Hemelvaart zei u?
Geplaatst op: 29 mei 2014 Hoort bij: Hoogkerk 12 reacties
Bij het Transferium Hoogkerk, vanavond. Bijna een religieuze stockfoto.
Avondvierdaagse
Geplaatst op: 22 mei 2014 Hoort bij: Hoogkerk 2 reactiesMijn gebruikelijke avondrondje zou een andere inkleuring krijgen, dat kon ik zo wel zien:

Wat ik zag voorbijkomen was nog slechts de staart van de stoet, met als opvallend element een stel Molukse vlaggen:

De groepsgewijs in oranje, groen en blauw uitgedoste kinderen en hun begeleiders bleken overal te lopen, op de Zuiderweg, op de Roderwolderdijk, op de Tichelwerkbrug:

De sliert moet al met al kilometers lang geweest zijn. Aduarderdiepsterweg:

In Hoogkerk zelf, dromden toeschouwers samen in de bermen voor de finish. Het schijnt een jaarlijks evenement te zijn, maar tot nu toe is me dat grandioos ontgaan.
De kinderen waren vrij jolig, trouwens. Een paar wilden “een boks” met mij uitwisselen, maar van een dergelijke begroeting zie ik voorlopig nog maar even liever af.
Een turbulente broeder: ds. Schonebeek van Leeg- en Hoogkerk (1676-1682)
Geplaatst op: 13 mei 2014 Hoort bij: Hoogkerk 6 reacties
Grafsteen van ds, Tiliking in de kerk van Leegkerk.
Op 1 november 1675 overleed ds. Alexander Tiliking, de predikant van de gereformeerde combinatie-gemeente Leegkerk en Hoogkerk. Zijn weduwe kreeg van de collatoren, de machtige mannen die de predikanten, schoolmeesters en kerkvoogden in de gemeente benoemden, het recht op het ‘genadejaar’: zij en haar gezin mochten dus nog twaalf maanden in de pastorie blijven wonen, en ook leven van de inkomsten die bij de pastorie hoorden. De predikanten van de classis Westerkwartier preekten zolang om de beurt in de kerken van Leeg- en Hoogkerk. Zo regelden ze in maart 1676 welke broeders er het Heilig Avondmaal op Eerste Paasdag zouden voorbereiden. De predikant van Aduard ging de lidmaten van Leegkerk bezoeken, terwijl die van Lettelbert de Hoogkerker visitatie deed.
Intussen stond er al een opvolger voor wijlen Tiliking klaar. Het college van Gedeputeerde Staten had de collatie van Leegkerk en het daarmee voor ‘t zeggen. Al op 20 november beriepen de heren Henricus Schonebeek (ook wel Schoonbeeck ) tot predikant. Deze Schonebeek, geboren ca. 1645-1650, had vanaf 1666 in Groningen gestudeerd, en was nog kandidaat. Hij moest dus nog het afsluitende, classicale predikantsexamen doen, en meldde zich voor dat doel op 15 juni 1676 in de classis (toezichthoudende predikantenvergadering) van het Westerkwartier, die vergaderde in Zuidhorn.
Hier liet Schonebeek, zoals het hoorde, zijn getuigschriften en beroepbrief zien, maar toen de classis deze stukken onderzocht, vond ze de beroepbrief “strijden tegen de practijk deser kercken”. In het stuk had GS als collator namelijk laten opnemen dat er zowel in Leegkerk als in Hoogkerk vier maal per jaar avondmaal zou worden gehouden. En dat was “tegen voorgaende gewoonte”, dat in de héle gemeente vier keer avondmaal zou plaatsvinden. Vanwege de taakverzwaring voor de nieuwe predikant ging een commissie uit de classis naar GS om de heren te verzoeken het bij de oude arbeidsvoorwaarden te houden.
Schonebeek mocht al wel meteen laten zien of hij preken kon. De eerstvolgende zondag moest hij dat in Leegkerk doen, en de zondag erop deed hij dat in Hoogkerk. Voor het theoretische deel van het examen werd hij op 10 oktober in de classis verwacht. Een commissie ging hem dan aan de tand voelen over Mattheus 22 vers 12 – dat laatste nummer zit weliswaar onder een vlek, maar is desondanks leesbaar. In de statenvertaling luidt het vers: “Vriend! Hoe zijt gij hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? En hij verstomde.”
Schonebeek was inderdaad nog niet getrouwd. Nou maakte dat op zich niet uit, ook vrijgezellen mochten de kansel op, als er maar geen buitenechtelijke omgang in het spel was. En bij Schonebeek gaf dat waarschijnlijk reden voor twijfel. Op 24 juni, nog geen tien dagen nadat de classis hem de omineuze tekst opgaf, trouwde hij in Groningen met Jacomina Engels uit Middelburg, daarmee verdere praatjes voorkomend.
Op 10 oktober bleek de classis behoorlijk tevreden over Schonebeeks preken en theologische inzichten. Alleen was de kandidaat van mening dat het gebod op de zondagsrust niet in alles nagevolgd hoefde te worden. Daarmee toonde hij zich een aanhanger van de enigszins vrijzinnige theoloog Coccejus, die in 1659 had betoogd dat dit oud-testamentische gebod moreel niet meer gold sinds het nieuwe testament bestond. Christenen hoefden het vierde gebod dus niet in alles na te leven, ze mochten desnoods werk op zondag doen. Over deze opvatting waren er landelijk enorme discussies geweest, de meer puriteinse calvinisten namen er nogal aanstoot aan. Kennelijk hadden die ook de meerderheid in de classis Westerkwartier, want deze vermaande Schonebeek om van zijn “onstichtelijck gevoelen” af te zien. Hij zegde dat inderdaad toe en beloofde er noch in het openbaar, noch in het geheim over te preken of te schrijven.

Tien gebodenbord in de kerk van Leegkerk.
Eind november 1676, op de eerste adventszondag, werd Schonebeek bevestigd als predikant van Leeg- en Hoogkerk. Weldra zou echter blijken, dat hij en zijn collega’s van de classis grote moeite met elkaar hadden.
Pijp taback
In de classisvergadering van 12 maart 1677 liep het gelijk al mis. Zo’n vergadering begon, “na aanroeping van ’s Heeren naam” gewoonlijk met een rondje Censura Morum, waarbij gemeld werd welke broeders moreel over de schreef gegaan waren. Dit keer viel er alleen iets aan te merken op ds. Schonebeek, die zich in een vorige vergadering “turbulent” had gedragen. De huidige vergadering moest hij met gebed openen, maar toen de voorzitter hem daarvoor binnenriep, zei hij “dat eerst sijn pijp taback moest uijtdrincken”. En na het uitkloppen van zijn pijp in het vergaderlokaal verschijnend, sprak hij “sommige ouste broederen” verachtelijk toe “met stoute en ongeschickte woorden”.
De broeders probeerden Schonebeek tot de orde te roepen, en de voorzitter vermaande hem ernstig, om “dese ongeregeltheden” te bekennen, te berouwen en beterschap te beloven. Maar Schonebeek verviel opnieuw tot “onbeleeftheijt” en beweerde dat de classis niets over hem te zeggen had. Ook kwam hij op de proppen met de reden voor zijn recalcitrante en oneerbiedige gedrag. Hij zei “dat men hem soodanige tekst hadde gegeven waerdoor hij over de geheele provincie was ruchtbaer geworden”.
Dit sloeg uiteraard op de examentekst over het inkomen zonder huwelijkskleed. Indertijd raakte een predikant in zeer ruime kring in opspraak, als hij zich niet aan de rigoureuze normen en waarden hield.
De classisbroeders beweerden, dat de opgegeven tekst passend was voor de bewuste zondag in het kerkelijke jaar. Ook zeiden ze dat de tekst uit Gods woord kwam. Waarop Schonebeek ze ongezouten tegenwierp, “dat de duijvel en geveijnsde (huichelaars, H.P.) oock Godts woort wisten te gebruijcken”.
De classis vond dat ze nu lang genoeg lankmoedig was geweest. Nogmaals werd Schonebeek vermaand om te zwijgen en te erkennen dat hij “stoute en onbehoorlijcke woorden” gesproken had. Het haalde niets uit, integendeel, Schonebeek zei dat als hij niet mocht spreken, “het hier slimmer als voor Pilatus was”. Waarmee hij doelde op de bijbelse stadhouder die de zwijgende Christus aan zijn moordenaars overgaf. De voorzitter stuurde Schonebeek de zaal uit, wat niet veel goeds voor hem voorspelde. Toen hij weer binnen mocht komen, gaf hij eindelijk zijn wangedrag toe. Het speet hem. De voorzitter gaf hem daarop uit naam van de classis te verstaan, dat hij zich voortaan “christelijcker, modester en sediger” moest gedragen.
Desondanks werd dit vermaan een half jaar later nog eens herhaald. Schonebeek kreeg bij die gelegenheid te horen dat hij zich “geseggelijker sal moeten comporteren” of dat de classis scherpe maatregelen tegen hem zou nemen. Zelfs las men de acte van maart nog eens voor. Op deze plek zit er opnieuw een dikke vlek in de classicale notulen, nu vlak boven de naam van Schonebeek. Het lijkt of iemand van zins is geweest, die naam onzichtbaar te maken, maar ervoor terugschrok. Het notulenboek ging bij alle predikanten rond, een broeder die dat wilde kon proberen zijn naam te verdonkeremanen. Hiervan werd Schonebeek verdacht. Ernaar gevraagd in de vergadering van 11 maart 1678, ontkende hij echter stellig.
Kerkdeur niet open
Een maand later klaagde hij in de classis, dat de voogden over de kinderen van zijn voorganger Tiliking hem financieel tekort deden. Mogelijk hadden ze bepaalde inkomsten, bijvoorbeeld uit pastorieland, niet aan hem overgedragen na het genadejaar. De classis voegde Schonebeek een helper toe, om de kwestie “in vrede ende in der minne bij te leggen”. Verder horen we er niets meer over.
In juli dat jaar klaagde Schonebeek opnieuw. Op de zondag na pinksteren had hij ’s middags in Hoogkerk willen preken, maar kon dat niet doen doordat de koster-schoolmeester de kerkdeur niet voor hem wilde openen. Die dag had de redger (dorpsrechter) een verloting in het dorp georganiseerd. De classis achtte zowel het een als het ander als “onstichtelijcke dingen”. De loterij noemde ze bovendien een “ontheijliginge van den sabbath”. Daarom stuurde ze een onderzoekscommissie naar Hoogkerk. Die kreeg van de schoolmeester te horen dat hij de kerkdeur niet open had gedaan, omdat ds. Schonebeek daar helemaal niet om had gevraagd. Wèl had de schoolmeester geweigerd de klok, die buiten de kerk in een klokkestoel hing, voor de kerkdienst te luiden. Zulks op bevel “van d’inwoonders” (lees boeren), die hem het schatbeurderschap (een fiscale bijbaan) zouden ontnemen als hij de klok wèl zou luiden.

De kerk en de klokkestel van Hoogkerk, ca. 1650. Detail uit een kaart door Ocko Jansen Bockebloet, Collectie Groninger Archieven 817-1057.
Waarschijnlijk vond de verloting plaats op een tijdstip dat de kerkdienst nog aan de gang zou zijn. De redger beweerde weliswaar, “dat se op den laeten avont geweest is”, maar wenste ook, “dat se niet en was geschiet”. In elk geval kreeg de onder druk gezette koster een schrobbering van de classis, die meende dat hij “geensints betaemelijck” had gehandeld.
Intussen bleek ook dat Schonebeek de zaak wel wat al te gekleurd had voorgesteld. Maar zijn beschuldigingen kwamen als een boemerang terug, want de classicale onderzoekscommissie hoorde in Hoogkerk verhalen over “eenige onordentlijckheden” in Schonebeeks “bedieninge ende wandel”. In de classis werd hij met die staaltjes geconfronteerd en vermaand om bij zichzelf na te gaan of hij schuldig was, en zo ja, dan te proberen het in de toekomst beter te doen, “levende in sijn leven heijlighlijck ende hem gedraegende in sijn ganschen dienst op beijde plaetsen neerstelijck, als een eerlijck predicant betaemt”. Zo hij dat niet deed, zou de classis vast nog eens harde maatregelen tegen hem nemen.
Ganzeveer bij arendsvleugels
Drie jaar bleef het rustig rond Schonebeek. Begin 1682 echter, overspeelde hij zijn hand. Dat kwam uit bij het aflezen van de kerkvoogdijrekening van Leegkerk, waarbij zowel de kerkvoogden, als de collatoren, als de predikant aanwezig waren.
Het bleek dat Schonebeek, wiens pastorie in Leegkerk stond, vlakbij zijn huis een nieuwe school wilde laten bouwen. Hij zette Claes Jansen, de boekhoudende kerkvoogd, onder druk om een verklaring te tekenen dat de benodigde bouwmaterialen voor rekening van de kerkvoogdij zouden zijn. Daarop kocht Schonebeek zelf voorlopig alvast die spullen. De heren Busch en De Hertoghe, die namens de collatoren (GS) het aflezen van de rekening bijwoonden, keken er wel van op toen ze dit vernamen. Want een en ander was gebeurd zonder medeweten en toestemming van GS. Op hun verslag haalde dat college een streep door de borgstelling van de kerkvoogd èn de bouw van de nieuwe school. Schonebeek moest de bouwmaterialen zelf betalen, en, erger nog, hij kreeg ook nog een aanklacht aan de broek wegens zijn “quade comportement en extravagante bejegeningen” van de heren Busch en De Hertoghe.

De kerk van Leegkerk.
Die aanklacht behandelden GS zelf, want een scheiding der machten bestond er nog niet en ze vormden zowel een bestuurlijk als een rechtsprekend college. Medio februari werd Schonebeek nog eens gehoord in de Wijnberg, een herberg in de stad. GS namen geen genoegen met zijn verantwoording. Toch zagen ze er vanaf een vonnis uit te spreken. De Advocaat Provinciaal kreeg bevel om een en ander bekend te maken aan de classis Westerkwartier, die dan een “behoorlijcke versieninge” in deze zaak moest treffen.
Op 13 maart deed de Advocaat Provinciaal zijn boodschap in de classis. Nu bleek ook, dat Schonebeek tegen de heren Gedeputeerden “seer verachtelijck van sijn verkregene beroep tot Leeghkerck hadde gesproocken, als ofte hem daer niet aen gelegen was, ofte hij aldaer preedicant verbleef ofte niet”. Zijn ambt kon hem, anders gezegd, weinig schelen, Toen de heren hem zeiden dat iemand die “den handt aen de ploegh in Godes acker hadde geslagen, niet en behoirde te rugge te sien”, had Schonebeek “onbehoijrlijck” geantwoord “dat hij sijne ganseveeren bij haere arendtsvluegelen niet wilde nederleggen”.
Ook vertelde de Advocaat Provinciaal in de classis over Schonebeeks ”ongebonden leven in dronckenschap” en “onvredigh leven met sijn huijsvrouw binnen sijn huijs”. Bovendien had dominee bij verschillende gelegenheden betuigd, “te wanhopen aen sijn saligheijt”. Al met al “disordres ende ergernisse” waartegen “op het krachtigste” moest worden opgetreden.
Dat wilde de classis wel, graag zelfs, alleen was de zondaar afwezig. Pas op 10 april werd zijn zaak behandeld. Intussen waren er nog weer nieuwe beschuldigingen bij de classis binnengekomen. Zo hoorde de broeders hoe Schonebeek “op seker tijdt uit Gronigen gekomen sijnde, sich door den drank so hadde ooverladen, dat hij in seer onstuimig weder an landt gebracht sijnde, op de treckwech noch hadde konnen staen noch sitten”. Bij het in de storm verlaten van de trekschuit was de ladderzatte dominee zelfs aardig wat spullen kwijtgeraakt, “die anders van de schippers konden sijn gebergt”. Ook leefde de predikant “seer onvreedig” met zijn vrouw, “met insmijten der glasen, overal smijten van boeken en vier en andere insolentiën”. Verscheidene nabers konden hiervan getuigen en de opgeroepen kerkvoogden Claes Jansen en Eisse Ennes bevestigden het. Schonebeek beschuldigde hun dan wel van malversaties, ze leverden prompt het bewijs dat GS hun boekhouding had goedgekeurd.
Schonebeek leverde van zijn kant enige verklaringen, dat zijn gedrag , “so in ministeri als in sijn huis” verbeterd was. Maar daar nam de classis geen genoegen mee. Er werd een lijst opgesteld met alle punten van beschuldiging, waarop Schonebeek ook punt voor punt in geschrifte moest antwoorden. Op 13 juni 1682 kwam zijn zaak eindelijk voor. Na “rijpe deliberatie” besloot de classis dat Schonebeek naar de door hem beledigde heren moest gaan, om ze genoegdoening te geven. Wat betreft de “misgrijpingen” in zijn ambtsbediening en huiselijke leven werd hij door de classisvoorzitter “scherpelijck en eernstelijck berispt”.
Naar Ambon
Schonebeek beloofde opnieuw beterschap, maar voelde aan dat zijn positie onhoudbaar was geworden. Hij koos voor een uitweg, die wel meer gekozen werd door mensen uit de betere kringen die zich onmogelijk hadden gemaakt. Hij ging naar Oost-Indië.
Begin juli maakte hij dat voornemen bekend. Eind juli regelde hij in Zeeland de reis, en op 21 augustus kreeg hij in de classis Westerkwartier het ontslag uit zijn ambt in Leeg- en Hoogkerk “als een man, volgens onse en der gemeijnte gegevene getuijgenissen, bequaam omme des Heeren kercke te bouwen, als van den Allerhoogsten met genoegsaame kennisse en gaaven voorsien”.

Gezicht op Ambon, ca. 1720.
Op 14 april 1683 arriveerde hij in Batavia, waar men hem een standplaats op Ambon toewees. Op 1 maart 1684 deed hij daar zijn intrede. Lang heeft hij er niet geleefd, want op 12 juni dat jaar overleed hij er al. In Indië kon je heel rap sterven, als je niet opgewassen was tegen het klimaat en de malariamuggen.
In Leeg- en Hoogkerk deed eind november 1682 de opvolger van Schonebeek zijn intrede. Schonebeeks vrouw, die in Groningen was achtergebleven, overleed daar circa 1689.
BRONNEN
Archivalia:
RHC Groninger Archieven
– Toegang 140, Classis Westerkwartier, inv. nr. 6 (acta 1676-1694);
– Toegang 1, Archief Staten van Stad en Lande, inv. nr. 140 (Acteboek met resoluties GS over 1681-1682), en inv.nr. 426 (Commissiebrieven, ook m.b.t. beroepingen predikanten) fo. 42 d.d. 20.11.1675.
Literatuur:
– W. Duinkerken, Sinds de Reductie in Stad & Lande van Groningen (Groningen 1982) het lemma Henricus Schoonbeek’;
– W.J. van Asselt, Coccejus (Kampen 2008) 32 en 70-73.
NB: dit verhaal verscheen eerder in Op de Hoogte, het blad van de Historische Vereniging Hoogkerk.
Kranenborg
Geplaatst op: 6 mei 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen 8 reacties
Zoekend naar heel andere foto’s uit mijn pre-digitale tijdperk (qua foto’s), vond ik deze terug van de boerderij op de hoek van de Peizerweg en de Hunsingolaan. De foto is waarschijnlijk begin 2005 gemaakt. De boerderij was toen al een poos anti-kraak bewoond geweest en stond vervolgens, als ik het me goed herinner, langdurig leeg. Zakte ze zelf al scheef, dat gold helemaal voor het stookhok aan de westkant. Niet lang daarna is de hele zaak gesloopt, er staat nu een nieuwbouwbuurtje met rietgekapte boerderettes villa’s.
Het binnenstraatje waaraan die nieuwbouw staat, heet Drentse Laan. Dat was van de Middeleeuwen tot ongeveer 1900 de naam van de Peizerweg. De oudste en heel lang de enige bebouwing aan de Drentse Laan was die aan het uiteind, bij de bocht naar Peize. Op de plek van het gefotografeerde pand verrees omstreeks 1770 echter de herberg Kranenborg. Ziehier een beschrijving uit 1827:

Het pand op de foto oogt wel een stuk jonger dan dat. Gezien de afgeronde hoekjes aan de bovenkant van de ramen, zal de voorgevel uit de periode 1860-1880 zijn geweest. Het portaal van de voordeur lijkt echter wat ouder.
Uitdrukkelijk geeft de advertentie aan dat het vastgoed zich ten zuiden van de Drentse Laan bevond, in de gemeente Groningen. Ten noorden van de Drentse Laan (en later dus de Peizerweg) lag ter plaatse de gemeente Hoogkerk. Nog steeds kan je dat zien aan de nogal afwijkende huisnummering aan weerskanten van de Peizerweg.
In dezelfde tijd dat de advertentie in de krant stond, waren ook ambtenaren van het kadaster aan het werk. Zij noemden een sectie aan de noordkant van de Drentse Laan Kranenborg. Tegenwoordig is dat een bedrijventerrein bij de A7, dus ten zuiden van de Peizerweg. Er wordt nogal eens raar omgesold met toponiemen, zeker in de gemeente Groningen.

De Prins kwam door Hoogkerk (1736)
Geplaatst op: 30 april 2014 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsenIn april 1736 kwam de net meerderjarige stadhouder Willem IV per jacht over het Hoendiep naar Groningen om hier de eed van trouw te doen aan de Staten van Stad & Lande. Zijn vrouw Anna van Hannover, een Engelse koningsdochter, ging met hem mee. Volgens de Europische Mercurius werden Hunne Hoogheden opgewacht bij de Vierverlaten en kwamen ze dus door Hoogkerk:
“Hare Hoogheden vertrokken den 19den dezer in een jacht van Leeuwaarden, en overnachtten te Noorthorn. Den 20sten ’s morgens traden dezelve wederom in het jagt, om zich naar Groningen te begeeven. De Gedeputeerden van de Heeren Staten gingen ten 11 uren mede in een jacht, en voeren tot aan de sluizen van Hoogkerk, om den Prins en de Prinsesse van Oranje aldaar af te wachten. Hare Hoogheden ten half een uur op die plaats gearriveerd zynde, ontfingen in hun jacht de complimenien van de gemelde Gedeputeerden , welke aan hare Hooglieden betuigden de vreugde, die zy en alle de inwooners gevoelden over de eere van te ontfangen eene Prinsesse niet min doorluchtig door hare geboorte dan door hare deugden enz. en verzelden vervolgens den Prins en de Prinsesse tot naby de Stad. Aan de poort gekomen zynde, traden hare Hoogheden in een koets, en deeden, onder het losbranden van 50 stukken kanon en een generale décharge van de musquettery van het Guarnizoen en de Compagniën Burgers, hunne intreede…”
Lavater in Hoogkerk
Geplaatst op: 26 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Stad toen Een reactie plaatsen

Op de intekenlijst (1780) voorin de Nederlandse vertaling en samenvatting van Lavaters werk over de gelaatkunde, vindt men staan (p. 5):
“Francke en dogter (J.H.) zeepzieders by Groningen.”
Bedoeld zijn de ondernemers van de zeepziederij op het terrein van de voormalige borg Elmersma, bij de brug te Hoogkerk. De dochter, Geertruida, is wel voor een savante gehouden. Uit zo’n notitie als bovenstaande blijkt dat ze haar veronderstelde weetgierigheid niet van een vreemde had.
In totaal waren er 42 Groninger intekenaars op dit werk. Als we de 10 studenten gemakshalve even voor academici tellen, dan behoorde een ruime meerderheid tot de geleerde wereld: 8 juristen, 4 stadsbestuurders en –ambtenaren, 7 theologen, 4 medici. een letterkundige en een mathematicus. Van de niet-academische intekenaren bleken er 7, een grote meerderheid, boekhandelaar. Waarschijnlijk waren die vanuit een commercieel motief in de uitgave geïnteresseerd. Afgezien van deze boekhandelaren en de Frankes was de handelsstand slechts vertegenwoordigd door 3 kooplieden en een jeneverstoker. In hun belangstelling voor Lavater sloten de Frankes dus meer aan bij (een segment van) de geleerde wereld, dan bij hun eigen stand.
Lavater, een Zwitserse predikant, was in geleerde kringen destijds het gesprek van de dag met zijn Physiognomischen Fragmente zur Beförderung der Menschenkenntnis und Menschenliebe (4 delen, 1775-1778). Volgens hem kon je iemands karakter uit diens gelaatstrekken afleiden. Met zijn theorie zou hij bijgedragen hebben aan de populariteit van silhouetportretten in de laatste decennia van de achttiende eeuw.
Floravaria
Geplaatst op: 26 april 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden 4 reactiesIn enkele weilanden bij Enumatil zie je enorme hoeveelheden paardebloemen:

Op andere percelen staat helemaal niets, terwijl er ook nog stukken zijn, waarvan alleen de randen bezaaid lijken:

Een al jarenlang leegstaand boerderijtje bij de Aduarderdiepsterweg:

De bloemperken worden allang niet meer geschoffeld, maar de tulpen knallen nog steeds dwars door het onkruid heen:

Individualistische waterbeheersing
Geplaatst op: 18 april 2014 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Stad toen 2 reacties“De laage landen onder Groningen staan doorgaans van het begin van november, of somtyds nog vroeger, tot aan april, ook wel laater, onder. Dat veel afhangt van de menigte van den gevallen regen; doch voornamentlyk van de westewinden, die den afloop van het water beletten; en de oostewinden, die het spoediger ontlasten. Terwyl men op zeer veele plaatsen de opdrooging als aan het geval (= toeval HP) overlaat. Want op weinige plaatsen heeft men tot de ontlasting gemeenschappen en goede molens; maalende doorgaans ieder landman voor zich zelven met slegt gereedschap maar tot 2 voeten. Men heeft molens tot 3 en een half, hetgeen men meent het uiterste te zyn.“
Met andere woorden: bij Groningen liet men in de achttiende eeuw de lage landen gewoonlijk van november tot april onderlopen. Soms begon dat al in oktober, soms eindigde het zelfs pas in mei, wat vooral afhing van de windrichting en de mogelijkheid om via de zijlen naar zee te spuien. Slechts hier en daar waren er collectieve molenpolders, met grote molens. De meeste boeren maalden slechts voor zichzelf met kleine molentjes.
Bron van het citaat: Iman Jacob van den Bosch, ‘Natuur- en geneeskundige verhandeling van de oorzaaken, voorbehoeding en geneezing der ziekten uit de natuurlyke gesteldheid van het Vaderland voortvloeijende’, in: Verhandelingen uitgegeeven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen te Haarlem, Deel 18 (Haarlem 1778) pag. 316.
Bedreigde verlaatsmeester medeschuldig
Geplaatst op: 7 april 2014 Hoort bij: Hoogkerk 2 reacties“Op het ingediende request van Klaas Andries, verlaatsmeester bij het eerste verlaat te Hoogkerk, hoe Rem[on]s[tran]t de trekschuiten van Groningen na Strobos komende, bij het toestaan van het verlaat onder het schutten tot zijn leedweesen diverse maalen heeft ondervonden, dat sommige trekschippers gedurende het verrigten van zijn werk hem kwalijk met veele woorden bejegenen en somwijlen getragt hebben in het doorvaren van het verlaat met de leggende lijnen in het water te ligten. Remst. bedugt zijnde dat in de reeds begonnen en nog voorhanden zijnde donkeravonds hem diergelijke gevaaren zoude konnen overkomen, de vrijheid neemende zig tot UEd. Mog. te wenden met eerbiedig verzoek, teneinde Ued. Mog. remonstr. eene instructie gelieven te geven waarna zig gedragen, of te beveiligen van Remonst. zodanig ordres te stellen als UEd. Mog. na derzelver Hoge Wijsheid zullen vermeenen te behooren.
(onderstond)
Claas Andries(was geapostill[eerd])
Na gehoord rapport der Heeren Gecomm[iteerden] hebben de Heeren Gedep[uteer]den verstaan dat gelijk de lijn niet zal mogen worden aangeslagen als nadat de schuit door de verlaaten zal zijn gepasseert, de trekschippers zowel als de suppl[ian]t zig in allen deelen tegens elkander naar behooren zullen gedragen, en van weerskanten met onderlinge geschiktheid en dienstvalligheid bejegenen, zonder eenig desordres of reden van klagten te geven, ofte dat bij faute van zulks tegens de overtreders strenger zal worden geprocedeert.
Act[um] Gron[ingen] in Coll[egio] den 30 jan[ua]rii 1786
/was geteek[end]:/
FF B[aron]Van In en Kniphuizen”
Met andere woorden: Klaas Andries, sluismeester van de eerste sluis bij Hoogkerk (nu op een plek even voorbij de suikerfabriek) had ruzie met sommige van de passerende trekschippers. Meermalen was hij uitgescholden, en ze hadden ook al eens geprobeerd om hem met een lijn beentje te lichten en zo in de plomp te werken. Vooral bij duister dreigde gevaar, daarom wilde hij graag een instructie hoe te handelen, of adequate maatregelen voor zijn veiligheid.
Waarschijnlijk ging de ruzie over het al in de sluis aanhaken, door de schippers, van een jaaglijn. Dat mocht pas als ze sluis uit waren, vond Gedeputeerde Staten – de schippers moesten de sluis dus bomend verlaten. Maar volgens GS was Klaas Andries zelf medeschuldig aan de gerezen problemen. Anders zou het college niet beide partijen hebben voorgehouden dat ze zich netjes tegen elkaar moesten gedragen.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, Toegang 1 (archief Staten van Stad & Lande) inv.nr. 549 (rekestboek GS).
Rondje Onlanden, Matsloot, Lagemeeden & Leegkerk
Geplaatst op: 3 april 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Onlanden 10 reacties’t Is net katoen:

Landschap met riet, boerderij en voetbrug. Hier hoorde je op vijf zes plekken een raar vogelgeluidje, dat klonk alsof teruggeduwde tandjes van een kam heel snel langs een duimnagel werden gehaald:

Kunst en natuur:

Bloesem:

Vanaf de Hooiweg in de verte de suikerfabriek. In deze omgeving vielen een stuk of wat roerdompen te horen:

Toevalstreffer:

Boom:

Het gemaaltje op de Matsloot is veranderd. Weet niet precies wat het is, maar het muurwerk lijkt vernieuwd. Ik weet niet of het er mooier op geworden is:

Stapels stenen op een boerenerf in Lagemeeden:

Kleurnuances:

Kerkhof Lagemeeden:

Boer stookt fik. (Eigenlijk kan de milieu-inspectie beter doordeweeks overdag vrij nemen, want de overtredingen gebeuren ’s avonds en in het weekend):

De voormalige pastorie van Leegkerk (en Hoogkerk) staat opeens naakt in de zon. Ze hebben er de boomsingel flink te grazen genomen, getuige ook de bergen houtsnippers op de voorgrond

Een voordeel is dat je zo mooi kunt zien dat er eind negentiende eeuw een voorhuis voor de nog boerderij-achtige weem is neergezet. Dat voorhuis is slecht gefundeerd aan de voorzijde en zakt daar weg. Wat mij betreft mag het helemaal verdwijnen en herstelt men de weem in haar oudere gedaante.
Nog even de sterk ingenomen boomsingel (die dus wel zal herstellen):

Qua bomen blijft er in Leegkerk nog veel moois over:

Bye bye:

Metaalmannetjes alom
Geplaatst op: 1 april 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Stad nu 2 reactiesDe metaalvergaring draait op volle toeren, zo bleek afgelopen weekend.
Eerst zag ik een type op een parkeerterrein in de Grunobuurt voortdurend iets oprapen. Ik meende dat het stokjes waren – nogal oneconomisch als brandhout. Naderbij gekomen bleek het om stukjes kabel te gaan. Hij wilde iets goeds doen voor de mensheid, zei hij, door het opruimen van die stukjes:

Vervolgens zag ik twee lui op een brug bij het Transferium Hoogkerk. Ze waren bezig met het steeds weer laten vieren van een touw in het Omgelegde Eelderdiepje. Ik kwam er op de fiets voorbij en vroeg wat ze aan het doen waren. “Magneetvissen”, riep eentje. Ik stopte en vroeg nogal onnozel: “Maar vissen zijn toch niet magnetisch?” “Nee”, was het antwoord, “we vissen op oud ijzer”. Hun buit bestond tot dan toe voornamelijk uit losgeknipte fietssloten, maar ze haalden, toen ik even bleef toekijken, warempel een verkeersbord naar boven. Volgens de een kon zo’n magneet wel een 160 kilo aan. Mogelijk magneetvisserslatijn. Zijn mooiste vangst tot dan toe was een Duitse stahlhelm, verderop in hetzelfde diepje, maar die helm was er qua bruikbaarheid in zestig jaar tijd niet erg op vooruitgegaan.

Scholeksters terug van groepsreis
Geplaatst op: 21 februari 2014 Hoort bij: Hoogkerk 1 reactieEen hele troep scholeksters op het grasveld tussen De Verbetering en de Ruskenveense Plas, ik denk wel een zeventig, tachtig exemplaren. Dit was de middelste sectie:

Las op Twitter dat ze elders ook net terug zijn. Waarschijnlijk is deze zonnewei de uitvalsbasis voor het betrekken van de platte daken in de buurt:

Vanavond hierachter ook de eerste merel die een hele tijd bleef zingen.
Gemeente heeft liever dooie fietsers dan dat ze een likje wegverf spendeert
Geplaatst op: 20 februari 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Stad nu 4 reactiesBij het oplaaien van een oude ergernis, nu twee maanden geleden, vernam ik van een manager bij Tuinland, dat hun parkeerterrein niet van hunzelf, maar van de gemeente is. Als ik wilde dat er haaientanden voor de uitritten kwamen, om automobilisten te wijzen op de voorrang voor fietsers ter plaatse, dan moest ik bij de gemeente zijn. En dus richtte ik me tot de gemeente. Vandaag kwam het antwoord:
Uw melding van 17 december 2013 hebben wij in goede orde ontvangen. In uw melding vraagt u of wij haaientanden kunnen aanbrengen bij de uitrit van Tuinland aan de Peizerweg. Met deze mail reageren wij op uw melding.
Wij hebben de situatie beoordeeld. We herkennen de door u beschreven situatie. Op deze locatie is er sprake van een uitrit. Hier gelden de normale voorrangsregels. Automobilisten zouden hier de fietsers voorrang moeten geven. Dit gebeurt niet altijd. Dat is een kwestie van gedrag. Wij denken dat door het aanbrengen van haaientanden het gedrag niet verandert. Dit betekent dat we in dit geval geen maatregelen nemen.
De cursivering heb ik aangebracht. Mijn rescriptie:
Ik ben uiteraard niet ingenomen met uw antwoord.
– Allereerst komt het pas na twee maanden, rijkelijk laat voor het ontvangstbevestigende gedeelte.– Ten tweede ging het niet alleen over de uitrit van Tuinland, maar ook over die van de Gamma.– Met dezelfde ‘argumentatie’ kunt u overal in de gemeente de haaientanden wel weghalen – die veranderen immers toch niets aan het gedrag van verkeersdeelnemers.– Voor de ongelukken die er geheid aan de Peizerweg gaan gebeuren, acht ik op basis van uw antwoord de gemeente Groningen medeverantwoordelijk.









Recente reacties