Een wandeling langs het Hoendiep
Geplaatst op: 26 januari 2014 Hoort bij: De actuele wereld, Hoogkerk, Stad nu 6 reactiesNeem toch maar de bus naar stad:

Geef die man een jasje:

Kon ’t niet laten:

Voormalige Huishoudschool aan het gedempte stuk Hoendiep:

Vuurdoorn:

Raggen met een quad op een parkeerplaats bij de meubelboulevard:

Mooi compact binnenvaartscheepje:

Het Van Panhuys-monument:

De meubelboulevard doet tegenwoordig ook in de wat grotere maten:

Milieudienst in actie:

Dakenlandschap Hoogkerk:

Compositie in rood, zwart en wit:

Industrieel Groningen in Delftsblauw
Geplaatst op: 24 januari 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen 7 reactiesDeze zag ik onlangs in Sappemeer in de etalage van een uitdragerij hangen. Het betreft de grotendeels verdwenen suikerfabriek in Groningen:

En deze hangt in een tweedehandswinkel aan de Zuiderweg in Hoogkerk. Het gaat om de inmiddels verdwenen Hunzecentrale met de vijf pijpen die jarenlang de zuidoostelijke skyline van Groningen domineerden:

Moderne bedrijven die zulke nostalgische borden lieten maken – je zou bijna denken dat het wel verkeerd met ze moest aflopen.
Rondje Ezinge
Geplaatst op: 12 januari 2014 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden 4 reactiesEen 40 à 50 kilometer fietsen, dat doe ik niet vaak in januari. Bij de volkstuintjes van Hoogkerk:

Schuur met hekken, Leegkerk:

Kronkelsloot tussen Kleiwerd en Heemwerd:

Dorkwerd vanaf de overkant van het Van Starkenborghkanaal::

Feerwerdermeeden, boven de sloot rechts dansten mugjes (wat overigens geen goeie foto opleverde):

Fransum:

In Fransum een expositie van werk, gemaakt door de onlangs overleden Harro Nikkels:

Afgedankte en kapotgeslagen sneldekkers als bermopvulling:

Silhouet-selfie op ’t fietsie bij Suttum (Of: “Pas nou toch op kerel dat je de sloot niet inrijdt”):

Bij mijn achterneef geweest, wat zelden voorkomt in januari. Op de terugweg dit gezicht op een elektriciteitshuisje te Feerwerdermeeden:

Laaiende kop-hals-romp:

Suikerfabriek Hoogkerk:

Hoe in Hoogkerk een eind aan ’t nieuwjaarslopen kwam
Geplaatst op: 1 januari 2014 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsen“Te Hoogkerk is ook nu weder, even als het vorige jaar vanwege het Dep[artement] tot Nut van ’t Algemeen, eene kollekte gedaan ten behoeve der armen, ter vervanging der gewone nieuwjaarsgiften en tot voorkoming der bedelarij, met dat goed gevolg, dat ook thans niet alleen het hoogst schadelijk rondloopen langs de huizen op nieuwjaarsdag kan worden voorgekomen, maar ook eene meer doelmatige tegemoetkoming ter herinnering nan dien dag kan worden bewerkt.”
Bron: Groninger Courant 24 december 1852.
Rondje Eiteweert-Leegkerk
Geplaatst op: 23 november 2013 Hoort bij: Hoogkerk 1 reactieZilverachtig oplichtend riet bij de Madijk:

Grote Canadese ganzen bij de Bruilweering:

Reiger met parmantig opwaaiend kuifje bij de Roderwolderdijk:

Het schuurtje bij Leegkerk is bij de storm laatst grotendeels ingestort:



Eerst dacht dat de boer het ding aan het herbouwen was, maar het lijkt er meer op dat hij schotten plaatst voor het resterende gedeelte:

Blaarkopkalvertjes in de zon, daar vlakbij:

Een filmavond in Hoogkerk met Tjerk Bekius
Geplaatst op: 19 november 2013 Hoort bij: Hoogkerk 3 reacties
Bij een besloten filmavond geweest van Tjerk Bekius voor een groep oudere Hoogkerkers, veelal zeventigers en tachtigers.
Het mooiste was toch als die beelden van een voor hun herkenbaar verleden voorgeschoteld kregen. Vooral bij de dorpsfilm, gemaakt door de kruidenier Mulder was dat het geval. Daarbij kwamen veel namen los van mensen die in de film geportretteerd waren. Tjerk had eigenlijk een microfoon moeten ophangen en een recorder mee moeten laten draaien met de film. Dan kon een beschrijver gelijk al veel meer houvast krijgen. Als een dergelijke opzet te bedreigend werkt, dan is een soort van notulist wellicht een optie.
Bij de beelden uit de jaren dertig was de respons overigens opvallend veel minder groot, dan bij de beelden uit de jaren vijftig. Je zou verwachten dat mensen die in de jaren vijftig hun memory hub hebben liggen, op hun dorp ook wel wat van een ouwere generatie zouden kennen. Dat viel een beetje tegen. Het verschil in bekendheid met de geportretteerden van voor en van na de oorlog zou er ook wel eens op kunnen duiden dat de bevolking hier vlottender is geweest, dan je misschien geneigd bent te denken. Net als menige stadswijk was Hoogkerk mogelijk een doorgangshuis.
Tussen twee buien door
Geplaatst op: 10 november 2013 Hoort bij: Hoogkerk, Onlanden 4 reactiesEen buitje in de verte bij Peizermade:

Boven de Onlanden loste hij zijn vrachtje:

De suikerfabriek vanaf Eiteweerd – noordwestenwind:

Bij de Blinken, vanaf de fiets:

De suikerfabriek vanaf de Roderwolderdijk:

Bij Leegkerk:

Deze jongens konden de storm aan:

Bij de weg tussen Leegkerk en Hoogkerk:

De watermolen van de Bospolder
Geplaatst op: 30 oktober 2013 Hoort bij: Hoogkerk 5 reacties
Voor een habbekrats verworven: dit relatief zeldzame ansichtkaartje van de watermolen in de “Polder Gebr. Bos” te Vierverlaten, naar een foto die in oktober 1942 gemaakt werd door een W.O. Bakker.
De polder van de gebroeders Bos, ook wel de Bospolder geheten, was het meest westelijke stukje van de vroegere gemeente Hoogkerk (nu Groningen), waar inmiddels het westelijke en nog maagdelijke deel van het bedrijventerrein Westpoort ligt. Als zwetten zijn aangegeven:
– noord: het Hoendiep;
– oost: de tochtsloot van de Triplumpolder (die dichterbij Vierverlaten lag);
– zuid: de vroegere Gronings-Drentse grens bij boerderij het Raadhuis;
– west: de tochtsloot ten westen van het scheepswerfje bij de Poffert.
De polder is genoemd naar de familie Bos die hier enkele generaties lang boerde. Koene Harmannus Bos (1800-1871) zette op zijn ouwe dag, in 1862, de watermolen neer om zijn 31 hectare land droog te houden. In 1935 was zijn vastgoed het eigendom van een weduwe Pieter Bos en haar zoons en dochter. Die zoons bleven op het bedrijf, zodat dat ten tijde van de foto het eigendom van de gebroeders Bos heette. in juli 1963 werd hun watermolen zonder vergunning afgebroken en met een andere molen gebruikt voor herbouw tot woning te Vledder in Drenthe.
De Bospolder waterde niet naar het Hoendiep af, zoals je zou denken, maar naar het zuidelijker gelegen Drentse gebied van het waterschap Matsloot-Roderwolde. In 1981 kwam er een nieuw gemaaltje om de Bospolder en enkele belendende polders (zoals de Triplumpolder) tussen de A7 en het Hoendiep te bedienen.
—
Bron: Karel Engbers en Bertus Hempenius, Verzamelinventaris van de archieven van de bemalingswaterschappen c.q. -polders, zijnde molen- en pomppolders, die in het kerngebied van het waterschap Westerkwartier hebben bestaan (1790) 1824-1987 (Groningen 2010).
Grondmist bij de Hoge Vier
Geplaatst op: 12 september 2013 Hoort bij: Hoogkerk 2 reactiesVanochtend te zien vanaf de Johan van Zwedenlaan:

Een naaktloper bij Slaperstil
Geplaatst op: 9 september 2013 Hoort bij: Hoogkerk 5 reacties“Reeds maandenlang werd de Friesche straatweg van de Dorkwerderschoo! af naar Slaperstil voor dames onveilig gemaakt door een exentriek jongmensch, die met slechte bedoelingen vrouwen en meisjes lastig viel. Lang was er op geloerd hem op heeterdaad te betrappen, reeds werd een verkeerde aangehouden. Bij onderzoek en confrontatie met een vrouw, die door den naaktlooper was lastig gevallen en achtervolgd, bleek men een onschuldige te hebben vastgehouden.
Maandagavond 10 uur kreeg men echter den rechten schuldige in handen. De veldwachter J. v. d. Werf werd gehaald en deze ging met den verdachte W.S., een 19-jarlge schildersgezel uit Groningen, naar de vrouw van R. v. d. Vaart te Kostverloren, die hem herkende als haar belager. De jonge man legde een volledige bekentenis af en werd gevankelijk naar Groningen getransporteerd. Vijftien keer had hij de exentrieke handelingen uitgehaald. De rust onder de bewoners van Slaperstil is weergekeerd.”
Bron: de Telegraaf van 12.11.1908.
Commentaar:
In eerste instantie dacht ik dat een student de bosgod Pan uithing, daar bij Slaperstil, wat vooral ook kwam door het gebruik van het woordje exentriek, al in de eerste regel. Maar het vooroordeel zette weer eens op een verkeerd been. Het bleek een schildersgezel, waarbij je je dan afvraagt hoe je dat schilder moet duiden.
Hij moet het best koud hebben gehad in zijn blote tokus, op die vlakte in november.
De laatste regel van het bericht is mijns insziens onbetaalbaar, omdat de wederkerende toestand buitengewoon voldoet aan de verwachting, gewekt door de plaatsnaam.
Van puistje krabben kan je dood gaan
Geplaatst op: 26 augustus 2013 Hoort bij: autobio, Geschiedenis, Hoogkerk 3 reactiesKRABT GEEN PUISTJES OPEN
Jongen te Hoogkerk overleden aan bloedvergiftiging
(Van onzen correspondent).GRONINGEN, 15 Aug. — De 15-jarige J. S. te Hoogkerk, leerling van de H.B.S. krabde een dezer dagen een puistje in het gezicht open. Bloedvergiftiging was hiervan het gevolg en hoewel het knaapje onmiddellijk naar het academisch ziekenhuis te Groningen werd vervoerd, mocht geen hulp meer baten en is de jongen heden overleden.”
Curieus bericht uit de Telegraaf van 15 augustus 1929.
Mijn moeder waarschuwde al tegen de gevaren van het puistjekrabben. Zoals ze ook waarschuwde tegen het duiken vanaf bruggen, want je hoofd zou dan in een kachelpijp vast kunnen komen te zitten. Hoe gefundeerd dergelijke waarschuwingen mochten zijn, ze waren niet afdoende.
Intussen maakt de kop duidelijk dat de Telegraaf anno 1929 nog pedagogische aspiraties had. Ik denk dat kranten die pas in de lange jaren zestig krijtraakten.
‘Water zover het oog reikt… ’
Geplaatst op: 19 augustus 2013 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen 2 reacties
“IN HET OVERSTROOMDE GEBIED
Beeld van verlatenheid
Es. — Als de auto door Groningen snort, parelt de vroege winteravond reeds over de huizen. De stad werkt nog koortsachtig, de ramen van fabrieken en magazijnen staan geel van licht in de donkere straatwanden. Lichtreclames, juist in gloed gezet, werpen wonderlijke arabesken op het asfalt, dat druipt van regen; de wind raast langs de regen-bestriemde raampjes van den auto.
In snelle vaart schieten helverlichte caféramen voorbij, erachter de leege kamer, die straks weggevaagd zal worden door de dagelijksche stamgasten. Hoog tegen het grijs-zwart van de avondlucht, waarover nog vegen van licht schijnen, staat de dreigende geweldigheid van den Martinitoren. De auto zwenkt over de Vischmarkt, die leeg ligt onder het geweld van een sterken wind, langs de Brugstraat, verder langs water en spoorweg, totdat de Peizerweg, duister nu bijna, de stralenbundels van de koplampen tusschen zijn naakte boomenrijen vangt.
Links is, na de onderbreking van een rij kleine huizen, nog even tusschen het grauwe schijnsel van den wegzinkenden dag de zwarte massa te ontwaren, die het Stadspark nu is. In zijn mooie lanen zal nu geen stadsmensch de weelde der natuur zoeken, het Paviljoen zal verlaten en met doode oogen voor het vijvertje staan, in de volière zal de gouden fazant kleumerig ineengedoken zitten en de rhododendronbedden, die nog onlangs een lieve lust voor het oog waren, zullen heen en weer ruischen in den wind, die een orkaan gelijkt.
Als een gierende, sluipende demon is het geweld van de elementen langs den voortrazenden auto. Regen striemt en klettert langs de vensters, zwaar ronkend worstelt de motor met woedende kracht, die door de kale takken der boomen, langs hun natte stammen, langs de druipende telegraafpalen een helsch lied zingt.
Rechts ligt de groote Friesch-Groningsche Suikerfabriek, als een wonderlijk reuzenlichaam met lichte oogen in groote wijdheid rondom, de lichtjes van den weg naar Hoogkerk knipperen in een ver verschiet, door de achterruit zie ik Groningen, een vage lichtplek tegen de nu indigo-zwarte, geweldige leegte, die boven de doorweekte aarde is.
Nog een paar honderd meter en de weg is omzoomd van water: bewegend, klotsend tegen den wegberm, is hier de waterkracht, die dreigend ligt van horizon tot horizon. De trambaan ls nog vrij. De weg is droog.
De auto stopt en moeilijk worstel ik naar buiten, onmiddellijk gegrepen door een windvlaag. Striemend slaat de regen in mijn gezicht, tegen mijn beenen, langs de warme beschutting van mijn veilige warme winterjas. Er is hier niemand bij het tweede bruggetje van den Peizerweg. Het gevaar is niet geweken, zeker niet nu de loeiende, storm en de kletsende regen de watermassa’s opzwepen en doen zwellen.
Dit lijkt het tooneel van den dood.
Eenzaam en grauw ligt de geweldige watervlakte om mij heen. Een mast van de electrische centrale staat als een spookachtig lichaam uit deze grijze wereld recht omhoog. Als hier de elementen de overwinning behalen op den kleinen vernuftigen mensch, zal het water de stad angstwekkend dicht naderen, maar men heeft gerechtvaardigde hoop. dat de waterwolf zal blijven staan.
Het is wel eens erger geweest.
Voor angst is er nu nog geen reden. De weg is nog niet overstroomd en de tram heeft nog vrij baan.
De auto gaat verder: overal een beeld van verlatenheid. Hier en daar een klein accent van teederheid, als om de troosteloosheid rondom nog dieper en weemoediger te maken: een huisje staat omsloten door water: binnen zal bet des te warmen zijn, des te knusser in het licht van de lamp, dat zwak door de neergelaten rolgordijnen naar buiten schijnt. Het scherpe silhouet van een grillige kamerplant staat tegen het gele vierkant van het raam.
Even sta ik bevangen in het schrelle licht van snel naderende lampen…. een auto rent voorbij dan is de verlatenheid weer des te dieper.
Mijn auto ronkt verder.
Overal dit ééne, dreigend donkere: water, zoover het oog reikt, water, klotsend in het gras langs den weg, waarover de storm vaart met groote streken. Een eenzaam man die diep gekromd en zwijgend een dammetje opwerpt rond zijn huis, dat klein en nietig enkele meters van den weg ligt, zegt: „Er geen gevaar nog, al staat het water hooger dan andere jaren, maar men weet niet wat er komen kan als zoo de storm blijft groeien en de regen de watervlakten doet stijgen….”
Terug in de stad.
Ik word omvangen door de roezige beweging van den avond in Groningen. De straten liggen glimmend en sidderend in het licht van de heen en weer zwiepende booglampen. De menschen blijven thuis. De storm loeit om hun huizen, ln de rood gloeiende kachel, langs de druipnatte daken.
Als dit noodweer niet verstild tot een strakken winterdag, zullen vele handen en lichamen moeten zwoegen om den watergolf gevangen te houden tusschen de dijken, die hij woedend grommend bespringt.”
Bron: De Telegraaf, 7 januari 1932.
Toelichting: Het raadselachtige Es. waarmee deze reportage begint, slaat er waarschijnlijk op dat de auteur ervan Eduard Elias was. Tussen 1929 en 1932 fungeerde hij als hoofdredacteur van de noodlijdende Provinciale Groninger Courant, die een paar jaar na zijn vertrek zou opgaan in het Nieuwsblad van het Noorden. Elias is nooit eenkennig geweest, hij publiceerde vaak in meerdere kranten tegelijk en heette ook wel een ‘stukjesfabriek’.
Een dag na deze reportage in de Telegraaf stonden er foto’s van de beschreven overstroming in het Nieuwsblad.
De eerste suikercampagne (1897)
Geplaatst op: 15 augustus 2013 Hoort bij: Hoogkerk 4 reacties‘Een bron van werkkrachten.
Een onzer Groningsche correspondenten schrijft ons:
In ’t begin van October is de Noord-Nederlandsche beetwortelsuikerfabrlek te Vierverlaten hare campagne begonnen. Omdat het de eerste fabriek van die soort in ‘t Noorden was, wist niemand welke voordeelen een dergelijke fabriek aan de omgeving kon schenken.
Wat een ongewone beweging! Van ’t begin van October tot op heden liggen er dagelijks meer dan honderd schepen of in lossing of daarop wachtende; een waar mastbosch in het Hoendiep voor de fabriek en in het aangrenzende Aduarderdiep, waar den schippers door de provincie eene ligplaats is aangewezen om verstopping in het drukbevaren Hoendiep te voorkomen, waar alreeds over geklaagd werd. Worden in Zeeland en Noord-Brabant de bieten door groote schepen (tjalken) en per trein aangevoerd, hier kan alles slechts aangevoerd worden door kleine schuiten van 20 tot 40 ton.
Deze kleine schepen kunnen alleen de kleine en ondiepe kanalen, waaraan alle dorpen in Groningen en Friesland liggen, bevaren. Voeren deze schippers andere jaren meest met turf, thans heeft de fabriek ze, tot zoolang de campagne duurt, aangenomen. Geen wonder dan ook dat de veenbazen, die in dezen tijd van ’t jaar meest hun product moeten afzetten, ach en wee roepen over de weinige drukte en menigeen bevreesd wordt met zijn turf te blijven zitten.
Dat de schippers al vrij wat aanvoerden, getuigen de kolossale hoopen bieten, welke nog niet verwerkt konden worden; ofschoon dit jaar nog maar met halve kracht arbeidende, wordt dagelijks meer dan 600.000 Kg. verwe[r]kt en toch nemen langzamerhand de twee hooge, verbazend lange rijen bieten in omvang toe.
Natuurlijk heeft Vierverlaten en het onmiddellijk daaraan grenzende Hoogkerk van al die drukte veel voordeel, maar lang zooveel niet als men denken zou, daar een trits van leveranciers van wijd en zijd hier hunne waren zoeken aan den man te brengen. De vele bootjes der leveranciers, de tallooze ladende en lossende schepen geven het Hoendiep een aanzien van ongekende welvaart.
De fabriek met hare vele en velerlei werkzaamheden eischt tal van werkkrachten, die de naaste omgeving niet kan leveren. Vele arbeidskrachten leverde niet alleen de op één uur afstands liggende stad Groningen, maar ook de omliggende dorpen. Nu de werkzaamheden op veld en akker zijn afgeloopen en de tijd der werkloosheid weer aanstaande was, zoeken vele arbeiders werk aan de fabriek. Daartoe verlaten velen reeds des morgens te vier uur hunne woning, om eerst des avonds tegen 7 à 8 ure terug te keeren, den geheelen dag levende op de meegebrachte boterhammen.
Is de verdienste voor het moeilijk en ongewone werk, vermeerderd met de vier uren loopens per dag, niet groot, ongeveer ƒ 1 per dag, toch zijn de arbeiders blij werk te vinden, daar de daghuur in de plaats hunner inwoning nooit meer bedraagt dan ƒ 0,50, zegge vijftlg centen per dag. De ontbeerde nachtrust der week verhalen zij op den Zondag; dezen dag, die gewijd moest zijn aan hun gezin en hunne ontspanning, brengen ze grootendeels slapende door, om frissche krachten op te doen voor de moeilijke taak, die hun de komende week wacht.
Het overblijvende van de verwerkte bieten, de pulp, was in deze streken tot nog toe onbekend. Waren er in ’t begin slechts enkele landbouwers, die eene proef namen met het voederen van pulp, langzamerhand werd het getal grooter, zoodat nu dagelijks tal van wagens, gevuld mat het goedkoope bijvoeder, ƒ 1.50 de 1000 Kg., van de fabriek terugkeeren; de pulp wordt bij de boerenwoningen ingekuild om dezen winter den niet overgrooten voorraad hooi aan te vullen. Ook vele schippers, die bieten aanvoeren, nemen pulp mee terug. Mocht de voederwaarde meevallen, ongetwijfeld zal een volgend jaar de aanvrage om pulp veel grooter worden.
Geeft de fabriek aan vele handen werk, ook de bereden politie, gestationeerd te Groningen, kan hiervan meepraten. ‘t Kan niet uitblijven, dat bij die honderden werklieden en schippers opstootjes plaats hebben. Daar de fabriek kort geleden telephonisch met de stad is verbonden, wordt de politie zeker meer gecommandeerd dan haar lief ls, om de verbroken orde te herstellen.
Wie ook niet juichen, dat zijn de vele visschers van het Aduarderdiep. Zij klagen steen en been over het vervuilen van ’t vischwater en dientengevolge ’t sterven der visch; de fabriek, die alle moeite heeft aangewend, om het afgevoerde water in verschillende bassins te ontsmetten, is hierin nog niet naar wensch geslaagd. Zal hier nooit die vervuiling ontstaan als in de Groninger Veenkoloniën, daar het Aduarderdlep bijna onmiddellijk op zee loost, toch zou het jammer zijn, wanneer het vischrijke water werd bedorven.’
—
Bron: De Telegraaf 18 november 1897.





Recente reacties