Op de Kurrelshoogte

Op 15 april 1742 trouwt Harmen Jans van Leegkerk met  Martjen Hinderiks van Wehe. Waar het paar woont, blijkt vervolgens uit het doopboek van de gereformeerde gemeente Hoogkerk en Leegkerk. Bij de doop van zoon Jan (1744), nn (1745), zoon Hinderk (1747), en de dochters Tetje (1749) en Weiktje (1751) wordt als domicilie steeds genoteerd:  “op de Kurrelshoogte onder Leegkerk”.

 Weer een intrigerend toponiem, dacht ik vorig jaar om deze tijd, toen ik deze meldingen tegenkwam. Ik vroeg Jan van den Broek of hij de naam Kurrelshoogte kende, maar dat was niet het geval. Op kaarten kwam ik de naam ook niet tegen, en omdat het via koopakten verbinden van de eigenaar met die in het eerste kadaster ook een onbegonnen zaak leek, liet ik het geïntrigeerd zijn maar even rusten.

Zoals wel vaker, wordt het raadsel van de ligging vanzelf opgelost. Sinds kort staan de schoolmeestersrapporten  van 1828 online, gisteravond las ik die van Leegkerk en tot mijn verbazing noemt Jannes Visser, de onderwijzer der jeugd aldaar, de Kurrelshoogte. Hij positioneert die iets ten zuidwesten van de Gaaikemadijk, spelt de naam iets afwijkend van het doopboek en komt met een naamsverklaring:

“…een plaatske genaamd Korrelshoogte, welke eerste bewoner Karel had geheeten, nu met verandering nog die naam draagt, om ook dat daar wat hoogten liggen, als wel voornamentlyk een streek, dat naar een dyk gelykt, dat misschien tot zeeweering verstrekt heeft.”

De naamsverklaring neem ik maar even met een korrel zout. De schoolmeesters van Leegkerk en Hoogkerk hadden daar namelijk weinig kaas van gegeten, en kurrel ligt wat mij betreft ook dichter bij kirrel of kerel dan bij Karel. 

In de positionering blijkt de schoolmeester van Leegkerk enigszins onprecies. Als je met zijn naamsvariant gaat googelen bij Google Books, levert  dat de Beknopte Aardrijkskundige Beschrijving (1818) van zijn collega Hendrikus Kremer uit Finsterwolde op en die slaat wat nauwkeurigheid betreft zijn vakbroeder met overmacht. Kremer schrijft:

“De Gaikingadijk neemt zijnen aanvang bij den kruisweg, loopt vervolgens in eene zuidelijke rigting tot aan de korrelshoogte, dan bijlangs het oude maar, dat nagenoeg op de Lent aanloopt, en zet zijnen loop voort in eene westelijke rigting tot aan het Adewerder diep.”

Anders dan Visser, die de Gaaikemadijk louter ten noorden van de grote weg naar Friesland wenst te zien, laat Mulder deze waterkering ten zuiden daarvan (de kruisweg) doorlopen. De Gaaikemadijk heet daar tegenwoordig de Zijlvesterweg.

Het hele kronkeltracé van de oude Gaaikemadijk kan je mooi zien op een topografisch-militaire kaart van ongeveer 1860, van midden boven naar links onder.:

Volgens Kremer liep de Gaaikemadijk ten zuiden van de Friesestraatweg naar het zuiden en zwenkte de dijk bij de Kurrelshoogte.  Vergelijking met latere kaarten levert dan de omgeving op, waar de Noodweg aantakt op de Zijlvesterweg, met iets ten zuidwesten van deze hoek de boerderij Gravenburg:

Achter Gravenburg (zie pijl) heb je een prachtige ronde structuur en je bent daarom geneigd te denken dat er een wierde ligt, die dan de naam Kurrelshoogte zal hebben gedragen. Maar dat is verkeerd gedacht. Want raadpleging van de hoogtekaart levert op, dat die ronde structuur een van de meanders van het oer-Peizerdiep aangeeft. Aan de binnenzijde of oostkant van de meanders lag de Gaaikemadijk,  die als een ketting kralen in de vorm van huiswierde-achtige podia verbond, waarvan er ettelijke nog bewaard zijn:

De Kurrelshoogte zal van die podia de grootste geweest zijn. Het is dan het heem of de huisplaats van de huidige boerderij Gravenburg;


Slotenschoonmaaktijd

Het amfibievoertuig met rupsbanden is weer in de buurt om de overvloedige bioproductie in de hoofdwatergangen op te ruimen.

 


Groeten vanuit een herfstig Hoogkerk


Voor mijn deur geland om niet meer op te staan


Retour Ezinge

Hoogkerk – grootgrutter hoopt op offensief publiek:

Leegkerk – Oranje blanje bleu of Holland in verwarring:

Bij Aduard lagen twee jonge struikrovers met hun supersoakers op de wal van het Van Starkenborghkanaal. Ze namen alleen maar auto’s te grazen, beweerden ze, “omdat die het milieu vervuilen”:

(Mogelijk was hier sprake van een sociaal gewenst antwoord.)

Een van de zwarte zwanen bij de Oldijk:


Ganzenschade

Sinds een dag of wat zitten er vijftig, zestig, zeventig ganzen aan de Peizerweg. Ze zijn nogal eenkennig en houden het op één strook weiland, terwijl ze de belendende percelen mijden. Op die ene strook lijkt het gras ook nog korter, dan op die ernaast. Kennelijk houden deze ganzen niet van al te lang gras? Of zou dat vanwege de dauw ’s ochtends zijn, als ik ze zie?

Ik herinnerde me het verschijnsel opeens weer, door het bericht dat boeren die geen schade van ganzen hebben, ook geen vergoeding van ganzenschade meer kunnen krijgen.

 


Antiek vervoer in en boven Hoogkerk

Als Harry niet de oudheden opzoekt, komen ze zijn richting wel uit.

Langs de Zuiderweg – twee koetsewagens van de Compagnie tot instandhouding van het Oude Gerij:

Boven de Onlanden, de legendarische Dakota die eerder op de dag een probleem had boven Eelde:

 


Luizen vraten De Mepsche op

“Het moet gebeurd zijn bij het Drentse Tolhek, in een boerenplaats aan de weg van Stad naar Peize. Daar hebben de luizen de Mepsche levend opgevreten. En die boerderij heet nog altijd De Loezebult, tot een eeuwige gedachtenis.”

Aldus K. ter Laan over een van de legenden die de ronde deden na de dood van  Rudolf de Mepsche.

Een Loezebult is mij ter plaatse van het Drentse Tolhek niet bekend. Wel stond daar het Porrenhuis.

De huisnaam Loezebult doet nog het meest denken aan Luizenborg en Luizenberg, respectievelijk te vinden in Hoogkerk en Haren.


Morgen komt ze weer…

Mattie Gelati, op haar zaterdagsronde door Hoogkerk.

 


Vergistersterrein was pastorieland

Het beklemde land uit het huurboekje van Van S. blijkt inderdaad voor te komen op staten die tussen 1874 en 1947 opgesteld zijn van het pastorieland in Hoogkerk. Het huurbedrag van ƒ 102,50, de namen van de huurders èn het betalingstijdstip (Midwinter) komen overeen met die uit het huurboekje. Omdat bij nader inzien ook in het huurboekje zelf de naam pastorieland wel eens valt, moet het dus inderdaad om pastorieland gaan, zoals ik na een snelle inspectie al vermoedde.

Op de staten van 1874 tot 1947 heet het land 17 grazen groot. Op een oudere staat, uit 1837, komt een dergelijke lap grond nog niet voor.  Wel huurde toen een wed. Izaak Izaaks Leutscher 31 grazen pastorieland, waarvan ik vermoed dat deze tussen 1837 en 1874 opgesplitst is in lappen van 17 en 14 grazen, waarbij een nieuwe, tweede boerderij, die later het eigendom werd van Van S., de beschikking kreeg over de 17 grazen.

Kijken we naar het grondgebruik ter plaatse van Izaak Izaaks Leutscher rond 1830, ten tijde van het eerste kadaster, dan zien we dat dit zich ten westen van het Aduarderdiep afspeelt in het westelijke deel van een wig tussen de kerk van Hoogkerk en het nog niet gekanaliseerde Aduarderdiep. Ten noorden vormen een sloot, en ten zuiden het Hoendiep de grenzen van die wig.  Op het onderstaande kaartje, ontleend aan HisGis, is dit land  ingekleurd met geel, terwijl ik de noord- en de zuidgrens markeerde met oranje:

Van S. en zijn voorgangers uit het huurboekje hadden de noordelijke, grootste helft van het gele gebied tot hun beschikking. Samen met de zuidelijke, kleinste helft, gaat het om ruim 12 hectare, wat inderdaad overeenkomt met 31 grazen. Al het geel ingekleurde land was dus rond 1830 inderdaad nog pastorieland.

We gaan nog wat verder terug in de tijd. Op een lijst met pastoriegoederen uit 1773 staat een boerenplaats bij het verlaat – waarmee het Kinderverlaat wordt bedoeld. Op de kadasterkaart van rond 1830 is dat de enige boerderij op het met geel gemarkeerde pastorieland. Beklemde meiers van dit bedrijf waren in 1773 ene Klaas Andries (Zuidhoff) en zijn vrouw, die het goed in beklemming huurden voor het ronde bedrag van 50 gulden per jaar, met nog een “geele kaas” toe. Een  dochter van deze Klaas Andries trouwde in 1816  met Izaac Izaacs Leutscher, en daarom denk ik dat ik met die Klaas Andries de voorlopig oudst bekende meier van het bedoelde pastorieland te pakken heb.

Kijken we nog even naar de wig tussen de kerk en het Aduarderdiep – van het oostelijke gedeelte blijkt de noordelijke, grootste helft rond 1830 eigendom van de kerk. Het is dus kerkeland. Van de zuidelijke strook langs het Hoendiep, rond 1830 particulier bezit, herinner ik me echter, dat zeepzieder Franke die in de 18e eeuw pachtte of kocht van de kerk. Daarom denk ik dat het hele oostelijke deel van de wig kerkeland is geweest. Als die gedachte klopt, dan was de algehele wig – pastorie- èn kerkeland – vanouds in kerkelijke hand, wellicht al vanaf de Middeleeuwen. De ook in een ruimer kaartbeeld opvallende noordzwet van de wig, die mooi aansluit bij de meander van het Aduarderdiep, kan ten tijde van de ontginningen wel eens een belangrijke rol hebben gespeeld.

Het land waar nu de vergisters van de suikerfabriek verrijzen, heeft zo meer geschiedenis dan men zou denken. Die vergisters mogen dan tabula rasa maken van de omgeving, daarmee is haar geschiedenis nog niet uitgevlakt.

Bronnen (RHC Groninger Archieven):
– Archief kerkvoogdij hervormde gemeente Hoogkerk (toegang 1569) inv.nr. 300 (staten pastorieland)
– Archief Staten van Stad & Lande inv.nr. 847 (staten en inventarissen van kerkvoogdij-, pastorie-, en kosterijlanden Westerkwartier) No. 10 Hoogkerk en dan het lijstje met pastoriegoederen (1773).


Groningerlandsland

Een rare veldnaam vind ik het eerst, dat ‘Groningerlandsland’ voor een stuk hooiland in de gemeente Hoogkerk, anno 1856. Al het land onder Hoogkerk is immers, goed beschouwd, Groningerlandsland. Het ligt toch allemaal in Groningerland – de naam duidt geen onderscheidende kwaliteit aan, denk je.

Tot je je bij herlezing van de advertentie realiseert dat de verkopers een boer en zijn broer uit Een zijn, een gehucht dat nog net in Drenthe ligt, vrijwel op de grens met Friesland. Groningerlandsland moet voor deze Roelf en Berend Meelker de voor de hand liggende manier geweest zijn om hun waarschijnlijk énige stuk land in Groningerland aan te duiden. In Hoogkerk zal niemand die naam voor dat land hebben gebruikt.

De implicatie hiervan is, dat een veldnaam behoorlijk exclusief en particulier kan zijn. Wat voor de een het vastgoed kenmerkt, spreekt voor een ander zo vanzelf, dat die alleen een andere naam kan hebben gebezigd, als hij daar tenminste belang of interesse bij had.


Onbestendig bij Hoogkerk

Ik was eigenlijk van plan om de kerk van Ezinge eens van binnen te gaan bekijken, want ons was vanmiddag mooi weer beloofd. Bij de Legeweg echter, werd dit het perspectief…

…dat me rechtsomkeert deed maken. Bij Leegkerk keek  ik nog eens achterom:

Zoiets heet – geloof ik – een rolwolk. Ik bleef droog, besloot me niet al te ver van huis te wagen en belandde, terwijl de zon weer even scheen, op de Peizermade, waar deze acrobaat voorbijkwam:

Een Weissenbruchje:

Met in de verte het mooi uitgelichte cruiseschip van beurzensverstrekker DUO:

Een konvooi meerkoetjes:

Plantaardigheden:

Tot slot een buizerd die op wegvloog toen ik met mijn fiets op het doodlopende, zuidelijke stuk van de Langmadijk om de hoek kwam. Hij landde op een paaltje 300 meter verder en blijkt een omgekeerd vredesteken op de borst te hebben:


Huurboekje vertelt over kerkeland Hoogkerk

Ik was vanavond op bezoek bij de oude heer Van S. Hij had vroeger een boerderij met land op de plek waar de suikerfabriek nu de grote vergisters bouwt, aan de noordkant van het Hoendiep, ten westen van de Hoogkerker dorpskom en rondweg::

Een lange rode schuur, die Van S. er heeft laten bouwen, staat er nog steeds. Momenteel  schijnen er kantoren in te zitten, denkelijk van de vergisterbouwers.

Tegenwoordig heb je op dit stuk Hoendiep verder alleen nog een autobedijf en een benzinepomp, maar oorspronkelijk liep het lint woonhuizen en bedrijven hier zo’n beetje door tot de Kindverlatenbrug:

Achter zijn boerderij had Van S. ruim 6 hectare land in beklemming, en het boekje waarin de landeigenaar de kwitanties voor de huurbetalingen aftekende, heeft Van S. nog altijd in zijn bezit.  Het begint in 1885, als de eigenaar een Lukkien van Hemmen, wed. Schonefelt als huurster inboekt en daarvoor van haar een jaar huur als (verplicht) ‘geschenk’ krijgt:

Op een gegeven moment  gaat ds. Hacquebord tekenen voor de ontvangen pachtsommen. Hij was predikant van Hoogkerk en Leegkerk tussen 1894 en 1925. Later nam een kerkvoogd dit kwiteren over, en Van S. bevestigde dat de gepachte grond ook in zijn tijd nog kerkeland was. Tussen de Middeleeuwen en de 20e eeuw kwam er zelden kerkeland bij. Ik heb dan ook zo’n vermoeden dat de gebruikers van dit land nog veel verder terug te traceren zijn.

De laatste kwitantie in het huurboekje dateert van 13 januari 1968 en bewijst de betaling van zes jaar pacht ineens:

Omstreeks die tijd moet Van S. de beklemming hebben afgekocht. Hij had het de kerkvoogdij al eerder aangeboden, maar die wilde dat niet. Vreemd, want door de onveranderlijke pachtsom en de inflatie kwam er in feite steeds minder aan reële waarde in haar kas. Toen de kerk echter opgeknapt werd en de kerkvoogdij in geldnood kwam, accepteerde ze de afkoop van de beklemming. De afkoopsom bedroeg 55 maal de jaarhuur.  Volgens van S. had de suikerfabriek toen al een oog op de terreinen aan de overkant, en kon dat voor hem wel uit. Door de afkoop kon hij als volle eigenaar beschikken over het land, zonder nog de kerkvoogdij om toestemming te hoeven vragen voor bepaalde zaken.

Naschrift zaterdag 28 juli 11.00 uur:

Inussen ben ik erachter gekomen dat de eerste die de kwitanties tekent, F. J. (=Frederik Jan) Kijff Boerma, ook predikant van Hoog- en Leegkerk was. Dat maakt de kans groot dat het ging om pastorieland en niet om kerkvoogdijland. In elk geval is het land vermoedelijk eeuwenlang, zoals dat heet, in de dode hand geweest. De verkaveling van dit stuk Hoogkerk, met gérende (spits toelopende) stroken, begon ook zo’n beetje tegenover de kerk.


Bijzonder transport

Deze boogbrug, gebouwd bij Staalbouw Smid Hoogkerk, zou vanavond per dieplader naar Vriezenveen in Overijssel gaan. Ze hebben daar natuurlijk niet voor niets  het holst van de vakantie voor uitgezocht. Op mijn  rondje Leegkerk leek het wel of er een neutronenbom gevallen was, zo weinig mensen kwam ik tegen.


Een tamelijk natte zomer

“Donderdach 9 Julii 1562.
Nota, dat men ter Ae de noetklocke hefft laten slaen vermydts grote watersnoeth; oeck hebben de sijlvesten bij 2 sijlvestermarck, wesende elck marck 11 arens gulden, < bevoelen >, dat iider, tusschen dit ende Hogerkercke ende daeromtrent gelandet, mit schoeflen ende spaden selffs komen edder volck senden solden, om de dijken thelpen holden, doch sint daerna de dijke allenthalven to Potterwolde ende de Drentsche lane ende up ander oerden inghegaen, soedat het water bes achter in de Hoeneweyde gelopen ende allen aerbeyt verloren ende groet schade ende jammer geseen.”

Bron: Diarium van Egbert Alting 1553-1594 (pag. 119/120)

Vertaling: Donderdag 9 juli 1562. Die van de A-kerk hebben de noodklok laten luiden wegens de grote watersnood. Ook hebben de zijlvesten (de waterschapsbestuurders) alle ingelanden tussen de stad en Hoogkerk bevolen, om of zelf te komen met schoppen en ander gereedschap, of om ondergeschikten te sturen om de dijken te helpen behouden, dit op straffe van 14 arendsgulden voor degenen die in gebreke blijven. Desondanks zijn de dijken alom te Paterswolde doorbroken, wat ook geldt voor de Drentselaan (Peizerweg) en andere plekken, zodat het water tot achter in de Hoenweide (even buiten de A-poort) is gelopen, waardoor alle landarbeid van dit voorjaar als verloren moet worden beschouwd.  Er heerst grote droefheid over de schade.