Mysterie herberg het Vlooienest opgelost

Geplaatst op 1 mei 2007  vlonust

In de prothocollen van het Groninger Nedergericht kwam ik eens een turfschippersruzie tegen. De snabbevaarders dronken een glaasje met elkaar in herberg het Vloinust, ook wel gespeld als Vloinest of Vloynust, “op het Landschap Drent”. Eén klaagde dat zijn collega’s hem op het droge hadden laten zitten, “en niet wel met hem gehandeld hadden”. Zelf was hij tenminste een eerlijk man. Dit “stoffen” op zichzelf schoot een ander in het verkeerde keelgat, en deze voer uit dat hij anders gehoord had hoe nummer één een keer turf jatte bij het inladen van zijn schuit. Voor turfschippers onder elkaar was dat een serieuze betichting. En daarom voelde nummer één zich, “wilde vrede hebben onder de varende luiden”, genoodzaakt om een smaadproces tegen die ander te beginnen, waar wel zes Groningse en Drentse getuigen aan te pas kwamen.

Op zich allemaal niet zo vreselijk interessant, zo’n turfschippersruzie uit 1752. Wat bleef intrigeren, echter, was die herbergsnaam: het Vlooienest. Waar stond dit ravisante établissement? Ik las toch aardig wat Drentse en Groningse streekhistorie, maar deze curiositeit kwam ik nooit eerder tegen. En sindsdien ook niet meer. Tot een verwijzing deze week een einde aan het mysterie maakte. Het Vlonest, zegt ingenieur G.A. Coert in zijn onvolprezen ‘Stromen en schutten, vaarten en voorden’, stond bij het Annerverlaat in de Hunze of Oostermoerse Vaart.

Oud Annerveen dus. Vlakbij Spijkerboor. Jaren naar uitgekeken en te vinden in de eigen boekenkast. Heel bevredigend, zoiets.

Aanvulling 26 maart 2015:
Ik lees hier (via een hotspot) dat de herberg midden zeventiende eeuw genoemd is naar een Harm Harms Vloo. Zie verder.


Pestlijders in Bourtange

Geplaatst op 17 april 2007

Binnenkort gaan ze in Bourtange weer veldslagje spelen. Met bijna levensechte pestlijders. Daarom kunnen mensen met kleine kinderen maar beter wegblijven, adviseert de organisatie.

Natuurlijk weer de voorspelbare reacties bij dat bericht op de DvhN-website: “Mijn gezin komt in ieder geval niet.” En: “Zoiets moet toch voor het hele gezin beschikbaar blijven.” En: “Hoe achterlijk moet je als bestuur wel niet zijn…”

Veel mensen willen wel iets weten van een goeie ouwe tijd, maar zonder enge ziektes graag. Ze prefereren een verleden waar de scherpe kanten vanaf zijn. Het zou eens bijten. Hun gekortwiekte historisch besef prefereert kitsch, in de definitie van Kundera: “De absolute ontkenning van stront”.


Een allegorie voor de lichtgelovigheid

Geplaatst op 11 april 2007

Bij veilinghuis Glerum hebben ze weer iets interessants in de aanbieding. Lotnummer 21, een anoniem paneeltje van een goochelaar en zijn publiek, Haarlemse school, zeventiende eeuw, te verwachten opbrengst tweeduizend à  vierduizend euro.

Op een dorpspleintje vertoont de goochelaar zijn kunsten. Hij staat op een verhoginkje achter een beklede ton. Met zijn publiek is iets vreemds aan de hand, dat valt meteen op. Vooral achteraan vind je de boerenpummels die gewoonlijk figureren op dit soort genreschilderijtjes. Maar vooraan staan er een muzelman, een katholieke pastoor en een gereformeerde predikant.

Ik denk dat het werkje een allegorie is voor de lichtgelovigheid. De waarheid van de goochelaar is niet houdbaar, getuige de slappe, naar beneden zakkende banden rond diens ton. Desondanks wordt ze voor zoete koek geslikt, gezien de open monden bij het publiek. En om wat voor gelovigen het ook gaat, en hoe geleerd die gelovigen ook mogen zijn – zeker in een boerendorpscontext – ze trappen er toch weer in, in de truukjes van de goochelaar.


Multidisciplinair puzzelaar

Adams Appel, het wetenschapsprogramma van de RUG, wordt tegenwoordig steeds op YouTube gezet om een jonger publiek te interesseren. De laatste aflevering behelst een portret van hoogleraar landschapsgeschiedenis Theo Spek. Met een groep deskundigen uit verschillende discplines gaat hij de biografie schrijven van het landschap rond de Drentse A. Ook die groep komt uitgebreid in beeld:


Terschellingers vermomd op robbenjacht (ca. 1560)

 

Geplaatst op 30 maart 2007

Toneelspelen zit de Terschellingers in het bloed begrijp ik. Vandaar dat Oerol.

Bron


Onruststoker

Op het Fin de Siècle-weblog staat een uitgebreid verhaal over de hotelhouder, anarchist en naturist Jan Poppes Hommes van Finsterwolde (1843-1916). Doodzonde dat diens correspondentie bij de bevrijding van Groningen in de Guldenstraat verbrand is.


Middeleeuwers wasten hun handen voor het eten

Geplaatst op 8 maart 2007

“n uiterst zeldzame topvondst”, noemde de gemeente Alkmaar het. In de beerput van een groot laat-middeleeuws koopmanshuis troffen de stadsarcheologen er een lavabo aan, een watervat met hengsel en twee schenktuiten, versierd met dierenkoppen. Een soortgelijke lavabo zit weliswaar in de collectie van het Rijksmuseum, maar het Alkmaarse exemplaar heeft het deksel nog, en is dus compleet.

Zo’n lavabo hing in een nis of een speciaal meubel boven een gootsteentje. Lang niet iedereen had zo’n chique geval in huis, je kon er de stand van de eigenaar aan aflezen.

Uit de pot kwam het water waarmee de koopmansfamile de handen voor het eten waste. In tegenstelling tot wat bepaalde stereotypen willen, waren deze Alkmaarder middeleeuwers dus best op enige reinheid gesteld.


Kerels die wrongel eten

Een laat voorbeeld van een wrongelhuis ten zuiden van de stad Groningen was Landlust in Helpman, bekender onder de naam van uitbater Vorenkamp, die er speeltuin en tennisbanen bij aanlegde. Bron: Nieuwsblad van het Noorden 24 mei 1911.

Een laat voorbeeld van een wrongelhuis ten zuiden van de stad Groningen was Landlust in Helpman, wellicht bekender onder de naam van de uitbatersfamilie Vorenkamp die er een speeltuin en tennisbanen bij aanlegde. Bron: Nieuwsblad van het Noorden 24 mei 1911.

De Koninklijke Bibliotheek heeft het pas verworven Gruuthuse-manuscript (ca. 1400) integraal op het web gezet. Met zware foto’s van de pagina’s en met de transcripties van de teksten er meteen bij, zodat je gelijk een middeleeuws handschrift kunt leren ontcijferen.

Wat een geweldige democratisering van dit cultuurgoed, trouwens. Nog geen maand geleden lag het in de kluis van een Vlaamse baron, en nu is het in feite toegankelijk voor de hele wereld. En dat voor een luttele 2,5 miljoen gulden.

Op de speciale KB-website staat ook een pagina met muziekopnames, onder andere van Studio Laren en Camerata Trajectina. Zeer bekend is het Kerelslied, een spotlied van ‘ruters’ (ridders) op ‘kerels’ (voetvolk), die volgens het refrein veel meer eten dan goed voor ze is:

Wronglen wey broot ende caes
Dat heit hi al den dach
Daer omme es de kerel so daes
Hi hetes meer dan hijs mach

Vanuit hedendaags standpunt lijkt dat wrongel, wei, brood en kaas geen Bourgondische aangelegenheid, maar zeker die wrongel was een luxe lekkernij. Het ging om een soort hangop of kwark met suiker. In dè uitgaansbuurt van Groningen zo tussen 1680 en 1850, het gebied ter weerszijden van de Hereweg in de omgeving van de Davidsteeg en de Brandenburgersteeg, had je bijvoorbeeld een stuk of vijf, zes wrongelhuizen, waar het spul in kommen en met speciale zilveren lepels werd opgedist. De uitbaters van deze wrongelhuizen hoefden volgens een bepaling uit 1792 geen lid te zijn van het tappersgilde, als ze buiten hun melkspijzen alleen maar koffie en thee verkochten.


Culinaire antiquiteiten

Pasteibakkers aan het werk in een keuken met voornamelijk gevogelte, deels nog in de veren, deels al geplukt en aan het spit. Men merke op hoe de kat richting de vis sluipt:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Gek, dat deze Verstandige Kok of Sorgvuldige Huyshoudster (1669) helemaal niet in de catalogus van de UB staat. En er evenmin uit het tentoonstellingsboekje blijkt, waar dit kookboek dan wel vandaan komt.

Er valt nog meer aardigs te zien, zoals dit blikken kinderfornuisje uit de jaren vijftig:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Zulke had mijn kleuterschool ook. Ze waren het domein van de meisjes.

Nog wat oudere  oorlogskookboekjes uit de jaren 1940-1942, die inspeelden op de groeiende voedselschaarste en distributie:

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

En een prijswinnende stier – zo gingen ze vroeger onder trommelslag de stad door – omringd door brochures van De Nederlandse Slagersorganisaties (‘Tussen kop en staart’) en het Produktschap voor Pluimvee en Eieren (‘Toveren met een eitje’).

KONICA MINOLTA DIGITAL CAMERA

Dit alles en nog veel meer is te zien op een expositie in de Groninger UB. ‘Van karige maaltijd tot literair banket; Vier eeuwen koken en (kook)boeken’ sluit op 4 maart.


Vreemde vesting

Geplaatst op 11 februari 2007

Hoe langer je naar dit plaatje kijkt, hoe meer ongerijmdheden je opvallen.

Voor de vesting is de kanonnade al begonnen. Een kwadrant piekeniers staat klaar om de brug te bestormen.

Maar waarom ligt die brug er nog? Binnen de vesting doen ze net of er niets aan de hand is. Want ze lopen er maar te exerceren in een lange colonne, die als een slang door de krappe ruimte beweegt. Op de wallen staan slechts drie kanonnen, ver weg van het gevaar en ook nog de andere kant op gericht. En een deel van de troepen in de stad, in de achterhoede van die colonne, lijkt ook nog dezelfde vlag te voeren als de belegeraars.

Ik geloof niet dat deze vesting te redden was. Maar de scène komt niet uit een militair handboek, dat de cadetten wilde leren hoe het niet moest. Ze komt uit een metafysisch compendium van een mystieke rozekruizer, ca. 1620.

Grotere versie

Bron


Roggebrood met hagedis

geplaatst 31 januari 2007

Grote schrik op de broodafdeling van een Brabantse Albert Heijn, vorige week. Er scharrelde een hamster rond. En dat uitgerekend in de ‘hamsterweken’.

Maar het kan altijd nog gekker. Mij deed het bericht denken aan een stukje dat ik eens aantrof in een oude Provinciale Drentsche en Asser Courant. Ik heb er even naar moeten zoeken, maar inmiddels is het boven water. Het stond op dinsdag 19 juli 1870 in die krant en het gaat over een incident in Wapserveen:

“Voor eenige dagen had er bij een onzer ingezetenen een zeldzaam voorval plaats. De vrouw des huizes sneed volgens gewoonte eenige sneeden roggenbrood tot morgenontbijt, maar werd door den kleermaker, die tegenwoordig was, er opmerkzaam op gemaakt, dat er zich iets bijzonders in het brood bevond. Bij onderzoek bleek het een hagedis of evertast te zijn. Hoe dit dier in het brood gekomen is weet men niet, maar dit is zeker, dat ze er niet van gebruikt hebben. Het brood was niet op deze plaats gebakken, maar van elders gekomen.”

Wat dit bericht extra curieus maakt, is de term ‘evertast’ voor hagedis. Googelen op dat woord levert niet veel soeps op, en het WNT geeft rechtstreeks ook geen verklaring. Maar bij het lemma hagedis noemt het WNT de term wel, zij het in iets andere vorm. Volgens het woordenboek is er een soort stamlijn van hagedis naar oudere woorden als hagetisse en egetisse, waarmee we al aardig dicht bij dat evertast zitten. En verder noemt het WNT varianten uit de Nedersaksische streektalen, waarmee de term definitief thuisgebracht is:

  • Gronings: evertaske, heveltaske
  • Drents: eve(r)dassche
  • Twents: eveltasse
  • Gelders: everdesse, everdes, everdis

Evertaske geldt bovendien als een van de mooiste woorden in het Stellingwerfs, en het is de naam van een pension in het Groningse Noordhorn, blijkt bij nader googelen. De meervoudsvorm staat zelfs in de Nedersaksische Wikipedie.

Met dat evertast zal de Wapserveense correspondent van de Drentse krant een zandhagedis bedoeld hebben, want dat beestje kwam veel in heidegebieden voor. Weliswaar is het een bodembewoner, maar het klimt ook wel langs muren en zolderingen, en zo moet het in de bakkerstrog beland zijn.

Of een bakker zulke beesten in zijn werkplaats duldde, is onzeker. De Statenbijbel noemt in Leviticus 11:30 de “egdisse” een “onreyn gedierte”. Een gereformeerde bakker joeg een evertast dus weg, mag je aannemen. Anderzijds bestond er een volksgeloof dat de hagedis de mens goed gezind was. Om die reden kwamen ze veel rond woningen voor, en hield men ze soms in huis, ook omdat ze zich gemakkelijk lieten temmen. Vondel dichtte:

“Dit merckte een wackere Haeghedis,
Die vrouw Natuur in stilheit dient,
Den mensch bemint, en gunstigh is,
En gadeslaet, en houdt te vrient.”

In elk geval kwam de Keuringsdienst van Waren er niet aan te pas, daar in Wapserveen. Want zo’n dienst bestond anno 1870 nog nergens, en apart toezicht op de bakkers was er evenmin. Nederland was überhaupt nogal achterlijk op dit gebied. Pas tegen 1900 kregen Amsterdam en Rotterdam zo’n “verzekering tegen diefstal van volksgezondheid en volkskracht”, waarna in 1905 de stad Groningen volgde. Hier werd vooral melk gekeurd, omdat daar nogal eens typhusbacillen in voorkwamen. Pas tijdens de Eerste Wereldoorlog, toen schaarste de verleiding om slechte voeding te debiteren stimuleerde, kregen de drie noordelijke provincies hun levensmiddelen-verordeningen en Keuringsdiensten van Waren, en in de jaren 1919 – 1922 kwamen er eindelijk landelijke regelingen tot stand.


Kuisheidsgordel

Geplaatst op 23 januari 2007

Mocht u nog een authentieke kuisheidsgordel willen bezitten, spoed u dan naar Nijmegen, aanstaande zaterdag. Want daar komt dit Duitse exemplaar onder de hamer.

Het geval is zo’n 25 centimeter hoog en bestaat in principe uit twee smeedijzeren platen, die aan de onderzijde scharnieren. Voor een gerieflijke dracht zijn de randen naar buiten toe opgerold en beschikt het binnen die randen over kleine geboorde gaatjes, waaraan een binnenvoering naar keuze te bevestigen valt. Maar de twee grotere, getande openingen aan de onderkant zijn u natuurlijk veel eerder opgevallen. De grote is voor het front, en de kleine voor de derrière, waarbij zich onwillekeurig de vraag opdringt of dat nou erg hygiënisch was, te moeten poepen door zo’n tweede ster. Aan de bovenkant, tenslotte, twee beugels met ogen voor de onontbeerlijke hangsloten, die het geheel prachtig zullen afkleden.

Het betreft een exemplaar uit de zeventiende eeuw, toen in Duitsland de Dertigjarige Oorlog woedde. Gaf een vestingstad zich niet over, dan was het de gewoonte om de soldaten een aantal dagen vrij spel te geven, zo ze die stad toch wisten in te nemen. Na de krijgsinspanning was het dan tijd voor krijgsontspanning en konden ze zich overgeven aan hun meest geliefde hobbies: plunderen, brandschatten, moorden en verkrachten. Om dat laatste tegen te gaan, droeg een redelijk gefortuneerde vrouw waarschijnlijk deze gordel.

Ook u dient te beschikken over een goed gevulde beurs, indien u de volgende eigenaar wilt zijn. De gordel moet namelijk drie- à  vierduizend euro opbrengen op de antieke wapenveiling, die veilinghuis Hessink organiseert.


Groninger oorlogsbodem

Geplaatst op 19 januari 2007

In een Spaans archief is onlangs deze ontwerpschets uit 1755 van een Groninger tjalk met viervoudige stormladder boven water gekomen. Bij enkele proefnemingen bleek het oorlogsvaartuig niet helemaal te voldoen. Bij gebrek aan deugdelijke ankers kapseisde het steeds met man en muis. Daarom werd het nooit in produktie genomen…


Kinderen van dikke boeren

Mary Hilberdink werkte in 1969/1970 als onderwijzeres op de Sint Vitusholtschool in Winschoten. Uit haar herinneringen:

“Ik had ook veel moeite met het standsverschil op de school. Zodra ik met werken begon, werd mij gewezen op bepaalde leerlingen in mijn klas. Deze leerlingen moesten met extra zorg behandeld worden, want het waren kinderen van “dikke” boeren. Dat dikke boeren werd met een soort ontzag uitgesproken. Dik betekende machtig en rijk. Ik had van een boer een heel ander beeld en ik zou wel zien. Gelukkig waren die kinderen van die dikke boeren niet anders dan de kinderen van de landarbeiders. Ze waren altijd heel BRAAF en dus heel erg SAAI.”

Bron


Tom Poezen

Geplaatst op 1 december 2006  Tom poezen

Volgens het DvhN van vandaag heette het Duitse smalspoorlijntje bij Havelte in de volksmond het “Tom Poeslijntje“. De naam verwees naar de NSB-burgemeester van het tien kilometer verderop gelegen Steenwijk,

“een klein iel mannetje dat door de inwoners van Havelte Tom Poes was gedoopt”.

De passage maakte een herinnering bij me los aan een andere Tom Poes. Dat was een klein dik mannetje dat in het dorp Havelte zelf woonde, aan de Brink naast de supermarkt. Officieel heette hij Hendrik Nijenhuis, en hij maakte zich omstreeks 1965-1967 verdienstelijk door de schuur achter zijn huis ter beschikking te stellen voor het oude papier, dat wij als leerlingen van de lagere school ophaalden, eens in de maand op een woensdagmiddag. In die schuur, soms tjokvol gestouwd, moest geen brand uitbreken. Ook hielp deze Tom Poes zelf wel eens mee met de oud papierophalerij. Hij zat dan op de bok van zijn paard en wagen – later had hij een vrachtautootje, geloof ik.

De bijnaam Tom Poes slaat dus altijd op een klein mannetje. Toen ik jaren geleden ouwe Groninger Couranten zat door te nemen, kreeg ik door waar die bijnaam – misschien met tussenkomst van de stripheld – uiteindelijk vandaan kwam. Medio negentiende eeuw vertoonde zich regelmatig een dwerg in de stad, Admiraal Tom Pouce. Diens werkelijke naam was Jan Hannema (1839 – 1878). Hij kwam uit Friesland, maar was in zijn tijd een internationale attractie.

Deze Friese Admiraal Tom Pouce was weer een deels in het Frans vertaalde variatie op en tegenhanger van de General Tom Thumb die in 1844 vanuit Amerika overkwam met Circus Barnum. Ook deze dwerg vormde in Europa een grote bezienswaardigheid.

Volgens de Nederlandse Wikipedia is het gebakje Tompoes naar die Amerikaanse ‘generaal’ genoemd, maar dat geloof ik niet zo. Het was de Friese ‘admiraal’ die zijn naam moet hebben geleend aan de lekkernij.