaar is aan het kruis nog bekeert en waar dat U maar een voorbeelt. Jehova Godt drie-enig neem dog de arme ziele van mijn ter dood verwesene man aan. O zondaars zaligende Godt. O man, ik neem voor dit tijdlijke mijn ofscheit. Ik wens dat wij malkanderen nog in den hemel mogten ontmoeten en seg UE goedenagt duisentmaal.
Verblijve UE ter dood bedroefde
vrouw Jantje Ennes
Saillant detail: achterop de brief staat het verzoek van Jantje aan de Etstoel om de kleding van haar man. Die kwam goed van pas in een huishouden dat van de steun moest leven.
Paap op zwijn is topos
Geplaatst op: 12 augustus 2008 Hoort bij: Geschiedenis 4 reactiesAls zwijnenberijdende bisschop past Bommen Berend in een iconografische traditie, ontdekte ik dankzij een mengelwerkje van BibliOdyssey. Dit konterfeitsel van de paus, gezeten op een varken en met een riekende drekhoop in zijn hand, stond op het voorblad van een Lutheraans tractaat, dat circa 1550 uitkwam:

Uitgesloten ‘anarchist’ verweert zich
Geplaatst op: 8 augustus 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenVeendam, Decemb. ’94
Aan de Firma Van Linge en Co.
Zooals zeker u allen bekent is, doet een uwer firmanten, met name T. van Linge, zijn uiterste best om personen die hij verdenkt van ‘Anarchist’ te zijn, onschadelijk te maken. Het schijnt dat hij vergeet dat hij feiten begaat, die oorzaken kunnen zijn, en zelfs aanleiding geven om daden te begaan die een uwer nog hem heugen zal. Doch laat hij dit geloven, als hij een persoon die naar de maatschappelijke vrijheid streeft zoo tart en tiranizeerd, dat als zulk een persoon een mis(?)daad beging, hij geheel de verantwoordiging op zijn hoofd draagd. Ik hoor dikwijls onderlinge gesprekken waarin hij wordt besproken, en ik geef hem de verzekering dat, wanneer zulke gesprekken daden uitlokten, hij de man is, die aanleiding daartoe gaf. Ik heb zelf bij u gewerkt voor rekening van mijn patroon, ik stond bekent als ‘Socialist’, doch toen zich ook in Veendam de ‘Anarchie’ vertoonde, werdt ik door een of ander persoon (een lafaard zich niet daar tegenover durft te verantwoorden) bij hem? verdacht gemaakt van ‘Anarchist’, waarna hij, zonder nader te informeeren, aan de opzichter gelaste, mijn patroon te zeggen dat hij mij niet meer op de fabriek mocht sturen, daar op mijn werken (wat hij zelf beweert) niets viel aan te merken. Ik heb mij dadelijk daartegen verantwoord, en hem duidelijk gemaakt dat het laster was. Ik weet nu niet of dat geheel alleen uit zijn koker kwam, dan of dat het besluit van de geheele Firma was, dat ik niet weer op de fabriek mocht werken, doch wat ik wel weet is, dat hij de persoon is die de opzichter de last gaf.
Ook wordt mijn strijdmakker H. Kamphuis jr. verdacht van de zelfde feiten, en tevens werdt nog O. Nienhuis ook ontslagen, welke ook geen reden daarvoor bekent waren. Beide personen hielden evenmin als ik deel in die bedoelde Anarchistische vereeniging. Wanneer de Firma, of T. van Linge persoonlijk meent de vrijheidsgeest op deze manier te dooden, geef ik hen de verzekering, dat zij buiten de waard hebben gerekend, en dat zij daarin tegen de vrijheidsvonk hebben aangevuurd, en wanneer er dingen voorvielen, die hen niet heugen zouden, zij daar alleen oorzaak van zijn. Hiermee basta.
Ik hoop en denk dat de Firma zoo goed zal wezen mij hierop te antwoorden.
In afwachting ben ik de verdachte ‘Anarchist’
John Kooi
alhier
———————————————————————————————-
Brief (1894) uit het archief van het Parket van de Officier van Justitie te Winschoten. Of Kooi vervolgd is op basis van deze verholen dreigbrief is onbekend, maar lijkt onwaarschijnlijk omdat het schrijven dan in het archief van de rechtbank zou moeten zitten. Al is Kooi volgens hemzelf geen anarchist, getuige de termen ‘strijdmakker’ en ‘vrijheidsgeest’ verkeert hij helemaal in de cultuur.
Voor fijnproevers
Geplaatst op: 5 augustus 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenH: “Weet je wat de Hemel op Aarde voor een gerecht is??
Ik: “Nee…?”
H: “Zo noemen ze stamppot aardappelen met zoete appels en een plak bloedworst erop.”
Stobbenven geeft oeroude boomstronken prijs
Geplaatst op: 22 juli 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe Stobbeven heette dit venige land tussen Sandebuur en Roderwolde. Naar stobben, wat voor boomstronken staat, en ven(ne), wat duidt op laag en vaak drassig weiland. Op satellietfoto’s kan je die stobben ook zien zitten als zwarte puntjes. Dat het omringende land beduidend groener is, wijst erop, dat daar veel eerder structuurverbeterende maatregelen zijn doorgevoerd. Op een tijdstip dat men er totaal nog geen sjoege van had, hoe oud dat hout kon zijn.
Nu komen er uit het restante Stobbeven zes- tot achtduizend jaar oude boomstronken tevoorschijn, en niet te zuinig ook:

Dendrochronologen van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (RACM) zijn er bezig met hun onderzoek:

Veel van het hout blijkt oppervlakkig verbrand. Maar dat betekent waarschijnlijk niet dat de mens hier alles platgebrand heeft om er landbouwgrond van te maken. Een bos van grove dennen kan ook spontaan tot ontbranding komen, bijvoorbeeld door blikseminslag.

Hier is uiteindelijk alles om begonnen. Tot nu toe hebben we met zekerheid jaarringen die teruggaan tot ongeveer 3500 voor Christus. Met een beetje geluk levert dit materiaal een paar eeuwen tot millennia extra op:

RTV Drenthe:
Een mooi stuk paasvlees in de pan
Geplaatst op: 11 juli 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenBij het logje over de ommegang met slachtvee vertelde Jan Pieter Koers in een reactie:
“Van oude mensen hoorde ik dat ook in Scheemda het rond 1920 nog voorkwam dat de (joodse) slagers met een os, versierd met strikken en linten door de straten liepen.”
Ook elders in Groningerland blijkt deze gewoonte tot in de twintigste eeuw te hebben bestaan. Luit Willinge vertelt in zijn Herinneringen uit Eenrum 1898 – 1916 over de joodse veehandelaar en slager Mooi Jopke aldaar:
“Tegen Pasen kocht hij een mooie vlezige os of koe, die hij schoonmaakte en oppoetste tot het dier glom als een eikel. Dat was nog niet mooi genoeg, Jopke knoopte hem een hel gekleurd lint om het lijf en ging dan door het dorp. Waar wil mevrouw een stuk van hebben? Mevrouw wees het aan. Jopke noteerde het en mevrouw kon ervan verzekerd zijn dat zij dat stuk Paasvlees in de pan kreeg.”
De klanten konden hun sudderlapjes dus selecteren uit het levende beest.





Recente reacties