Een papegaaischieterij te Tolbert

Er was een papegaaischieterij in Tolbert gehouden: een traditionele schietwedstrijd, nog niet met een schietschijf, maar met een houten of blikken vogel om op te mikken, een vogel die bovenop een hoge staak of paal was neergezet. Wie de wedstrijd won, was schutterskoning. En na de wedstrijd werd die in triomf naar de herberg gevoerd, waar hij het feestvarken was bij de kastelein die de papegaaischieterij had georganiseerd.

Predikanten bekeken zulke vermakelijkheden met argusogen. Zo ook ds. Johannes Siertsema van Tolbert, die in de classis (predikantenvergadering) van het Westerkwartier verslag deed van het gebeurde:

bragte klaaglijk voor aan dese tafel, hoe dat op vrijdag den 31 meert 1775, twee dagen voor ’s Heeren Avondmaal, met permissie van ’t E.E. Gerichte, te Tolbert de papegay was geschoten onder confluentie van een groote menigte volks en agtervolgt met veel rumoer en baldadigheid tot in den laten nagt.

Zijn eerwaarde bleek zwaar geërgerd. Hij was bij A. Rijpma, een van de twee grietmannen (of rechters) van het Vredewold langsgegaan en die had verklaard dat hij “daartegen was geweest”. Met andere woorden, als het aan Rijpma had gelegen was die hele papegaaischieterij niet doorgegaan. Kennelijk kwam de toestemming van diens collega, de andere grietman.

Ds. Siertsema wilde van de classis graag advies hoe hiermee om te gaan. Zijn vakbroeders vonden, dat hij de andere grietman, namelijk de heer Guichart, daarover “in ’t vriendelijke” moest aanspreken , met het verzoek dat Guichart

sulke en diergelijke ongebondentheden in ’t toekomstige gelieve te stremmen.

Siertsema bracht, zo bleek drie maanden later, inderdaad een bezoek aan de “rigter ter plaatse”, en wel met zijn hele kerkeraad, dus vijf of zes man sterk. Maar Guichart toonde zich weinig gevoelig voor hun klachten over de papegaaischieterij. Hij antwoordde “geen kwaat daarin te zien”. Bovendien meende hij niet verplicht te zijn

zig daarover verder uit te laten, temeer wijl geen onbetaamelijkheden daarbij waaren voorgevallen.

Siertsema en zijn kerkeraad leden dus een nederlaag. Hun klachten vonden geen gehoor bij de rechter die er voor Tolbert toe deed. Het gevalletje laat intussen mooi zien, hoe ook destijds de visies op een en hetzelfde gebeuren hemelsbreed konden verschillen.

Bron: Groninger Archieven, Toegang 180 (classis Westerkwartier) inv.nr. 9: handelingen van 4 april (art. 17) en 4 juli 1775 (art 20).


Een willekeur over het Hoge Voetpad

Het kerkpad/Hoge Voetpad tussen Niekerk en Bijma Bos. Onderlegger: http://www.hisgis.nl

Justus d’Aulnis de Bourouil woonde nog maar net twee jaar op de borg Bijma op het Faan. Twee jaar later zou hij maire of burgemeester van de gemeente Oldekerk worden. Maar zover was het nog niet in december 1809, toen hij samen met enige Niekerker boeren zijn opwachting maakte in her rechthuis van het Westerkwartier. Met zijn vieren gaven ze de drost “reverentelijk” te kennen

dat door hunlieden sints onheuglijke tijden tot een kerkpad gebruikt zijnde zeker pad, lopende en beginnende van het dijkje van het bos van Byma tot aan Niekerk…

Dat bos van Byma lag achter de borg, aan de Niekerker kant. Met het dijkje bij het bos werd deels de huidige Maarsdijk bedoeld. En het kerkpad was dan het pad dat van Niekerk naar het oosten liep en dat tegenwoordig, met enige minimale tracé-aanpassingen, het Hoge Voetpad heet. Met dat oeroude kerkpad was iets loos, aldus de heer van Bijma en de boeren. Het verkeerde in een dermate slechte staat

dat zulks niet zonder vrees van ongelukken des daags, veel minder des avonds, kan worden gepasseerd.

Vreemd genoeg scheen er nooit “een vaste order van onderhoud” voor dat pad te zijn geweest. Daarom wendde de Niekerkers zich tot de drost met het verzoek,

dat gezegde pad mogte worden gebragt onder schouwinge, ofte zodanige order daarop gesteld, dat zulks ten allen tijde behoorlijk mogte worden onderhouden.

De drost besloot eerst een onderzoek in te stellen. Daarna kwam er een hoorzitting, en wel op 29 maart 1810, d.w.z. vlak voor het seizoen om wegen en paden te herstellen. Naast de heer van Bijma en de drie eerdergenoemde boeren kwamen dit keer nog elf andere boeren mee naar Zuidhorn, en die maakten met elkaar de drost al snel duidelijk, dat ze het onderling eens waren geworden over het pad. De drost noteerde als afspraak dat het pad

van nu voortaan behoorlijk zal worden onderhouden, dat een ieder tot zijn laste zal hebben en behouden het pand, hetwelke hij tot dusverre heeft gemaakt.

Kennelijk was het voorheen toch wel duidelijk, wie welk stuk (“pand”) van het pad moest onderhouden. In principe bleven die mensen daarvoor verantwoordelijk. Er werd echter ook een uitzondering gemaakt, namelijk voor het stuk pad dat over het land van Janna Jans liep, “zijnde het moeylijkst van onderhoud”. Blijkbaar lag dit stuk pad het laagst, waardoor het flink opgehoogd moest worden, want

in gevalle tot het maken van hetzelve nieuw zand of aarde moet worden aangebragt, zij (Janna dus) daarin provisioneel en tot nader schikking, zal worden geholpen door de gebruikers van de negentien grazen land, waartoe het land van Janna Jans origineel behoordt.

Ik maak hieruit op dat de grond van Janna, waarschijnlijk het heem van haar huis, mèt onderhoudsplicht was afgesplitst van een veel groter stuk land, waardoor Janna in de problemen was geraakt. Hiervoor gold als tijdelijke oplossing dat de boeren van het oorspronkelijke areaal haar zouden helpen met zand en zandaanvoer.

Ook bestond er onduidelijkheid over de vier vonders in het pad. Wat betreft deze plankbruggetjes stelde de heer van Bijma voor

dat dezelve, ter oorzake hij geen pand in dit pad was hebbende en evenswel daarvan gebruik maakt, het onderhoud van drie vonders (…) geheel ten zijnen laste zal nemen.

Dit was waarlijk een genereus gebaar: d’Aulnis was hiertoe niet verplicht, en zijn voorgangers op Bijma, zoals de familie Alberda en de beruchte Rudolf de Mepsche, hadden zich hiertoe blijkbaar ook nooit verplicht gevoeld. In concreto ging het om de vonders in het pad over het Oude Maar, over de Watersloot, en van Jan Pieters’ land naar Jan Cornelis’ land. Voor een vierde vonder, “leggende van Lammert Jans land op dat van Jan Pieters”, nam ene Jan Harms, ook aanwezig in het rechthuis, het onderhoud over,

wordende eindelijk het opzigt over dit pad en vonders overgelaten aan de boerrigters van Niekerk, al hetwelk aldus in actis is getekent om zich hierna in het toekomstige te reguleren.

Een dergelijke juridisch bindende afspraak tussen boeren of ingezetenen uit een bepaalde omgeving heet ook wel een willekeur. Het zou aardig zijn te weten, hoelang deze onderlinge rechtsregel stand heeft gehouden, voordat er opnieuw gelazer kwam. Heeft het pad wat later überhaupt de gemeentelijke wegenlegger gehaald?

Om tot besluit nog even op dat “onheuglijke tijden” in het rekest terug te komen: wie het bovenstaande kaartje nog eens bekijkt, ziet dat het kerkpad of Hoge Voetpad de scheiding vormde van twee verkavelingssystemen. Het ligt dan in de rede dat het inderdaad een vrij oud pad was. Het lijkt in elk geval ouder dan de verbindingsweg tussen Niekerk en Zuidhorn (de Van Millinghaweg of N980) die de verkaveling juist doorsnijdt.

Bronnen:

  • W.J. Formsma e.a., De Ommelander borgen en steenhuizen (Assen 1987) 106;
  • Groninger Archieven Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 728: rekestboek, 20 wintermaand 1809;
  • en idem, inv.nr. 415: commissieboek, donderdag 29 lentemaand 1810.


Bijzonder verzetsmonument

De stille Bosscherweg op de ruimte achter Grijpskerk afrijdend, verschijnt dit transformatorhuisje vanzelf in je blikveld. Amsterdamse school van een bekend model en niet zo heel erg bijzonder, denk je eerst nog:

Maar naderbij komend, zie je dat er toch iets meer mee aan de hand moet zijn. Iets lijkt er in scène gezet, je weet alleen nog niet wat:

Het blijkt een transformatorhuisje met een verhaal:

Een elektriciën van de Laagspanningsnetten verstopte hier de Grijpskerker bevolkingsadministratie. Het is eigenlijk een verzetsmonument:

Aan die fiets zit spaak noch ketting, daar rijdt niemand mee weg. Aan de fiets en aan de deur herken je de hand van kunstenaar Gert Sennema. Dit monument is verwant aan diens dichte deur in de Stad-Groninger Folkingestraat.

NvhN 2.12.1998.


Predikant rijdt bij dorpsgenoot de pannen van het dak

Op 24 augustus 1803 liet Laurens Hindriks, woonachtig te Garnwerd, door zijn advocaat een rekest indienen bij de drost van het Westerkwartier. In dat verzoekschrift klaagde Hindriks over de plaatselijke predikant, ds. Broese, die

zedert eenigen tijd heeft kunnen goedvinden van deszelvs land met paarden en wagens zijn koorn etc. te vervoeren langs een pad of drift, lopende bijlangs de noordzijde van Rem[onstran]ts behuizinge aldaar; welk pad bevorens nimmer tot een wagenreede is gebezigt, en alleen tot een voetpad en tot een overdrift voor beesten heeft gediend, wordende ook hetzelve des winters, als de weg niet is te passeren, tot een doodepad gebruikt zonder dat egter de lijken met de wagen daarlangs gevoerd worden, maar integendeel bij de dam worden afgezet en daarlangs gedraagen.

De predikant maakte dus een onconventioneel gebruik van dat voetpad: hij liet er zijn wagens met pas geoogst koren overheen rijden, terwijl het pad geen wagenweg was. Volgens Hindriks berokkende dit hem “veel ongemak en schade”,

doordien dikwijls de wagen met koorn beladen digt bijlangs Rem[onstran]ts huis om de nauwheid van het pad moetende passeren, daarvan de pannen medenemen…

Meer dan eens had Hindriks ds. Broese “in het vriendelijke” verzocht om het voetpad langs zijn huis niet meer als “wagenreede” te gebruiken,

en zijn koorn langs de gewoone uitvaart voorbij de agtergevel van Wilke Egges huis, en bijlangs de agtergevel van de kosterie te vervoeren…

Helaas waren die verzoeken steeds tevergeefs geweest. Nu wilde Hindriks niet graag een gewone civiele rechtszaak tegen de predikant beginnen (als boekhoudend kerkvoogd had Broese ook vrij veel macht in het dorp),  vandaar dat hij zich tot de drost wendde met de vraag om samen met ds. Broese gehoord te worden, zodat de drost de zaak “in der minnen” kon bijleggen. De drost echter, vroeg eerst om de visie van ds. Broese, voordat hij zo’n hoorzitting uitschreef.

Ds. Broese bleek van zijn kant bitter weinig te voelen voor zo’n sessie. Volgens een briefje had hij

de eer te berigten dat hij niet voorzigtig oordeelt zig op den posita ten requeste in te laten, verkiezende liever de voorgewende questie ten requeste ordinario modo te ventileren, weshalven de vrijheid neemt in dezen te opponeren de exceptio informalis processus.

Vrij vertaald: Broese kon zich niet vinden in de gekozen rechtsgang en stuurde aan op een gewoon proces. Op 7 september werd zijn briefje in het gerecht aan Laurens Hindriks voorgelezen. Deze kreeg er ook nog een afschrift van.

Inderdaad kwam er geen hoorzitting, sterker nog, we horen helemaal niets meer van de zaak. Of de heren zijn er onderling uitgekomen – al lijkt dat vanwege de langdurigheid der kwestie tamelijk onwaarschijnlijk – of Lourens Hindriks durfde een gewoon proces niet aan, of ds. Broese had zich in het vervolg stilzwijgend onthouden van het aan gort rijden van Lourens zijn dakrand, maar welke mogelijkheid zich voordeed, we weten het niet. Alleen dat het gedrag van dominee allesbehalve sympathiek op ons overkomt.

Dorpskern Garnwerd, ca 1830. Bron: http://www.hisgis.nl

In elk geval zal het voor iemand die enigszins bekend is met de situatie ter plaatse duidelijk zijn, dat het hierbij ging om het tegenwoordig tamelijk beroemde Burgemeester Brouwersstraatje. Op het bovenstaande kaartje, gebaseerd op de kadastertekeningen van omtrent 1830, is die situatie weergegeven. De brede oranje lijn van rechts naar links is de hoofdweg (nu Hunzeweg) in Garnwerd. Centraal in beeld staat de kerk, met in wit het kerkhof eromheen. Ten noorden van de kerk staat de pastorie (P). Vanaf de pastorie wijst een pijl naar het zuiden: dat is de meest voor de hand liggende verbinding tussen de pastorie en de hoofdweg, oftewel “de gewoone uitvaart voorbij de agtergevel van Wilke Egges huis”. Maar dominees wagens konden ook langs de zuidelijke tuin van de pastorie (paars) en de steeg bij de kosterij (K) of school (zie het liggende pijltje), De bedoeling was dan wel om met een wagen rechtsaf (meest rechtse pijltje) langs de achtergevel van de kosterij (K) naar de hoofdweg te gaan. Dit nu, deed ds. Broese niet. Hij liet zijn wagens rustig door de nauwe steeg naar het oosten (X) rijden, waar ze de pannen van Lourens Hindriks’ dak afwierpen.

Het Garnwerder pastorieland (geel) ca. 1830. Bron: http://www.hisgis.nl

Vreemd is nog wel dat die wagens überhaupt langs die steeg moesten gaan. Het pastorieland lag immers voor het grootste deel pal achter en ten noorden van de pastorie (P). De wagens van dominee hoefden daar alleen langs de noordelijke tuin en boomgaard van de weem, die aan die kant ook een baander of in- en uitgang voor wagens had. Een ander deel van het pastorieland lag ten westen, en juist niet ten oosten van Garnwerd. Passage langs het latere Brouwersstraatje lag voor het bereiken van dat land ook absoluut niet in de rede. Maar misschien huurde de predikant er elders, meer ten oosten van Garnwerd nog land bij.

Resteert nog Hindriks interessante opmerking over het gangbare gebruik van de steeg, die later Brouwersstraat is gaan heten. Deze steeg werd dus nooit als wagenweg gebruikt en was louter een voetpad voor de passage van mensen en vee. ’s Winters, als de gewone, vrij steile toegangsweg naar kerk en kerkhof voor wagens niet te gebruiken viel, werd het latere Brouwersstraatje nog wel eens als lijkweg gebruikt. Daarbij hield de wagen met de doodskist echter stil voor de “dam”, het oostelijke uiteind van de steeg, en werden de doden verder langs de steeg naar het kerkhof gedragen.

Bronnen: Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 724: rekesten 24 augustus en 7 september 1803; ibidem, inv.nr. 722, ingekomen brieven (m.n. berichten op rekesten): ongedateerd briefje van ds. B.J. Broese, dat op 7 september 1803 in het gerecht cum exhibitum werd getekend.


In hoeverre bestond de woningvoorraad uit arbeiderswoningen?

In 1808 wilde de overheid met het oog op een nieuwe belasting weten hoeveel woningen er in elk dorp stonden, en hoeveel van die onderkomens arbeiders- en armenwoningen waren. Voor het Westerkwartier zijn de opgaven bewaard gebleven. Ik heb ze in deze tabel ondergebracht:

Plaats Totaal bewoonde huizen Boeren en ingezetenen Arbeiders dagloners + armen Percentage arbeiders
Vredewold
Marum +

de Wilp

115 51 44,3 %
Nuis 49 12 24,5 %
Niebert 55 20 36,4 %
Tolbert 119 52 43,7 %
Midwolde 49 15 30,6 %
Leek 151 45 29,8 %
Zevenhuizen 200 145 72,5 %
Lettelbert 46 10 21,7 %
Oostwold 35 11 31,4 %
Lagemeeden 22 6 27,3 %
Hoogkerk &c.
Hoogkerk 76 26 34,2 %
Leegkerk 31 11 35,5 %
Dorkwerd 17 4 23,5 %
Aduard etc.
Aduard 98 44 44,9 %
Hogemeeden 44 12 27,3 %
Den Ham 42 12 28,6 %
Fransum 23 6 26,1 %
Wierum 26 1 3,8 %
Oostum 14 3 21,4 %
Garnwerd 85 48 56,5 %
Westerdeel-Langewold
Grijpskerk 124 85 33 + 6 31,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Sebaldeburen 62 40 19 + 3 35,4 %
Lutjegast 93 59 28 + 6 36,6 %
Grootegast 145 84 55 + 6 42,1 %
Doezum 123 80 40 + 3 35,0 %
Opende 47 36 10 + 1 23,4 %
Lucaswolde 16 11 5 31,2 %
Oosterdeel-Langewold
Zuidhorn 133 57 42,9 %
Noordhorn 135 54 40,0 %
Niekerk 70 28 40,0 %
Oldekerk 68 37 54,4 %
Faan 10 1 10,0 %
Niezijl 78 39 50,0 %
Visvliet etc.
Visvliet en Pieterzijl 130 50 38,5 %
Kommerzijl + drie Waarden 82 50 61,0 %
Middag-Humsterland
Oldehove 134 63 47,0 %
Niehove 100 44 44,0 %
Saaksum 40 21 52,5 %
Ezinge 98 36 36,7 %
Feerwerd

De grootste kernen Zevenhuizen en Leek waren juist ook hele jonge – ze hadden hun ontstaan aan de vervening te danken. Maar terwijl Zevenhuizen het hoogste aandeel arbeiderswoningen van het Westerkwartier kende (72,5 %) was dat in Leek juist aan de lage kant (29,8 %). Zevenhuizen was veel proletarischer dan het verzorgingscentrum Leek, mag je concluderen. Hoge percentages arbeiderswoningen waren er ook in Kommerzijl en Garnwerd met hun kleinschalige havenactiviteiten. Door de bank genomen zal in het Westerkwartier ruim een derde van de woningvoorraad uit arbeiderswoningen hebben bestaan. Laag waren de percentages in typische boerendorpen als Dorkwerd en Lettelbert.

Verder heb ik de percentages geclassificeerd in vier groepen: 20-29% (geel), 30-39 % (oranje), 40-49 % (rood) en meer dan 50 % (paars). Hoe donkerder de kleur, hoe hoger het percentage arbeiderswoningen op de gehele woningvoorraad. In kaart gebracht levert dat het volgende beeld op:

De paarse stippen (relatief veel arbeiderswoningen) zitten vooral vlakbij het Reitdiep, waar afgezien van de haventjes de grote boerderijen op de jonge zeeklei ’s zomers behoefte aan veel losse arbeidskrachten hadden. In de omgeving van de stad en het noorden van het Vredewold vallen juist de lage percentages op. Ten zuiden van het Hoendiep is het paars van Zevenhuizen vrij uitzonderlijk.

Bron; Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 752.


‘Trouwe seingever bij de overvaart’

Het Noorden in Woord en Beeld 25 november 1932 (pag. 847).

Toen in 1932 de nieuwe brug van Garnwerd bijna gereed was en dus het einde naderde voor het lokale veer over het Reitdiep, plaatste Het Noorden in Woord en Beeld naast een foto van de nieuwe brug er eentje van hèt symbool van de eerdaags overbodige overzet: een soort van afdakje op poten met een kloeke scheepsbel. Deze miniatuur klokkestoel stond aan de overkant van het Reitdiep tegenover het welbekende Café Hammingh, waarvan de uitbater tevens reder en kapitein van het veer of de overzet was. Met het belsignaal waarschuwden klanten, dat ze gaarne overgezet wilden worden. De veerman kwam er dan met gezwinde spoed aan, hoopten ze.

De Groninger Archieven beschikken over een wat oudere foto van het verdwenen icoon. In hun prentenverzameling zit bovendien een fijne tekening uit 1920 van Ids Wiersma, die altijd een goed gevoel had voor bouwsels die weldra het veld moesten ruimen.

Mede met dank aan MdJ, voor deze in dialoog tot stand gekomen ontdekking.


Meineed (2)

Volgens een bepaling, anno 1505 toegevoegd aan het Groninger Stadboek (boek IX art. 42), stond in de Stad precies dezelfde straf op meineed, als een eeuw later nog in de Ommelanden:

Wel staat in deze bepaling het bedrag waarvoor de bewezen meineedpleger zijn vingers houden kon: 50 Rijnse goudguldens. Zo’n goudgulden deed zelfs in de achttiende eeuw nog een gulden en 8 stuivers, vijftig van die dingen waren dus 70 gulden waard, in de achttiende eeuw een half jaar loon voor een oppassend werkman.

Mij staan geen voorbeelden bij van stadsburgers die wegens meineed zijn veroordeeld, maar misschien vind ik die nog terug in mijn oude notities. Wel trof ik in mijn digitale bestanden een onderaannemer Jan Dorenbos aan, die op 9 augustus 1725 werd berecht door Gedeputeerde Staten van Stad en Lande, omdat hij het als gemachtigde van belastingpachters op een akkoordje had gegooid met een fraudeur. Dorenbos gaf de fraude niet door, maar ontving daarvoor geld van de fraudeur, zodat hij niet alleen de pachters benadeelde, maar zich ook schuldig maakte “an eenen swaeren meijneedts”. Van de heren gedeputeerden mocht Jan zijn vingers houden, maar ze verbanden hem wel voor twee jaar uit de provincie.


Meineed, en de straf erop

Ommelander landrecht (1601), boek VII, art 47:

Van een Meneed te sweeren
Sweerd jiemand een meneed, ende daervoor rechtlijck word verwonne, die sal verbeurt hebben zijn twee vorderste vingeren van sijn rechterhand. Ende de vingeren mach hij vryen met een manne-gelt, een rigter dubbelt. Dan wie de vingeren in der manieren niet lossen can, dien salmen zijn recht doen sonder genade. Ende alle degene die eenmaal eenen valschen Eed heeft gedaen, die sal stedes onteeret blijven ende niet weerdigh wesen eenigh recht te bedienen ofte voor recht eenigh tuygenisse te doen.

Interpretatief vertaald: Wordt bewezen dat iemand meineed heeft gepleegd, dan heeft die persoon de twee voorste vingers van zijn rechterhand verbeurd. Deze straf kan hij ontgaan door zijn vingers met een flinke som geld ‘vrij te kopen’. Wie dat geld niet opbrengen kan, ondergaat zonder pardon die straf. Iemand die eenmaal veroordeeld is wegens meineed, blijft levenslang infaam, inhabiel en eerloos, mag nooit weer een eed zweren, kan dus geen enkel ambt bedienen en mag ook niet als getuige optreden in wat voor zaak dan ook.


Naar de bollen bij de Ennemaborg

Dit is MIDWOLDA, ziet daar gintzen staat de kerk,
En hier de hofstee van den raadsheerlyken HORA,
O cierlyk bloemhof daar de Goddelyke flora!
Godts wysheit meine ik, uit een rei van bloemen straaldt,
O aardsche regenboog, die met meer kleuren praaldt!
Als ’s hemels boog; hoe brandt de gloeyende ranonkel
By Persische Yrias, elk krokus een karbonkel
Vertoont als peers en blauw en wit en helder geel,
Wyl purperen narcis hier sluimerd op zyn steel;
De schoone tulpen ook hun vlammig hooft ontluiken
Terwyl de geurge roos op haare scherpe struiken
Te pronk staat. Ziet hier lis dat ’s hemels booge afmaalt,
Ook bloem van eenen dag ver uit Peru gehaaldt;
Den schoonen hyacinth, en geurige filetten,
En witte lelyen, gezicht en reuk hier wetten,
De bloeme van damast, de roode martagom,
Annemos en fiool, de wondre passiblom,
Den Raadsheer met haar kleur en zoeten reuk verblyden,
Zyn oogen feest aandoen, en ’s Heeren handt belyden;
Ja d’alderkleinste bloem in zynen ryken hof,
Op haare blaadtjes voerdt des grooten Scheppers lof.

Bronnen: Het poeem komt uit Quintyn Pabus, Lof der Stadt Groningen (1741) 14; de tekening van Ennema (1772, door mij bewerkt) uit de collectie van RHC Groninger Archieven: 818-9953.


De reglementering van de vossenjacht in Groningen en Friesland

Jean Bernard – Dode vos, hangend aan zijn poten, 1815. Collectie Rijksmuseum.

Naar aanleiding van de vossenjacht die in januari 1805 werd gehouden in de woudstreek van het Westerkwartier, heb ik eens gekeken of het provinciale jachtreglement iets zei over zulke jachten. De nieuwste versie daarvan dateerde destijds van 31 augustus 1803 en bevat er inderdaad een paar bepalingen over.

Ten eerste mocht iedereen met een jachtakte “ten allen tyde” op vossenjacht gaan. Er gold dus geen gesloten tijd zoals bij regulier jachtwild: de vos was het hele jaar bejaagbaar en werd impliciet gezien als een plaag. Zelfs was het zo dat in mandelige jachtvelden alle jagers op vossenjacht mochten, terwijl voor het gewone jachtwild gold, dat het ene jaar de ene jager en het andere jaar de andere mocht jagen, terwijl ze nooit tegelijk aan bod konden komen. De vos was dus onbeperkt vogelvrij. Wel moesten jagers die individueel of samen op stap gingen om vossen te schieten dat vooraf melden aan het gerecht ter plaatse, waaronder we wat betreft het Westerkwartier de wedman van een voormalige rechtstoel moeten verstaan.

Een melding bij een wedman was vrij laagdrempelig. Diens toestemming was zelfs niet vereist. De wedman moest er alleen van afweten.

Naast de kleinschalige jacht op vossen, was er echter sprake van

generale vossejachten van het ene district in het andere (…) door de gerechtigde tot de jagt in zodanige districten…

Deze algemene, dus grootschalige jachtpartijen over een ruim gebied dat meerdere (vroegere) jurisdicties besloeg, doen haast denken aan de collectieve wolvenjachten zoals die ooit werden gehouden. Dit soort vossenjachten werd in Groningerland wat strenger gereglementeer: er was “consent van het gerichte” voor nodig, wat in het Westerkwartier neerkwam op toestemming van de drost. Het zal duidelijk zijn dat er bij de vossenjacht in de wijde omgeving van Grootegast in 1805 sprake was van een dergelijke, grootschalige jacht.

Ik heb het Friese jachtreglement, dat van twee weken eerder dateerde, nog even naast het Groningse gelegd. Globaal ket het dezelfde bepalingen als het Groningse op het punt van de vossenjacht. Maar het is wat uitgebreider. Zo noemt het ten eerste een sanctie voor mensen zonder jachtakte, die toch “met schietgeweer” op vossen jagen. Om te beginnen gaat het om een boete van 25 gulden, die bij onvermogen tot betaling wordt omgezet in drie maanden tuchthuis.

In Friesland werd vossenstropers dus expliciet de wacht aangezegd, wat in Groningerland niet gebeurde. Uit dat benadrukken van het voorrecht, verbonden aan een jachtakte, mogen we echter niet concluderen dat vossen in Friesland minder voorkwamen of als een geringer probleem werden gezien dan in Groningerland. Integendeel. Daarop wijst de premieregeling voor Friesland, terwijl die in Groningen niet bestond. Gevangen of gedode exemplaren deden in Friesland:

Volwassen moervos ƒ 3,00
Volwassen rekel ƒ 2,50
Jonge moervos ƒ 2,00
Jonge rekel ƒ 1,50

De scheiding tussen oud en jong legde het Friese reglement bij 1 november:

Voor oude vossen zullen worden gerekend alle die na Allerheiligendag gevangen worden en voor jonge alle onvolwassenen welke voor dien dag gevangen zijn.

Kortom, het Friese jachtreglement maakte meer werk van de vossenjacht, en kende een premieregeling die in Groningen ontbrak. Daarmee zullen vossen in Friesland als een grotere last zijn ervaren dan in Groningerland. In elk geval was het voor slimme jagers mogelijk in Friesland premies te vangen voor vossen die ze in Groningerland hadden geschoten.

Bronnen:
Publicatie van het Departementaal Bestuur van Stad en Landen van Groningen, houdende het provisioneel reglement op de jagt en visscherye in gemelde departement. Gearresteerd den 31 augustus 1803, art. 35-36.

Publicatie betreklijk het reglement, op de jagt en visscherijen in Friesland, gearresteerd den 17 Augustus 1803, art. 58-63.


Absentie bij wegonderhoud kon je duur komen te staan

De Kerkweg in Hoogkerk, van de Legeweg (noord) tot de Trekweg langs het Hoendiep (zuid), ca. 1830. Bron: http://www.hisgis.nl

Met de stadsstraten, trekpaden en postwegen lag het anders, maar tot diep in de negentiende eeuw was het leeuwendeel van de overige wegen nog in collectief onderhoud van aanpalende grondeigenaren en/of aanwonenden. Dit gold bijvoorbeeld ook voor de Kerkweg in Hoogkerk, zoals blijkt uit een tweetal gerechtsakten van de jurisdictie Westerkwartier uit de zomer van 1807.

Destijds was net de Kerkweg tussen het Hoendiep en de Legeweg gerepareerd. Er bleef echter iemand in gebreke. Deze persoon liet zelf verstek gaan bij het maken van de weg en stuurde er ook geen knecht heen. En dus legden de regelaars van het collectieve wegonderhoud hem een boete op, waarbij ze de drost vroegen om rugdekking. En die kregen ze:

Ter instantie van Rientje Klaassens en Hendrik Harms als volmagten over de weg loopende van de Leegeweg naar de trekweg te Hoogkerk, wordt aan dezelven een acte tot insinuatie aan Pieter van der Molen onder Hoogkerk om te voldoen ƒ 1-4-0 breuke met de kosten daarenboven, geaccordeert, ter oorzake bij het laatst gemeenschappelijk maken van gemelde weg is absent gebleven, en niemant zijnentwege heeft gesonden.

Met een gulden en vier stuivers (het bedrag van de boete) kon je wel drie man een dag aan het werk hebben. Maar hoewel er nu ook nog eens rechtskosten overheen kwamen, betaalde Van der Molen nog steeds niet. Veertien dagen later bleek de verstrekte akte van insinuatie zelfs “begroeyd”. En daarom gaf de drost toen een akte van pandhaling aan de volmachten. Ze mochten iets ter waarde van hun boete uit Van der Molens huis weghalen. Van der Molen kon de inbeslagname van dat onderpand gerechtelijk aanvechten, maar we horen verder niets meer over de zaak, zodat hij te langen leste wijselijk zal hebben betaald.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 412: civiele zaken 17 juni en 1 juli 1807.


Een relletje op Hankema

Hermanus Numan, De Hankemaborg te Zuidhorn, ca. 1800. Collectie Groninger Museum.

Hij was helemaal over de rooie, de heer Bindervoet, schoonzoon van wijlen baron Maurits Clant, de laatste jonker van de Hankemaborg in Zuidhorn. Nog dezelfde ochtend stiefelde hij naar het rechthuis ter plaatse om bij de drost van het Westerkwartier zijn beklag te doen:

Dat deze morgen, terwijl hij nog te bed had gelegen, aan sijn huis was gekomen ene Lammert Aries, vader van een kleine meid welke bij hem van may 1806 tot may 1807 was besteed. Dat deselve Lammert opgemelde meid terugeischende, verscheidene brutaliteiten tegens hem hadde gepleegd welke hij sig in zijn eigen huis had moeten laten welgevallen, sodat hij ook deselve meid met de vader had moeten laten gaan. Vermenende evenswel, dat hij aan diergelijke ongeregeldheden niet diende te worden blootgesteld…

De drost liet meteen Lammert Aries erbij roepen, die zich tegenover hem op “enen evenmin voeglijken, en brutale wijze” gedroeg. Daarop besloot de drost

Dat Lammert Aries terstond zijn dogter wederom sal moeten besorgen in haren vorigen dienst, waartoe deselve wordt gelast mits dezen.

Eventueel kon Lammert Aries de zaak nog voor het gerecht aanhangig maken. Tegelijkertijd gaf de drost zijn fiscaal (aanklager) opdracht om het gedrag van Aries in de Hankemaborg te onderzoeken.

De volgende dag, dinsdag 16 december 1806, gaf wedman Homan van Zuid- en Noordhorn de drost bericht, dat Lammert Aries weliswaar zijn dochter had teruggebracht naar de Hankemaborg,

dog ook deselve eijgenherig wederom vandaar had medegenomen buiten bewilliging van dezelven Heer Bendervoet en er aldus niet is voldaan aan de gerigtsorder op gisteren afgegeven.

Kennelijk ging het terugbrengen gepaard met ruzie met Bindervoet. Aries kreeg ditmaal bevel zijn dochter nog dezelfde ochtend “in haar vorige huis” terug te brengen,

voorbehoudens zijn regt om zo hij mogt vermenen redenen te hebben dat zijn dogter haar dienst binnentijds sou moeten verlaten.

Die redenen diende hij dan bij de drost in te dienen. Wedman Homan moest om 12 uur ’s middags controleren of de kleine meid weer op Hankema was teruggebracht. Zo niet, dan dreigde ogenblikkelijk een straf voor haar vader.

Aries schijnt aan het gerechtelijk bevel te hebben voldaan, want verder horen we helemaal niets meer over de zaak.

Over het algemeen had inwonend personeel heel weinig rechten. In aanmerking genomen dat ouders hun kinderen absoluut niet zo gauw aan een dienst onttrokken – ook al omdat het door die kinderen verdiende geld naar het eigen huishouden ging – moet er wel iets heel bijzonders aan de hand zijn geweest. Zou het te gewaagd zijn te veronderstellen dat de heer Bindervoet zijn handen niet thuis had kunnen houden? In dat geval bond de drost de kat op het spek.

De vader van het meisje, Lammert Aries/Arijs, een arbeider, koos een paar jaar later later de familienaam Huising/Huizing. Bij deze zaak ging het hoogstwaarschijnlijk om diens dochter Anje, destijds twaalf jaar oud.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 412: civiele zaken, 15 en 16 december 1806.


Verloting scheuvels

Het gedane verzoek van Jan Aljes op Den Ham teneinde het gerequireerde gerigtsconsent te erlangen om op vrijdag den 27 december aanstaande aldaar enige paren scheuvels te laten verloten, is aan dezelve geaccordeerd.

Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 735 (gerechten Westerkwartier) inv.nr. 411 (civiele zaken) fol. 453: rekest en apostille van woensdag 11 december 1805.


Een vossejacht bij Grootegast

Roelant Savery – Vossejacht in een bos, ca. 1630. Collectie Rijksmuseum.

Op het verzoek van

…Wybe en Pieter Willems Hazenberg te Grotegast adidem, om in de Woudstreek van dit Quartier een en andermaal de vossejagt te mogen exerceren, is aan dezelve geaccordeerd, en dezelve vossejagt op den 11 dezer bepaald, zullende de koddebeier hierbij assisteren.

Bron: Groninger Archieven 735 (rechterlijk archief Westerkwartier) inv.nr. 411 (civiele zaken) vrijdag 4 januari 1805.

Met de woudstreek van het Westerkwartier werd het zuidelijke deel van deze landstreek bedoeld, met name het gedeelte tegen de Friese grens aan. De koddebeier was de jachtopzichter.

Het is de eerste keer dat ik een dergelijk verzoekschrift zie. Misschien was er een vossenplaag? Aanvankelijk dacht ik dat deze jacht hier dan vast niet zou lijken op de nu bekende vossenjacht met jagers op paarden en met een meute honden, maar in de databank van het Rijksmuseum komen de meeste Nederlandse plaatjes daar toch wel op neer, zij het dan zonder de rooie jasjes en ruiterhelmen van tegenwoordig.
.
Vooraf dacht ik ook dat er geen rekesten in het civiele protocol van het Westerkwarttier zouden voorkomen omdat er een aparte registratie voor was. Maar dat bleek eveneens een vergissing.


Een uitstervingsproces in de krant

Korhoen, man en vrouw. Collectie British Museum.

In 1856 maakten geregistreerde jagers nog 70 korhoenders buit in Groningerland. Bekend zijn ook de streken waar deze vogels enkele decennia eerder, in 1828, voornamelijk rondscharrelden: Westerwolde, het Gorecht en Zuidelijk Westerkwartier, kortom gebieden met nog redelijk veel hoogveen en heide. Waren dit nou ook de regio’s die later nog als korhoenderbiotoop in krantenberichten voorkomen en hoe verliep dan hier het uitstervingsproces?

De laatste meldingen door in Groningen verschijnende kranten van een gelijktijdige aanwezigheid van korhoenders in Groningerland zijn de volgende:

Maand en jaar Lokatie Hoeveelheid
Oktober 1891 Bellingwolde 3 (geschoten).
September 1897 Onstwedde 1 (geschoten);
September 1901 Westerwolde “Menigvuldiger dan ooit” (voorbeschouwing jacht).
September 1907 Onstwedde 1 (geschoten).
Augustus 1912 Westerwolde “Korhoenders treft men ook genoeg aan. Koppels van 5 tot 10 zijn geene zeldzaamheid” (voorbeschouwing jacht).

De vogels kwamen in Groningen dus het laatst voor in Westerwolde en dan vooral het zuiden van die streek. Opmerkelijk is dat hun aanwezigheid daar als ruim werd voorgesteld, ook nog nadat het laatste bericht over een geschoten exemplaar in de krant had gestaan. Mogelijk was dit wishfull thinking of propaganda om jagers naar de regio te lokken. Tegelijkertijd werd immers een jachtmotief verschaft met de bewering dat korhoenders schadelijk wild vormden, wat met name gebeurde door de Nederlandsche Heidemaatschappij, uit zorg voor haar jonge dennenaanplant.

De jachtdruk, of hoe noem je zoiets, kan in Groningerland ook wel eens hoger geweest zijn dan in Drenthe en Friesland, waar nog decennialang berichtjes vandaan bleven komen over geschoten korhoenders. Daar werden ook veel langer nog grotere aantallen gesignaleerd en geschoten, terwijl het korhoen bovendien vaak wordt genoemd in advertenties voor de verpachting van Drentse jachtvelden. Hoewel er in 1895 en 1897 al berichten over een voortdurende afname van het aantal exemplaren uit Drenthe kwamen, valt op dat ze even later, in 1898 nij de Gouwe in de Pezermade, vlak over de zuidgrens van Groningen nog “in troepen” te vinden zijn. In 1908 schoot een jager uit Helpman er in elk geval nog 10 bij Peize. Maar in 1923 bleken ze definitief verdwenen ten zuiden van de Onlandschedijk, achter het Stadspark op het grondgebied van Eelderwolde.

De grootste killer was echter niet de jacht, hoewel er meteen bij gezegd moet worden dat die zeker tot het uitsterven van het korhoen heeft bijgedragen. De belangrijkste oorzaak van die uitsterving was de ontginning van hoogveen en heide tot landbouwgrond, die vooral mogelijk werd gemaakt door de komst van de kunstmest. Na de Eerste Wereldoorlog intensiveerde het ontginningsproces, mede door de inzet van werkverschaffing. Zo herinnerde de voorzitter van de landbouwvereniging Marum in 1925 zich de omgeving van Trimunt vroeger als “het dorado der korhoenders”, welke streek in een kwart eeuw tijd met zuinigheid en vlijt was omgezet in productief cultuurland.

De biotoop van het dier verdween dus, in Groningerland voorop. Slechts een incidentele natuurliefhebber betreurde de gang van zaken. In de lekkerbek vond hij een medestander:

Bij de poeliers zijn bijna geen patrijzen te krijgen en er worden exorbitante prijzen betaald. Daarmede gaat de patrijs denzelfden weg op van het korhoen, dat in de meeste provincies door voortgaande ontginning en cultiveering bijna niet meer te vinden is. Dit stuk oerwild met zijn merkwaardige levenswijze, is slechts weinigen meer bekend en begint tot de zeldzaamheden der Nederlandsche jachtvelden te behooren (1927),

Dat ondanks het snel veldwinnende besef van zeldzaamheid en schaarste de jacht gewoon doorging, mede dankzij gastronomie en geldzucht, dat is pas het echte schandaal.