Patriotten en Bataven bespot in Britse prenten

BibliOdyssey attendeerde er gisteravond op, dat de catalogus van het prentenkabinet in het British Museum een paar weken geleden zonder veel ruchtbaarheid op het web kwam.

In dat prentenkabinet zitten bijna 250.000 gedrukte prenten (etsen, gravures, houtsneden etc.) en bijna even zoveel tekeningen. En al zijn die nog lang niet allemaal gefotografeerd, ook nu al opent die catalogus een enorme Fundgrube voor (kunst-)historisch beeldmateriaal. Via de geavanceerde modus (‘Build your object search‘) heb ik me gisteravond dan ook urenlang kostelijk vermaakt. Zo kon ik mijn collectie scheresliepen behoorlijk uitbreiden, en dat geldt ook mijn verzameling plaatjes van genrekunstenaars uit de zeventiende eeuw zoals Teniers, Ostade en Dusart.

Maar het prentenkabinet van het British Museum bevat eveneens veel politiek werk, en daar wil ik nu eens bij stilstaan. Op die prenten figureren nogal eens Nederlanders. Vooral in de periode 1780 – 1814 vormen die een dankbaar onderwerp voor de karikaturisten aan gene zijde van de Noordzee.

Van 18 oktober 1787 is bijvoorbeeld deze prent, gemaakt door de Hannoveraanse immigrant Johann Heinrich Ramberg. Wat hij ons laat zien is de generale repetitie voor de Pruissische interventie ten gunste van stadhouder Willem V. Een Hollands vrijcorps of exercitiegenootschap – patriotse tegenstanders van de stadhouder – oefent en vuurt af op de beeltenis van een Pruissische soldaat die op de muur is gekalkt. De meeste burgers staan op de rand van een sloot. Een man in het water wordt beklommen door kikkers. Andere kikkers staan op de slootoever met hun wapens. Ook zij leggen aan. Natuurlijk gaan ze de Pruus verslaan. Zelfs de hond blaft tegen hem:

Geplaatst op 23 november 2007  a

Maar het liep heel anders af, zoals uit de pendant-prent over de uitvoering blijkt. De Pruus jaagt in zijn eentje het hele zootje ongeregeld op de vlucht:

Geplaatst op 23 november 2007  b

Ramberg gaat ook besmuikt in op de wraakneming van de overwinnaars. Zij jonassen de patriotse burgers die in opstand durfden te komen tegen het Oranjebewind:

Geplaatst op 23 november 2007  c

Feitelijk ging het er heel wat harder aan toe, alleen al in Groningerland werden honderden huizen geplunderd door militairen en oranjegrauw. Maar in 1795 komen de patriotten aan de macht dankzij de Fransen, en is het de beurt aan de stadhouder om te vluchten. Naar zijn bondgenoot Engeland, met een heleboel ducaten. Hier portretteert de beroemde James Gillray hem als Neerlands Cupido, die geniet van zijn welverdiende rust nadat hij zijn orangerie volgeplant heeft:

Geplaatst op 23 november 2007  d

Van de Schot Isaac Cruikshank is de volgende, uit het najaar van 1797. We zien de Nationale Vergadering, het parlement van de Bataafse Republiek, hevig murmureren omdat de Bataafse vloot net door de Britse vloot in de pan is gehakt. De koloniën zijn al afgepakt, nu dit nog. De parlementariërs verlangen sterk naar de adempauze die de winter geeft:

Geplaatst op 23 november 2007  e

Tot slot nog een prent van de verder vrij onbekende P. Roberts uit 1804.  Na de Vrede van Amiens is het een jaartje rustig geweest, maar consul Boney (van Bonaparte, Engelse spotnaam voor Napoleon) probeert John Bull met zoete vleempraatjes te paaien. John zal even vrij zijn als de Zwitsers en de Nederlanders, belooft hij. En de Nederlanders en Zwitsers bevestigen tegen John dat ze inderdaad heel vrij zijn. Ja hoor, kijk maar:

Geplaatst op 23 november 2007  f


Hoe het Noorden gekolonialiseerd werd

“In de discussies over de Zuiderzeelijn ziet Auke van der Woud een ‘volledige parallel’ van het debat over de haven van Delfzijl, zo tussen 1880 en 1890. “Dat is echt frappant. De provincie had toen haar waterwegen helemaal op orde en riep om rijkssubsidie voor de uitbreiding van die haven, wat het sluitstuk zou moeten vormen.”
“Met de graanrepubliek, Drenthe en een stuk Duitsland als achterland was de potentie van Delfzijl groot. Voor de uitvoer van graan lag het veel gunstiger dan Amsterdam. Delfzijl had vlakbij de haven diep water, dat ook nooit bevroor. De Groningers wezen erop dat Emden hun de kaas van het brood at.” “Maar tegen alle druk in vond het Rijk dat niet Delfzijl, maar Amsterdam en Rotterdam Emden concurrentie moesten aandoen. Den Haag nam toen de beslissing dat het noordelijke graan via de Zuiderzee naar Amsterdam moest, en maakte het Noorden zo ondergeschikt aan het belang van de Randstad. Dat is wat ik geconstateerd heb.”

Zie verder de UK van deze week


‘T Schrijfbretje van Tolsum gaat op reis

DCF 1.0

Het ging vandaag naar Oxford, dit “unieke” houten voorwerpje uit het begin van onze jaartelling. Daar moet nieuw onderzoek de Latijnse inscriptie “onthullen” die erop staat. Hetgeen dan een eind zou maken aan een tweeduizend jaar oud “mysterie“.

Maar is dit schrijfplankje, bijna honderd jaar geleden aangetroffen in een wierde bij Franeker, en sindsdien bewaard in het Fries Museum, werkelijk zo uniek? Het persbericht rept ook van “moeilijk leesbare schrijfplankjes” meervoud, en zet die kwalificatie uniek daarmee zelf al op losse schroeven. En inderdaad, zelfs in Nederland zijn er wel meer van zulke schrijfplankjes gevonden. Ook met ingekraste tekst. Dat uniek zal dan wel bedoeld zijn als uniek voor Friesland.

Onthullen van mysteries doet het ook altijd goed in oudheidkundige persberichten. Zo’n mysterie was de tekst anders niet, tot voor kort. Want van 1917 dateert al een “lezing” van de letters in het hout, alleen twijfelt het Fries Museum daar nu kennelijk aan en wil het “duidelijkheid scheppen” in een discussie waarover het ons verder niet inlicht.

Dat die discussie echter helemaal nog niet zo lang speelt blijkt uit een website van de tentoonstelling ‘Superterpen’ die datzelfde Fries Museum een paar jaar geleden organiseerde. Volgens die website heet de tekst nog gewoon een koopcontract van een koe:

“De Romein Gargilis Secundus koopt voor 115 zilveren munten een koe van Stelus. Getuigen van deze verkoop zijn de Romeinse handelaar Cesdius en Mutus Adetus.”

Het schrijfbretje wordt door die website ook niet op “de eerste eeuw na Christus” gedateerd, zoals het persbericht dat doet, maar “tussen 0 en 300”. Maar met zo’n datering kan je natuurlijk niet reppen van “oudste schriftdocument van Nederland”.

Ben wel benieuwd of de bedevaart van de Friese oudheidkundigen naar Oxford ook nog werkelijk nieuwe inzichten oplevert.


Liederen uit een Havelter kroeg in 't Interbellum

Geplaatst op 18 november 2007 Havelter kroeg

“Wie zegt van Havelte onder
Die kreg er wat op zien donder
Laborie laborie
Wat heb ik een stuk in mijn kraag
Wat heb ik een stuk in mijn kraag.

Ach was ik maar stil in huis gebleven
Dan had ik geen stuk in mijn kraag gekregen
Laborie laborie
Wat heb ik een stuk in mijn kraag.”

Dit chauvinistische drinklied werd in 1969 bij de uit Havelte afkomstige, maar in Bussum wonende Roelof Hendrik Tuin opgenomen door ‘Onder de Groene Linde’, het VARA-radioprogramma dat aan traditionele volksliedjes gewijd was. Sinds deze zomer staat de opname op internet, in de Liederenbank.

Naast Roelof Hendrik Tuin leverde ook zijn oudere zuster Hillie Loggers-Tuin, die in 1970 te Hilversum en in 1986 in Oud-Beijerland woonde, bijdragen aan Onder de Groene Linde, en dus aan de Liederenbank. Samen zijn broer en zus Tuin goed voor maar liefst 43 opnamen. Van 1969 dateren er 8 (alleen Roelof), van 1970 zijn het er 31 (broer en zus samen), en uit 1986 stammen er 4 (alleen Hillie).

Beide groeiden zo’n beetje tussen beide wereldoorlogen op in het café aan de Havelter Brink, waar ook nog een landbouwbedrijf aan verbonden was. Bij dat café zat er eveneens een toneelzaal. Daar vonden bijvoorbeeld de uitvoeringen plaats van ‘Ontwikkeling’, de Havelter rederijkerskamer, een club waar de hele familie lid van was.

Hilligje Loggers-Tuin, roepnaam Hillie, was geboren in 1910 te Havelte. Ze volgde een verpleegstersopleiding en vertrok in 1932 naar Amsterdam. Vermoedelijk heeft ze daar de rest van de jaren dertig en het eerste oorlogsjaar in een ziekenhuis gewerkt. In die tijd schreef ze onder de naam H. Tuun een toneelstuk, dat ze opdroeg aan die Havelter rederijkerskamer. Het heet De ienege uutweg; kemeliestukken uut het Dreinse boerenleven in drij bedrieven en het verscheen in 1937 bij uitgeverij Van Gorcum in Assen. Ook later was ze nog wel literair actief. In de oorlog haalde .ze haar aantekeningen voor wijkverpleegster, een beroep dat ze ging uitoefenen in Hoogeveen, en Odoorn. In 1948 trouwde ze en vertrok ze eerst naar Bergen op Zoom, en later naar Hilversum.

Haar broer Roelof Hendrik Tuin werd in 1921 geboren in het café op de Havelter Brink. Hij was vanaf 1943 onderwijzer, achtereenvolgens in Nieuwleusen, Zwolle, Darp (1948 – 1952), Bussum en Amsterdam, een stad die hij vanuit Bussum bereisde.

In de opnames van 1986 vertelt Hillie Loggers-Tuin over het zingen thuis en in het dorp. Ze zegt dat het hele gezin veel zong, waarbij vooral de vooravond een traditioneel moment was: “Zo in de schemeravond had je nog geen licht aan. Dan gingen we zingen.” Ook als een deel van het gezin ’s zondags thuiskwam uit de kerk, was er zo’n moment. Dat begon dan vaak met ‘Een vaste Burg is onze God‘ van Maarten Luther, het lievelingslied van haar vader, “en dan ging je zo langzamerhand afdwalen tot schoolliedjes en tot andere liedjes”.

“Helemaal in het dorp werd veel gezongen”, zegt ze over de wijdere omgeving: “Hoeveel boerenjongens er niet op de wagen langsreden, zingende.” Ook de bakker en de slager kwamen zingend voorbij. “Dat is nou onvoorstelbaar”, beaamt ze, “maar gut, dat was zo! En er waren d’r bij die konden zo goed zingen. Nou de schilder, als je die had, die jongens konden ook allemaal zo goed zingen, en die zongen altijd. En dan kwamen een keer in het jaar de stukadoors. Wij hadden een café en daar was zo’n hele hoge zaal, vanwege de akoestiek ook met zo’n ronde zolder, dat werd dan door de stukadoors altijd gewit. En dan zei mijn moeder: “Hè, ik kan d’r naar verlangen dat de stukadoors weer komen, want die jongens zingen toch zo mooi!””

Als het mooi weer was, vertelt ze, liep ze op zondagavond een uur, soms wel een paar uur met haar vriendinnen door het dorp. “In een lange regel”, met zijn zessen breeduit over de straat, zoals ook andere vriendinnenclubjes dat deden. “En dan zongen we alle mogelijke liedjes.” Die liedjes leerden ze van elkaar, van thuis, op school en bij de zangvereniging: “En dan ken je ook ontzaggelijk veel liedjes. Had iemand een nieuw liedje, dan leerde je dat ook al gauw.”

Voor de microfoon van Onder de Groene Linde zong ze een stapelliedje, waarvan de oudste versie te vinden is in het ‘Amsterdamse spinhuys, ofte lusthof der adelijcke jufferen; vol nieuwe amoureuse gezangen, strik- en minne-quikjes‘, een liedbundel uit 1680:

“Ik pak mijn lieve meisje
al bij haar mooie haartjes
en ik zeg mijn lieve schat zeg wat is dat?
dat is mijn krullebol
waarmee ik je zal beminnen
mijn krullebol, jouw kop op hol
oh alles is zo heerlijk
alles is zo mooi
alles is zo heerlijk met mijn krullebol in ’t hooi.

Ik kus mijn lieve meisje
al op haar mooie oogjes
en ik zeg mijn lieve schat zeg wat is dat?
Dat is mijn kijkerdekijk waarmee ik je zal beminnen
mijn kijkerdekijk, mijn krullebol
jouw kop op hol
alles is zo heerlijk
alles is zo mooi
alles is zo heerlijk met mijn krullebol in ’t hooi.

Ik pak mijn lieve meisje
al bij haar mooie neusje
en ik zeg mijn lieve schat zeg wat is dat?
Dat is mijn ruikerdekuik waarmee ik je zal beminnen
mijn ruikerdekuik, mijn kijkerdekijk, mijn krullebol
jouw kop op hol
alles is zo heerlijk
alles is zo mooi
alles is zo heerlijk met mijn krullebol in ’t hooi.

Ik kus mijn lieve meisje
al op haar mooie mondje
en ik zeg mijn lieve schat zeg en wat is dat?
dat is mijn happerdepap waarmee ik je zal beminnen
mijn happerdepap, mijn ruikerdekuik, mijn kijkerdekijk, mijn krullebol
alles is zo heerlijk
alles is zo mooi
alles is zo heerlijk met mijn krullebol in ’t hooi.”

Ze leerde het thuis van een tante, maar van haar moeder mocht die tante de andere coupletten niet zingen. Verder naar beneden werd het lied onwelvoeglijk. “Wij wouen natuurlijk graag alles horen”, zegt Hillie, “maar nee! Alles had zijn grenzen.”

Toch zitten er bij de liedjes die Roelof in 1969 en Roelof en Hillie in 1970 zongen, ook wel, die voor de oorlog nog min of meer als pikant moeten hebben gegolden. Sowieso zitten er veel unica bij, liedjes waar de Liederenbank geen enkele andere variant van heeft. Waarschijnlijk komt dat doordat veel van die liedjes een café-achtergrond hebben. Het zijn kroeg- en drinkliedjes, en ook wel liedjes van soldatenkomaf. Nette burgers zongen die niet in het openbaar.

‘Wie zegt van Havelte onder’ is hierboven al geciteerd. Een sterke couleur locale zit er eveneens aan het pesterige ‘Wie rijdt er op een ezel‘, dat broer en zus Tuin in 1970 lieten horen:

“Wie rijdt er op een ezel?
Een infanterist een cavalerist
Wie rijdt er op een ezel?
Een infanterist!

Wie rijdt er op een ezel?
Jan Been uut Darp, Jan Been uut Darp.
Wie rijdt er op een ezel?
Jan Been uut Darp!”

Ik denk niet dat Roelof als onderwijzer in Darp hardop dit liedje gezongen heeft.

Van veel drinkliederen, vrijwel zeker in het café aan de Brink gezongen, bleef na al die jaren maar een enkel couplet hangen. Het volgende, ‘Wij zijn jongens van ene ploeg‘ is oorspronkelijk een lied van steenbakkers langs de IJssel:

“Wij zijn jongens van ene ploeg
wij hoeven ons niet te generen
Centies hebben wij genoeg,
meer dan die kale heren!
Bij ons is alles goed gegaan
Kom laten wij een slokkie kopen gaan
En van je hela hola houdt er de moed maar in..”

Fundamenteel is ‘Wij drinken de klare‘, dat broer en zus Tuin gezamenlijk zongen:

“Wij drinken de klare
Het nat van Schiedam
God zal ons beware
zo lang ast maar kan!”

Soms smaakt een borrel naar meer. Deze Drentse evergreen ging op de wijze van ‘Alle eendjes zwemmen in het water’:

“Achter op Schoonlo is ’t knollegruun bevrören
Falderalderiere, falderalderare
Achter op Schoonlo is ’t knollegruun bevrören
falderalderalderom

Eerst wat uut de borrel en dan wat uut de flesse
Falderalderiere, falderalderare
Eerst wat uut de borrel en dan wat uut de flesse
falderalderalderom

Wij lust d’r nog wel een stuk of vieve, zesse
Falderalderiere, falderalderare
Wij lust d’r nog wel een stuk of vieve zesse
falderalderalderom.”

Als het laat werd dan zongen boerenknechten dit in het café ten teken dat ze er nog lang geen genoeg van konden krijgen:

“Wij scheiden niet, we scheiden niet
we hebben nog geen verdriet
We scheiden niet voor de morgen
en laten de boeren maar zorgen
Wij scheiden niet, we scheiden niet
we hebben nog geen verdriet.”

Over bepaalde amoureuze betrekkingen gaat dit lied, dat broer en zus weer samen zongen:

“Wij slapen vannacht in ’t schuurtje
In ’t schuurtje, in ’t schuurtje
Wij slapen vannacht in ’t schuurtie,
al bij een boerenmeid!
Adié, Adié Adio.
En als je van de trappen valt dan doe je zo
Adié, Adié Adio
en als je van de trappen valt dan ben je zo morsdood!”

Uniek in de Liederenbank is deze tekst van Roelof en Hillie, waarvan het onduidelijk is of het over een kat of een snoeplustig vrouwspersoon gaat:

“Geeze was ien de kelder ekreupen
Hak heur maor eziene
Hak heur maor eziene
Toen hef ze de room van de melk of-ezeupen
Hak heur maor ezien ajoe!”

Lezen er ook leden van een familie Bazuin mee? Die moeten het volgende maar overslaan:

“De meisjes van Bazuin
Die piesten in het zand
het zand begon te stuiven
En het huis vloog in de brand.”

Van een liedje dat Roelof in 1969 in zijn uppie inzong, noteerde de Liederenbank voornamelijk Zuidnederlandse varianten, waarbij ik me afvraag of ze wel zo verwant zijn aan de zijne. Roelof vertolkte zijn versie in Drents dialect:

“Aorend Eemten zul naor de peerdemarkt gaon
Hup fandela fiederaldaldal
Aorend Eemten zul naor de peerdemarkt gaon
Fiekedom fiekedel poesweg.

Toen hij doar kwam toen was ’t al daon
Hup fandela fiederaldaldal
Toen hij doar kwam toen was ’t al daon
Fiekedom fiekedel poesweg.

Doar zag hij nog een old peerd staon
Hup fiedela fiederaldaldal
Doar zag hij nog een old peerd staon
Fiekedom fiekedel poesweg.

Zeg boer wat vraog ie veur dat peerd
Hup fandela fiederaldaldal
Zeg boer wat vraog ie veur dat peerd
Fiekedom fiekedel poesweg.

Dat peerd is gien vief gulden weerd
Hup fandela fiederaldaldal
Dat peerd is gien vief gulden weerd
Fiekedom fiekedel poesweg.

’t Peerd begön te schijten
Hup fandela fiederaldaldal
’t Peerd begön te schijten
Fiekedom fiekedel poesweg.

De boer begön te krijten
Hup fandela fiederaldaldal
De boer begön te krijten
Fiekedom fiekedel poesweg.”

Tot slot nog een verhalende ballade over een waarschijnlijk historisch geval dat nog ergens in krantenleggers verborgen zit. Dit lied is ook opgenomen in de eerste bundel die in 1987 van liederen uit Onder de Groene Linde uitkwam (pag, 200):

“Komt vrienden kameraden,
En luistert naar mijn lied
Van hetgeen ik u zal verhalen
Wat hier onlangs is geschied.

Een meisje dat moest baren
Al van een jonge zoon
Zij bracht het naar de vijver
Het kind dat was zo schoon.

Twee jongens aan de vijver
Die zagen ’t snood misbaar
Een doek om de hals gebonden,
Twee stenen aan elkaar.

God liet de stenen drijven
Voor de man die alles ziet.
Een vogel voedt zijn jongen
Maar deze moeder niet.

Een vrouw van tachtig jaren
Had dat nog nooit gehoord.
Hoe zulk een wrede moeder
Haar eigen kind vermoordt.”


‘Geef een appel en een peer en kom ’t hele jaar niet weer’

Geplaatst op 11 november 2007 geef een appel en een peer

Ter gelegenheid van de elfde van de elfde, de dag dat de heilige Martinus in 397 onder de grond ging, heb ik eens allerlei Groninger zangers met Sint Maartensliederen uit de Liederenbank bijeengezocht. De liederen zijn opgenomen in de periode 1954-1963, maar het blijken niet uitsluitend bejaarden die ze inzongen. Ook zijn ze niet allemaal even braaf. Een enkel lied overheerst in zijn varianten alle andere:

Martje Auwema-Overkamp
geboren Zuidhorn 1895, opgenomen in Garnwerd 1963:
Sint Martinus bisschop Roem van alle landen

Tunske Balk-Siegers
geboren Garnwerd 1903, opgenomen in Garnwerd 1963:
Sint Martinus bisschop Roem van alle landen
Sint Martinus bisschop Roem van alle landen (met Martje Auwema samen)

Jantje Bonthont
geboren Scheemda 1941, opgenomen Vriescheloo, 1957:
Sint Maarten was een brave man
Sint Martinus bisschop, met zien hoge houd op

Willem Buitenwerf
geboren Spijk 1906, opgenomen Ten Boer, 1954:
Ain Sundermeerten, koien droagen steerten

Wilhelmina Heinz-Barsema
geboren Groningen 1866, opgenomen Ten Boer 1954:
Sint Martinus bisschop Roem van alle landen

Elisabet Hovinga
geboren ??? te ???, opgenomen Groningen 1967
Sint Martinus Bisschop, de Koning van ons land
Aibert sinte vogel, Kip kap kogel

Anja Laan- van der Wijk
geboren Noordbroek 1900, opgenomen Hoogkerk 1954:
Kip kap kogel Sint Maarten vogel

Bernardina v.d. Laan -Strootman
geboren Noordbroek 1904, opgenomen Het Waar 1963:
Kip kap kogel, Sunder Meerten vogel

Antje Moed
geboren Vriescheloo 1941, opgenomen Vriescheloo 1957:
Wat branden die rode lichtjes mooi, In donker avonduur

Anna Wubina Schulte-Schulte
geboren Musselkanaal 1888, opgenomen Emmer-Compascuum 1961:
Sint Maarten was een brave man
Sint Sint Meerten, De koien droagenen staarten

Lena Slager
geboren Zandeweer 1946, opgenomen Zandeweer 1957:
Sint Martinus bisschop, Roem van alle landen
Ouwe Sint Matuuje

Albert van der Wijk
geboren Zuidbroek 1910, opgenomen Assen 1954:
Kip kap kogel, Sunter Meerten vogel
Sint Maarten was een brave man
Sint Maarten Sint Maarten is jarig vandaag
Sunt Sunt Meerten De koien doagen steerten

Jakob Zwiers
geboren Vriescheloo 1883, opgenomen Vriescheloo 1957:
Kip kap kugel, Mien voader is een duvel
Sunter sunter Meerten, Koien droagen steerten

Enige observaties

  • Van snoep is nog helemaal geen sprake in deze liederen. Wel van fruit, dat eventueel in de winter te bewaren viel. Hedendaagse pedagogiek sluit hier naadloos op de traditie aan.
  • Het appel en peerlied zou in de verschillende varianten, zoals ‘Kip Kap Kogel’, best eens van een hele oude katholieke hymne kunnen afstammen. Ik zou het wel eens willen horen zingen door een groot koor, en dan langzaam en gedragen, en als canon.
  • De dialectvormen zijn waarschijnlijk van latere datum, toen streektaal meer ingang vond als geaccepteerde cultuurtaal.
  • ‘Sint Maarten is een brave man’ lijkt me een negentiende-eews schoolmeesterspoeem net als ‘Wat branden die rode lichtjes mooi’ en ‘Sint Maarten is jarig vandaag’. Het laatste lied komt ook nog eens voort uit een misvatting, want het is geen geboorte- of doopdag, maar de naamdag door de begrafenis  van de heilige.
  • De variant ‘Kip kap kugel, Mien voader is een duvel’ van de heer Zwiers uit Vriescheloo is uiteraard een ernstige verbastering. Zijn spotlied werd beslist niet bij de deuren gezongen! Waarschijnlijk was het iets van pubers, die niet meer mee mochten doen.

Meer info:

Meertens Instituut
Citaten:

“Een originele verklaring voor het lopen met lichtjes op Sint-Maarten werd gegeven door de Duitse volkskundige Dietz-Rüdiger Moser. Hij staat op het standpunt dat de oorsprong van veel gebruiken ligt in de liturgie van de katholieke kerk. Gedurende het kerkelijk jaar werden telkens bepaalde teksten uit de bijbel (perikopen) gelezen, waarover vervolgens gepreekt werd. Vele eeuwen was dat op 11 november: ‘Niemand steekt een lamp aan en zet die in de kelder of onder de korenmaat, maar op de standaard, opdat wie binnentreden het licht zien’ (Lukas 11:33 e.v.). Deze tekst gaf volgens Moser een duidelijke aansporing om op deze dag met lichtjes rond te gaan.”

En

“Met Sint-Maarten langs de deuren gaan en zingen om wat snoep of ook wel geld was aanvankelijk vooral een bezigheid van arme kinderen. Ouders die het wat beter hadden zagen liever niet dat hun kinderen daaraan deelnamen. In de jaren ’20- en ’30 verandert deze houding. Er bestaat dan een grote belangstelling voor ‘volkscultuur’ en het Sint-Maartenlopen wordt gekoesterd als een ‘volksgebruik’. Een bijna eerbiedige houding was daartegenover op zijn plaats.”

Ter Gouw
Citaat:

“In heel het oude Friesland van Kennem tot Wezer, ja ook in aangrenzende oorden, was het weleer, en is het op sommige plaatsen nog, het gebruik, dat de optogt der jongens op St. Maartensavond geschiedde met fakkels of lantarens. Oudtijds ging ’t algemeen met brandende fakkels, die gezwaaid werden onder ’t zingen, dat de vonken een vuurregen maakten; maar dat was toch wel een beetje gevaarlijk, en daarom werden die fakkels vervangen door papieren lantarens of uitgeholde wortels met een kaarsje er in.”

Persoonlijk


Meningen over de uil ernstig verdeeld

Geplaatst op 8 november 2007  a

Het was me totaal ontgaan, maar vorige week vond hier in de Martiniplaza de vierde Werelduilenconferentie plaats, waarbij maar liefst 132 uilendeskundigen uit alle windstreken der aardkloot aanwezig waren. Vroege Vogels had er zondag een item over, zo bleek me vandaag, en het Nederlands Dagblad wijdde er een stuk aan.

Onbetwiste ster van de conferentie was een Indiaas-Israëlische professor, die met zijn promovendi onderzoekt welke rol de uil in allerlei religies en culturen speelt. Zacht gezegd was de uil nogal controversieel, zo komt ook naar voren uit het uilenlemma in het WNT.

Het dier leeft op duistere, verborgen, Godverlaten en vervallen plaatsen en gaat door voor schuw, uitgestoten en eenzaam. Zijn klagende roep zag men als een slecht voorteken. Waar de uil was, kon de dood niet ver zijn. Net als de vleermuis gold hij als de metgezel van duivels en heksen. Hij was onrein, je mocht hem niet eten.

Dat is zo’n beetje het imago in de joods-christelijke traditie. Ook voor allerlei Afrikaanse en Arabische culturen vertegenwoordigde het dier de duivel zelf. Bij de Hindoes was (en is) het beeld positiever. De godin van de welvaart heeft er een uil. Maar ook in India is de uil onrein. Raak een boom met een uilenest aan, en je wekt de doden. De uil komt uit de onderwereld, een stuk van een uil geldt er als talisman tegen demonen.

Eigenlijk vormen alleen de Grieken een uitzondering. Zij gaven Athene, godin van de wijsheid, een uil als attribuut. Het beest stond in de helleense traditie symbool voor wijsheid en geleerdheid.

Geheel anders dacht weer de oude Germaan. Die vond de uil juist dom, en het uilskuiken het summum van domheid.


Golfen > Kolven > Golfen

Geplaatst op 3 november 2007

Deze Jugendstil-plaat uit 1898 komt uit een sportalbum van het Koninklijk Huis. Het aardige is dat ze nog een rechtstreeks verband legt tussen het oud-vaderlandse kolven en de ‘moderne’ sport golf. Enerzijds doet ze dat door golf als ‘terrein-kolven’ te betitelen, anderzijds door het samenbrengen van golf- en hockeyclubs en kolfverenigingen op één pagina.

Vanuit Nederlands perspectief maakte dat kolven of golfen een merkwaardig circelvormige ontwikkeling door. Het begon in de Middeleeuwen als een typische buitensport, waarbij de spelers hun ballen flinke einden wegmepten met stokken die metalen dwarsuiteinden hadden. Meestal mocht dat alleen buiten de stadswallen, maar het gebeurde ook wel eens op de straten van de stad en dan sneuvelden er gemakkelijk ruiten of vielen er gewonden.

In de zeventiende eeuw ontwikkelde het kolven zich uit deze middeleeuwse voorvorm van golf, doordat er steeds meer op stedelijke banen gespeeld werd, die met houten schotten begrensd waren tot een rechthoekig perk waarbinnen de ballen van paal naar paal moesten worden geslagen. Gaandeweg werden die banen kleiner, en de schotten eromheen hoger, tot er geleidelijk aan een proces van overkapping van de banen begon.

Tegen 1800 bestonden er alleen al in Amsterdam zo’n 180 kolfbanen, waarvan uiteindelijk een kwart overdekt was. In en om Groningen moeten er omstreeks die tijd enige tientallen kolfbanen geweest zijn. Deze bevonden zich bijna uitsluitend bij herbergen, maar lang niet bij elke herberg lag er een, want er moest natuurlijk wel ruimte voor zijn. In de binnenstad waren het er dus relatief weinig, en onmiddellijk buiten de stad relatief veel. Zo waren er in de eerste helft van de negentiende eeuw ten zuiden van de stad Groningen nog open en onoverdekte kolfbanen te vinden bij ‘De Vonk’ en ‘Nabij en Buiten’ aan het Winschoterdiep en bij ‘De oude David’ en ‘Het Fortuin’ aan de Hereweg. De enige overdekte banen waren hier die bij ‘Het Blauwborgje’ of ‘Goedgelegen’ in het latere stationsgebied en ‘La Solitude’ aan de Oosterweg.

Gewoonlijk waren deze banen zo’n dertig meter lang en vijf meter breed. Ze hadden een gladgemaakte lemen vloer met genummerde vakken. Voor de korte zijden van het perk stonden de palen waarop de spelers moesten mikken, om de bal in die genummerde vakken terug te laten ketsen. Meestal ging het trouwens om mannen en jongens, die de stokken met hun verlode of verijzerde koppen en de witte schapenleren balletjes met kalfshaar huurden van de kasteleins.

In de tweede helft van de negentiende eeuw raakt het kolven allengs in onbruik. De kolfbond werd juist opgericht, om verdere teloorgang te stuiten. Alleen in Noord-Holland echter, bleef de sport behouden. Elders kent men alleen nog het golf, zoals dat via Schotland uit Amerika repatrieerde.

Zie verder:


De ommegang met slachtvee door de stad

Geplaatst op 31 oktober 2007

In zijn boek ‘ De Volksvermaken‘ (1871) schrijft Jan ter Gouw onder meer over de jaarlijkse gilde-maaltijden. Zelfs in de zeventiende eeuw, toen de calvinisten zoveel macht hadden gekregen, konden deze schranspartijen nog dagenlang duren (zie pag. 555 e.v.).

Voor zo’n feestmaal leidde een gilde dat goed in de slappe was zat eerst zijn te slachten gilde-os door de stad rond. Ter Gouw:

“Het beest was met bloemen en kransen behangen en zijn hoornen waren verguld; trommen en pijpen gingen voorop; de gildevaan wapperde, de gildebroeders liepen er vrolijk om heen, en de bevolking der achterbuurten er achter met mommerij en gezang…”

Die armoedzaaiers kregen de restjes, daarom waren zij volgens Ter Gouw “bij den optogt de ijverigsten om vreugd te bedrijven”.

In de achttiende eeuw raakt dat rondleiden van gilde-ossen in onbruik. Althans, het rondleiden door gilden. Vleeshouwers of slagers blijven de traditie nog lang in ere houden. In de steden van het noorden des lands zelfs nog tot in de negentiende eeuw. Ter Gouw zegt:

“Wanneer zij een bijzonder groot of vet beest gekocht hadden, omkransten zij het nog, en leidden het met trommelslag de voornaamste wijken der stad rond, opdat elk, die ’t zag, er een stuk van bestellen zou. En ofschoon er geen gild meer mee te maken had, behield het toch den traditioneelen titel, omdat die iets uitstekends uitdrukte.”

Met advertenties in de kranten kondigden de vleeshouwers zulke ommegangen met hun puike slachtvee aan. Het stadsbestuur van Groningen verbood in 1773 de uitgever en drukker van de Groninger Courant, om nog langer slagersadvertenties op te nemen, maar de Leeuwarder Courant bleef ze nog wel plaatsen. Hier een voorbeeld van 18 januari 1775:

Geplaatst op 31 oktober 2007  b

Herkomst van het plaatje (erven Rijnders, Amsterdam)


Admiraal Tom Pouce

Geplaatst op 30 oktober 2007

Ik heb het hier wel eens gehad over de beroemde Friese dwerg Jan Hannema, alias Admiraal Tom Pouce (1839 – 1878). Nu de Leeuwarder Courant compleet op het web staat, is er een mooie gelegenheid om eens te kijken hoe vaak hij de kolommen van die krant haalde.

Dat valt een beetje tegen. Zo vreselijk vaak kon je hem niet zien in Friesland.

De eerste keer dat de krant hem noemt is in juli 1854. Hij staat dan op de kermis in Leeuwarden als onderdeel van het ‘Grand Theatre des Variëtés’ van de heren Schoeman en Van Lier. De krant lijkt Tom Pouce in eerste instantie zelfs te verwarren met zijn Amerikaanse voorbeeld, generaal Tom Thumb. Immers, het heet dat hij meer vorsten heeft gesproken dan menig groot man, wat een beetje gek is voor een nog slechts vijftien jaar oude dwerg. Een week eerder ontmoette hij wèl de kroonprins der Nederlanden. In het theater vertolkt hij vijf karakters, voert hij een “Ballet Arlequinnade” op en oogst hij “niet weinig bewondering” in een ander ballet, ‘De Schipbreuk’. Tussen de bedrijven door verschijnt hij bij de dames in de zaal.

In februari 1856 bericht de Leeuwarder dat hij “met veel belangstelling toegejuicht” is in Berlijn. De Pruissische koninklijke familie had zich lange tijd “minzaam” met hem onderhouden. Pas in juli 1864 zien de Leeuwarders hem weer op hun kermis, en wel in het theater van Soeter, waar hij ook weer balletten opvoert.

In maart 1865 treedt hij op bij de rederijkerskamer in Franeker, de plaats waar hij geboren en getogen is. Waarschijnlijk heeft hij er de winter bij zijn ouders doorgebracht.

Twee jaar later blijkt op de Leeuwarder juli-kermis dat hij een zelfstandige attractie is geworden. Hij heet dan de “kleinste , schoonste en jongste der thans levende dwergen”, een “belangwekkende speling der natuur”, en “het wonder der wereld”, dat vereerd is geweest met een bezoek van de algehele koninklijke familie van Nederland. Volgens de advertenties spreekt hij Nederlands, Engels, Frans, Duits èn Italiaans. Heel Europa had hij doorgereisd. Aan alle hoven mocht hij zich “in den grootsten bijval verheugen”. In Leeuwarden is hij te zien in een “sierlijk ingerigte en prachtig verlichte Loge” pal voor het paleis van Justitie. Een eersterangs kaartje kost een kwartje en een tweederangs een dubbeltje. Bovendien zijn er portretten van hem te koop voor 30 en 40 cent, al naar gelang de kwaliteit van het papier waarop ze afgedrukt zijn.

In juli 1869 doet Tom Pouce met een “miniatuur equipage”” eerst Harlingen en daarna Leeuwarden aan. De twee rangen zijn nog even duur, maar bij de tent zijn er nu ook portretten van maar liefst 50 cent te koop. Daar staat tegenover dat weeshuizen en andere “liefdegestichten” vrij entree hebben, mits “onder geleide van den bestuurder”. Bij eerdere bezoeken was dat slechts een enkele dag het geval.

In februari 1871 is hij te zien in Kollum, Dokkum en Buitenpost. Die winter verbleef hij in Friesland, omdat zijn moeder ziek was. In mei, na haar overlijden, vertrekt hij weer. Met zijn vader en broer reist hij over Lemmer en Amsterdam naar Antwerpen. Voorlopig zullen ze in België blijven, later gaan ze wellicht op tournee door Duitsland, Denemarken en Zweden.

Pas in juli 1876 is Tom Pouce weer in eens op de Leeuwarder kermis te zien. De 37-jarige Hannema heet dan nog goed geconserveerd. Volgens de Leeuwarder Courant is een gesprek met hem de entreeprijs ten volle waard, want hij weet veel te vertellen van zijn omgang met keizers, koningen enzovoorts.

Het is zijn laatste optreden in Friesland. Willen Friezen admiraal Tom Pouce nog eens in levende lijve en vol ornaat zien, dan moeten ze in mei 1877 op de Groninger kermis zijn. Eind 1878 staat namelijk zijn overlijdensadvertentie in de krant, die hem geen in memoriam waard vindt.

Intussen had een Leeuwarder fabrikant wel een sigaar naar hem genoemd.

Jaren later krijgt hij ook een navolger in de persoon van Gerrit Keizer uit Sint Annaparochie, die eveneens de hele wereld bereist als admiraal Tom Pouce. Omstreeks 1895 raakt deze kloon bekeerd tijdens een verblijf in Amerika. Sindsdien preekt hij. En zingt hij louter nog opwekkingsliederen in het uniform van een heilssoldaat. Zo treedt Keizer in die uitdossing op in het Tehuis te Groningen.


Brillenslijper

 

Geplaatst op 28 oktober 2007

Aangetroffen in P.N. Muyt – Nederlandsche tafereelen van kunsten, ambachten en bedrijven voor kinderen. Dit vierdelige centsprentenboekje met plaatjes, versjes en proza-verklaringen voor alle bekende ambachten verscheen in de jaren 1828 en 1829 bij de drukker en uitgever Johannes Noman te Zaltbommel, maar de plaatjes zijn veel ouder. Sommige, zoals van de bleker en de landman, komen uit Spiegel van het menselyk bedrijf van Johannes en Casparus Luyken (Amsterdam, 1694).


Op eekhoornjacht

Tegenwoordig voederen wij de eekhoorns, zoals dit exemplaar in Dwingeloo. Een paar generaties terug ging men er in die omgeving nog heel anders mee om.

Toen Drenthe nog grotendeels bestond uit onafzienbare heidevelden, zag men er nog niet zoveel eekhoorns. Immers, die houden van bomen, om in te wonen en van te leven. Aan een kaal open landschap hebben ze niets.

Zo noemt de Meppeler Courant in 1880 een eekhoorn in De Wijk “een bijzonderheid”. Volgens die krant gaat het om “een diertje dat men hier zelden aantreft”.

Die eekhoorn werd geschoten. Twintig jaar later vangt men in Uffelte een exemplaar.  “Dit dier komt hier anders niet voor”, schrijft de Uffelter correspondent dan aan de krant. “Althans de oudste inwoners herinneren zich niet hier ooit een gezien te hebben.”

Maar met de aanplant van bossen op de verdeelde woeste markegronden, vanaf eind negentiende eeuw, zijn eekhoorns wel flink in opkomst in deze regio. Volgens Hendrik van der Zweerde, die later beide bovenstaande stukjes uit de krant haalde voor zijn boekje over het plattelandsleven in Zuidwest Drenthe, zaten er rond 1930 al “flink wat eekhoorntjes” in de bossen van de streek. Toen was het in Uffelte en omgeving inmiddels ook  een “vrij veel” beoefende sport, om ze te vangen.

Jongkerels waren de gangmakers van dat “opwindende spel”, maar kinderen deden er ook enthousiast aan mee. Netten of vallen kwamen er niet aan te pas. De groep zocht een dennenbos op met bomen van een jaar of vijftien oud, waarvan de nog vrij dunne en nog enigszins buigbare stammen van onderen kaal waren, zodat iedereen er ongehinderd tussendoor kon rennen. Dit bos moest op zichzelf staan en ook niet grenzen aan akkermaals- of kreupelhout.

De jacht begon bij de boom waar de eekhoorn zijn nest had. Daar trapte de aanvoerder van het stel hard tegenaan. Met veel geraas en getier werd het beestje verder opgedreven van den tot den, en wel zo, dat het geen ogenblik rust kreeg. Zodra het ergens in een boom ging zitten, schudden de jongens aan die boom. Na een uurtje was de eekhoorn dan zo moe, dat hij nauwelijks meer kon springen. Dan werden alle omringende bomen eerst en vervolgens de vluchtboom bezet en geschud. De eekhoorn moest wel springen, kreeg geen greep op de slingerende takken, tuimelde naar beneden, waarna er dadelijk een kiel of een jas overheen ging.

Als het beest niet aan een hartaanval bezweek, lieten de jongens het meestal wel weer los. Soms stopten ze het in een kooi waarin het wegkwijnde. “Geen spel om met genoegen aan terug te denken”, zegt Van der Zweerde dan ook. “Maar wel een bezigheid om de dagelijkse beslommeringen bij te vergeten.”

Zelf ben ik vanavond ook een uurtje op eekhoornjacht geweest, maar dan op YouTube. Naast heel veel duffe filmpjes van eekhoorns die verwoed op iets zitten te knabbelen, zijn er video’s van de prachtigste capriolen, zoals:


Een ander ‘Bureau’

In dit boekje komt een fantastische anecote voor over Sturla Gudlaugsson, die in de tweede helft van de jaren zestig een poos directeur was van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Dokumentatie (RKD). Over deze Gudlaugsson ging het gerucht dat hij ’s morgens heel vroeg, als er nog geen enkele collega aanwezig was, naar zijn kamer op het RKD sloop, om er dan pas om half zes ’s middags weer uit te komen, als alle collega’s het pand al hadden verlaten. Op de onverwachte binnenkomst van een medewerkster reageerde Gudlaugsson eens heel geagiteerd en paniekerig. Tegen deze medewerkster riep hij: “U ziet toch dat ik er niet ben?!”

Dezelfde Gudlaugsson en zijn kamergenoot zaten ook eens op een zaterdagavond nog te werken op het RKD. Dat gebeurde vrij ingespannen, je kon een speld horen vallen. Na een uur zo in diepe stilte tegenover elkaar gezeten te hebben zegt Gudlaugsson tegen zijn kamergenoot: “Hè, wat is het hier gezellig!”


Leeuwarder Courant vanaf 1752 helemaal online

Heugelijk nieuws, een dag eerder dan verwacht, en zojuist wereldkundig gemaakt door de ‘digitale archiefrat’ Eric Hennekam: alle jaargangen van de Leeuwarder Courant vanaf 1752 staan gescand online.

Tot begin 2008 is de site gratis te raadplegen. Ik heb me natuurlijk als de gesmeerde bliksem aangemeld en er net even mijn toch tamelijk zeldzame achternaam – Perton – door de molen gehaald. Dat leverde maar liefst 516 resultaten op, verdeeld over 26 presentatiepagina’s. De eerste zeven pagina’s, tot 1875, heb ik daarvan nu gescreend. En ik moet zeggen dat het me niet meeviel. Het systeem neemt namelijk heel vaak het woord persoon, het meervoud personen of het bijvoeglijk naamwoord persoonlijk in de resultaten mee. Ook werken de highlights voor de zoekterm lang niet altijd. Het systeem is duidelijk hetzelfde als dat van De (Groene) Amsterdammen, met dien verstande dat er wel met ‘knipsels’ wordt gewerkt voor afzonderlijke artikelen of advertenties, zodat je godezijdank geen algehele pagina’s meer hoeft af te grazen.

Voor de andere, al bestaande digitale krantendatabanken verwijs ik naar de links bij Hennekam. Op dit gebied zit er nog heel wat in het vat. Zo komt er, nu de Leeuwarder compleet online staat, een soortgelijk project aan voor het het Nieuwsblad van het Noorden en de Provinciale Drentsche en Asser Courant, dat, zoals ik laatst hoorde, ergens in 2009 afgerond moet zijn. Ook de Koninklijke Bibliotheek is trouwens nog volop in touw met haar massadigitalisering van landelijke kranten.

Tot slot: over de Leeuwarder Courant in 1935 staan er twee filmpjes op YouTube. Deze zijn hier en hier te vinden.


Haaien in de Zuiderzee

Ketelbinkie mocht dan nooit van haaien hebben gehoord, hij dateerde ook van na de Afsluitdijk. Voordat die er kwam, driekwart eeuw geleden, zwommen er wel degelijk haaien rond in de Wadden- en de Zuiderzee, zoals blijkt uit een gedicht van Piet Paaltjes, en een bericht in de Winschoter Courant van 22 juni 1894:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Haaien van ruim twee meter, dat waren flinke knapen. Bij nader inzien is het ook niet zo verwonderlijk dat ze hier rondzwommen, immers het voedsel voor zulke joekels was hier ook wel aanwezig, in de vorm van bruinvissen.


Een ongestadige liefde in Stadskanaal

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

(Uit de Winschoter Courant van 11 april 1894.)