Steeds meer Groninger kranten op internet
Geplaatst op: 19 maart 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenDe Koninklijke Bibliotheek gaat onder meer de volgende illegale bladen uit de oorlog scannen en op internet zetten: de in Groningen gedrukte en verspreide versies van De Vonk, Het Parool, Trouw, Vrij Nederland, De Waarheid, Je Maintiendrai, Ons Vrije Nederland, Het Oranje Bulletin en Wording. Ook de titels: Van de Scole tho Sunte Meerten, de VERA-brieven en de Groninger Oranjebode komen zo straks publiek beschikbaar. Dat blijkt uit de selectielijst die de KB onlangs publiceerde.
Nog mooier: de KB gaat mogelijk ook de Groninger Couranten die tussen 1743 en 1814 verschenen, scannen en op internet zetten. Helaas vielen de Groninger titels uit de periode 1814 – 1869 buiten de nominatie.
Vanuit Groningen zelf zit er ook nog wat aan te komen, een project dat het Nieuwsblad van het Noorden vanaf 1888 compleet online zet. Deze klus moet in 2009 afgerond zijn. In het decembernummer van Stad & Lande schreef ik al, het jammer te vinden dat niet meteen de Groninger Couranten van voor 1888 werden meegenomen. In deze leemte voorziet de KB straks misschien gedeeltelijk. Mocht dat inderdaad zo zijn, dan blijft de periode 1814 – 1888 nog te wensen over.
‘Nog pas een volkrijk land’
Geplaatst op: 12 maart 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Het dondert en die zware bliksemslag
Maakt van de nacht een dag.
’t Is Groningen (ik ken haar hoge toren)
Alwaar (helaas!) zich deze orkaan laat horen,
Die ’t water perst en over ’t paalwerk beurt
En alle dijken scheurt.
Zie daar, zie daar de sluizen losgewrongen!
Het hol getij in Hunzingo gedrongen!
Het Fiv’lingo en ’t vette Oldambt, (o wee!)
Veranderd in een zee!”
Zie verder het lemma Ludolph Smids (1649-1720) op de Wikipedia. Bij de Maartensvloed van 1686 verdronken ruim 1500 mensen, vooral langs de Eems.
De duivel hield van spelletjes
Geplaatst op: 10 maart 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
In 1598 vond bij de doop van een Duits prinsesje een optocht met allegorische figuren plaats. Hier komt Satan voorbij, gezeten op zijn tweespan Zonde & Vlees.
Opvallend zijn de spelletjes op het rode kleed van Vlees: kaarten, raket, schaak, verkeerbord of tiktak – het was allemaal zwaar uit den boze.
‘Als die Groningers eens ontdooijen, dan zijn er kerels bij als goud’
Geplaatst op: 8 maart 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
In ‘Wandelingen door Nederland met pen en potlood‘ (1879) van de Rotterdamse doopsgezinde dominee Jacobus Craandijk, een werk dat deze week in de DBNL verscheen, staat ook het stuk ‘Een paar uitstapjes in Groningerland‘. Daarin onderneemt Craandijk, vanuit Groningen, enerzijds een tourtje naar het Gorecht en Noord-Drenthe, met als verste bestemmingen Zuidlaren en Eelde, en anderzijds een tocht naar het oosten van de provincie, die hem langs Hoogezand, Sappemeer, Slochteren, Noordbroek, Zuidbroek, Meeden, Westerlee, Heiligerlee, Winschoten, Beerta, Noeiw-Beerta, Finsterwolde en Midwolda voert.
Op deze twee tochtjes gaat de belangstelling van Craandijk vooral uit naar bekende toeristische bezienswaardigheden, zoals de hunebedden van Noordlaren en het monument voor Graaf Adolf in Heiligerlee. Zijn betoog doorspekt hij met historische weetjes, waarvan een deel inmiddels achterhaald is. Maar af en toe zegt hij toch ook dingen waarvan ik opkijk. Zo maakt hij melding van een bepaald soort bedelarij tussen Glimmen en De Punt:
“Naar het schijnt, is de welvaart in deze streek ook geenszins algemeen, want bedelende kinderen vergezellen den wandelaar en draven met de wagens mede, in de verwachting van een kleine gift, in ruil voor de kunstelooze tuiltjes van veldbloemen of wormkruid, die zij den voetganger voorhouden of behendig in de open rijtuigen weten te werpen…”
“…’s Zondags in den zomer, dan is de stilte er gebannen. Dan staan lange rijen van rijtuigen uitgespannen voor de beide herbergen, dan is de brink met de stoelen en tafeltjes veler gasten bedekt, dan weergalmen de ruime, groene pleinen van vrolijke stemmen bij lustige spelen, dan omtmoet gij in de bosschen in den omtrek talrijke wandelaars uit “de stad” en uit de naburige dorpen, dames en heeren, burgers en burgervrouwen, boeren en boerinnen. Dan is Zuidlaren ’t vereenigingspunt, waar men van alle kanten zamenstroomt, en de kindertjes langs den weg hebben heel wat bloemen te plukken en met heel wat vlugge paardenvoeten te wedijveren, misschien ook wel heel wat centen op te garen uit het stof van den grintweg.
Het raadhuis is tevens een uitspanning en verheugt zich in een druk bezoek, maar de deftige gasten schijnen den Gouden Leeuw, de gastvrije woning van H. Zondag, te verkiezen. De kastelein draagt dan ook een’ veelbelovenden naam – ’t is bij hem altijd Zondag. En wat meer is, zijn uitstekend logement is alle aanbeveling waard.”
Ook Eelde en Paterswolde gelden als zulke zondaagse pleisterplaatsen. Hier vallen Craandijk vooral de kleding en opsmuk op:
“De breede zilveren oorijzers met gouden knoppen van de dochteren des lands flonkeren in de zon. Hooge sjeezen en bontbeschilderde speelwagentjes, met kloeke paarden bespannen en met kostelijk uitgedoschte boerinnen beladen, ratelen over den grintweg. ’t Is Zondag, en alles is in feestdosch en in feestelijke stemming. Wie daar rijden, behooren hier niet te huis; ’t zijn “dikke” boeren uit den omtrek, die een ridje maken. Straks, te Paterwolde, zullen wij velen hunner wéérzien. Wie daar drentelen langs de straat, of babbelen bij de huisdeur, in vrolijke groepjes vereenigd, met kleurige pakjes en blinkenden hoofdtooi, zijn meiskens uit het dorp of uit omliggende buurschappen. De mannen en jongens zijn stemmig en donker gekleed. Maar allen is het aan te zien, dat de welvaart niet alleen bij de Groninger landbouwers heerscht. Ook Eelde en zijn bevolking draagt het voorkomen van voorspoed en bloei…”
Tussen Hoogezand en Slochteren gunt Craandijk ons een kijkje in een tolhuis:
“Wenschen wij een oogenblik te rusten, de tolgaarder is bereid, ons daartoe gelegenheid te geven, wanneer wij genoegen nemen met een’ stoel bij zijn haardvuur, in zijn huisvertrek, dat tevens slaapkamer en gelagkamer is, en wanneer onze eischen omtrent het consumabel de grenzen van zeer groote bescheidenheid niet te buiten gaan. Hadden wij die mate van reinheid verwacht, die, onder den naam van “kraakzindelijkheid”, verondersteld wordt de deugd aller Nederlandsche huisvrouwen te zijn, dan zouden wij welligt een gevoel van teleurstelling niet kunnen onderdrukken. ’t Ziet er althans niet uitermate frisch en vrolijk en vriendelijk uit in het kleine, half duistere vertrekje, waar het turfvuur smeult onder de ruime schouw en waarin de vrouwen en kinderen, in donkerkleurige gewaden en met loshangende haren, zich bewegen. Trouwens ’t is een werkdag en de sierlijke muts, het gouden oorijzer, het ligt gekleurde jak, de halssieraden en de verdere Zondagstooi zijn opgeborgen in de groote eikenhouten kast. “
Heel grappig is, dat het stereotype van de kat-uit-de-boom-kijkende Groninger al in Craandijks’ tijd blijkt te bestaan:
“Inderdaad hadden ook wij reeds meer dan eens gelegenheid, op te merken dat toeschietelijkheid en voorkomendheid niet tot de hoofddeugden van de stoere mannen van het Noorden behooren. Onder de kasteleins met name zijn wonderlijke snuiters, die het als hun ideaal schijnen te beschouwen, zoo weinig gasten mogelijk te hebben. Die te Zuidbroek maken geen uitzondering. Het ongastvrij lokaal van den een’, ter regterzijde van de straat, verlaten wij onmiddellijk. Het tweede, aan de linkerhand, verlaten wij niet, omdat wij uitgehongerd en vermoeid zijn en de regen, die ons reeds lang gezelschap hield, nu bij stroomen begint neder te vallen. En zie, wij komen half als vijanden, wij scheiden den volgenden morgen als de best mogelijke vrienden. Diner en logies moeten haast met geweld worden veroverd, althans met taaije volharding afgedrongen. Maar als die Groningers eens ontdooijen, dan zijn er kerels bij als goud.”
Berend Bymholt en de Havelter hutjes
Geplaatst op: 4 maart 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Uffelte had rond 1900 een opmerkelijke onderwijzer. Hij was anarchist en geheelonthouder en schreef voor allerlei bladen. In De Amsterdammer besprak hij ook wel zijn eigen omgeving, Via dat periodiek zette hij ook de eerste openbare bibliotheek in Uffelte op, het begin van een wijdvertakt netwerk. Het blad hielp hem zelfs met individuele armenzorg.
“Uffelte en Havelte bieden tal van schilderachtige kijkjes. Uffelte valt vooral op door den vreemden bouw van vele zijner boerenwoningen, door den slingerenden dorpsweg, die bij iedere bocht weer verrast door een nieuw kijkje, altijd mooi.
Havelte wordt in den laatsten tijd, dank zij de fiets, meer en meer bezocht. Ook hier treffen we aan aardig gelegen boerenhoeven, leuke en eenvoudige huisjes, vaak als weggestopt in boschjes, prachtige slingerende wegen.”
Deze wat reisgids-achtige informatie stond in het weekblad De Amsterdammer van 11 oktober 1903, en ze kwam van Berend Bymholt, die op dat moment onderwijzer in Uffelte was. Meester Bymholt verstrekte zijn inlichtingen uit lichte ergernis, want terwijl Het Gooi, Gelderland en Limburg allang populaire vakantiebestemmingen waren voor het opkomende fietstoerisme, bleef Drenthe nog zo goed als onbekend. En dat vond Bymholt jammer.
Natuurlijk moest hij toegeven dat er wel eens landschapsschilders van elders in Drenthe werkten, maar die bezochten veelal “slechts enkele dorpen, die een goeden naam hebben, vooral die in het oosten van de provincie”. Zo werden er in de zomer van 1903 weer eens dergelijke kunstenaars gesignaleerd in Exloo en Rolde. Maar op zijn vele fiets- en wandeltochten zag Bymholt ze nooit in Zuidwest-Drenthe. En ook daar had je toch pittoreske dorpen. Dàt feit wilde hij met zijn bijdrage aan De Amsterdammer eens onder de aandacht brengen.
Het gehucht Eursinge rekende hij tot de mooiste dorpjes, die hij in Nederland kende. Waar hij over Eursinge begon, werd hij zelfs lyrisch:
“Eursinge is eigenlijk een boschje, waarin enkele boerenhoeven en huisjes staan. Ik ben er doorgewandeld op zomer-zondagochtenden, als de stammen der boomen nonchalant neergeworpen zonneplekken toonen, en mijn voetstap alleen verbreekt de volkomen landelijke stilte; op achternamiddagen, als huizen en boomen, wegen en menschen, alles overstrooid is met lichtsprankels; op maanlichtsavonden als het dorpske gansch ingeslapen is en droomend neerligt in het zilverige licht, van daar boven vloeiende.”
Ook deed meester Bymholt in dit artikel voor De Amsterdammer Busselte aan, dat toen nog aan de rand van een kaal heidelandschap lag:
“Ik was er verleden zaterdag en maakte een potloodschets van een vriendelijk huisje. Zoo’n huisje is al heel primitief. Een voorgevel, bestaande uit eenige vergrijsde planken, een dak van stro, en terzij ook nog eenige planken, een deur en een paar raampjes en klaar is het woningske. Maar wat kwam dat eenvoudig huisje mooi uit tegen den paarsch-bruinen heide-achtergrond met heel aan de horizonverte de Bisschopsberg en in de laagte wegduikende woningen van Darp…”
Helaas ging Bymholt aan Darp voorbij, ook al zou hij er, naar hij schreef, heel wat over kunnen vertellen. In de rest van zijn verhaal bezong de Uffelter onderwijzer meer in het algemeen de bekoorlijkheden van Zuidwest-Drenthe, waarbij hij zijn politieke overtuiging niet onder stoelen of banken stak:
“Vooral nu de herfst nog soms zulke mooie dagen geeft en de najaarstinten in een ijle dunne lucht alle dingen rondom in een teerder subtieler licht zetten, nu is het heerlijk te dwalen langs de her en der slingerende wegen en weggetjes. Bij het denken aan die aardige witte paadjes, kronkelend door de heidevelden, komen in me op de mooie, zoo juist gevoelde versregels van Henriëtte Roland Holst:
Kleine paden slingeren over de heide
en komen aan op de hutten der armen
zij zijn de eenigen die zich erbarmen
over ’t verlatene van wie hier lijden.”
“O, wie oog heeft voor het sobere schoon van dit eenvoudig Drente”, aldus Bymholt,
“hij zal als ik gaarne dolen door zijne boschjes en over zijne velden, maar hij moet wel, ziende al die hutten, gevoelen dat mooi Drente helaas ook is arm Drente. Maar gelovende in het komen van een betere sociale ordening, die de armoede zal bannen van deze mooie aarde, dring ik de gedachte aan arm Drente voor een wijl op den achtergrond, om alleen ruimte te geven aan mooi Drente.
Mooi Drente is mooi.
Geloof me, lezer, of anders, kijk zelf.”
TROPENJAREN
Berend Bymholt was in 1896 aangenomen als onderwijzer op de lagere school in Uffelte. Bij zijn komst hier liet hij in het bevolkingsregister aantekenen dat hij “zonder godsdienst” was. Dat gold als iets heel bijzonders in die tijd, vooral in Drenthe, want veel mensen meden dan wel de hervormde kerk, maar bleven er nominaal nog lid van. Naast atheïst was Bymholt geheelonthouder en anarchist of, met wat minder beladen termen, vrij socialist. In feite had hij al ruim tien tropenjaren achter de rug op een heel ander propagandavlak dan het toeristische, namelijk dat voor het algemeen stemrecht en betere sociale omstandigheden. En in dat kader had hij ook al heel wat uithoeken van Nederland gezien.
Hij werd geboren in 1864, als zoon van een hervormde werkman te Veendam. Hoewel afkomstig uit een arbeidersmilieu, mocht hij doorleren voor onderwijzer, toen nog het hoogst haalbare beroep voor bollebozen onder de arbeiderskinderen. Voor zijn periode in Uffelte deed Bymholt echter maar weinig werkervaring op als leerkracht. Als zodanig had hij alleen een zeer kortstondige betrekking in Rotterdam, in 1885. Op de kweekschool was hij vermoedelijk al betrokken geraakt bij de sociale strijd, en na zijn terugkeer in Veendam, datzelfde jaar, ontpopte hij zich als een ijverig medewerker en redacteur van een hele ris radicale bladen, zoals De Vrijheid, Het Groninger Weekblad en Multatuli. Van 1887 tot 1889 werkte hij als corrector bij de Veendammer Courant en in die periode stond hij ook aan de wieg van de Veendammer afdeling van de Sociaal Democratische Bond (SDB), de eerste socialistische partij in ons land. Bovendien schreef hij in Veendam brochures voor het algemeen kies- en stemrecht, dat nog steeds bevochten moest worden, en over de werkloosheid onder onderwijzers, waarvan hij zelf een slachtoffer was.
In 1889 vertrok Bymholt opnieuw naar Rotterdam, waar hij zich inschreef als journalist, een nog vrij zeldzaam beroep. Voor Recht voor Allen, de eerste landelijk gelezen socialistische krant, versloeg hij er onder meer een grote havenstaking. Een jaar later zat hij in Nijmegen, waar hij de kost verdiende in een uitgeverij die op naam van zijn vrouw stond, terwijl hij tegelijkertijd socialistische propagandastukken voor allerlei periodieken bleef schrijven. Ook gaf hij er blijk van literaire aspiraties met een bundel gedichten, schetsen en novellen. Maar de allerbelangrijkste publicatie van deze veelschrijver, het werk waardoor hij ook nog zeer lang bekend bleef, was zijn Geschiedenis der arbeidersbeweging in Nederland, een boek dat 736 pagina’s telde en dat in 1893/4 eerst in afleveringen en uiteindelijk in één band verscheen. Bymholt raadpleegde er tal van radicale en socialistische bladen en brochures voor, maar maakte ook gebruik van informatie die tegenstanders van het socialisme hem leverden. Zijn thema behandelde hij zakelijk, onpartijdig en precies, en nog steeds geldt deze kroniek van hem als een “unieke en onmisbare bron” voor mensen die wat willen weten over de eerste jaren van het socialisme in ons land.
Intussen was Bymholts’ partij, de SDB, onder leiding van Domela Nieuwenhuis steeds meer in anarchistisch vaarwater geraakt en verklaarde zij zich zelfs tegen deelname aan de verkiezingen. Wat zeer tegen de zin van een partijminderheid was, die daarom in 1894 de SDAP oprichtte, de Sociaal Democratische Arbeiders Partij (voorgangster van de PvdA). Met deze ‘scheurmakers’ ging Bymholt niet mee. Integendeel, ook hij zag al een poos niets meer in parlementair werk, hij was in 1895 zelfs nog even hoofdredacteur van het blad Anarchist en schreef een brochure tegen de vakverenigingen, waarvan veel socialisten, met name SDAP-ers, juist veel heil verwachtten. In Bymholts ogen waren vakverenigingen slechts “pleistertjes … op de kankerende wonden dezer ellendige maatschappij”. “Om het werk te staken”, bromde hij,
“is er geene vakvereeniging noodig, alleen flinke kerels (…). Laat ons zorgen, zooveel wij kunnen het bestaande, de bourgeoismaatschappij, af te breken. Afbreken de oude, verroeste ideeën in de hersenen van het volk, afbreken en nogmaals afbreken! Wek de menschen op tot denken, zelf-denken en ge hebt meer gedaan dan door een vakvereenigingetje op te richten.”
De scheiding der socialistische geesten ging intussen niet in zijn kouwe kleren zitten. Met felle persoonlijke aanvallen op SDAP-ers had Bymholt weinig op, in zijn eigen harrewarrende partij voelde hij zich allengs minder thuis, en dat was de reden dat hij zich in 1896 als propagandist terugtrok en op die baan als onderwijzer in Uffelte solliciteerde. Maar ook in Drenthe bleef de publicistiek aan Bymholt trekken en schreef hij af en toe voor verschillende bladen, onder meer dus het links-liberale De Amsterdammer .
Getuige zijn stukken in dat blad, de voorganger van onze huidige Groene Amsterdammer, bleef de geschiedenis van het vroege socialisme Bymholt bezig houden in zijn Uffelter periode. Zo blikte hij in 1900 met enige nostalgie terug op de ‘oude beweging’: “Het was een tijd van jonge, warme geestdrift. Allen waren het met elkander eens”. Wat hem op een kritische ingezonden brief kwam te staan van een veteraan die het allemaal meegemaakt had en die vertelde dat die ouwe socialisten heus wel met elkaar overhoop lagen, zij het dat ze hun onderlinge conflicten nog binnenskamers plachten te houden.
Ook haakte de Uffelter onderwijzer voor De Amsterdammer in op de actualiteit. Anno 1897 gaf hij nog eens zijn visie op de vakverenigingen, die volgens hem alleen maar konden leiden tot hokjesgeest, leiderverering, verstarring en conservatisme:
“Ze kunnen opgericht worden als de arbeiders ze noodig achten, dat is in de dagen dat men een of andere concessie van de patroons tracht af te dwingen. Is dat doel bereikt, dan kan de vereniging weer verdwijnen.”
Even weinig had Bymholt op met het plan van de idealistische literator Frederik van Eeden om landbouwcoöperaties voor arbeiders te stichten, waarmee ze dan de grond op het kapitaal zouden veroveren. Bymholt vergeleek dit voornemen met de Koloniën van de Maatschappij van Weldadigheid in onder meer Frederiksoord. Na tachtig jaar vormden die nog steeds kasplantjes waar collectegeld bij moest. Van Eeden, vond Bymholt, hield te weinig rekening met het geld, benodigd voor grondaankoop, woningen, landbouwwerktuigen en zaai- en pootgoed. Weliswaar was sommige grond goedkoop te krijgen, zo had de Oranje Bond van Orde onlangs vlakbij Uffelte heuvelachtige zandgrond gekocht voor 7 gulden per hectare. “Dat is niet veel”, constateerde Bymholt, “maar ik geloof dat de arbeiders hier dezen grond nog niet gratis in eigendom zouden willen hebben”. De landarbeiders in Uffelte verdienden veertig cent per dag, of dertig cent met de kost toe, Amsterdamse arbeiders kregen veel meer betaald en zouden dus niet met Van Eeden in zee willen gaan. Bovendien kenden zij het agrarische bedrijf niet eens: “Als nu onze kleine landbouwers alleen met de uiterste moeite het hoofd, en ook nog maar even boven water kunnen houden (…), wat zullen dan de arbeiders uit de steden beginnen op het land, waar hun de handen verkeerd staan!” Nee, het plan van Van Eeden was zeer onpraktisch, en Bymholt voorzag dan ook een “fiasco”. Zijn moraal:
“Wie iets voor de menschen wil doen knutsele geen plannetjes ineen, maar trachtte de menschen te leeren vrij, gezagsloos te denken. Als ze dat allen kunnen, dan kunnen ze de ‘plannen’ van anderen ontberen en zal elk individu zijn leven opbouwen naar zijn eigen ‘plan’.”
Inderdaad kreeg Bymholt naderhand groot gelijk wat betreft de landbouwkolonie Walden die Van Eeden bij Bussum had gesticht. Deze werd een grandioos débacle. Enig realisme kon men Bymholt nou ook weer niet niet ontzeggen. Dat blijkt eveneens uit een boekbespreking die hij op 1 mei 1904 voor De Amsterdammer schreef over het pas verschenen ‘Boek van den alcohol’ van Don en Van der Woude. “Ik ben geheel-onthouder, sedert jaren”, verklaarde Bymholt en hij stond dan ook positief tegenover dit boek, dat een overzicht gaf van de toentertijd zeer bloeiende anti-drankbeweging. Toch had hij ook kritiek op het boek, want de schrijvers gingen voorbij aan de godsdienst en volgens Bymholt, die inmiddels dus geen atheïst meer was, kon er van religie wel degelijk een positieve invloed uitgaan op mensen die hun lijf ‘vergiftigden’ met dat “walgelijke vocht”. Dat had Bymholt gezien in Veendam, waar een evangelist veel nuttig werk deed op dit vlak. Bovendien was de Uffelter onderwijzer het met de schrijvers oneens dat het alcoholprobleem in àlle onderwijsvakken ter sprake moest komen. Bymholt bepleitte om dat probleem alleen af en toe in de lessen aan te stippen, als het zo te pas kwam, en er zeker niet voortdurend op te hameren. “Men kan ook van het goede te veel krijgen”, schreef hij. “Ik vrees dat het wel eens een tegenovergestelde uitwerking kan hebben.”
EXPONENT
Naast zijn onderwijs, zijn zwerftochten door de natuur en zijn schrijfactiviteiten was Bymholt in Uffelte bezig met het opzetten van een openbare bibliotheek, de eerste algemene, voor iedereen toegankelijke bieb in de wijde omtrek. Daarbij speelde De Amsterdammer een cruciale rol. Begin 1903 brak H.C. Müller, een exponent van de Openbare Leeszaalbeweging die toen opgang maakte, in dat blad een lans voor het stichten van ‘public libraries’, te beginnen in Amsterdam, en daarna in andere steden, “vooral in het flinke en energieke Noorden”. Bymholt stond zeer sympathiek tegenover dit streven, maar vond de behoefte aan lectuur bij het volk op het platteland groter dan in de steden:
“Herhaaldelijk vraagt men mij – ik ben onderwijzer in een klein Drentsch dorp – naar boeken. De schoolkinderen komen vragen of de meester niet een mooi boek voor vader had. Soms houden de menschen me op den weg staande: als de meester nog eens wat voor mij te lezen had, ik wil er wel wat voor betalen…”
Nog onlangs deelde Bymholt een gratis werkje over dierenbescherming aan zijn leerlingen uit en veel ouders bleken het ook te hebben gelezen. In tal van opzichten vond Bymholt het platteland, in vergelijking tot de steden, “stiefmoederlijk bedeeld”:
“De stedeling ziet allerlei nieuws op straat, voor de winkelramen, hij leest zijn krant, gaat een enkele keer, als het er af kan, naar de schouwburg. De plattelander, die minder verdient, leest niet altijd een krant, en dan in de regel nog geen dagblad, een schouwburg kent hij niet, vaak niet eens bij naam, op straat ziet hij alleen koeien, mestwagens enz.”
Interessant bij deze passage is een noot, waarin Bymholt aangeeft dat in zijn omgeving weliswaar twee maal per week de Meppeler Courant uitkwam, maar dat die vaak slechts één keer per week afgenomen werd (“Velen abonneeren zich echter alleen op het Zaterdag-nommer om de goedkoopte”). Wat meester mede daarom graag zag verschijnen, was een bibliotheek in de stad, die tegelijkertijd als boekendepot voor de omliggende dorpen kon fungeren. In elk dorp moest er dan een agent zijn, die de catalogus verspreidde, de bestellingen noteerde, en zorg droeg voor het aanvragen, distribueren, ophalen en terugzenden van de boeken.
Dat er op het platteland behoefte was aan lectuur, stond voor Bymholt buiten kijf. Hij verwees naar het succes van colportage-romans, die in afleveringen uitkwamen en die de afnemers voor een paar cent per week van colporteurs betrokken. Al had Bymholt forse kritiek op de kwaliteit van dat leesvoer: “De voddigste boeken – vaak op ouderwetse wijze vol moorden en allerlei andere gruwelen – worden zoo aan de man gebracht. En die dingen kunnen heel wat kwaad doen”, dacht Bymholt onder verwijzing naar een beruchte roofmoordenaar die op zijn snode idee gekomen zou zijn door het lezen van een colportage-roman. Gelukkig maar, schreef de Uffelter onderwijzer, dat er de laatste jaren de klad in die handel zat. Dat wist hij van een oud-colporteur. In elk geval waren de liefhebbers van een kwalitatief betere lectuur schaars: “Ze moeten gekweekt worden”. En dat was dan vooral de taak van die op te richten volksbibliotheken, die hun boeken zorgvuldig, maar nou ook weer niet angstvallig uit moesten kiezen, en zich daarbij neutraal moesten opstellen, want: “Uit partij-oogpunt mag natuurlijk niets geweerd worden”.
Als reactie op dit artikel ontving Bymholt nog in februari 1903 een “flinke collectie boeken” van mevrouw Crommelin te Arnhem, waarmee hij in Uffelte meteen al “een aardig bibliotheekje” kon beginnen. Er zaten vele jongens- en meisjesboeken bij, een “buitenkansje” voor de leerlingen van zijn school, “aan wie ik ze geregeld ter lezing geef. Aan volwassenen leen ik de voor hen geschikte werken uit.” Toch kon hij nou ook weer “niet voldoen aan alle aanvragen om lectuur zonder uitbreiding van mijn boekenschat”. Als andere gulle gevers het goede voorbeeld van mevrouw Crommelin zouden willen volgen, dan zou dat dus zeer welkom zijn.
En inderdaad had deze oproep in De Amsterdammer succes, getuige weer een stuk van Bymholt in maart 1904, toen hij schreef:
“Mijne bibliotheek heeft zich in den loop van het afgelopen jaar aanmerkelijk uitgebreid (vooral door verschillende boekenzendingen van den Heer W. Juchter te Amsterdam), zoodat ik in staat was ze te splitsen en een deel er van naar de school te Havelte te verplaatsen. Ook het naburige dorp Wapserveen heeft zijn bibliotheek gekregen, zoodat we op ’t oogenblik hier in een drietal dorpen de bewoners van lectuur voorzien. (…) Zijn de boeken doorgelezen, dan ruilen we ze tegen elkaar.”
Kortom, dankzij meester Bymholt en De Amsterdammer kregen de drie grootste dorpen van de gemeente Havelte een netwerk van openbare bibliotheekjes, nu ruim honderd jaar geleden. Op het moment dat hij dit stuk schreef, overlegde Bymholt ook al met genoemde heer Juchter uit Amsterdam om dat netwerk nog verder uit te bouwen. Op meerdere plaatsen bestond interesse, zodat men in de zomer van 1904 gezamenlijk over kon gaan tot de oprichting van een vereniging ‘Reizende Volksbibliotheek’, die een centraal depot in Amsterdam kreeg, en, naast de drie afdelingen in de gemeente Havelte, van meet af aan vestigingen in Midlaren, Drachtster Compagnie, Hoorn, Middelie, Nooddorp, Oud-Beierland en Elspeet omvatte. Tegen deze uitbreiding naar in totaal tien afdelingen, zo bleek op 18 september dat jaar in Havelte, was de voorraad boeken echter niet bestand. Daarom hengelde Bymholt in De Amsterdammer andermaal naar boeken. “Dat er op het platteland”, zo zei hij, “vraag naar boeken is, bewijst wel het feit dat er in het leesseizoen 1903/04 te Uffelte aan 115, te Havelte aan 83 lezers boeken zijn uitgereikt. Dat zijn voor kleine dorpen al heel mooie cijfers.” Vooral bij winterdag, als er weinig werk was, bestond er volgens Bymholt bij de plattelandsbewoners behoefte aan iets om zich nuttig en aangenaam bezig te houden:
“Schouwburgen ontbreken op onze dorpen, vergaderingen worden zeer weinig gehouden; een of twee maal een uitvoering van een rederijkerskamer, dat is alles en men begrijpt het licht, dat is niet genoeg. Des zomers gaat het wel, de plattelander kan fietsen en maakt er hoe langer hoe meer gebruik van. De fiets maakt het mogelijk dat menschen van verschillende plaatsen meer dan vroeger met elkander in aanraking komen. De fiets is een uitkomst voor het platteland. Maar ’s winters hebben we wat anders noodig. En wat zou er beter zijn dan lectuur?”
Opnieuw: het moest gedegen spul zijn:
“Boeken waarin oorlogs- en andere gruwelen worden verheerlijkt, roof-, moord- en verraad-romans, folterpaal-geschiedenissen (Aimard) zijn ongeschikt voor onze lezers, ja, voor alle lezers. Boeken waarvan het heet: ‘onttrekken aan het oog van vrouwen en dochters’ wenschen we evenmin. Men bedenke, dat er gezinnen zijn, waar ook de voor volwassenen bestemde boeken door kinderen gelezen of althans wel eens ingekeken worden.”
De ‘Reizende Volksbibliotheek’ van Bymholt en Juchter kende een werkwijze zoals Bymholt begin 1903 al min of meer had voorzien. Het Centrale Bureau in Amsterdam kocht de boeken, bond ze in, kaftte ze en voorzag ze van nummers, om er vervolgens bibliotheekjes van 100 boeken elk uit te vormen. In september of oktober kreeg iedere afdeling zo’n bibliotheekje in een kist toegestuurd met een catalogus, een reglement en een uitleenregister dat op 30 leesweken berekend was. Vaak werd er al reikhalzend naar uitgekeken.
Elke afdeling kende een beheerder, meestal een onderwijzer of predikant, die als vrijwilliger de boeken uitleende en de administratie bijhield. Voor boeken en administratie had die beheerder of bibliothecaris een speciaal houten boekenkastje in bruikleen van de ‘Reizende Bibliotheek’. Het hele winterseizoen bleef dezelfde collectie boeken in één plaats. Als in het voorjaar het werk op het land weer toenam, kwam er een eind aan het leesseizoen, en gingen de kisten met de boeken en de administratie weer terug naar het Centraal Bureau, dat de boeken restaureerde – vooral de meest gewilde waren nogal verfomfaaid – zodat ze nog weer een cyclus meekonden. In het volgende seizoen kreeg een afdeling dan een kist met andere boeken, zodat er elke winter wat anders te lezen viel.
De ‘Reizende Volksbibliotheek’ vroeg van haar gewone leden een jaarlijkse contributie van 50 cent per leesseizoen. Verder moesten de leden jaarlijks een leeskaart en een catalogus afnemen, tesamen 7,5 cent, terwijl het lenen ze 1 cent per boek per week kostte, het gebruikelijke tarief bij volksbibliotheken. In de winter van 1904/1905 bedienden de uiteindelijk twaalf plaatselijke afdelingen ongeveer 600 lezers, die samen ongeveer 6000 maal een boek leenden. Gemiddeld nam een lid dus tien boeken per leesseizoen af.
Van meet af aan kwamen die lezers uit alle lagen van de bevolking, van dagloner tot dominee leende boeken van de ‘Reizende Volksbibliotheek’. Het ging vooral om volwassen mannen, maar waarschijnlijk lazen veel vrouwen mee op de lidmaatschapskaart van een heer des huizes. Ook moeten er nogal opgeschoten jongens en meisjes lid geweest zijn. Bymholt vond in 1905 het effect van zijn instelling tenminste groter, dan dat van het herhalingsonderwijs, dat slechts door 12 à 15 leerlingen gevolgd werd in dorpen waar het reguliere lagere onderwijs 150 à 200 leerlingen telde. Jongens en meisjes die thuis bij het werk niet gemist konden worden, en dus niet naar dat vervolgonderwijs konden, mochten of wilden, hadden op een winteravond altijd nog wel een uurtje de tijd over om te lezen, aldus Bymholt.
In de winter van 1904/1905 beschikte de ‘Reizende Volksbibliotheek’ in totaal over ongeveer 1500 boeken. Ruim eenderde bestond uit fictie voor volwassenen (romans, novellen en verhalen), eenderde uit jeugdboeken, en slechts eenzesde uit non- fictie, vooral populaire wetenschap. De verdeelsleutel voor de boekenkisten was grosso modo dezelfde. Naar die populaire wetenschap bestond de eerste seizoenen echter maar bitter weinig vraag. Vooral historische romans waren gewild, terwijl ook ingebonden jaargangen van tijdschriften als Eigen Haard, De Aarde en hare Volken en Voor ’t Jonge Volkje gretig aftrek vonden. Dat laatste blad, en de boeken met verhalen voor jongeren, lazen ouderen ook wel graag. “De dikste boeken werden slechts met moeite doorworsteld, daar het meerendeel onzer lezers niet vlug leest”, berichtte een jaarverslag. Al met al genoot “aangename ontspannende lectuur” de voorkeur.
Met haar twaalf afdelingen zat de ‘Reizende Volksbibliotheek’ aan haar grens qua geld en menskracht. In 1907 viel het besluit dat de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen de hele vereniging zou overnemen, omdat het Nut er jaarlijks 2000 gulden bij ging leggen en er de organisatie voor had om het bibliotheeknetwerk landelijk uit te bouwen. Qua werkwijze met die kisten en kosten voor de lezer veranderde er niets. Wel wijzigde het Nut de naam van ‘Reizende Volksbibliotheek’ in ‘Reizende Bibliotheken’ en kwamen er vanaf najaar 1909 meer romans en meer jeugdwerken in de kist, zodat die twee categorieën samen driekwart van de leesaanbod gingen uitmaken. Bovendien voerde het Nut de nieuwigheid in, dat leden ook vaklitteratuur voor beroepsexamens konden bestellen, die het Centraal Bureau apart per post verstuurde.
Bij de jaarwisseling 1909/1910 had de ‘Reizende Bibliotheken’ 23 lezers in Wapserveen, en 46 lezers in Havelte (het getal voor Uffelte is niet bekend). Vergeleken bij de 83 Havelter lezers die anno 1903/04 boeken betrokken bij Bymholts filiaal valt dat getal van 1909/1910 nogal tegen. Kennelijk was het nieuwtje er van af. Wat betreft Havelte is ook bekend wat men daar in het najaar van 1909 leende. Bij de 303 uitleningen ging het in meer dan de helft van de gevallen om romans, ruim eenderde betrof werken voor de jeugd, en er kwam zegge en schrijve één enkel vakboek over uit het Centraal Bureau.
Najaar 1909 had ‘Reizende Bibliotheken’ 102 aanvragen voor bibliotheekjes binnengekregen, terwijl de Nutsclub over 45 kisten met 100 boeken beschikte. Ze moest dus nogal wat dorpen teleurstellen. Maar ze deed er toch wel alles aan om aan de behoefte tegemoet te komen. Het netwerk breidde zich razendsnel uit. Waren er in 1908 nog 25 afdelingen met gemiddeld 33 leden, in 1920 ging het al om 135 afdelingen met gemiddeld 49 leden. Nog steeds lazen die leden ongeveer tien boeken per winter. Omdat het Nut er dat laatste jaar 9000 gulden bij moest leggen, in plaats van de begrote 6000, wilde men een rijkssubsidie gaan aanvragen. Dat kon echter alleen als de organisatie onder de vleugels van het Nut vandaan kwam, en daarom werd ‘Reizende Bibliotheken’ dat jaar verzelfstandigd onder een nieuwe naam, de ‘Centrale Vereeniging voor Reizende Bibliotheken’.
Bymholt kon in 1922 uiterst tevreden terugkijken op de furore die zijn geesteskind had gemaakt. Het platteland was er rijp voor geweest:
“Een gelegenheid om voor een paar centen een boek ter lezing te kunnen krijgen moet daar wel als zeer welkom worden beschouwd. Zoo’n heelen langen winteravond over koetjes en kalfjes (in letterlijken zin vaak) te praten, gaat toch ook niet best. Gelukkig als er dan een boek bij de hand is.”
In zijn terugblik besteedde Bymholt lovende woorden aan de gemeente, waar het allemaal begon:
“Was het de gemeente Havelte waar de stoot is gegeven tot oprichting der R.B., nu ook schijnt men zich daar nogal voor deze zaak te interesseeren. Er zijn niet minder dan vier dorpen in deze gemeente (n.l. Havelte, Uffelte, Darp en Wapserveen) waar eene afdeeling van de R.B. is gevestigd, terwijl het gemeentebestuur eene subsidie geeft van ƒ 40 per jaar. Zeker een navolgenswaardig voorbeeld.”
VERTELLINKJES
Op dat moment was Bymholt allang uit Uffelte vertrokken, maar dankzij de boekenzendingen was hij daar wel een expert op het gebied van kinderlectuur geworden. In 1904, nog wel in Uffelte woonachtig, leverde hij een kritische beschouwing over dat onderwerp aan De Amsterdammer. Hij had zich altijd groen en geel geel geërgerd, schreef hij, aan bepaalde schoolboekjes en dan met name die met versjes en vertellinkjes over eenvoudige, maar o zo eerlijke armen, die gelukkig en weltevree in hun hutje op de hei woonden. “Hoe beklagenswaardig daarbij het lot van die ongelukkige villa bewoners”, schamperde Bymholt. “Maar als je van die arme hutten-kindertjes voor je op de schoolbanken hebt zitten en zoo’n tevredenheidspreekje in een schoolboek tegenkomt, dan gevoel je veel lust den auteur van het preekje eens ter verantwoording te roepen en duidelijk te onder het oog te brengen het stuitend onware van zijn geschrijf.” De auteurs van dat soort werk gingen er zijns inziens altijd voetstoots van uit dat hun lezertjes van gegoede komaf waren: “Ze schrijven wel over de arme kinderen, maar voor de rijkere. En toch, de meeste lezers zijn kinderen van armen, daar ze de meerderheid vormen”. Aldus Bymholt, die als goed anti-militarist ook nog even afgaf op sommige wel erg nationalistische en bloeddorstige geschiedenisboekjes, zoals De Bloemruiker, een bundel versjes die onder meer deze strofe over de slag bij Waterloo bevatte:
“Gesneuveld, gesneuveld
Besmeurd met bloed en slijk
Maar roepende Victorie
Geleund op vijands lijk”
Bymholt wilde dat soort poëmen graag vervangen zien door “enkel gedichten waaruit spreekt edel en rein gevoel”. Gelukkig wist hij ook enkele goede voorbeelden van kinderlectuur, zoals Oude en nieuwe kennissen van C. van der Hucht. “Ik heb uit dezen bundel heel wat aan de leerlingen mijner klasse verteld”, aldus de Uffelter onderwijzer, “deze vertellingen vielen bij de kinderen zeer in de smaak”. Ook Een levenslustig Troepje van mevrouw E. de Pressensé kon zijn goedkeuring wegdragen: “De hoge zedelijke strekking van dit heerlijke kinderboek doet het toch niet vervelend worden. Integendeel, het is zoo boeiend geschreven, dat kinderen en volwassenen het met genot zullen lezen.” Het werk van de feministe Nellie van Kol daarentegen, waardeerde hij wat minder. Sommige van haar verhalen in Ons Blaadje, een wekelijks uitkomend periodiek, bevielen hem, maar Nellie meende via haar kinderlectuur ook haar standpunten over de vrouwenemancipatie uit te moeten dragen, en dat pruimde hij niet.

Was Berend Bymholt, getuige zijn inzameling van boeken, een succesvol werver voor collectieve fondsen, ook de individuele filantropie schuwde hij niet. Zo kuierde hij op een mooie septemberzondag in 1905 weer eens met zijn vrouw in de omgeving van Uffelte. “Te bewandelen de slangewegen van deze schilderachtige streek is op zichzelf reeds een genot”, rapporteerde hij in De Amsterdammer, “te meer op zoo’n heerlijke najaarsdag, nu de natuur allerlei herfsttinten heeft aangenomen. Telkens weer wezen we elkander op een leuk wegje hier, een aardige inkijk daar, op tal van mooi gelegen huisjes.” Doel van de wandeling was uiteindelijk het huisje van de 75 jaar oude weduwe B., een onderkomen dat sterk doet denken aan het Busselter stulpje dat Bymholt twee jaar eerder beschreef:
“De voorgevel bestaat uit enkele oude grijze planken, waarin twee kleine raampjes bevat. De achtergevel is er vrijwel aan gelijk. Alleen zijn hier geene raampjes te vinden, maar wel de deur. Voor we binnentreden slaan we nog een blik op het strooien dak. De beide dakhelften loopen tot den grond door, zijgevels zijn er niet.
Binnengetreden merken we, dat het hutje uit twee gedeelten bestaat: achter een ruimte voor de geit, de voor de plattelander onmisbare geit en voor brandstoffen en dergelijke; voor het hokje waar de oude vrouw woont. Terwijl zij ons het een en ander vertelt van haar armelijke leven, zien we eens rond. En nu ontdekken we zijwanden, al ontbreken ook zijgevels. Het hutje is in den grond gegraven, het is eigenlijk een met een dak bedekte kuil, de zijwanden worden gevormd door de wanden van den kuil, bestaan dus uit aarde.”
Onwillekeurig zat de Uffelter onderwijzer almaar naar die bruine aarden wandjes te staren. Aan de inboedel van de weduwe B. viel dan ook niet veel kijkplezier te ontlenen. Een paar stoelen, een tafeltje, een kastje, een kacheltje en wat potjes en pannetjes op een plank, “alles oud en verleefd”, daarmee was het wel opgesomd. Terwijl het oude besje over armoe, ziekte en ellende vertelde, stond haar geit voor de raampjes te grazen. “Een eigenaardig gezicht door die kleine ruitjes”, vond Bymholt, “je zoo op gelijke hoogte te zien met den grasbodem”. Die geit, vertelde de gastvrouw, moest ze jammer genoeg eerdaags verkopen, omdat ze geen geld meer voor winterhooi had. Ook ontbrak het haar aan geld om het lekkende dak te laten repareren. Hoewel ze die middag van haar zeven aardappels maar de helft opat, en maar liefst veertien dagen over een pond schapevet deed, kwam ze toch niet rond van haar uitkerinkje, verstrekt door het Havelter armbestuur. Tenminste niet als ze ook nog die wintervoorraad hooi en een dicht dak wilde. Om een lang verhaal kort te maken, meester Bymholt klom weer eens in de pen voor een oproep in De Amsterdammer:
“Mochten er vriendelijke lezers zijn die een kleinigheid willen geven voor de oude vrouw, dan worden ze verzocht het aan mijn adres op te zenden. Slechts eenige guldens zijn er noodig en de geit hoeft niet verkocht en het hutje kan gedekt worden”.
Deze oproep verscheen op 29 oktober 1905 in de ingezonden brievenrubriek van De Amsterdammer. Tien dagen later had Bymholt al meer dan 400 gulden binnen. Zelfs kinderspaarpotten waren er voor geleegd. “Mijn verzoek om steun voor het oude vrouwtje”, constateerde Bymholt tevreden, “is niet vergeefs geweest.” Er was veel meer binnengekomen dan waarop hij gehoopt had. Naast een wintervoorraad hooi voor de geit en een nieuw dak voor het hutje, ging Bymholt nu zorgen voor wat kleren, een paar dekens en brandstof, en dan resteerde nog steeds een flink bedrag om het besje “eenigen tijd wekelijks een kleine ondersteuning te verstrekken, tot vergrooting van het bedragje dat zij van het armbestuur ontvangt”. Voor het fondsbeheer en het weekgeld wilde Bymholt een steuncommissie en de Havelters G. Timmer en J. de Jonge had hij al benaderd om die met hem te vormen.
Niet iedereen applaudiseerde trouwens voor deze bedelactie, want De Amsterdammer plaatste ook een ingezonden brief van ene Perio, die sneerde:
“Aangenaam is de indruk, die men krijgt bij het zien van ’t succes, dat goede harten verwerven, als zij voor dezen of genen ’n beroep doen op anderer warmhartigheid. (…) Maar (…) ik vraag u Nederlanders, hoevele oude vrouwtjes, hoevele oude vadertjes verkeerende in dezelfde omstandigheden als ’t moedertje van Havelte, ontmoeten geen Bymholt op hun weg?”
Dat moesten er inderdaad tienduizenden zijn. Perio gispte vervolgens niet Bymholt, maar de confessionele en liberale politici die er nog steeds niet in waren geslaagd om een algemeen ouderdomspensioen van de grond te tillen, waarmee Nederland qua wetgeving “schandelijk” op andere landen achterliep. Perio gunde Bymholt de “heerlijke rust, die een goede daad geeft”, maar had liever een wet, die alle ouderen het recht gaf op een dak boven het hoofd, warmte in de winter, een bed, en voldoende kleding en voedsel. “Zou onze Gemeenschap, onze Maatschappij daartoe niet bij machte zijn? Wie dat zegt, schame zich!”
Ik denk niet dat Bymholt het oneens was met de strekking van die brief.
In Uffelte ontwikkelde Berend Bymholt zich van een atheïstische anarchist tot een religieus socialist. Ook begon hij er, in 1902, te schilderen. Uit zijn teksten voor De Amsterdammer leren we hem kennen als een bevlogen, maar ook wel eens als een tikkie hoogdravend mens. Bovendien was hij wat eenzelvig en verlegen, een binnenvetter zeg maar, en met zijn zachte stem ook niet echt een overtuigende spreker. Je vraagt je af hoe de Uffelter gemeenschap tegen hem aankeek. In elk geval ging het op school niet goed met hem. Wellicht dat hij daarom ook zo graag in de natuur vertoefde, wat hij in De Amsterdammer eens “goed” noemde “voor het moede lijf, goed ook voor het afgepeinste hoofd en het bekommerde hart”. In 1906 kreeg hij op zijn eigen verzoek al eens een maand ziekteverlof, maar dat mocht de weerzin tegen zijn werk niet wegnemen, en toen er ook nog eens klachten over zijn manier van lesgeven kwamen, vroeg hij om ontslag, wat de gemeente hem dadelijk verleende “wegens lichaamsgebreken”.
Dat was in 1908. Twaalf jaar lang had Bymholt dus als onderwijzer in Uffelte gestaan. Zijn eerste echte baan in het onderwijs was meteen de laatste. Hij en zijn vrouw verhuisden naar Amsterdam, waar hij na de zomer van dat jaar optekende:
“Vroeger woonde ik in Drente, jaren lang. En telkens en telkens weer heb ik mij gelukkig gevoeld als ik zag naar de eenvoudige, sobere mooiheid van deze pracht-provincie. Naar de wijde heiden met verre horizonten, naar de nederige dorpjes. Als ’s avonds de ondergaande zon de huisjes en paadjes en boschjes zet in een vreemden, droomerigen lichtschijn, en als je dan de weinige menschen ziet met hun kalmen gang en kalme gebaren, kan er zoo’n gevoel van rust over je komen, van een mooi-zachte rust, alsof je neerzat en over je liet komen de bekoring van een oud sprookje.”
In het heel wat hectischer Amsterdam werd hij weldra lid van de SDAP. Na een tijd van los werk en sappelen, kreeg hij een vaste baan als corrector bij het Rotterdamse sociaal-democratische blad Voorwaarts. Hij was precies de Pietje Precies die ze bij zo’n krant nodig hadden. Ook exposeerde en leurde hij met zijn schilderijen, zonder succes, en naar het zich laat aanzien is er van dat werk ook niets bewaard.
Op zijn oude dag moest Bymholt de Hongerwinter nog meemaken in Amsterdam. In 1947 overleed hij daar, vergeten en in behoeftige omstandigheden. Zijn vrouw overleefde hem slechts enkele maanden. Kinderen lieten ze niet na.
Over de verhouding tussen meester Bymholt en de Uffelter bevolking is er wellicht nog het een en ander te vinden in de archieven van de gemeente Havelte en de onderwijsinspectie. Zo blijft bijvoorbeeld de vraag open, of de gemeente Havelte zich er in 1896 van bewust was dat ze zich een anarchist als onderwijzer in huis haalde en zo ja, hoe men daar dan mee omging. In dit stuk heb ik me tot Bymholts’ bijdragen aan De Amsterdammer en zijn bibliotheekwerk willen beperken, en kwam ik dus aan zulke vragen niet toe. Evenmin heb ik de artikelen gezien, die Bymholt schreef voor bladen als Vragen van den dag, De Samenleving, De Nieuwe Gids, De Sollicitant, Nederland, Levensrecht en De Meppeler Courant. Mogelijk bevatten die bladen en nog vele andere eveneens nog passages van Bymholt over Zuidwest-Drenthe. Misschien dat iemand zijn zeer verspreide oeuvre eens bijeen kan garen? Er zit zeker een aardig boek in!
NB: Eerder verschenen in Onsen Spieker 2004/3. Geannoteerde versie op aanvraag verkrijgbaar.

Voor een vervolg zie: Meester Bymholt over Darp als huttendorp.
Bach-reconstructie slaat plank mis qua teint
Geplaatst op: 27 februari 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Van Bach zijn bekkeneel was er nog een afgietsel. En nou bedachten ze, dat daar maar eens wat spieren en vlees tegenaan geplakt moesten worden.
Op zich is de poging geslaagd. Tenminste, het resulterende gezicht heeft veel weg van een bekend portret. Maar waarom moet de man er in hemelsnaam zo gebruind uitzien? Het lijkt verdorie wel de een of andere zeezeiler. Terwijl achttiende-eeuwers helemaal niet van een zongebrande huid hielden. Het waren volstrekte bleekneuzen, uit principe. Als je je het even kon veroorloven, liep je niet in de zon. En had je een hoed op, als je je er toch aan moest blootstellen.
‘Een Germaan, daar heb je wat aan!’
Geplaatst op: 19 februari 2008 Hoort bij: Geschiedenis 6 reacties
Deze fietsenfabriek stond in Meppel aan het spoor, niet ver van het station. Met de bus kwam ik vaak langs de grauwe gebouwen, en het bedrijf maakte reclame met de slogan: ‘Een Germaan, daar heb je wat aan!’ Neemt niet weg dat het eind jaren zestig dichtging, wat nogal een klap was. Tegenwoordig bevindt zich op de lokatie een viaduct.
Ik vond het plaatje in de rijwielhistorische collectie van Letterlust. Daarin zitten ook ettelijke Groninger memorabilia. Zoals een foto van de aannemer R. Zeeff uit Eenrum, die omstreeks 1880 al een velocipède bereed, en een soortgelijke prent van diens collega Lantinga uit Stedum. Verder advertenties van het dure Groninger merk Fongers, de Winschoter fabriek Gruno (“Lichtloopend, betrouwbaar”), de fa. Cremer aan het Damsterdiep en de fa. SA Cloetingh aan het Schuitendiep in Groningen
Letterlust blijkt de kleinzoon van de drievoudig Nederlands kampioen wielrennen Frits Wiersma. Over zijn grootvader schrijft hij een weblog. Ik heb zo’n vermoeden dat hij de plaatjes van zijn grootvader erfde.
‘In de misdadige hope van omwenteling’ (1799)
Geplaatst op: 7 februari 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
De brief bevat een prachtige taxatie van de politieke stemming op dat moment in het Oldambt. Hij werd op 22 juli 1799 verzonden door ds. Johannes Mensinga, de stokoude predikant van Meeden, maar dan in zijn rol van voorzitter van het Plaatselijke Bestuur. Want ook in het Oldambt speelden predikanten een belangrijke rol in de patriottenbeweging.
Die Plaatselijke Besturen, de eerste, nog patriotse gemeeentebesturen, waren in het Oldambt niet bepaald geliefd, zo blijkt uit Mensinga’s brief. Populair waren evenmin de grondvergaderingen, waarin de patriotse burgers hun keuzes bepaalden. Velen durfden niet eens zo’n stemgerecht burger te worden, zo Orangistisch was de heersende opinie in het Oldambt. Daar weigerde men een buitengewone belasting te betalen en vervloekte men de burgerwapening, een soort van dienstplicht. Mensinga was bang dat de vlam in de pan zou slaan en vroeg het Departementaal Bestuur in Leeuwarden om de overkomst van een klein detachement soldaten, dat de lokale gemoederen vrees in moest jagen.
Hier zijn taxatie:
“Dat het alom bekend is, hoezeer men in ’t algemeen alom in het Oldamt, als deeze plaats in ’t bijzonder, zeer verbittert en tegenkantig is tegens de tegenswoordige Regering en orde van zaaken. Zodat wist men eenigen weg en durvde men die ondernemen tot omkering van zaaken op heeden, men an morgen niet zou wagten. En des de plaatselijke Bestuuren niet alleen dodelijk gehaat zijn, en zoo veel mogelijk is, en men durft en kan tegenloopt, en konde men dezelve alsmeede ook de grondvergaderingen heden uit den weg krijgen, niet zou nalaten. Gelijk ook vele zijn die uit vreze hunner nering te verliezen geen Burgers durven worden, of in de grondvergaderingen compareren.
Dat men ook hier met allerleye gerugten en uitstrooisels elkanderen stijft, en al lange gestijft heeft, in de misdadige hope van omwenteling met een 8 à 14 dagen à 3 weeken te wagten. En daardoor desgelijks ook in wanwilligheid en agterblijven in de betaling des Extra-ordinaire geldheffingen, onder allerleije uitvlugten en voorwendzels, en zelfs alsof men wegen de menigte der agtergebleven, de boete nooit zou konnen en durven executeren.
Dat wij wel tot nog toe niemand wegens openbare misbedrijven en bandeloze daden van oproerigheden of aanstokerijen konnen en durven beschuldigen, het evenwel openbaar is dat de gemoederen zo alom als hier vrij heet en onvergenoegd zijn. Zoo wegens de boeten, die men thans hoort dat zonder conniventie (= oogluiking, HP) zullen geheven worden wegens de onbetaalde termijnen van geldheffingen eeven vermeld, alsmede ook inzonderheid wegens de opschrijving der Ingezetenen tot de bij elk gevloekte Burgerwapening, eeven als of alle ouders haar kinderen gezamentlijk tot buitenlands soldatendienst, en tot een onvermijdelijke slagtbank moest opbrengen, gelijk men elkander wijs maakt en daartegen opzet en woedend maakt. Zoodat wij niet ontveinsen konnen, neffens veelen niet te zijn zonder vrij wat vrese en bekommering van gevaar van oproer, wanneer eens een of ander booswigt of dronken bolle in gelegenheeden van volksverzamelingen, als bij verkopingen etc. – daar ook elk nog al zijn deel van de drank neemt, en gelegenheden van instigatie daartoe zijn – losgelaten wierd, tot zulke wanbedrijven of ophitzing van reeds zeer verhitte en verbitterde, ja woedende gemoederen, zoodat wij met alle onze attentie en waakzaamheid daarvoor niet reponderen konnen.”
Befaamd etiquetteboek volledig online
Geplaatst op: 3 februari 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenFascinerend geschrift, dat Hoe hoort het eigenlijk? van Amy Groskamp-Ten Have. Sinds eergisteren is de vierde editie van 1940 in de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren (DBNL) opgenomen, en ik heb er urenlang in zitten grasduinen.
Je kunt er wel uit blijven citeren. Maar dat zal ik maar niet doen. Immers:
“Voor echte beschaving geldt: In de beperking toont zich de meester.”
Veel aanbevelingen van mevrouw Groskamp zijn ook wel erg gedateeerd. Wist u bijvoorbeeld dat er voor de oorlog in hotels en restaurants beroepsdansers aanwezig waren? Indien een dame met zo’n man wenste te dansen, moest zij hem na na afloop discreet een geldstuk in de hand zien te drukken. “Dit kan nooit minder dan ƒ1.- zijn”, aldus mevrouw Groskamp.
Voorbij, voorgoed voorbij is ook het aanzoek doen bij de vader van een beminde. Dat bleek een aangelegenheid waarvoor je ruim de tijd diende te nemen:
“Mijnheer zegt hij, ik ben gekomen om Uw toestemming te vragen om mij met Marietje te mogen verloven. Ik begrijp, dat U natuurlijk graag alles van mij en mijn familie en mijn omstandigheden wilt afweten.
De jonge man somt op: Namen zoowel van vaderszijde als van moederszijde van grootouders en ouders, beroep van vader en grootvader benevens de mogelijk in zijn familie voorkomende algemeen bekende persoonlijkheden. Voorts: zijn leeftijd, gezondheid, godsdienst, opleiding, evt. studie, diploma’s, betrekking, verdiensten, vooruitzichten en eenige namen van te goeder naam en faam bekend staande lieden, die bereid zouden zijn referenties omtrent hem te verstrekken.”
Het hoofdstuk dat mevrouw Groskamp aan de beletiquette wijdt, bezorgde me een fijne déja vu. Mijn ouders hadden rond 1960 namelijk als enige een telefoon in de straat en de buren kwamen dus bij ons telefoneren:
“Zij, die geen telefoon bezitten en voor het gebruik maken zijn aangewezen op welwillende buren, behooren hun aandeel in de kosten te betalen en als de buren daarvan niet willen hooren eischt de wellevendheid, dat zij door het zenden van bloemen met Kerstmis of een eetbaar geschenk met Sint-Nicolaas of door het bewijzen van een of andere beleefdheid, iets vergoeden.”
Dat gebeurde ook werkelijk. Tot de verzakelijking toesloeg en er om reden een tikker naast de telefoon kwam te hangen. Die tikkers bestaan inmiddels ook al niet meer, dacht ik.
Toch staan er naast veel obsolete ouderwetsigheden ook enige zaken in de Groskamp – ten Have, waarvan je het betreuren kunt dat ze zo erg in vergetelheid zijn geraakt. Knikken we elkaar bijvoorbeeld nog toe in de trein? Voor mij zou dat wel weer wat meer usance mogen worden. Zoals men ook Groskamps’ waarschuwing tegen zich vervelende kinderen wel weer ter harte zou mogen nemen:
“Zij, die met kinderen reizen dienen er voor te zorgen dat er voor de kleinen voldoende afleiding in den vorm van boeken, spelletjes, puzzles e.d. wordt meegenomen op een lange reis, daar men van kinderen onder de 12 jaar niet kan verwachten, dat zij urenlang stil zitten kunnen zonder veel te zeggen.”
Haast is lelijk, en de desbetreffende paragraaf bij Groskamp doet je weer eens beseffen hoe lelijk de wereld in dit opzicht geworden is. Ook haar hoofdstukje over sensatie snijdt nog zeker wel hout:
“Sensatie is een ander woord voor opzien, opschudding, verwondering en de zucht naar sensatie, die in onzen tijd bedenkelijke vormen begint aan te nemen, is de honger naar het buitennissige, het ongemeene, het erge, het hevige, dat men tracht te vervangen door het opblazen van onbenulligheden tot schrikkelijke gebeurtenissen.
De zucht naar overdrijving, die aan deze onpleizierige eigenschap ten grondslag ligt is allen beschaafde lieden vreemd: Rustig en weloverwogen zullen zij huns weegs gaan zonder zich in welk opzicht ook aan grove overdrijving, aan het verspreiden van alarmeerende berichten of het aanwakkeren van vreesaanjagende berichten schuldig te maken.
Het strijdt tegen de etiquette zich te verlustigen in schandaaltjes, kletspraatjes, kwaadsprekerijen, schande en ongeluk van derden. Beschaafde lieden houden zich niet bezig met dergelijke onderwerpen, omdat zij beter en belangwekkender onderwerpen hebben om over te praten.”
Betovergrootmoeder van Eije Wijkstra blijkt slachtoffer van moord
Geplaatst op: 3 februari 2008 Hoort bij: Geschiedenis 3 reactiesJan Blaauw sr. ontdekte dat de betovergrootmoeder van Eije Wijkstra, de man die begin 1929 vier veldwachters doodschoot in Doezum, ruim een eeuw eerder vermoord werd in Zuidhorn. Daarbij vraag je je af of dat verhaal ook in zijn familie is blijven hangen.
Pieter Jelles
Geplaatst op: 30 januari 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsenJohan Steendam, een medewerker van het Tresoar in Leeuwarden, heeft vandaag opnames van Pieter Jelles Troelstra op YouTube gepost. De socialistenleider komt hierin wat relaxter over dan op de foto’s die we van hem hebben. Maar wellicht komt dat ook, doordat hij zich al teruggetrokken had uit de directe politiek. De toegevoegde beelden uit mei 1930 van zijn begrafenis, ik kon er niets aan doen, bezorgden me hevige kippevel:
Beeldbank kastelen online
Geplaatst op: 29 januari 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen
Huize Hemmen, waar Burgerhart nog gewoond heeft, had blijkbaar ooit een verhoogde ingang. Deze duidt er misschien op dat het huis ooit in staat van verdediging kon worden gebracht. Tegenwoordig is de entree fijn gelijkvloers.
De foto vond ik op de site van de landelijke Kastelenstichting, die onder het kopje Beeldbank al haar foto’s en andere documentatie online zet. Hier is de pagina van de provincie Groningen.
Winterse berichtjes uit de Winschoter Courant
Geplaatst op: 27 januari 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen(30 januari 1895) Vinders en ijsbloemen in Bellingwolde:

(1 februari 1895) Ooievaars bij min tien in Drenthe:

(1 februari 1895) Een vastgevroren tong in Onstwedde:

(15 februari 1895) Een dure schaatstraditie in Musselkanaal:

Zwierige degelijkheid
Geplaatst op: 24 januari 2008 Hoort bij: Geschiedenis Een reactie plaatsen“Mooi is al dadelijk dat Groningsche station, degelijk en breed, van rood, gebakken steen. Breed en degelijk lijkt op het eerste gezicht de heele plaats, maar een stemmige zwierige degelijkheid. Je ziet er veel bloemen tusschen het groen van tuinen. Een stil voorname elegantie van welvarende provincieplaats. Zoo ook de oude stad met de oude grijze gevels en de groote, wel heel uitgestrekte markt heen.”
Aldus H. van Loon in ‘Van Hei- en Bouwland‘, een reisreportage over een voettocht van Groningen naar Assen. Deze wandeling vond plaats in de bloedhete augustusmaand van 1904, maar Van Loons’ lyrische sfeerverhaal in overladen Tachtigersstijl stond pas twee jaar later in de Elsevier. De verleiding is groot om er nog meer uit te citeren, bijvoorbeeld de waarderende passage over het zingende Gronings accent, maar ach, je kunt het ook zelf wel nalezen in het nieuwe digtale archief van Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift (1891-1940). Dus waarom zou ik dan nog de moeite doen?
De mollenvanger
Geplaatst op: 23 januari 2008 Hoort bij: De actuele wereld, Geschiedenis Een reactie plaatsenAkker, border, vliegveld of dijk,
allemaal zijn ze mollen rijk;
en als u vindt: zo kan dat niet langer,
bestelt u een flinke mollenvanger.
Klemmen brengt zo’n man met zich mee
en een groot mes, met het idee
om de ritten open te snijden.
Zijn klem beweert hij, laat ze niet lijden.
Worm en larf, emelt en slak
vreten zich te pletter.
Hun gedikkedak laat landouwen verleppen.
De mollenvanger zet u een hak.



Recente reacties