Onrustig Finsterwolde (1870-1930)

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Omstreeks 1870 had de gemeente Finsterwolde met haar 2300 inwoners één veldwachter, drie politiebedienden en twee nachtwachten. Alleen de veldwachter ontving een tractement, van 250 gulden per jaar. De politiebedienden, vooral wegwerkers die op verkeersveiligheid moesten letten, en de nachtwachten verdienden niets, behalve misschien een douceur. In totaal kostte de politie slechts een 300, 350 gulden per jaar, een bedrag dat de gemeente voorschoot en via een hoofdelijke omslag weer bij de ingezetenen inde.

Medio de jaren 1870 stelde de gemeente Finsterwolde H.J. Lier als veldwachter aan op een verhoogd salaris van 400 gulden per jaar. Over hem geen klachten in de gemeentelijke jaarverslagen, integendeel: “De dienstijver en het gedrag van den veldwachter zijn onberispelijk” (1881), “de dienst wordt getrouw waargenomen” (1884) en “orde en veiligheid laten niets te wensen over” (1886). Weliswaar kwam er in 1888 op verzoek van enige ingezetenen een nieuwe onbezoldigde rijksveldwachter, die vooral op jachtovertredingen en dieverijen van gras, veldgewassen, groente en fruit moest  gaan letten, maar om een uitbreiding van het corps ging het niet. Doordat een van de andere onbezoldigde politiebedienden tegelijkertijd naar Midwolda vertrok, bleef het op gelijke sterkte.

Ook in 1889 heet de algemene toestand in Finsterwolde nog “gunstig”. Maar over 1890 tapt het gemeenteverslag uit een ander vaatje. De winter duurde extra lang en werkloze landarbeiders konden in het voorjaar pas veel later dan gewoonlijk weer aan het werk. Naar hun zin kregen ze te weinig steun van het gemeentelijk armbestuur, dat elke winter bij wijze van werkverschaffing een keienklopperij organiseerde:

“Toen een 40-Tal arbeider op den 1 Maart 1890 dreigend optrad tegen 4 Raadsleden, die van het werkhuis, na gedane keislag-opmeting, huiswaarts wilden keeren, maar daarin door de arbeiders werden belet, is het noodig geacht, tot handhaving van orde en rust gedurende eenige tijd de hulp van de Marechaussee in te roepen. Ook de Rijks Politie verrichtte in de eerste dagen van Maart hier haren dienst. De rust is daarna bewaard gebleven.”

Dat zegt de gemeente bij haar ‘algemeene opmerkingen omtrent den dienst’. En onder het hoofdje ‘maatregelen van de politie en algemeene toestand’ staat te lezen:

“Bij volksvergaderingen, die nu en dan gehouden worden en waar soms socialistische leiders het woord voeren, wordt de politie uit voorzorg versterkt.”

Zinsneden als de laatste blijven nog jarenlang in de verslagen staan. Op 22 oktober 1892 besloot de gemeenteraad een tweede veldwachter aan te stellen, een H.P. Hommes uit Bellingwolde, ook op een tractement van 400 gulden met uniform. In de beoordeling van de eerste veldwachter klinkt dan door dat Lier de ordehandhaving niet helemaal aankon:

“Voor zover een gemeenteveldwachter in staat kan geacht worden hierin te voorzien, mag gezegd worden dat de politiedienst naar tevredenheid plaats vond.
In de loop van het jaar namen de baldadigheden en brutaliteiten, op verschillende wijze geuit, gepleegd van de zijde der socialisten, langzamerhand zulke breede afmetingen aan, dat de politiemacht al meer en meer bleek niet sterk genoeg te zijn.”

In december 1892 liep de boel uit de hand. Volgens de Leeuwarder Courant werden bij notaris Koning, dominee Niemeijer en andere prominente ingezetenen de glazen ingegooid “en revolverschoten naar binnen gelost”, zodat op enkele plaatsen de kogels in de wanden zaten. De twee aanwezige marechaussees konden niets uitrichten. Mensen liepen de paarden achterna, “het volk dreigde met hooivorken en rieken”. Heel Oost-Groningen, maar vooral het Oldambt was onrustig, en Finsterwolde gold als brandhaard. In de Tweede Kamer eiste het Oldambster boerenlid Tijdens maatregelen tegen de “baldadigheden” die “ten koste van de persoonlijke vrijheid” gingen, en op verzoek van de burgemeesters en de commissaris van de koningin werden er inderdaad honderd huzaren naar Oost-Groningen gestuurd, waardoor het vrij gauw rustig werd, “uit respect voor de bajonetten”. Het gemeenteverslag van Finsterwolde:

“De troeblen in de laatste maanden dezes jaars waren aanleiding dat den 17 December 1892 alhier 17 huzaren ter handhaving van orde en veiligheid tijdelijk werden gedetacheerd. behalve dit detachement werd de politie nog versterkt door 4 marechaussees en 6 rijksveldwachters. Orde en rust keerden hierop terug en de gemoederen kwamen, althans in schijn, weer tot kalmte.”

Die huzaren vertrokken begin 1893 weer. “Het detachement marechaussee evenwel”, zegt het gemeenteverslag,

“bleef en zulks zeer terecht, voor de gemeente behouden. In den loop van het jaar werd het tot eene tijdelijke brigade verheven en kreeg een eigen verblijf door de inrichting van het huis bewoond door den brievengaarder Kramer / eigenaar mr. AH Koning, tot tijdelijke kazerne.”

Die verbouwing deed, zoals gezegd, mijn overgrootvader Lindeman, als laagst inschrijvende aannemer.

Marechaussees en politie trokken steeds gezamenlijk op:

“Bij de meeting van de socialisten in ’t laatst van Augustus en bij socialistische vergaderingen in het hotel Hommes waren marechaussees en gemeentepolitie telkens in voldoende sterkte tegenwoordig, hielden een wakend oog gedurende deze bijeenkomsten en zorgden voor orde en veiligheid na den afloop ervan.”

Zo rustig werd het, dat de gemeente geen opvolger benoemde voor veldwachter Hommes, toen die naar Stedum vertrok:

“Het corps marechaussee werkte, naar algemeen erkend wordt, zeer ten goede. het flinke optreden der manschappen boezemt ontzag in.”

En:

“Het houden dezer vergaderingen in het hotel Hommes ging gedurende het geheele jaar geregeld door. Socialistische meetings (in de open lucht HP) werden niet gehouden. De algemeene toestand was, dankzij vooral het corps marechaussee, uitstekend te noemen.”

Nog jaren staan er soortgelijke loftuitingen aan de marechaussee in de gemeenteverslagen van Finsterwolde. In 1895, na de splitsing in de socialistische gelederen in een parlementair en een anarchistisch deel, leek de agitatie te luwen. De vergaderingen in hotel Hommes heten dan “minder talrijk” en “minder druk bezocht”. Steeds was er marechaussee en politie bij, en de algemene toestand noemt de gemeente “zeer bevredigend”

Vanaf 1902 was er naast de twee bezoldigde gemeenteveldwachters nog maar één onbezoldigde politiebediende. De oudste gemeenteveldwachter H.J. Lier verkreeg op 1 november 1907 op eigen verzoek ontslag, na veertig jaar dienst, waarvan 31 in Finsterwolde. Een agent uit de stad, J. Duut, volgde hem op.

Op de Dag van de Arbeid van dat jaar brak er een grote werkstaking uit, waaraan in Finsterwolde wel 400 landarbeiders meededen, en later ook de bij de boerderijen inwonende knechten en meiden. Het gemeenteverslag:

“Bij het uitbreken op 1 Mei 1907 van eene werkstaking van nagenoeg alle landbouwarbeiders in deze gemeente, welke staking zich later nog tot enkele andere arbeiders en tot de dienstboden van landbouwers uitbreidde, en tot 21 Juni 1907 bleef voortduren, bleek spoedig versterking van de politiemacht noodig, althans gewenscht te zijn. Deze versterking, bestaande uit 7 bereden marechaussees, werd bij het beëindigen der staking terstond weder opgeheven. De algemeene toestand bleef gelukkig algemeen vrij kalm en ordelijk.”

Twee jaar nadien, in 1909, opnieuw iets bijzonders:

“In maart 1909 kwamen er onder de veldarbeiders tijdens werkeloosheid, als gevolg van langdurig winterweer, oproerige bewegingen voor, met verzet tegen en bedreiging van het gezag. Dit maakte versterking van de politiemacht noodzakelijk vanaf 9 Maart. Nadat op 10 Maart mede ernstig verzet tegen de politie werd gepleegd, werd meerdere en langdurige versterking gevraagd en verkregen. De versterking bestaande uit eenige bereden Marechaussee werd op 26 Maart d.a.v. weder opgeheven. Daarna bleef de toestand weder vrij kalm en ordelijk.”

In 1910 ging veldwachter Duut in salaris omhoog van 450 naar 500 gulden per jaar. “Voor kleding, wapening en onderhoud van een rijwiel wordt ƒ 80,- per jaar toegekend.” Duut was tevens gemeentebode voor 50 gulden per jaar en enige emolumenten. Wegwerker H. Modderman, formeel onbezoldigd assistent, kreeg voor het nu en dan bijstaan bij politiediensten bovendien 25 gulden per jaar.

Nog steeds ontvangt de marechaussee dan jaarlijks het standaardpluimpje in het gemeenteverslag. In 1914, toen in augustus de Eerste Wereldoorlog uitbrak, en die marechaussees waarschijnlijk elders nodig waren, zegt het gemeenteverslag echter:

“In verband met de buitengewone tijdsomstandigheden werd alhier een burgerwacht in het leven geroepen, voorzien van een aanstelling als onbezoldigd gemeenteveldwachter, bestaande uit 17 personen. gedurende september, october en november (ged.) werd geregeld dienst gedaan, doch na dien tijd niet meer.”

Nog jarenlang, tot begin jaren twintig, blijft het gemeenteverslag deze burgerwacht noemen, zij het dat zijn diensten “niet werden gevorderd”, zelfs niet in 1916:

“Tijdens eene werkstaking onder de landarbeiders van 2 Maart – 2 April werd de politie in deze gemeente aanwezig versterkt met een 4-tal bereden marechaussees. Voormelde staking koste de gemeente ruim ƒ 100,-“

Na de Eerste Wereldoorlog verdiende Duut opeens 1950 gulden per jaar, met 200 voor kleding en wapening. De enige bijzonderheid die gemeenteverslagen dan nog op het politiepunt noemen is de grote landarbeidersstaking van 1929, waarbij in Finsterwolde een dode viel:

“In verband met de staking in het landbouwbedrijf werden d.d. 29 Mei 1929 politievoorschriften afgekondigd (verbod van samenscholing) welke in de Raadsvergadering van 8 Juli d.a.v. werden bekrachtigd. Voormelde politievoorschriften werden d.d. 14 Oct. weder ingetrokken waarna de algemeene toestand volkomen rustig was.”

KORTOM:
In 1890 en 1892 kon de plaatselijke politie van Finsterwolde de orde niet meer handhaven, en moest er militaire bijstand van buiten de gemeente komen. Vanaf 1892 bleef de marechaussee nog jarenlang aanwezig in de gemeente. Desondanks was er in 1907, 1909, 1916 en 1929 opnieuw militaire bijstand van buiten de gemeente nodig, voor het bewaren van orde en rust.

ZIE OOK:
De kroniek die Piet Remeijer uit verspreide krantenberichten samenstelde

VOORNAAMSTE BRON HIER:
De gemeenteverslagen van Finsterwolde staan net als alle andere gemeenteverslagen van Groninger gemeenten uit de periode 1851 – 1936 sinds kort hier gescand op het web.
De procedure is als volgt: plusje openklikken, men krijgt dan de lijst met Groninger gemeenten. Plusje voor gemeente naar keuze openklikken, volgt lijst met jaarverslagen. Een symbooltje met het verneukeratieve enkelvoudige woord afbeelding geeft dan toegang tot geheel gescande verslagen. Wil men deze door kunnen bladeren met de pijltjestoetsen boven, of met de nummers in het rolmenu ernaast, dan moet men de eigen bookmarks even uitschakelen, want zolang men die in het venster heeft staan, blijven de pijltjes ‘doof’. Helaas staan de jaarverslagen in bundels van vijf op het web, zodat het bij het bladeren met de pijltjestoetsen of via het rolmenuutje wel even moet uitkijken dat men niet het verkeerde jaar te pakken heeft.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Staphorster loteling

Geplaatst op 18 januari 2008  a

Staphorster loteling. Collectie Rein Lotterman.

Hier zie je op een ansichtkaartje van rond 1900 zo’n Staphorster interieur, dat ik gister even aanstipte. De jongeman is ook bijzonder, want hij heeft net meegedaan aan de loting voor de militaire dienst:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Aldus de Winschoter Courant van 25 oktober 1895. De bijzondere dracht bleef lang na de afschaffing van zulke lotingen bekend en leidde later zelfs tot een opstelling in het Arnhemse Openluchtmuseum:

Geplaatst op 18 januari 2008  c

(Met dank aan Rein L.)


‘Gain gerak, gerief, noch rust, in dat verdolde holten nust’

 

Geplaatst op 13 januari 2008

Van Henk Scholte kreeg ik van de week een scan van Schuitpraatjes in Groningerland, grootendeels in den Groninger tongval. Het gedrukte stukje, geschreven “door den schrijver van de zamenspraak tusschen Pijter en Jaap”, dateert van 1827 en gaat over de innovaties van die tijd.

Er staan erg aardige passages in over de stoomboot en het stadsgas, maar helaas zijn die nou net in het Nederlands. Voor het Gronings is vooral een filippica tegen het reizen per zeilschip van belang. Die passage staat in het begin van ’t schuitepraatje, als meneer Nijewind bij de afvaartplek van de trekschuit aankomt. Hij ergert zich dat alles hier nog steeds op zijn elfendertigst gaat, ook omdat hij een tamelijk vervelende (zee-)reis achter de rug heeft in het vooronder van een beurtschip:

“Twij etmaal rolde ik in dat hol,
Dat ik er nog van soezebol.”

“Het gait hier nog na ’t olle plan”, merkt hij dan als hij door de stad komt aangehold om de snikke nog op tijd te kunnen halen. Hij hoopt dat hij voor het allerlaatst in een snikke zit, en van zeilen heeft hij helemaal zijn bekomst:

“‘k Ga nooit weer met en snik’ oet’ stad;
Van ’t zailen wil ‘k nog minder wijten;
Dat ’s ree! en weer ree, om te zwijten.
Dan dundert jou dij fokkeschoot;
Dan kropt ‘er weer zoo’n dik stuk lood
Deur ’t mastgat; en, ’t is ijwig strieken.
Doar lig je dan te steerens kieken:
En, valt er altemets wat vocht,
Dan heb je regen, rook en togt.
En, koom je van de boukwait-doppen
Rais even op, om ’t gat te stoppen;
Of, vraag je ’t volk rais na ’t bestek,
Dan krieg je en olderwetse bek.
Gijn mens het veur joen klagten ooren,
Al zol je ook in zoo’n deuze smoren.
Dan stait de gek nijt na de wind;
Dan hoelt er weer en schippers kind;
Dan heur’ je ’n doene kerel vluiken;
Dan zingen, reeren, roezie zuiken:
Daar ’s gijn gerak , gerief noch rust
In dat verdolde holten nust.
Had ik maar doemkruud, ‘k zol ’t wel wijten;
Ik zol heur mank de doeven schijten
Dat ’t aard had; fui! zoo’n zwien-per’dies;
Op ijn’ zoo’n raize wordt men gries.”

Reizen was niet altijd fijn, zullen we maar zeggen.


Scheuvelriederslaid

Geplaatst op 8 januari 2008

Albert van der Wijk, geboren in 1910 te Zuidbroek, is een van de betere Groninger zangers in de Liederenbank. Verbazen doet dat niet, want de onderwijzer volgde een opleiding voor directie koorzang en was ook ‘volkszangleider’ bij de ‘Nederlandse Vereniging voor de Volkszang’. Dat had je allemaal nog, na de oorlog.

Op het repertoire dat het Nederlands Volksliedarchief in 1954 bij Van der Wijk registreerde, staan twee versies van een scheuvelriederslaid of schaatslied, de ‘Haardriederie op Winneweer’. Van der Wijk leerde het van zijn moeder en de officiële versie, vertelt hij, telde maar liefst dertien coupletten. Voor de microfoon van het Volksliedarchief zong hij er maar één. En wel deze. De tekst:

As ik ainmoal ais op Damsterdaip
dou ’t ’n bakstain vroor, op scheuvels laip,
zaag ik d’r minnig jonge borst
doar zwieren op dij gladde korst.
Zaag ik minneg jonge kwaant
mit zien wichie al aan de hand.
Zo zag ik haile riegen goan.
Soms ook ’n belslee op de boan.

Met termen als borst en kwant doet de tekst nogal negentiende-eews aan. Dat geldt ook voor de melodie, die zo op het repertoire kan van een luchtig ironisch salonorkest. Die wijs, vertelt Albert van der Wijk in een volgend geluidsfragment, werd in zijn moeders tijd heel veel gebruikt door dansleraren om de Duitse polka bij te brengen. Zij zongen er voor hun leerlingen dan wel een andere tekst op, een “heul mooi gek dinkje”, dat we geografisch eerder in de buurt van Sappemeer moeten situeren, dan bij Winneweer:

‘k Laip ainmoal op ’t Achterdaip
Woar ik mit mien moeke op scheuvels laip
Knapte mie de kop tegen klapbrug aan
’n boele veur de kop mit ’n poepsteern d’ran.

In de Liederenbank zitten nog wel meer varianten. Tot in Brunssum en Amsterdam werd dit schaatslied gezongen door mensen van Groninger komaf.

Maar ook nu kan je het lied nog wel horen. Onlangs kwam ik nog weer een versie tegen in het zeer genietbare programma Winterliederen van Henk Scholte, Bert Ridderbos en Linde Nijland. Ook zij brachten niet het complete lied, maar ‘slechts’ vijf coupletten. Net als Van der Wijk vertelde Henk erbij, dat dansleraren er de Duitse polka mee onderwezen.

Van Henk kreeg ik vandaag een scan van de hele tekst. Waarschijnlijk komt deze uit Oude en nieuwe Groninger liederen van P. Groen (1930). Groen noemt een A. Kuipers als auteur van het lied.

Wie de tekst helemaal tot zich wil nemen kan hier terecht. Onder andere maakt hij melding van het feit, dat deelneemsters aan schaatswedstrijden in hun ondergoed reden. Dat was meer aerodynamisch dan met bovenkledij.

Naschrift woensdag 9.1.08

Henk deed me vandaag een biografie van auteur Ane Kuipers toekomen, geschreven door dominee Wumkes en gepubliceerd in het Maandblad Groningen van maart 1924. Ik vat het stuk hier samen.

Kuipers leefde van 1833 tot 1905, wat alweer de veronderstelde negentiende-eeuwse herkomst van het Scheuvelriederslaid ondersteunt. Zijn vader was schoolmeester en organist van Zeerijp, maar achtte het zangtalent van zijn zoon dermate gering, dat die maar beter niet in zijn voetsporen kon treden. En zo ging Kuipers junior bij verscheidene Ommelander schoenmakers in de leer. Later vestigde hij zich als zelfstandig schoenmaker in zijn geboortedorp. Zijn ambacht stond belezenheid, ontwikkeling en vertrouwdheid met juridische zaken niet in de weg, en in dat dorp ging de schoolmeesterszoon, die toch wel wat gefrustreerd was over zijn lot, door voor een vraagbaak en arbiter bij problemen en geschillen.

Van jongs af mocht Kuipers graag rijmen. Levenslang bleef dat zijn liefhebberij. Meestal schreef hij in de streektaal over voorvalletjes uit het dorpsleven. Het kon dan gaan over een boerenvrijage, een hardrijderij of een omgewaaide boom. Hij publiceerde dit soort stukjes verspreid. Ze zijn nooit gebundeld, hoewel Wumkes vond dat er kwalitatief goed werk tussen zat. Wel werden een vers als ‘Siemen-manje aan het vrijen’ en een klucht als ‘De gefopte sergeant of de biggehoalders’ (1860) bekend bij een breed Gronings publiek, maar deze kwamen anoniem uit, zodat Kuipers maar weinig eer voor zijn werk kreeg.


Tasman raar toegetakeld in torenteaser

Willen ze reclame maken voor de Tasmantoren, een soort poort van 75 meter hoog bij het kruispunt Eemskanaal – Van Starkenborgkanaal, geven ze naamgever Abel Tasman, de ontdekkingsreiziger uit Lutjegast die van 1603 tot 1659 leefde, in het teaser-filmpje een hoofddeksel en kledij uit de achttiende eeuw mee. Hopelijk gaan ze straks wat zorgvuldiger om met de maten bij de bouw, want anders stort dat ding in voordat er überhaupt één stuntvlieger onderdoor heeft kunnen vliegen.


De afschaffing van Tweede Kerstdag

De afschaffing van Tweede Keerstdag werd 135 jaar geleden al bepleit door Groninger predikanten:

Geplaatst op 26 december 2007

Uit de Leeuwarder Courant van 17 mei 1872. Verder geen nieuws over dit initiatief, dat blijkbaar als een nachtkaars uitging.


Monsterkoe

Een poosje geleden schreef ik dat slagers in noordelijke steden nog tot in de negentiende eeuw vee bleven rondleiden, voordat ze dit slachtten. Bij een eind van die traditie dacht ik toen eerder aan begin of midden, dan aan het eind van de negentiende eeuw. Toch moet het eind zijn. Want nog op 22 december 1895 adverteerde slager Kiewiet van Winschoten in de lokale krant dat hij een monsterkoe in het stadje zou laten rondleiden:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

 


“Geen vakkennis noodig, in een paar uur te leeren”

Die camera’s waren nog loeizwaar. Vandaar de aparte toestellen voor dames.

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Bron: Winschoter Courant 19 mei 1895.


De gebroeders Entjes, een Groninger schaatslegende

Geplaatst op 9 december 2007  a

Zo’n schaats, maar dan misschien een wat ouder model, kwam laatst tevoorschijn uit het Damsterdiepverlaat. Het is een Groninger schaats, in die zin dat er een hakkenklem op zat, waardoor een enkele leren riem over de wreef voldoende was om hem vast te zetten aan de voet. Zulke scheuvels waren tot 1924 nog in produktie. Althans, dat zegt het Groninger Schaatsmuseum in Sappemeer. Volgens een bericht in de Winschoter Courant van 22 februari 1895, dat de Winschoter overnam uit de Telegraaf, waren de Groninger scheuvels, hoe vertrouwd ook, toen al vervangen door Friese modellen met twee riempjes:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Kortom, Friesland had niet alleen de betere schaatsen, maar ook de betere rijders. Ze waren zo goed, dat menige Groninger hardrijderij (nog kortebaan, over 160 meter) de Friezen buitensloot. Maar in de winter van 1895 doorbrak Geert Entjes de Friese hegemonie en konden de Groningers juichen. Eerder was Wessel, Geerts oudere en even talentvolle broer, niet bestand gebleken tegen de verleiding van de berenburg, waaraan deze lepe tegenstanders hem blootstelden. Maar Geert liet ze nu een poepie ruiken.

Wessel en Geert Entjes kwamen uit het Lageland ten westen van Slochteren. Schaaphok, die omgeving, waar je ’s winters bij een gure oostenwind niet zou willen wonen. In het digitaal archief van de Leeuwarder Courant kom je hun namen inderdaad tegen bij uitslagen van schaatswedstrijden:

  • 17.12.1879: Groningen – Wessel Entjes derde prijs (5 gulden), winnaar een Fries
    23.12.1979: Bedum – Wessel Entjes wint (80 gulden) voor drie Friezen
    26.01.1881: Utrecht – Wessel Entjes wint (150 gulden)
    16.12.1890: Sneek – Geert Entjes derde prijs (30 gulden) achter twee Friezen
    05.01.1891: Groningen – Geert Entjes derde prijs (40 gulden), eerste was een Fries
    20.01.1892: Amsterdam – Geert Entjes tweede prijs (75 gulden) na een Fries
    20.01.1892: Groningen – Geert Entjes eerste prijs (100 gulden), verslaat Friezen
    04.01.1893: Groningen – Geert Entjes eerste prijs, gevolgd door Friezen
    10.01.1893: Amsterdam – Geert Entjes tweede prijs na een Fries
    11.01.1893: Haarlem – Geert Entjes eerste prijs (150 gulden), verslaat een Fries
    11.01.1894: Groningen – Geert Entjes tweede prijs (60 gulden) na een Fries
    01.02.1895: Zwolle – Geert Entjes wint voor een Fries
    02.02.1895: Groningen – Geert Entjes  wint van ettelijke Friezen
    12.02.1895: Winsum (Gr.) – Geert Entjes tweede achter een Fries
    22.01.1897: Groningen – gebr. Entjes de derde en vierde prijs (40 en 20 gulden)
    15.12.1899: Groningen – Geert Entjes vierde prijs (20 gulden) na twee Friezen
    16.12.1899: Groningen – Geert Entjes vierde prijs (20 gulden); Friese winnaar
    09.01.1904: Leek – Geert Entjes vierde prijs (5 gulden) na twee Friezen

Afgaande op dit lijstje met palmares mag Geert dan de grootste “coryphee” van de twee geweest zijn, toch lijkt het er sterk op dat zijn oudere broer meer indruk maakte. Zo komt Wessel voor in de ingezonden brief van Dr. Botto Schultetus Aeneae die op 21 december 1885 in de Leeuwarder Courant stond. Aan het eind van dit epistel daagde deze medicus de organisatoren van Friese hardrijderijen uit om ook eens “Willem” (hij bedoelde natuurlijk Wessel) Entjes te inviteren. Volgens hem was Wessel “een brutaal en uitmuntend rijder”. “Als de man zich spaart en ook daardoor bespaart is hij voor de speedrijders der Friezen als altijd een zeer zware partij”, aldus Schultetus. “In Groningen worden de Friezen op hardrijderijen zoo loyaaal behandeld, dat gij hun dit compliment, aan een uitmuntenden hardrijder, die de beste Friezen de broek heeft warm gemaakt, niet onthouden moogt.”

Wessel Entjes leeft ook nog t in een leugenverhaal, dat de Nederlandse Volksverhalenbank eind 2006 nog in duplo noteerde uit de mond van Hendrik-Jan Hammenga en Wigbold Wieringa. Oorspronkelijk kwam dat verhaal van de sterke verhalenverteller Jan van der Deen uit de buurschap Denemarken bij Slochteren. Deze Olle Jan moet dit verhaal ooit ongeveer zo bij de scheerbaas hebben verteld:

“Ik was op scheuvels over ’t Slochterdaip en ’t Damsterdaip noar stad tou west. Op weg terug was ik haalfweg bie ’t Lege Land en ik docht: ‘Och man, wat gait dat ja stoer mit dei aine scheuvel’. Moar ja, ’t wör al duuster. Dus moar deurscheuvln. En ik kom bie ’t Lutje Boske, en ik mos doch ais even kieken wat er mit dei rechterscheuvel loos was. Dus ik stap van scheuvels oaf en wat bliekt? Der zit er gain iezer meer onder dei aine!
Moar ja jonges, ’t wör aal duusterder, en ik mos wel opschaiten. Een hail ende veur mie an zag ik nog ain scheuvelloper. We reden tegen wiend in. Ik hoalde hom hail langzoam an in. En op een gegeven moment gong ik hom veurbie, en ik kiek achterom en wel is ‘t? ’t Is Wessel Entjes.”


Schilderachtige verhalen uit de Winschoter Courant

Van Fellini zijn films, vaak surrealistische collages van excentrieke karakters en toestanden, ben je geneigd aan te nemen dat ze alleen maar in Italië gemaakt zouden kunnen worden. Dat is niet helemaal waar. Op basis van kleine berichtjes in een stuk of wat oude leggers van de Winschoter Courant zou je ook heel goed zo’n film kunnen maken in Groningerland:

– (28 oktober 1894) Engelsman op eendenjacht met kanonneerboot:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– (16 december 1894) De muzikale lijkkoets van Delfzijl:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– (19 december 1894) Klokluider Vlagtwedde krijgt bijna klepel op zijn kop:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

– (9 januari 1895) De tamme roek van Heveskes:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA


Bonne Bonne Bonne

Geplaatst op 5 december 2007

“Ook in klompen brengt de Heilige soms een niet te versmaden geschenk, gelijk uit het volgende verhaaltje kan blijken. Eene jonge, rijke boerenweduwe gaf haren knecht den raad ook iets op te zetten tot ontvangst der St. Nikolaas-geschenken. “Hm”, zei de knecht, “wat ze’k opzet’n, vrouw?” – “Och!”, antwoordde de weduwe, “zet doe dien klomp’n maor op, vent!” De vent volgde dien raad en vond den volgenden morgen zijne meesteres in zijne klompen staan. Dankbaar aanvaardde hij zijn St. Nikolaas-present, trouwde de weduwe en werd een rijke boer.”

Uit: Johs. Onnekes – ‘Zeden, gewoonten en gebruiken in de provincie Groningen‘, een artikel in het net op de DBNL gezette, indertijd niet zo vreselijk lang verschijnende tijdschrift Onze Volkstaal (1882-1890), deel III, pagina 75/76.

Op pagina 62 in het zelfde artikel vond ik enkele minder onderdanige variaties op het voetwisritueel, waarover ik hier eerder schreef.

“Treedt de eigenaar of een of ander nieuwsgierige een in aanbouw zijnd huis voor het eerst binnen, zoo worden hem de voeten gewischt, d.i., zoodra hij den voet over den drempel zet, komt een der gezellen met een doek en veegt hem daarmede over de voeten, onder het opdreunen van het rijmpje:

Ik kom hier met verlof,
Uw voeten zijn vol stof,
Ik ben er toe genegen
Om u ze af te vegen,
’t Is niet om te gekken of om te mallen,
Maar gij zijt in een kleine boete vervallen.

In de stad Groningen luiden de beide laatste regels:

’t Is niet uit eer of uit fatsoen,
Maar ’t is om een fooi te doen.

’t Spreekt van zelve, dat ook deze aardigheid met het geven van eene fooi behoort beantwoord te worden.”


Walvisstrandingen

Ik was er wat in aan het rondstruinen in de kersvers gewebbificeerde ‘Nederlandsche Historiën‘ van PC Hooft (de man naar wie de tractor is vernoemd), toen mijn oog bleef haken aan een passage op pagina 546:

“Des nachts quaamen [bij] ter Heyde, een zeedorp in Zuydthollandt, dertien oft veertien walvisschen zoo dicht onder ’t landt gezwommen, dat’er een aan strandt klemde. D’andre, om hem te verlossen, bliezen krast van waater ter snuyt uit: en twee der voorbaarighste bekoften hunne trouwhartigheit met gelyk ongeluk. De grootste was lang luttel min dan vyftigh, hoogh by de veertien, breedt tien voeten ruym. Van de zelfste soort ongedierts, was, den tweeden van Hooymaant, in de Schelde tot Zaftinge, een aangekoomen, lang achtenvyftigh, dik in de rondte drieënveertigh, breedt van staart oover de dertien voeten. Deeze zeldzaamheeden, als bediedtzels van genaakende ontsteltenissen, stonden den volke droeflyk voor…”

Ze voorspelde dus niet veel goeds, deze stranding van walvissen, eind 1577, althans volgens Hooft niet, die, hoewel humanist, in de duiding van zo’n buitengewone gebeurtenis op één lijn stond met de meest verstokte calvinisten – het was een vingerwijzing Gods.

Met behulp van het nieuwe zoeksysteem voor de DBNL ben ik vervolgens eens gaan kijken of er in dit digitale fonds nog meer walvisstrandingen voorkomen. Dat bleek inderdaad het geval. De ‘fantastische’ Vlaamse auteur Marcus van Vaernewyck, een paar generaties ouder dan Hooft, meldde er in zijn ‘Historie van Belgis’, pagina 313, eentje voor begin vijftiende eeuw:

“In het jaer 1403, op S. Brixius-nagt [12 november HP], kwaemen te Oostende acht groote walvisschen aen, die daer op het strand bleeven liggen. Ideren dezer visschen was tusschen de muyl en den steêrt meer als 75 voeten lang, en had wel 24 haring-tonnen traen in. Hunne muylen hadden de gedaente van eenen engelschen wolle-zak, en men moest langs de zelve met leederen (ladders, HP) in de buyken daelen, in ideren van de welke veertien of vyftien mannen stonden en werkten, als of zy op eenen vloer gestaen hadden…”

Vervolgens herinnerde ik me ook plaatjes van zulke walvisstrandingen:

– Zandvoort 1594:

Geplaatst op 4 december 2007  a

– Berkheyde 1598:

Geplaatst op 4 december 2007  c

– Beverwijk 1601:

Geplaatst op 4 december 2007  d

– Noordwijk 1614:

Geplaatst op 4 december 2007  e

Drie van de vier betroffen potvissen viel me op. In twee van de vier gevallen vond de stranding ’s winters plaats, net als trouwens die strandingen waar Hooft en Van Vaernewyck over schreven. Bovendien gebeurden er in de periode rond 1600 wel erg veel van die strandingen. Kwamen in ‘de Kleine IJstijd‘ soms extra veel potvissen naar onze kust afzakken?

Ik tikte walvisstrandingen in Google in, en zie, er kwam een speciale website over het fenomeen  walvisstrandingen tevoorschijn. Met een lijst voor elke soort, waaruit bleek dat de potvis zich rond 1600 inderdaad bijzonder vaak op onze stranden wierp. Tussen 1566 en 1656  gebeurde dat 24 maal, waarna ze ruim een eeuw wegblijven en er een plotselinge hausse optreedt aan het begin van de jaren 1760 (met name 1762) met maar liefst 11 stuks. Afgezien van een incidentele verschijnling (in 1781) blijft het dan opnieuw een hele poos rustig. Sinds 1937 wierpen zich 19 potvissen op onze stranden. Zo’n tachtig procent van al deze strandingen vindt plaats in het winterhalfjaar tussen oktober en april. Voor zover bekend ging het steevast om exemplaren van de mannelijke kunne.

Nog wat verder kijkend op die walvisstrandingen-site ontdek ik onder het hoofdje ‘walvisinformatie’ een subhoofdstuk ‘Op het strand gesmeten’. Verdikkie, er blijkt in 1992 in het Teylers Museum in Haarlem een tentoonstelling over het fenomeen geweest te zijn, met een catalogus die hier in extenso gereproduceerd wordt. Uit het subsubhoofdstukje Potvisstrandingen valt te leren dat een klein aantal dieren tijdens de herfsttrek, op weg naar zuidelijker wateren, de Noordzee binnenzwemt. Vooral het zuiden van die zee is te ondiep voor ze. Navigeren met hun sonar lukt ze er maar matig, temidden van al die flauw oplopende kusten en verraderlijke zandbanken. Als de dieren geen uitweg naar het noorden vinden, zitten ze in de val. Blijkbaar gebeurde dat in de Kleine IJstijd wat vaker dan anders.


Vertrouw nooit een stoelenmatter!

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Winschoter Courant 21 september 1894

 


Bereisd velletje

Geplaatst op 25 november 2007

Ooit liet een zeeman een zeilschip op zijn arm prikken. Na zijn dood, omstreeks 1800, ontfermde de wetenschap zich over het kunstwerkje, dat ze omwille van de duurzaamheid op sterk water zette, en zo belandde het in ’t Groninger Universiteitsmuseum. Momenteel echter, bevindt de tatoeage zich in Leiden, en wel in Museum Boerhaave, waar ze te zien is op de tentoonstelling Mijn Huid.


Vooroorlogse viewmaster

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Op de bovenzaal van boekhandel Godert Walter aan de Ebbingestraat in Groningen staat momenteel een ‘stereoscoop‘. In die vooroorlogse viewmaster zitten 150 stereofoto’s uit de periode 1890-1930. Het portret, hierboven, van Hamburgse marktkoopvrouwen, is daar één van. De stereoscoop maakt weer deel uit van een tentoonstelling over de wereld zoals Joseph Roth die schilderde in zijn roman Radetzkymars, en een fraaie diashow van deze expositie treft u hier aan.

Nog tot en met 23 december.