Dwaalsporen

noord-nederland

Op de kaart van het Duitse Rijk in de atlas van Bleau (1635) ziet Noord- Nederland er een beetje vreemd uit. Dat de landsgrens een stuk verder oostwaarts ligt dan bij de vrede van Münster (1648), en Bentheim, Nordhorn en Schuttorp dus nog binnen dat roze lijntje liggen, zal voortvloeien uit de nog ongewisse oorlogssituatie. Maar dat Katlijk typografsch tot een van de belangrijkste plaatsen van Fr iesland is gepromoveerd, het Drentse Asse(le)n ten zuidoosten van Anlo werd gepositioneerd, en dat er niets boven de stad Groningen gaat, behalve (Ooster- en Wester-)Nielandt, moet de reiziger, die louter en alleen over deze kaart beschikte, op ernstige dwaalsporen hebben gebracht.

De opschaalbare kaart is met tal van detailkaarten, ook van de Nederlandse provincies, te vinden op de website van de Universiteit van Los Angeles, die een paar jaar geleden zo’n beetje deze hele atlas liet scannen. Ziehier de toegang tot het geheel. Maar een waarschuwing is op zijn plaats: doorklikken kan leiden tot uren kijkplezier!


Vlintenrooiers

Op 30 juni 1863 rapporteert de Provinciale Drentsche Courant een grote bedrijvigheid op het Ellertsveld bij Sleen. Mensen verzamelen er veldkeien, en verdienen daar goed aan. Met een tweespan kan je er wel 6 à  8 gulden per dag mee beuren.

Het vlinten rapen nam in Drenthe 130 jaar eerder al eens grote vormen aan, toen de paalworm het houten post- en paalwerk van de dijken teisterde. Maar toen was het vooral het zuidwesten van Drenthe dat keien leverde voor met name de Hollandse stormvloedkeringen. Een enorme hoeveelheid ging erheen – in de vlintenbusiness was het toen even druk geweest als normaal in de hooitijd. Onder andere sneuvelde een monsterkei (dolmen?) bij Kallenkote die 127.000 pond vlinten opleverde.

In de zomer van 1863 bericht ook de Arnhemsche Courant over het keiendelven op het Ellertsveld, in een stuk dat de Drentsche Courant overnam. Dat deze lucratieve bezigheid nu in de zuidoostelijke uithoek van Drenthe in zwang raakte, kwam duidelijk door de verbeterde afvoermogelijkheden, langs het vrij nieuwe Oranjekanaal en de helemaal spiksplinternieuwe Noord-Willemsvaart. Dit keer gingen veel vlinten via Delfzijl naar de Dollard, maar, zo schreven de kranten:

“Men verzekert dat de Drentsche heide genoeg steen heeft voor al onze zeeweringen en men die dus niet uit Noorwegen behoeft te halen.”

In elk geval hadden de boeren bij het Ellertsveld het er maar druk mee. Van een stukje land, een halve bunder groot, kwam maar liefst 8000 pond keien. Grote stenen van 2000, 3000 kilo werden anders dan in 1735 niet opgeblazen, maar met behulp van een drie-stel en een katrol op een boerenwagen gedeponeerd. De alternatieve methode bestond uit het graven van een brede geul in de heide, tot onder zo’n steen. Als de geul klaar was, brachten de vlintenrooiers hun wagen tot onder de steen, waarna ze de steen op de wagen rolden.


Likeur en koekjes

Drentsche Courant 18 november 1862:

“De slaven in Suriname zijn zeer ingenomen met hunne vrijverklaring en kopen de couranten, die dit nieuws melden, alleen om zich te laten wijzen waar het besluit staat. Lezen kunnen zij niet. Zij omhelsden elkanderen in ’t publiek, dronken likeur en aten koekjes.”


Miserabelen

Goed gaar van weer zo’n dagje krantenscreenen. En het schiet maar niet op. Van de week in totaal 2,5 jaar gedaan. Dat betekent dat ik voor de hele periode van 15 à  20 jaar die ik zou willen doen zes weken kwijt ben.

Bij de ‘oogst’ van vandaag zaten natuurlijk wel weer de nodige aardigheden, onder andere over schrijvers.

Op 10 april 1862 meldt de Provinciale Drentsche en Asser Courant dat de Brusselse uitgever van Victor Hugo al 700.000 gulden bedongen had van buitenlandse uitgevers, die Hugo’s nieuwe roman ‘Les Miserables’ eveneens willen uitbrengen. De gevierde schrijver zelf toucheert een ton gouds. “De ellendigen maken de heeren rijk”, is de droge conclusie.

Op dat moment vertoeft Hugo nog steeds in luxe-ballingschap op het Engelse Kanaal-eiland Guernsey. Zoals bekend moest hij weinig hebben van Napoleon III, die hij een tiran vond en ‘Napoleon le Petit’ noemde. De Drentsche en Asser Courant heeft evenmin veel met de de Franse keizer op, maar kan diens cultuurbeleid wèl weer waarderen. Want menig Frans letterkundige krijgt het Legioen van Eer opgespeld, en ook bestaan er plannen om ze staatspensioenen te verlenen. “Die in Nederland eene goede pen heeft, en daarvan moet leven”, roept de Drentse krant uit, “kan verzekerd zijn dat hij op zijnen ouden dag honger lijdt!”


‘Portretten als door tooverij vervaardigd’

Er dook een ouwe bekende op.

“De Heer Kiek, Potografist”, schreef de Provinciale Drentsche en Asser Courant van 9 mei 1861,

“heeft hier in een paar dagen tijds menige proef geleverd dat hij de kunst verstaat om fraaije, sprekend gelijke portretten te vervaardigen. Hij neme dit getuigenis mede naar andere plaatsen en als het hem tot voordeel is, zal het ook in menig huisgezin een sieraad brengen en er de herinnering aan afwezigen levend doen blijven.”

Bij dit redactionele getuigschrift gaat het om de man wiens naam in ons woord ‘kiekje’ vereeuwigd is. Deze Israël David Kiek (1811-1899) bewoog zich in het noorden niet op helemaal onbekend terrein, want hij zag het levenslicht in Groningen als zoon van een horlogemaker, en verdiende hier tot zijn 44-ste nog zijn brood als schrijnwerker-kistenmaker en loterij-agent.

Toen echter, was hij met zijn gezin verhuisd. Naar Leiden, de grotere academiestad, waar hij een sigarenzaak begon, maar zich weldra ontwikkelde tot full-time portretfotograaf met een eigen atelier en studio. Vooral studenten vormden zijn cliëntèle. Zij waren het die zijn portretten liefkozend ‘kiekjes’ gingen noemen, een term die nu dus algemeen-Nederlands is. Om die reden richtte Leiden een paar jaar terug zelfs een monument voor Kiek op.

Kennelijk reisde Israël David Kiek in slappere maanden ook wel het land af, en kwam hij op zulke reizen in Drenthe. Maar in dit oord van heide en struikgewas bleek hij evenmin een volstrekte pionier. Volgens het Drents Archief is de oudst bekende foto van Drenthe namelijk een portret uit 1858, en wel van Maria, de dochter van Jan Albert Willinge Gratama, toevallig de uitgever-redacteur van dezelfde Provinciale Drentsche en Asser Courant, die ik van de week door zit te lezen.

Uit de Groninger Courant weet ik dat de bewierroking van één vakgenoot de jaloerse reactie van een ander uit kon lokken. In dit geval maakte de publiciteit voor Kiek een fotograaf wakker, die al langer op losvaste basis in Assen bivakkeerde. En dat leidde twee nummers later niet alleen tot een advertentie van deze A.K. Ringler in de Drentsche en Asser Courant, maar ook opnieuw tot een stukje redactionele reclame, waarbij de redacteur nu Ringler prees en hem uitdaagde om zijn kunnen eens op bosgezichten te beproeven.

Juist deze tweede fotografische advertorial bevat een iets uitvoeriger beschouwing. Enerzijds laat die zien hoe populair de fotografie dan al is, anderzijds blijkt er uit dat de fotografen niet altijd de juiste chemicaliën of doseringen gebruikten, waardoor het uiteindelijke resultaat nogal eens tegenviel en er dus heel wat van zulke portretten moeten zijn weggegooid. De krant schreef:

“Sedert de daguerrotype in de wereld verscheen, is men met kracht begonnen het menschdom te portretteren en zelfs in de woningen van landlieden en handwerkslieden hangt de familie aan de muur. Wie zal het getal portretten begrooten, in de laatste 10 jaaren als door tooverij vervaardigd, maar wie zal ze tellen, die door de tijd ook weder werden geéclipseerd? Er zijn bovendien ontzettend veel lelijke daguerrotypen gemaakt, heel flauw- en zeer zwartkijkers, die bijkans niemand in zijne familie wilde erkennen. Maar in de kunst is het voorwaarts en zoo ging het ook. De portretten door enkele photographisten vervaardigd, zijn treffend door gelijkenis en uitmuntend door bewerking.”

Nog wat info over Kiek:
Wikipedia
Leiden


Hondekarren

Jozef Israels - de hondekar Rijksmuseum

Op 26 juni 1860 stond er een ingezonden brief in de Drentsche Courant, die zich richtte tegen de hondekarren, welke “sinds enige tijd” bij ambulante handelaars in gebruik waren. Van hondekarren weet je dat ze op een gegeven moment, eind negentiende, begin twintigste eeuw, volop in gebruik zijn geweest, maar wanneer dat begon? Op die vraag gaf de ingezonden brief antwoord.

Bij nader inzien is dat tijdstip van enkele jaren voor 1860 ook wel logisch. Zulke wagentjes waren meestal niet al te stabiel, op de traditionele holderdebolderwegen op het platteland kon je ze dus nauwelijks gebruiken. Pas de vlakke kunstwegen van rond 1850 maakten een veel frequenter gebruik van de hondekar mogelijk.

De Trekhondenwet van 1910 bond het gebruik aan vergunningen, waarvan er in de jaren dertig steeds minder werden verstrekt. Pas in 1954 was het helemaal uit met deze nuttige aanwending van de hond, een eeuw nadat de hondekar in Londen al was verboden.


Kalf met twee koppen &c.

Vanmiddag naar de UB, zaal Oude & Kostbare Werken, om een half jaartje Provinciale Drentsche en Asser Courant uit 1860 door te nemen. Eigenlijk alleen op zoek naar berichten over enerzijds Sibrandus Stratingh Tresling, en anderzijds het voorkomen van steur in de Hunze, maar de makke van ouwe kranten is dat er zo vreselijk veel interessants in staat, dat je oog onwillekeurig blijft haken aan heel wat berichten die je uit efficiency-overwegingen beter over kan slaan.

Neem nou het nieuws over onze vrienden de dieren. Dat is er in zo’n negentiende eeuwse krant al zoveel, dat je er met gemak een proefschrift over zou kunnen vullen. Vooral ook omdat de omgang met dieren anders wordt. En Drenthe als natuur- en landbouwprovincie bij uitstek geschikt is voor een onderzoek naar die verandering.

Zo zat er in de krantenlegger van hedenmiddag een berichtje uit Zwiggelte, over de geboorte van een kalf met twee koppen. De Drentsche Courant meldt gewoon nog dat feit, ook dat het dier dadelijk was afgemaakt, en dat de koppen nog te bekijken waren “voor ieder die gaarne de natuur op een fout betrapt”.

Kennelijk behoorde de redacteur zelf niet tot degenen die belang stelden in dat soort wanstaltigheden. Toch krijgt het bericht van hem plaats in de krant. Een uitvoerige brief over dit of een ander misgeboren kalf echter, komt er niet in. “Hoewel er zijn”, schrijft de redacteur dan,

“die gaarne lezen van zulke spelingen der natuur, zoo is de schets in dit geval en de tekening van het jonggeborene kalf al te uitvoerig en te naauwkeurig. Een ordentelijk mensch wordt er wee van om ’t harte en wij zouden gewisselijk geheel uit de gunst geraken onzer zoo talrijke lezeressen.”

Op paasmaandag was er haansabelen in Dieverbrug en katknuppelen in Schoonoord. In beide gevallen doet de krant summier, maar getrouw verslag van deze volksvermakelijkheden, hun wedstrijdverloop en de einduitslag. Wel volgt er steeds een tournure naar het morele, die van geval tot geval een andere toon heeft. “Menigeen schudt het hoofd over de keuze van dat volksvermaak”, schrijft de krant over het haantrekken in Dieverbrug, “maar wie weet, wie geeft iets beters, dat meer genoegen schenkt?” Een uitspraak die ze gepaard laat gaan met de opmerking dat van bovenaf georganiseerde, meer ordentelijke vermakelijkheden gewoonlijk een allesbehalve enthousiast onthaal krijgen van degenen voor wie ze bestemd zijn.

Over het katknuppelen in Schoonoord daarentegen, breekt de redacteur zonder meer zijn staf. Hij noemt het een “wreedaardige dierenplagerij, vooral ongepast op dagen, die getuigenis behoorden te geven van eene gemoedsstemming, die geene hardvochtigheid verraadt.” De dierenbescherming is dan nog niet opgericht, maar door zulke berichten heen zie je de sensibiliteit als het ware groeien.