Ongegund brood in Ommen
Geplaatst op: 14 mei 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen

Naar aanleiding van Ongegund brood in Onderdendam stuurde Maarten B. me vandaag een plaatje van de gevelsteen in Ommen die ik zocht. Bij het googelen heb ik deze grandioos gemist, waarschijnlijk omdat ik op de exacte tekst afging. Ook op Flickr blijkt de Ommer evenknie van de Onderdendamster gevelstenen aanwezig.
Het Ommer exemplaar dateert van 1766. Inderdaad is de tekst vergelijkbaar:
“O UIL GY DOET MY ONREGT
DE MUIS IS MY TOE GELEGTIA KAT GY MOET WETEN
ONGEGUNT BROOD WORD MEEST GEGETEN”
De uitspraak van de Ommer uil, die intussen een spreekwoord blijkt, is nagenoeg dezelfde als die van de Onderdendamse. Alleen wordt het ongegunde brood in Onderdendam ‘veel’ gegeten, terwijl dat in Ommen ‘meest’ is. Daarnaast klaagt de kat in Ommen, terwijl de Onderdendamse collega wraak belooft. In Ommen ligt de moraal er meer bovenop dat men een ander zijn succes niet gunt en dat zaniken over de concurrentie eigenlijk helemaal geen zin heeft, maar misschien komt dat ook doordat ik de volgorde van de Onderdendamster stenen omdraaide, door de wijze waarop de stenen daar ingemetseld zijn.
Afgaand op de enigszins tartende moraal stonden de stenen voor neringdoenden die de concurrentie wel aandurfden. Ik heb zo’n vermoeden dat ‘de kat en de uil’ een destijds bekende fabel was. Maar voorlopig leverde de zoektocht naar die fabel niets op. Voor de hand liggen drie auteurs. Ten eerste La Fontaine, maar helaas, een Le chat et la chouette is van hem niet bekend. En ten tweede en derde Phaedrus en Aesopus, maar googelen in diverse talen op hun namen, kat en uil bleek eveneens vergeefs.
Jantje lacht, Jantje huilt
Geplaatst op: 8 mei 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenReclame voor Amerikaanse melkzeep, Winschoter Courant ca. 1893
Kahns volkeren der wereld (1909 – 1931)
Geplaatst op: 3 mei 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
De kleurenfotografie bestaat ruim honderd jaar. Vrijwel meteen was de Franse miljonair Albert Kahn erdoor gefascineerd, en hij stuurde, tot hij in 1931 failliet ging, fotografen naar meer dan vijftig landen, om de volkeren der wereld vast te leggen. Tussen 1909 and 1931 schoten zij 72.000 kleurenopnamen. Onlangs kwam er in Engeland een boek van uit. Hier is de website van dat boek.
De collectie Hustinx
Geplaatst op: 3 mei 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Ook in de pas opengestelde BeeldbankWOII: deze en een paar andere kleurendia’s van Spijk, die gemaakt zijn op 15 januari 1941. Ze behoren tot de collectie van de Roermondse jurist mr. Alphons Hustinx – door op de Beeldbanksite in het zoekvenster voor auteurs/fotografen de naam van Hustinx in te vullen, krijgt men diens hele verzameling op het scherm.
Kiekjes uit het album van de kampcommandant
Geplaatst op: 2 mei 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen|
|
Westerbork, 1942. Gevonden in het pas opengestelde digitale foto-archief van Yad Vashem.
Stereotypen uit de oude doos
Geplaatst op: 1 mei 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Voor jaren lag er in ’t Winschoterdiep een schip met turf. De schipper had geen vrouw of hij had ruzie met zijn vrouw, althans er stond niet met sierlijke letters op de achtersteven, zo als dat hoort: De Vrouw Jantina of De Vrouw Geertje of hoe dan ook. Daar stond een woord, dat voor een Hollander wel heel onverstaanbaar was en waar zelfs een Grunneger eerst even naar kijken en over prakkezeren moest.
Watgaitietaan?
stond er met duidelijke letters te lezen, hetwelk is, overgezet zijnde, op zijn Groningers: Wat gaait die ’t aan? En op zijn beschaafd Nederlands: Wat gaat jou het aan? En toen men de baas er op wees, dat dit toch een heel rare naam voor een tjalk was, toen stond er de volgende dag op het watervat nog duidelijker te lezen:
Ik wil ’t zo hebben.
En daarmee had hij uitgedrukt, wat in het algemeen de Groningers denken. Zij vallen een ander niet lastig, maar willen ook niet lastig gevallen worden.”
Uit: K. ter Laan – ‘De Groningers‘, eerste hoofdstuk uit De Nederlandsche volkskarakters (1938), een boek dat bij de nieuwe aanwinsten van de DBNL staat.
‘Heintje Plezier’ – Hoogezandster cultuurgoed
Geplaatst op: 26 april 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenH. kwam weer met iets leuks aanzetten, een exemplaar van Heintje Plezier (1931) van de weinig bekende K. Smedenborgh. Volgens H. speelt deze jeugdroman in Sappezand – een samentrekking van Hoogezand en Sappemeer – en het aardige is dat er voorin een opdracht staat van de schrijver aan F.F. Beukema:
Deze Frederik Faber of Frits Beukema was niet zomaar iemand. Hij had een strokartonfabriek in Hoogezand en was tevens eigenaar van de kantoorboekenfabriek Atlanta aldaar. Dat laatste bedrijf had in 1930 zo’n 75 man in dienst. Bovendien was Beukema voorzitter van het kunstlievend genootschap Pictura in de stad. In 1934 schonk hij Pictura het huidige onderkomen op de hoek van het Martinikerkhof. Als dank werd hij erelid, en nog steeds is de bovenzaal naar hem genoemd.
Mogelijk heeft de fabrikant ook als mecenas voor Smedenborgh gefungeerd. Getuige stempels en een leenrooster voorin – lenen kostte 2 cent per twee weken – raakte dit exemplaar van ‘Heintje Plezier’, waarschijnlijk na zijn dood (1936), in het bezit van ‘De droge kroeg‘, een door een christelijke geheelonthoudersvereniging opgericht opvangcentrum voor ex-alcoholisten aan de Kostersgang. Daar is het boek nogal beduimeld geraakt.
Volgens H. zit er de nodige Hoogezand-Sappemeerster couleur-locale in de tekst. Dat geldt niet voor de plaatjes, die de nog jonge, en eveneens uit Hoogezand afkomstige graficus Nico Bulder tekende. De meest aardige zijn deze drie:

Kind van de rekening
Geplaatst op: 24 april 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIn een bepaald boek kwam ik dit grafiekje tegen van de sterfte per 10.000 schoolkinderen in het Nederland van de eerste helft der twintigste eeuw. Een flinke dalende trend, met twee maal een ernstige terugval: in de Eerste Wereldoorlog, en in de Tweede Wereldoorlog. Oorlog maakt veel indirecte slachtoffers, je weet het, maar raakt er nog eens goed van doordrongen als je zo’n grafiekje ziet.
‘Hall’ van de Bloemert was regionaal centrum
Geplaatst op: 23 april 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Vanavond naar de lezing van Johan Nicolay geweest, om te horen hoe zijn opvattingen over De Bloemert zich hebben geëvolueerd sinds december 2005, toen ik er een UK-stuk en een logje over schreef.
De ontwikkeling zat hem vooral in de interpretatie van een huisplattegrond uit de vroege ‘Romeinse’ periode. Het ging om een uitzonderlijk grote boerderij, is inmiddels gebleken. Normaal waren boerderijen uit die tijd vijf, zes meter breed, bij deze was de breedte acht meter. De lengte begrootte Nicolay op 26 à 30 meter. Wat toch ook een flink stuk groter was dan normaal.
“Dit was een gigantisch gebouw”, aldus Nicolay, “enorm monumentaal”. Vergelijkenderwijs ging het ook om hele zware palen, terwijl het tweeschepige woondeel wel drie maal zo lang was als de drieschepige stal. Meestal namen beide functies evenveel ruimte in beslag. Samen met de oude Waterbolk interpreteert Nicolay de plattegrond nu als die van een ‘hall’, de ontvangsthal van een lokale heer, waar boeren samenkwamen en geschenken uitgewisseld werden. “Het ging om een hele centrale plek in Noord-Drenthe”.
De robuuste vierkante waterput van speciaal gekapte, zware eikenstammen hoorde bij deze ‘hall’, evenals het import-aardewerk, het unieke bovenstuk van een Romeins bronzen badflesje, het rode aardewerk waarin zout uit het venige kustgebied kwam, en het fragment van een bronzen paardentuig, mogelijk import uit Denemarken. Het eveneens aangetroffen bronzen drakenkopje, het uiteind van een emmerhengsel, was zeer waarschijnlijk in de derde eeuw door de lokale smid of smeden ingevoerd als schroot uit Noord-Gallië.
Het boek over de opgraving, dat oorspronkelijk in 2006 zou uitkomen, wordt nu na de zomer verwacht. Het zal bestaan uit drie delen in een cassette.

Gesneuvelde Patriot der Religie
Geplaatst op: 22 april 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenJohan Picardt – Chronijck der Landtschap Drenth:
“Anno 1632, den 4 Iuny, als de Stadt Venlo in t parlementeren stondt met zijn Excell. Prins Henrick van Orangien, is zijn Gn. Graef Ernst Casimir van Nassauw, Stadt-houder van Vrieslant, vor Rurmonde met een koogel uyt een Vier-roer door ’t hooft geschoten, waer aen zijn Gn. eenige weynigh uuren daer nae gestorven is. Dit was eenen beklaeglicken dood voor de Vereenighde Nederlanden, aengesien zijn Graefl. Gn. nu de oudste en ervarentste krijgs-Overste was in de Vereenighde Nederlanden; vigilant en onverdrietsaem in alle expeditiën en krijghs-tochten: yverich en bestandigh in ’t stuck der Religie, alsoo dat alle getrouwe Patriotten der Religie en des Vaderlandts het oogh op hem hadden.”
De hoogmoed van Oldehove
Geplaatst op: 12 april 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenIk lees hier dat die scheve Oldehove-toren in Leeuwarden vanaf 1529 gebouwd werd, omdat de jaloerse burgers van Leeuwarden een toren wilden die hoger was dan de Groninger Martinitoren. Na drie jaar moesten zij – heel sneu – hun poging staken, daar hun toren toen al verzakte.
Leermomentjes:
- De notie dat hoogbouw prestige verleent bestond al in de vroege zestiende eeuw. Ondanks het Babylon-exempel is die neiging onuitroeibaar.
- De Leeuwarder Achmea-toren kan worden beschouwd als een inhaalslag, voortspruitend uit bijna een half millennium frustratie. Hetgeen nog nog eens aantoont, hoe akelig lang gevoelens van inferioriteit, ook op provinciaal niveau, plegen te beklijven. Overigens is de Achmea-toren (115 meter) wel wat langer dan de huidige Martinitoren (96 meter), maar niet langer dan de Martinitoren van indertijd (127 meter). Je zou kunnen zeggen dat de Leeuwarders er nog steeds niet overheen zijn.
- Hoewel de Friezen toch de veetelers bij uitstek waren, kwamen ze kennelijk niet op het idee om hun toren, net als de Groningers bij de hunne deden, met koeiehuiden te funderen. Blijkbaar verhandelden de Friezen deze onderdelen van Us Mem liever, dan erop te bouwen. Dit wantrouwen in hun eigen product, gevoegd bij een gebrek aan wezenlijke offervaardigheid, zou in een goed verhaal kunnen gelden als transcedente oorzaak voor het niet realiseren van hun Babylonische pretentie.
Zwarte Jan, “constigh schilder van Groeninghe’
Geplaatst op: 8 april 2008 Hoort bij: Geschiedenis, Kunsten Een reactie plaatsen“Vrieslandt”, zo schrijft Karel van Mander in zijn Schilderboeck (1604), “en is soo bevrosen niet gheweest, noch soo heel verdort, of daer en is uyt Groeninge, tot vergroeninge haers roems, ontstaen een heerlijcke spruyt en bloem onser Consten…” Deze bloem was “den hoogh gherucht weerdighen Ian swart, die men veel noemde Swart Ian”.
Deze Zwarte Jan, zo vertelt Van Mander, was geboren in Groningen, maar hield zich omstreeks 1522, 1523 een tijdlang op in Gouda, toen Jan van Scorel uit Italië terugkwam. Mogelijk was de Groninger Jan leerling van de veel beroemdere Van Scorel. Zwarte Jan had immers “van Landtschap, naeckten en beelden seer de handelinge van Schoorel”.
Ook Zwarte Jan reisde naar Italië, woonde enige tijd in Venetië, en leerde daar nog meer op zijn Italiaans te werken. Van Mander roemt vooral de houtsneden, die Zwarte Jan vermoedelijk maakte, nadat hij met een Venetiaans schip naar Turkije was geweest. Het gaat om “Turcken te Peerde, met boghen en pijlkokers”, die volgens Van Mander “seer aerdigh en gheestigh zijn”.
Hier heb je een paar opschaalbare uit de collectie van het British Museum:
– Suleiman te paard (1526):
– Arabische ruiters:
– Mamelukken:
– Boogschutters:
Leve Groeninghen
Geplaatst op: 2 april 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenGrappig. Op bladzij 50 van De sneeuwpoppen van 1511 heeft Herman Pleij het over twee vroeg zestiende-eeuwse poëmen uit de buurt van Antwerpen, waarin onder meer deze regel het thema aangeeft:
“Die van Groeninghen hebben de Vriesen verjaeght.”
Friesland staat hier voor het rijk van de winter en Groeninghen – een streek waar alles altijd groen is – voor dat van de lente. Veel is te danken aan Groeninghen:
“De liefde kan nu weer bloeien, zwervers kunnen hun schuilplaatsen verlaten, oude mensen hoeven niet dagelijks te spinnen met heynen’ (te verwijlen met magere Hein), en alle winterkleren kunnen voorlopig in de kast.”
Het boek van Pleij behoort tot de nieuwe oogst van de DBNL.
De Boerenzeun van Bellingwolde
Geplaatst op: 27 maart 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen

Ter Laan noemde het het “misschien het oudste ‘letterkundig’ werk”, gedrukt in het Gronings. Maar hoe oud is het?
”Mien vader hijtt’ Hans Vogelnest
Was boer in Bellingwolde
Hij was weleer oet raizen west
En pruitte veul van Rolde
Hij zee reis tegen mij: “Mien jong!”
Moust ook ais van de zokke;
Want anders blifst akkraat zoo dom
As d’ezels en de bokken”
Zo begint De Boeren Zeun van Bellingwolde, een verhalend dichtwerkje van dertien paginaatjes druks, dat ergens vroeg in de negentiende eeuw verscheen bij Eekhoff in Groningen. Volgens de titel zit het werkje ”vol van andounlikke en grappige dingen, zoo as m’hier kan lezen of zingen”. Inhoudelijk valt het in twee delen uiteen. In beide is een verteller van het type domme August aan het woord, en in beide zit een boertig soort humor.
In het eerste deel wordt die verteller aangezien voor deserteur en tegen zijn zin soldaat. Hij moest naar de Rijn, om te vechten tegen het Franse leger van generaal Dommerjan. Ze deden er niets dan schieten en hij riep: “Schijt hier toch nait hen, hier stoan ja almoal mensen!” Zodoende kreeg hij een kogel in zijn been, dat niet meer heelde. Hij was zo zat van die hele soldatenbende, dat hij er tussenuit kneep, naar huis ging en een vrouw nam: “Nou is mien tied an ’t ende”
Toch komt er dan nog een tweede deel waarin Vogelnest junior als welvarende boer afzakt tot de landlopersstaat. In dat deel sloeg hij zijn vrouw, een helleveeg, met haar eigen knuppel dood, nam de benen, en maakte carrière aan de muzikale zelfkant. Eerst begeleidde hij op fluit een berenleider, die zelf op een doedelzak “brommelde”. Later kocht hij een cither en verdiende de kost met zingen, wat het best in kerkdorpen lukte:
”De grootste dörpen bin mij ’t lijfst
Daar koom ‘k verschaide malen
Maar nooit ga ik weer na mien land
De duvel mag mij halen!”
Kornelis ter Laan noemde ‘De Boerenzeun’ “misschien het oudste ‘letterkundig’ werk, dat in onze volkstaal gedrukt is”. Wanneer dat gebeurde, is onbekend. Zelf zag ik slechts een ongedateerde tweede druk, van circa 1820, 1830. Volgens het voorbericht liet de anonieme auteur zijn voordracht drukken, omdat hij steeds weer verzoeken om afschriften kreeg.
In elk geval werd een ander lied, ‘De Nijsverteller’, omstreeks 1823 gezongen op de wijs van ”Mien vader hijt Hans Vogelnest’. De Boerenzeun was dus toen al bekend. En populair – daarop wijst niet alleen het drukken, maar ook het feit dat er in Groningen (UB), Leiden (UB) en Leeuwarden (Tresoar) exemplaren bewaard zijn.
Het eerste, soldatendeel van De Boerenzeun noemt de opmars van de Franse generaal Dommerjan, oftewel Dumouriez, in 1792, 1793 naar het noorden. Dat soldatendeel is echter niet origineel Gronings, maar een vertaling naar een plat-Duits model, waarvan de eerste gedrukte versie van 1807 dateert (met dank aan Otto Knottnerus). In de plat-Duitse versies komt Vogelnest uit plaatsen als Oolenmöllen of Pomellen. Hannekemaaiers die van en naar Friesland Groningen doortrokken zongen dit lied, maar het stond ook nog in een bundeltje voor Noord-Duitse frontsoldaten in de Eerste Wereldoorlog.
Van het tweede, landlopersdeel ken ik geen Duits origineel. Mogelijk is dit een pastiche op de Ausführliche Erzählung wie Ernst Haberfeld aus einen Bauer ein Freiherr geworden ist, een roman uit 1803 – 1805 van de verlichte Duitse pedagoog Christian Gotthilf Salzmann, waarvan in 1806 de Nederlandse vertaling verscheen.

Ernst Haverveld, de hoofdpersoon van dat boek, is eerst danig onder de bekoring van de Franse revolutie. Hij wil zelfs naar Frankrijk toe om het allemaal mee te maken, maar dat wordt hem uit het hoofd gepraat. Na enige beproevingen leert Haverveld uiteindelijk zijn driften, hartstochten en begeerten te beteugelen, wordt zo ‘vrijheer’ over zichzelf en gelukkig in zijn boerenstand.
Terwijl het in de opbouwende, optimistische, en maatschappijbevestigende roman van Salzmann steeds beter gaat met Haverveld, gaat het in het sardonische, bijna subversieve landlopersdeel van ‘De Boerenzeun’ almaar bergafwaarts met Vogelnest jr. Waar Haverveld eerst gebiologeerd is door de Franse revolutie, plukt Vogelnest er als soldaat de wrange vruchten van.
Zeker was het werk van Salzmann populair. In 1809 meldt de Boekzaal der Geleerde Wereld, dat de Hans Haverveld “met buitengemeene graagte” ontvangen was in Nederland. Ook het leesgezelschap van Leens beschikte over een exemplaar. Nog in 1846 kwam er een derde druk van de vertaling uit.
Trouwens, die populariteit gold Salzmanns werk in het algemeen. IJnte Botke noemt in zijn prachtboek Boer en heer, ‘De Groninger boer’ 1760 – 1960 verschillende voorbeelden van die populariteit. Zo leende de volksverlichter ds. Mensinga van Nieuw Beerta (1794-1827) onder meer Hemel op aarde van de Duitse schrijver aan boeren uit. Ook de Teenstra’s van Ruigezand lazen Salzmann graag. Verder noemde de schoolmeester van Oostwold in 1828 hem als auteur, gelezen door enkele verlichte boeren van het dorp, terwijl het latere liberale kamerlid Jan Freerks Zijlker uit Nieuw-Beerta eveneens een liefhebber bleek.
In iets kortere versie verschenen in de nieuwe Stad & Lande.
Jetje van Radio Oranje
Geplaatst op: 25 maart 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Uitzending (30 minuten) de dato 1 mei 1955 van de Wereldomroep over Jetje van Radio Oranje.
Met onder meer: ‘We zien elkaar weer’, ‘De winter is voorbij’ en ‘Op de hoek van de straat’.
Hier de complete inhoudsopgave.
Mocht iemand nog een plaat van Jetje willen kopen, de laatste kwam in 1969 uit. Maar deze is nog steeds te koop bij Fonos. Ik heb hem zelf net besteld.





















Recente reacties