Een angsthaas en een stomme eend
Geplaatst op: 9 juli 2012 Hoort bij: Hoogkerk 3 reactiesEigenlijk staat er een foute titel boven dit logje. ten eerste, aangezien de haas eerst helemaal niet bang was. Hij lag vlakbij de kerk van Leegkerk aan de overkant van de sloot langs de Legeweg, en bleef rustig liggen toen ik hem fotografeerde. Pas toen ik weer verder liep, ging hij er vandoor, maar ook weer niet in het allersnelste hazentempo. Meer op een doodgemoedereerd hazensukkeldrafje:

De eend was evenmin zo stom als het op de foto lijkt. Weliswaar wilde ze met haar kroost de drukke Zuiderweg oversteken, maar ze hield keurig in voor de aanstormende auto. Pas toen die uit zicht verdween stak de kleine eendenstoet over:

Beide situaties zijn aangetroffen op mijn fietsrondje van vanavond.
Hoogkerk en de oorlog van 1505-1506
Geplaatst op: 5 juli 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk, Stad toen 8 reacties
Sinds vandaag staat de 16e-eeuwse kroniek van Sicke Benninge online. Ik heb eens gekeken of Hoogkerk erin voorkwam, en jawel, het dorp speelde een rol in het beleg van 1505-1506, toen graaf Edzard van Oost-Friesland de stad Groningen probeerde te onderwerpen.
De Ommelanden kregen in de zomer van 1505 te maken met terreur van twee kanten. Zowel door de Groningers als door de troepen van graaf Edzard werd het platteland geplunderd en gebrandschat. Als je je have en goed niet goedschiks afgaf, dan raakte je het wel kwaadschiks kwijt.
Dat merkten Hoogkerk en Leegkerk. Beide dorpen weigerden brandschatting te betalen aan die van Graaf Edzard. En daarom gingen ze beide op een avond in vlammen op. Dat wil zeggen: de huizen die van hout, leem, stro en riet waren gemaakt, de boerderijen. De weinige stenen gebouwen – de kerk, de borg en de weem – bleven nog even staan.
Ongetwijfeld had de stad al de weilanden ten westen, ten noorden en ten oosten van de stad onder water gezet (ten zuiden, op de Hondsrug, was dat onmogelijk). De graaf maakte de toestand voor de boeren nog wat erger, door die zomer de dijken langs het Reitdiep en in de richting van Paterswolde door te laten steken, en diepen af te laten dammen bij de Aduarder Steentil en Enumatil, “soo dattet tusschen Groningen ende Hogerkercken blanck see was”. Verderop stond het halve Westerkwartier onder water.
Die van Groningen hadden nog wel hun schepen. Daarmee trokken ze begin juli naar Hoogkerk, om hun tocht daar over land naar Roden te vervolgen, waar ze de ovens van de bakkers en de ketels en kuipen van de brouwers vernielden. De taktiek van de verschroeide aarde was ook toen al bekend.
In het najaar bezetten zo’n zestig man troepen van de graaf de kerk van Hoogkerk, en versterkten deze met bolwerken voor deuren en vensters. Potters “kamnade” aan de zuidkant van het diep (de latere borg Elmersma) braken ze af. Het “weemhues” (de pastorie) staken ze in de fik en wierpen de muren ervan ook maar omver. Zo konden die van Groningen niet meer langs Hoogkerk varen met hun schepen, en Vredewold, Langewold en Humsterland niet langer bereiken.
Begin 1506 vroor al het water dicht. Wel vier of vijf dagen lang haalden stadjers over het ijs brandhout op uit de Hoornse landen en Eelderwolde. Hele gezinnen waren het soms, met mannen, vrouwen èn kinderen. Grafelijke soldaten, komend van Hoogkerk en De Punt, maakten een eind aan deze praktijk en verjoegen al het Groningse volk “dat daer int broeck was”. Vier “scamele lueden” sloegen ze dood en ze namen wel veertien wat meer vermogende burgers gevangen. Die mocht de familie dus vrij gaan kopen tegen flinke sommen geld.
In februari werd héél Hoogkerk versterkt, waarbij Ommelander boeren verplicht aan het werk werden gezet. De graaf gaf ze geen eten en drinken, ze moesten dat werk maar doen ‘op hun eigen kost’.
Nog steeds ging er wel eens een stadjer op hongertocht uit, maar als hij gepakt werd, raakte hij al het opgehaalde voedsel èn zijn hemd kwijt. En dat niet alleen, want de soldaten van de graaf sneden hem ook nog eens de oren af. Bij één man hingen ze die aan zijn hoed. Ze bonden hem de handen op de rug alsof hij een dief was, en hij kreeg ook nog twee haringen op zijn borst gehangen. Bovendien gaven ze hem een zakje met zout en een stukje brood mee. Dat moest hij maar naar de belangrijkste burgemeester gaan brengen. Van gesnapte vrouwen sneden de soldaten de rokken vanachteren af, die mochten in hun blote kont naar de stad terug. Een vrouw die het wat al te bont had gemaakt in de ogen van de grafelijke troepen, brandmerkten ze bovendien op beide haar wangen.
In het voorjaar van 1506 gaf de stad zich gewonnen. Toen liet de graaf een dwangburcht aan de zuidkant van de stad bouwen en werd zijn steunpunt Hoogkerk ontmanteld.
—
Sicke Benninge, Croniken der Vrescher Landen mijtten Zoeven Seelanden ende der stadt Groningen, pag. 168, 219-220, 251, 259, 265, 288, 297, 303, 318, 340.
Proces over het stoppen van een pijpje
Geplaatst op: 3 juli 2012 Hoort bij: Hoogkerk 6 reacties
Het Provinciale Hof van Justitie plaatste zelden bekendmakingen in de courant. Als het dat wel eens deed, was er iets bijzonders aan de hand. Dat bleek ook bij de notificatie van 15 maart 1796.
Landgebruikers ten noorden van het Hoendiep in ‘t stadsgebied en onder Hoogkerk, Leegkerk en Dorkwerd wilden voor gezamenlijke rekening twee watermolens bouwen en daarmee een eigen polder vormen. Naar hun mening had dit echter geen zin zonder “het stoppen van het pypje by Hoogkerk in het Trekpad leggende”. Daarom dienden hun vertegenwoordigers een verzoekschrift in bij het Provinciale Hof van Justitie, de hoogste instantie in waterschapszaken. Bij het Hof volgden er meerdere hoorzittingen, waarin landgebruikers van de andere kant van het Hoendiep, dus de zuidzijde, tegengestelde belangen inbrachten. Er dreigde een patstelling tussen noord en zuid en “om dit different op eene spoedige en min bezwarende wyze te eindigen” besloot het Hof
“alle die geene zo mogten vermenen bezwaard te zyn by het stoppen van het pypje by Hoogkerk in het Trekpad leggende, door dezen te gelasten, hunne bezwaren daar tegens schriftelyk en behoorlyk geadstrueert, met byvoeging van het benodigde bewys, het zy te zamen of afzonderlyk, tegens Vrydag den 8 April naastkomende ter Secretarie van den Hove, te Exhiberen…”
Na kennisneming van de over en weer ingebrachte argumenten en bewijsstukken zou het Hof dan een “finaal” besluit nemen –
“En op dat zulks tot narigt van de respective geïnteresseerdens kome, zal dezen aangeslagen worden daar zulks behoord, en voorts in de Groninger en Ommelander Couranten worden gezet.“
Een dergelijke publicatie dooor middel van placcaten bij openbare gebouwen en bekendmakingen in kranten vond het Hof kennelijk voldoende om alle belanghebbenden te bereiken. Mensen die hun bezwaren niet inbrachten, werden geacht “in het stoppen van het Pypje boven vermeld te hebben bewilligt”.
Anno 1796 vormden de noordzijde en de zuidzijde van het Hoendiep nog een gezamenlijke waterhuishouding binnen de Schepperij van Hoogkerk, waartoe Leegkerk en Dorkwerd niet behoorden. Sinds de late Middeleeuwen was dat al zo. Het Hoendiep had voor de bevaarbaarheid een eigen peil en de sloten ten zuiden van het Hoendiep waterden via een duiker of grondzijl – het kwestieuze pijpje – bij het Olde Gat onder het Hoendiep door af naar het Klijfdiep (nu Kliefdiep) dat ten noorden van het Hoendiep lag en dat op zijn beurt het water van Hoogkerk-Zuid èn Hoogkerk-Noord loosde op het Aduarderdiep. Aan die watergemeenschap wilden de noordelijke landgebruikers dus een eind maken. Zij vroegen om het stoppen van het pijpje, terwijl zuidelijke landgebruikers daartegen waren.
Het initiatief voor het zetten van de twee noordelijke watermolens dateerde al van oktober 1794. In december van dat jaar hadden de initiatiefnemers zich bij het Provinciale Hof vervoegd. Ze voerden er aan dat ze een “seer aansienlijk getal landgebruikeren” ten noorden van het Hoendiep achter zich hadden. Deze belanghebbenden uit het stadsgebied, Hoogkerk-Noord, Leegkerk en Dorkwerd hadden hun handtekening zelfs al gezet onder een molencontract. Sommige noordelijke landgebruikers gingen echter niet mee, of niet meteen mee. Gezamenlijk beschikten deze over bijna 703 grazen land, op een totaal van 2460 grazen die de voorgenomen polder zou omvatten. Volgens de initiatiefnemers waren de eigenaars van deze 703 grazen behept met een “seker scrupuleusheid”. Ze zouden vast wel instemmen met het voor hun landerijen zo zegenrijke plan, als het Hof ze in een procedure zou horen.
Het proces om tot een nieuwe polder ten noorden van het Hoendiep te komen, begon zodoende met een poging om een minderheid van landgebruikers binnen de nieuwe polder over de streep te trekken. De argumenten van deze afwijzers verschilden nogal, ze geven een genuanceerd beeld van de belangen die bij de vorming van een molenpolder konden spelen, en daarom wil ik er even bij stilstaan.
In totaal ging het om 36 landgebruikers. Tijdens het proces gaven 10 zich gewonnen. Zo zag Gerrit Klaassen weliswaar tegen de kosten op, “maar wil zijn land wel boven hebben”. Sommigen verbonden voorwaarden aan hun toestemming. Marten Rijkens wilde een vergoeding als er een dijk op zijn land kwam. En koopman Izaac van Delden vond dat er eerst een degelijke begroting voor de hele polder moest komen, terwijl hij een schaalmodel van de te bouwen molens verlangde.
Van de 26 opposanten die hun poot stijf hielden, zag de helft het nut van de nieuwe polder niet in, wat weliswaar korzelige onwil verried, maar nogal vaag bleef als er geen toelichting volgde. Een van degenen die zo’n toelichting wel wilde geven, was de veehouder Heike Heikens. Zijn vijf grazen land hadden wel wat voordeel bij het polderplan, “maar hij bouwde niet en liep het grasland al eens onder, het was voor hem van weinig belang”. Met ‘bouwen’ zal in dit verband akkerbouw zijn bedoeld, die vooral voordeel had bij het lagere waterpeil.. Een handvol afwijzers zag tegen de kosten van de polder op, een ander handvol had land dat van zichzelf al vrij hoog en droog lag. Tijmen Onnes’ land was zo hoog “dat des zomers niet onder kwam”, dat van Derk Harms liep “enkel met een opjagt wat onder”, en Lammert Jans had ’s zomers zelfs wel eens gebrek aan water op zijn percelen.
Roelf Jans daarentegen, had zulk laag land , dat de polder er niets aan kon verhelpen. Een collega van hem bezat al een eigen watermolen “en zoude dus dubbele kosten hebben”. Een ander vreesde de nieuwe dijk over zijn land en ook brachten sommige beklemde meiers in, dat hun eigenaren (mogelijk) tegen waren.
Een enkeling beweerde zelfs dat een watermolen schadelijk zou zijn. Dat was Jan Willems. Hij verklaarde, dat “wel hadde gehoord dat sommige landen door de waatermoolens verergert wierden”. Bovendien leerde de ervaring hem, “dat het land eenigen tijd onder waater zijnde meer voor als nadeelig was”, Deze boer was derhalve een warm aanhanger van het systeem van bemesting door bevloeiing, dat wat zuidelijker, op de hooilanden van de Eelder- en Peizermaden, nog tot in de twintigste eeuw heeft bestaan.
Het hele eerste halfjaar van 1795 ging met de hoorzittingen heen. Pas op 9 juli nam het Hof een besluit. Het verklaarde deze opposanten “in hunnen redenen van bezwaar ongegrond”. En daarmee was de weg vrij voor fase 2 van het proces, waarbij de bezwaren tegen het stoppen van het pijpje aan bod kwamen.
Deze fase van het proces begon in oktober 1795. In de akten wordt het pijpje ook wel “de klijve bij het Tolhek” genoemd, oftewel een klief, waaronder we, zoals gezegd, een stenen grondzijl of duiker moeten verstaan. De naam is verwarrend, omdat het Klijfdiep of Kliefdiep, waaraan het pijpje het zuidelijke water afleverde, op zijn beurt het water via een klijve liet uitstromen in het Aduarderdiep. Anders dan het pijpje, had deze eindklijve waarschijnlijk een schot dat met hoger binnenwater opende en met hoger buitenwater dichtging. Aan deze ‘echte’ klijve, dankte het Klijfdiep waarschijnlijk zijn naam.
Aan het begin van de nieuwe fase in het proces beweerden de noorderlingen dat “een groot gedeelte” van de zuiderlingen al met getekende verklaringen had beloofd, zich niet te zullen verzetten tegen het het stoppen van het pijpje. Dit lijkt nogal overdreven. Tegenover 8 zuidelijke landgebruikers die zich tegen het plan verzetten, waren er namelijk maar 5 die geen oppositie wilden voeren. De bezwaarden maakten derhalve een meerderheid uit.
Hun woordvoerder was de boekhandelaar, drukker en uitgever Jacob Bolt, die tevens als auctionaris van boekenveilingen aan de Groninger Academie fungeerde. In de omgeving van de Peizerweg beschikte hij over nogal wat grond, zoals diverse percelen Fraterland en landerijen bij Lingenhuizen. Het niet meer op het Klijfdiep kunnen lozen van het zuidelijke water, kwam volgens Bolt neer op onteigening. Hij verklaarde
“dat het Klijfdiep door hun voorzaaten was bekostigt en hun eigendom en afwateringe was. Waarom [hij] verzogt dat het Klijfdiep en pijpje in voorige stand mogte verblijven, leerende hun de ondervinding dat wanneer hoog water hebben, hetzelve dikwijls drie duim (7,4 centimeter HP) scheelde eer het verlaat oopen koomt, dat meest ten tijd bij hoog water het klijfje twee etmaalen vroeger oopen koomt als het verlaat.”
Uit deze verdediging van de bestaande toestand blijkt, dat de zuiderlingen nog een alternatieve afvoerroute voor hun water hadden, en wel via een verlaat (sluis). Op zich zou dat de sluis in het Hoendiep bij Vierverlaten kunnen zijn, al lijkt dat gezien het hogere waterpeil in het Hoendiep niet in de rede te liggen. Een andere mogelijkheid is dat Bolt met dat verlaat een zijltje bedoelde, dat bij het eind van de Peizerweg, ten westen van Lingenhuizen, tussen de zuidelijke sloten en de Woldsloot in lag. Uit een proces dat in de jaren 1784 speelde, weten we dat deze Woldsloot vanaf Neerwold tot Eiteweerd met hooipramen bevaren werd, misschien dat Bolt het zijltje daarom abusievelijk voor een verlaat hield.
Hoe het ook zij, de noordelingen vonden dat de zuiderlingen hun water voortaan ook wel via die alternatieve route kwijt konden. Blijkbaar had Bolt de noorderlingen voorgesteld, om het Klijfdiep maar te bedijken, in plaats van het pijpje te stoppen, maar dat vonden de noorderlingen bepaald geen goed idee. Het hogere peil in het Klijfdiep, zo betoogden ze, zou trouwens ook ten koste gaan van het zuiden zelf, want met de noordelijke winden zou er dan meer water door het pijpje aar het zuiden worden gedreven, zodat “de zuidelijke landen dan meer waater kreegen, als nu zouden hebben wanneer het pijpje gestopt en dus dit verhindert wierd.”
Bolt en de zijne lieten zich hierdoor niet overtuigen. Ze gaven toe, “dat wel eens bij sterke wind het waater door het pijpje hun wierd toegejaagd en het alzo bij hun verhoogde”, maar dan stroomde de Aduarderzijl ook niet, en maakte dat voor de waterstand maar weinig uit. Ze herhaalden hun standpunt, dat het Klijfdiep hun eigendom was. Volgens Bolt hadden die van het zuiden al “ meer dan honderd jaren” beschikt over deze uitwatering en al die tijd er mede de kosten van onderhoud voor opgebracht. Het pijpje, aldus Bolt, was voor de afwatering “van zeer groote noodzaakelijkheid”. Bovendien raakten de zuidelijken hun water veel vlugger langs twee wegen, dan via een enkele weg kwijt.
Hoewel de noorderlingen nog wel een route naar een compromis openden, en graag wilden horen onder welke voorwaarden die van de zuidzijde eventueel zouden willen participeren in de noordelijke polderplannen, gingen de zuidelijke daar niet op in. Maar omdat er ook eigenaars waren, die verstek lieten gaan, besloot het Hof medio maart 1796 die via placcaten en bekendmakingen in de couranten op te roepen, waarbij het de mensen die nu nog steeds niets van zich lieten horen, als voorstanders van het polderplan zou gaan beschouwen.
Na nog wat formele chicanes was het jaar bijna voorbij, toen het Hof aan het onderzoek van de uitgewisselde stukken begon. Op 7 februari 1797 kwam het eindelijk tot de uitspraak, dat de argumenten van de zuidelijken tegen het stoppen van de pijp van onvoldoende gewicht waren, om het noordelijke polderplan te dwarsbomen. Wel zouden de zuidelijken voortaan niet meer hoeven meebetalen aan het onderhoud van het Klijfdiep en de klijve bij het Aduarderdiep.
Weldra gingen de noordelingen over tot aanbesteding van het werk:
“De VOLMAGTEN van de Geïnteresseerde LANDGEBRUIKEREN onder de Stad , Stadstavel en Hamrik mitsgaders Hoogkerk, Leegkerk en Dorquert aan de Noordzyde van de Trekweg buiten der A. Poort, gedenken Uitebesteden op Zaturdag den 18 Maart, ten Huize van de Kastelein Sikko Gerbens in de Slingerie buiten A Poort, ’s Namiddags precies om twee uur, het Stoppen van het Pypje by Hoogkerk in het Trekpad liggende. Waar van de Bestekken ter p!aats van Uitbesteding , als mede.by de Wedw. J. van Bolhuis in de Unie te leezen zyn.”
De polder die ten noorden van het Hoendiep gerealiseerd werd, zou later de Held gaan heten, naar de noorderwatermolen die tussen het Klijfdiep en het Aduarderdiep in kwam te staan. De tweede watermolen, de Jonge Held, zou er pas in 1828 komen. Diens bouw betekende de splitsing van het waterschap in twee polders : de Jonge Held bediende voortaan de gronden onder Leegkerk en Dorkwerd, terwijl de Oude Held zich tot Hoogkerk benoorden het Hoendiep beperkte.
Voor de zuiderlingen bleek de alternatieve waterlossing die ze nog hadden inderdaad al gauw onvoldoende. In 1797 maakten zij een plan voor een eigen watermolen, die in 1800 nabij Eiteweerd gebouwd werd.
Harry Perton
Bronnen:
> Groninger Courant 15 maart 1796; 12 april 1796; en 14 maart 1797.
> RHC Groninger Archieven, toegang 136 (Hoge Justitie Kamer) de inv. nrs. :
– 748 (rekesten) 20 dec 1794;
– 749 (rekesten) 9 juli, 3 en 10 oktober 1795, 5 maart en 4 april 1796;
– 694 (resoluties) 5 november 1796
– 1088 (commissienotulen) 16, 23 en 30 januari, 13 februari, 13 en 20 maart, 9 en 16 oktober, 20 en 27 november 1795, 26 februari, 4 maart, 11 en 25 november, 16, 20 en 26 december 1796, 10 en 7 februari 1797 (fol. 334)
> RHC Groninger Archieven, toegang 705, inv. nr. 162 proces over het bevaarbaar houden van de Wildsloot, 1784.
> Archief Noorderzijlvest, Verzamelinventaris waterschappen Westerkwartier, p. 196.
De kerk teruggeven aan het dorp
Geplaatst op: 23 juni 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden 2 reactiesAls je in Huizinge de kerk van binnen wil zien, dan moet je naar een zijstraatje om bij een klein huisje aan te bellen. Degene die dan de deur voor je open doet, is Reint Wobbes, al sinds jaar en dag een van de drijvende krachten achter de stichting Oude Groninger Kerken. Van de week was hij even in het Journaal te zien, omdat hij uit handen van koningin Beatrix een zilveren anjer ontving. In dit filmpje legt hij uit, hoe dat met zijn passie zit:
Een zeerob te Hoogkerk
Geplaatst op: 14 juni 2012 Hoort bij: Hoogkerk Een reactie plaatsen“GRONINGEN den 12 November. In de gepasseerde Week is te Hoogkerk, een uur van deze Stad gelegen, een Zee ROBBE gevangen, welke dagelyks in ’t Tolhuys aldaar nog is te zien.”
Bron: Groninger Courant 30 november 1764.
Toelichting: Met een zeerob werd uiteraard geen zeeman, maar een zeehond bedoeld. Het beest moet via het Reitdiep, Aduarderzijl. het Aduarderdiep en het Kinderverlaat in Hoogkerk terechtgekomen zijn. Het bedoelde tolhuis stond in de bocht van het Hoendiep, tegenover de plek waar men tegenwoordig De Halm vindt.
Geertruida Franke een savante?
Geplaatst op: 9 juni 2012 Hoort bij: Hoogkerk 3 reactiesHaar vader had in 1753 voor een prikje de borg Elmersma in Hoogkerk gekocht, om een zeepziederij op het borgterrein te stichten. Daarmee boerde hij zo goed, dat hij de oude borg kon vervangen door een modern herenhuis. Bovendien belegde hij zijn winst in diverse stukken onroerend goed in en om Hoogkerk.
Toen de ongehuwde Geertruida Franke dit alles van hem erfde, verplaatste zij de zeepfabriek naar een pand aan de Brugstraat in Groningen. Toch hield ze een band met Hoogkerk. Zo kocht ze bij de veiling van Lewe van Aduard in 1815 een heel pakket heerlijke rechten van Hoogkerk, maar ook van Leegkerk en Dorkwerd. Vervolgens vroeg zij een wapen voor haar heerlijkheid aan. Bij Koninklijk Besluit werd haar toegestaan om hiervoor het wapen van de familie Franke te nemen, met een klokje als addendum. Dit wapen werd later het wapen van de gemeente Hoogkerk.
In haar proefschrift over Verlichting en Romantiek in Groningen noemt Lies Ast-Boiten de zeepfabrikante “fascinerend”. Voor het onderzoek naar boekenbezit en leescultuur, maakte Ast-Boiten gebruik van een inventaris van Geertruida’s bezittingen, opgemaakt in 1820, oftewel drie jaar na Geertruida’s dood. In Geertruida’s huis aan de Groninger Brugstraat bevond zich op zolder een bibliotheek, waarvan de boeken helaas niet apart werden opgenoemd, maar die in zijn geheel op 100 gulden werd getaxeerd. Volgens Ast-Boiten was deze boekerij daarmee een van de grootste bij de Groninger burgerij. Op de inventaris staat bovendien, dat Geertruida voor bijna 82 gulden in het krijt stond bij boekhandel Roemelingh. Wat ze daar kocht is helaas ook weer onbekend. Ast-Boiten erkent weliswaar in een noot dat het ook schrijfbehoeften, prenten en schilderijen geweest kunnen zijn, maar concludeert niettemin dat:
“Geertruida Franke lijkt te bevestigen dat niet alle berichten over lezen als levensbehoefte uit de lucht zijn gegrepen en tevens dat vrouwen het lezen van boeken uitdrukkelijk hebben omarmd.”
Wat mij betreft kende Ast Boiten hier iets te weinig gewicht toe aan het feit, dat Geertruida’s bibliotheek op zolder stond, een gewoonlijk duistere plek waarvoor je een ladder of trap op moest en dat met een brandende kaars of lantaarn. Die boeken lagen niet voor het grijpen, wil ik maar zeggen, en ze zouden ook wel van Geertruida’s vader geweest kunnen zijn. De schuld bij Roemelingh kan bovendien (deels) samenhangen met aankopen van papier, benodigd voor zeepwikkels. Om louter op basis van enkele geldbedragen te suggereren dat Geertruida Franke een soort van savante was, lijkt me dus wishful thinking.
—
Bron: Lies Ast-Boiten, Stad tussen Verlichting en Romantiek. Groningen 1780-1850 (Assen 2011), in het bijzonder de pagina’s 72-74 en noot 131 op oagina 362.
Zie ook: Lavater in Hoogkerk
Het Westerkwartier als ooievaarsland
Geplaatst op: 4 juni 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 3 reacties
Prachtig stuk van Tonko Ufkes over de ooievaar in het Westerkwartier.
Als vertrekpunt kiest hij een familieverhaal over zijn opa, die op een boerderij bij Lutjegast leefde en daar in 1960 overleed. Als Tonko’s grootvader het gras ging maaien,
“kwamen de ooievaars aanvliegen en bleven dicht in zijn buurt om de tevoorschijn komende slakken, kevers, kikkers enz. uit het gras te pikken. Soms liepen wel vier grote vogels samen met Opa in het zelfde stuk weiland”.
Tonko schrijft dat een beetje toe aan de rustige kadans waarmee zijn opa de zeis door het gras liet gaan, maar ik heb eenzelfde tafereel in de buurt van Leek ook wel achter een maaiende tractor gezien, dus aan opa’s rustige maaien zal het niet hebben gelegen. Ooievaars kunnen wel tegen wat drukte.
In de jaren 1940, 1950 waren er in de onmiddellijke omgeving van Lutjegast zo’n 3 of 4 nesten. Uit een tijdschrift haalde Tonko een lijst van ooievaarsnesten die anno 1939 werden bewoond. In totaal ging het in de provincie Groningen om 39 stuks, waarvan er 15 in een straal van ongeveer 15 kilometer rond Lutjegast. “De andere Groninger ooievaars”, aldus Tonko,
“woonden rond de Stad of naar het oosten, langs de lijn Hoogezand – Scheemda – Oostwold of vanaf Scheemda richting Wedde. Dus niet op het Hogeland of in de Veenkoloniën.”
Het jaar 1939 bleek wel een topjaar. Nadien daalde het aantal bewoonde ooievaarsnesten snel.
Maar ruim een eeuw voor 1939, namelijk in 1828, waren er waarschijnlijk veel meer ooievaars dan in 1939, want de schoolmeester van Dorkwerd meldt dan “zeer vele ooijevaars”, terwijl zijn collega van Oostwold (Wk.) dan zegt dat ooievaars “meest op ieder dorp een of meer nesten hebben”.
Te Oostwold zat er een ooeivaarsnest bovenop een boerenschuur. Helaas vertelde de schoolmeester van Hoogkerk niet, dat zich daar een op de school bevond, Wel noemt Tonko het nest, volgens overlevering al sinds de 15e eeuw, op de kerk van Niehove, dat in 1882 echter voor het laatst bewoond werd.
Tonko publiceerde zijn ooievaarsverhaal in 2008 in een geannoteerde versie in Stad & Lande, iets wat helaas niet bij de webversie staat. Zijn constatering “dat de ooievaar in Groningen niet meer voorkomt”, is inmiddels behoorlijk achterhaald. Ooievaars zijn zelfs alweer tot vlakbij de stad opgerukt, want je kan ze bij tijd en wijle zien bij het transferium Hoogkerk, bij de Peizerweg en bij de Johan van Zweedenlaan, om me tot de zuidwestkant van de stad te beperken.
Leeksterbol trotseert Pinksterstorm
Geplaatst op: 30 mei 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 3 reactiesVolgens het KNMI waren het “de waarschijnlijk slechtste Pinksteren ooit”, die van eind mei 1860. Een zware zuidwesterstorm joeg met windstoten van 120 kilometer per uur over ons land, en omdat er grote schade was, richtte het KNMI naderhand een stormwaarschuwingsdienst op, een van de eerste ter wereld.
Iemand die zich ruim een halve eeuw later de Pinksterstorm nog levendig herinnerde, was Vredewoldius, de schoolmeester Cornelius Reijntjes van Zevenhuizen. Hij maakte de storm als Hoogkerker schooljongen mee. In het Nieuwsblad van het Noorden vertelde hij het verhaal dat het opgestuwde Zuiderzeewater in Lemmer wel vijf meter hoger stond dan in Amsterdam. Op zee vergingen dan ook talrijke schepen, waarvan vele bemanningsleden verdronken.
Vredewoldius heeft ook een verhaal van wat dichter bij huis, over het Leekster beurtschip, dat juist die zondagochtend wegens de Leekster kermis een extra vaart vanaf de stad deed en dus pal tegen de storm in moest:
“Des Zaterdagsavonds was het beurtschip van Leek op Groningen v.v., „de Leeksterbol” nog weer naar „de Stad” gevaren om de „wonnen vracht” te halen. Want het was in de Pinksterdagen kermis te Leek. De „wonnen vracht’ was de beurt, die men in de Pinksterdagen tusschen den gewonen dienst inlegde om marktbezoekers en kooplieden op te halen. Des Zondagsmorgens, dat was dus op den eersten Pinksterdag, vertrok „de Bol” om 8 uur van Groningen en kwam tegen 9 uur te Vierverlaten. Zooals wij zeiden, stormde het verschrikkelijk uit het Z.W. en het schip had het dus vlak in den wind. Langs het Hoendiep ging alles best; men had een goed paard voorgespannen. Te Vierverlaten kwamen er nog eenige kermisgasten bij. Evenwel — het aantal relzigers was niet groot.
Langs de Gave en de Munnikesloot moest men trekken in de lijn: maar men requireerde gauw eenige kooplieden, die in het ruim zaten en die graag tijdig ter markt wilden zijn. Zij hielpen de knechts een handje en zoo kwam men dan eindelijk om een uur of tien voor „het Meer.”
Zoo kalm als dit bij mooi bestendig weer kan wezen, zoo woest en ontstuimig was het nu. Men liet het schip aan lager wat drijven en overlegde wat er te doen stond. De schippers R. Koekoek en M. de Boer en de beide knechts besloten eindelijk tot het waagstuk om over het meer te laveeren. Alles werd daarvoor in gereedheid gebracht: de mast, die wegens het opvaren in den wind was neergelaten, werd opgezet en zeil en fok werden aangeslagen. Beide waren vooraf zwaar gereefd en in overeenstemming gebracht met de kracht van den wind; waardoor het gevaar van omslaan aanzienlijk werd verminderd. De deurtjes van „de roef” werden gesloten en schipper Koekoek verbood ten strengste aan de inzittenden om ze open te doen. Hetzelfde bevel ontvingen de lui, die „in het ruim” zaten. De luiken werden daar opgelegd.
De eerste gang bracht het schip natuurlijk aan den Drentschen kant. Daarbij helde het zoo verschrikkelijk, dat de glaasjes van de roef onder water zaten. Gelukkig weerstonden ze den drang ervan. Toen men op commando van den schipper overstag moest gaan en het vaartuig dus op de andere zijde kwam te liggen, rolden eensklaps in de roef een paar dames en 2 kinderen van hun zitplaats, die natuurlijk van laag in hoog veranderde. Het was in weerwil van. den angst dien men uitstond een komisch tafereel. Het schip stampte zoo geweldig, dat een der kinderen al gauw zeeziek werd.
Evenwel de schippers en hun knechts manoeuvreerden zoo dapper, dat ze bij den zesden gang voor het Lettelberter diep kwamen en de 7e bracht hen een goed eind in „den Hals van het Meer”. Nu was de strijd gauw gestreden. De lijn werd weer uitgegooid, eenige rappe gasten sprongen aan wal en met vereende krachten kwam men behouden en wel zonder verlies van menschenlevens en zonder averij te Leek aan op den gewonen tijd.
Een talrijk publiek stond bij de brug en op het tegenwoordige bootplein te wachten en bracht den schipper en zijn knechts een warme ovatie. Toen de tijd ongeveer aangebroken was, dat „de Bol” op het meer moest zijn, waren versscheidene ingezetenen naar den Schildhoek gegaan. Met huivering hadden zij het manoeuvreeren van het scheepje gadegeslagen en er waren er, die van angst wegliepen om den ondergang van het vaartuig niet te zien, zoodat in het dorp al gauw het gerucht liep, dat de geheele Leeksterbol met man en muis op het Meer was vergaan. Maar gelukkig liep alles goed af.
De kermis leed geweldig onder den storm, dat spreekt. Des namiddags waaide het zoo hard, dat van de groote kermistent van de familie Wery, die te Nietap stond, een massa planken wegvlogen onder het publiek en men de voorstelling moest staken, wijl er gevaar bestond, dat alles plat tegen den grond zou komen te liggen.”
—
Bron: Vredewoldius, ‘Een storm op het Leekstermeer’ (Uit Vredewold en omgeving XLVI), Nieuwsblad van het Noorden 3 februari 1914.
De tol van Lingenhuizen in 1839
Geplaatst op: 27 mei 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen 3 reactiesOok in 1839 blijkt er een verpachting van de particuliere tol van Lingenhuizen te zijn geweest, dan voor zes jaar. Opmerkelijk is, dat “het tarief of bord bij het hek geplaatst” dan in zoverre veranderd blijkt, dat de passage voor een paard, koe schaap en varken anderhalve cent ging kosten, terwijl in afwijking van dit eenheidstarief nog een stuiver extra voor een paard betaald moest worden. Vergelijken we dit met de tarieven in 1824, dan was iemand met een paard duurder uit, en vooral iemand met een koe goedkoper, wat je een nivellerende maatregel zou kunnen noemen, omdat de gemiddelde paardeneigenaar beter af was, dan de modale koeienbezitter.
In tegenstelling tot 1824, toen dat nog impliciet bleef, werd nu uitdrukkelijk bepaald: “De voetgangers zijn onder de betaling van tol niet begreepen”. Was hier intussen verschil van mening over geweest? Nog steeds waren de pachters van de familie Bolt en de participanten in de Ruskevenne vrij van tol, tenminste, tijdens de uren tussen zonsop- en zonsondergang. Bij donker moesten ze nu dus net als alle anderen betalen, de extra moeite van de tolgaarder qua lantaarnopsteken werd zo dus gehonoreerd. Een geheel nieuwe uitzonderingsbepaling was dat ingezetenen van Peize, Eelde “en onderhorige boerschappen” voor hun heen- en terugreis naar de stad maar één keer hoefden te betalen. Voor alle andere passanten van de zomerweg gold, dat ze telkens in de beurs moesten tasten zodra ze door het Lingenhuister tolhek kwamen.
Ondanks de over het geheel genomen wat inkomstendrukkende bepalingen, leverde de verpachting van 1839 meer op dan die van 1824: 365 gulden tegen ruim 330 gulden. De man die het tegen deze voorwaarden en voor dat bedrag aandurfde was de oorspronkelijk uit Oost-Friesland afkomstige Pieter Benes Nannenberg, die zijn leven lang tolgaarder zou blijven, althans, zo stond hij ook te boek toen hij in 1872 te Adorp overleed..
Bron:
RHC Groninger Archieven, archief notarissen Zuidhorn (toegang 99) inv. nr. 107 (bundel acten) acte nr. 8 d.d. 21 januari 1839.
Blauw gras
Geplaatst op: 23 mei 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Ommelanden, Onlanden 1 reactie



Foto’s die het afgelopen weekend bij Peizermade, Leegkerk en Wierum genomen zijn. Bij de Peizerweg is ook een veld, maar daar was de blauwe kleur vandaag alweer verdwenen.
Burgemeesterszoon slaat hand aan zichzelf
Geplaatst op: 21 mei 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 4 reactiesDe Provinciale Drentsche en Asser Courant (PDAC) bracht het bericht uit Peize, van twee dagen eerder, nog wel zo zeker. Op 9 november 1852 schreef de krant:
“Volgens geloofwaardige berigten, hier van Hoogkerk ontvangen, heeft de zoon van den Burgemeester aldaar, zich, door de hals aftesnijden, van het leven beroofd. Hij heeft dit juist op zijn verjaardag volvoerd; hij is een jongeling tusschen de twintig en dertig jaren; de oorzaak van dezen zelfmoord wordt toegeschreven aan de weigering, om te mogen verkeeren met een meisje, hetwelk hij beminde.”
Maar in de volgende editie, van 11 november, moest de PDAC met een erratum op het bericht terugkomen. Want er zat een een kolossaal abuis in:
“In het vorig n° hebben wij medegedeeld, dat de zoon van de Burgemeester van Hoogkerk zich om het leven zou hebben gebragt; dit moet zijn Noorddijk.”
De Burgemeester van Noorddijk was, getuige Alle Groningers, een Jacobus Veltman. Die fungeerde weliswaar, zoals te doen gebruikelijk, tevens als ambtenaar Burgerlijke Stand, maar schreef geen overlijdensakte voor zijn zoon in. Ook een plaatsvervanger deed dat niet.
Wel plaatste Veltman een overlijdensadvertentie in de Groninger Courant van 9 november:
“Heden overleed, tot hittere droefheid van mij en verdere Betrekkingen, mijn innig geliefde jongste Zoon , GERRIET, in den ouderdom van 28 jaren. Noorddijk , 4 November 1852. J. VELTMAN.”
De overlijdensakte bleek opgemaakt in Groningen. Veltman junior stierf dus in de stad. Hij bleek 28 jaar oud, in dat opzicht klopte het eerste bericht in de PDAC dus wèl.
Ook in een ander opzicht klopte dat bericht. Veltman junior overleed inderdaad op zijn verjaardag, zo blijkt bij raadpleging van zijn Noorddijker geboorte-akte.
Het Fluitekruidseizoen
Geplaatst op: 19 mei 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Onlanden 5 reactiesHier nog gecombineerd met roden, gelen en blauwen:

Langs de weg naar Eiteweert:

Bij het Omgelegde Eelderdiepje:

En langs de Johan van Zweedenlaan:

Een verpachting van de tol te Lingenhuizen
Geplaatst op: 11 mei 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen 2 reactiesDankzij de onvolprezen krantenbank van de KB, weet ik nu eindelijk hoe het zat met de particuliere tol aan het eind van de Drentsche Laan (of Peizerweg). Enkele nummers van de Groninger Courant die er nu net op staan, bevatten namelijk aankondigingen van de publiek verhuring van “de WONING en het TOLHEK , LINGENHUIZEN genaamd , staande en gelegen buiten Der A-poort, dezer Stad, aan de Drentsche Laan”. Deze veiling, want zo mag je zo’n verhuring bij opbod wel noemen, vond plaats op dinsdagavond 17 februari 1824 in een herberg aan de Grote Markt in de stad. Omdat in zulke veilingaankondigingen altijd de naam staat van de notaris die de veiling organiseerde, weet je ook in welk notarieel archief je het eventuele huurcontract moet zoeken. In dit geval is dat vooral interessant vanwege de pachtprijs en de toltarieven.

Maar eerst iets over Lingenhuizen. In de 17e eeuw heette het nog Lingenhuis enkelvoud, maar in de 18e groeide het tot een meervoud en daarmee waarschijnlijk tot een piepklein buurtschapje. De naam ervan was in de aankondiging en de acte van de veiling synoniem met herberg het Porrenhuis volgens het eerste kadaster. Van de stad uit lag Lingenhuizen aan het eind van de Drentsche Laan (Peizerweg), d.w.z. op de lokatie waar deze linea recta overging in de Zuiderweg naar Hoogkerk. Anders dan tegenwoordig, maakte de Peizerweg hier nog geen flauwe bocht richting Peize. Zowel de Zuiderweg als de Drentsche Laan kwamen op de driesprong uit bij een tolhek, dat je door moest als je naar Peize wilde. Getuige de kadasterkaart – die van Hisgis heb ik aangepast naar de manuscriptkaart – neigde de weg, als je het tolhek doorkwam, eerst naar het Porrenhuis/Lingenhuizen, dat dan het tolhuis geweest moet zijn. De weg naar Peize (en Eelde!) liep daarvandaan eerst naar het oosten, vervolgens naar het zuidoosten, en eindelijk met een haakse bocht naar het zuidwesten, tot het punt waar een bruggetje over het grenssloot met Drenthe lag. De tegenwoordige Peizerweg, waarvan ik het tracé met een stippellijntje op het kaartje heb aangegeven, loopt rechtstreeks naar dat bruggetje, maar dat is de effciënte situatie van na de opheffing van de tol. Want men merke op dat de tol zowel vanuit de richting stad als die van Hoogkerk zo dwingend was, dat je er een omwegje voor moest nemen, als je naar Peize wilde. Afgezien van dat kronkelige, mogelijk boomomzoomde laantje was dit wel verreweg de kortste weg naar Peize. Overigens kan je je daar nog het beste zompige karresporen in een vrij kaal landschap bij voorstellen, te beginnen bij de Ruskevenne, waar nu het transferium ligt.
De tolverhuring van 1824 was op verzoek van de erven Bolt, die in deze omgeving veel vastgoed bezaten, zoals het Fraterland en de beide huizen van de buurtschap Lingenhuizen met het daarbij behorende land. De verhuring gold voor een periode van drie jaar, die inging op 1 mei 1824. Degene die op de veiling het hoogste bod deed, kreeg “alle regten aan het Tolhek verbonden’ en mocht als tolgeld heffen:
“…voor elk Paard en Koe vijf cents, Swijnen en Kalver ieder twee en een half cents en elk schaap Een en een half cent”.
Opmerkelijk is, dat bij deze voorgeschreven tarieven geen sprake is van mensen. Wandelaars zonder beesten behoefden dus geen tol te betalen. Ook wagens waren op zich vrij, maar die werden natuurlijk voortgetrokken door paarden, vallend in het hoogste tarief.
Meteen na de tarieven stipuleerde het contract enkele vrijstellingen van de tol. Artikel 4:
“Alle tijdelijke Participanten in de Ruskevenne zijn gedurende het geheele Jaar vrij van tolgeld.”
Mogelijk hadden de erven Bolt belangen in dit vastgoed meteen over de Drentse grens, dat het noordelijkste puntje van het kerspel Eelde vormde. Zeker is, dat ze hun pachters in het drukste seizoen van het jaar niet het vel over de oren wilden halen, want, artikel 5:
“De huurders van de Hooilanden behorend tot de nalatenschap van wijlen Mejuffrouw de weduwe Jacob Bolt, en liggende ten zuiden of ten noorden [van ] de Drentsche Laan, zullen gedurende het vervoeren van het Hooi van die landen vrij zijn van Tolgeld, doch verder niet.”
“De Huurder van het Tolhek zal geen Paarden noch wagens by zich te laten overnagten”, aldus artikel 6. Waarschijnlijk zette dit een rem op de groei van het Porrenhuis/Lingenhuizen als herberg. Verder bepaalde dit artikel dat de huurder de weg onberispelijk moest onderhouden vanaf “het hek de Lingenhuizen en zoo door het tolhek tot over de beide Bruggen”, waarmee dan de bruggen over de erfsloot en de Drentse grenssloot bedoeld zullen zijn, want die over het Eelderdiep/de Avingesloot lag immers geheel op Drents territoir.
De huurder mocht zijn jaar huur in twee termijnen betalen, op 1 augustus en op 1 november, wat duidelijk aangeeft wanneer het ’t drukste seizoen was: voorafgaand aan deze data. ’s Winters kon je hier ook nauwelijks langs, vanwege algehele drassigheid.
De hoogste bieder bij de veiling was, na een schriftelijke ronde en een mondelinge met meerdere “opbotten”, ene Pieter Kok. Op dat moment woonde deze koopmansknecht nog aan het Zuiderdiep in de stad. Hij had de kastelein van de Grote Sociëteit in huis Panser aan de Grote Markt oostzijde als borg. Kok bood een pacht van ƒ 330,40. Exclusief recht van tol deed het Porrenhuis volgens een verpondingskohier uit 1806 aan huur 50 per jaar. Kok verwachtte dus minstens 280 gulden aan tol te beuren. Dat waren toch duizenden landbouwdieren in het drukste seizoen.
Bronnen:
– Groninger Courant 3, 10 en 17 februari 1824
– RHC Gronuinger Archieven, toegang 1871 (notarissen Groningen standplaats 22 ), inv. nr. 77, de acte door Willem Jan Quintus van 1824 nummer 64, op de veilingdatum..
De man achter Vredewoldius
Geplaatst op: 9 mei 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 5 reactiesHet raadsel wie er achter het pseudoniem Vredewoldius zat, is opgelost.
Ik vertelde collega Geert Braam vanmiddag over Vredewoldius’ stukje over de Pinkstermarkt van Leek, en dat daarin de dansmeester Jan Randel figureerde.
Kwam een deel van de info in dat stukje mij al een beetje bekend voor, omdat ik wel eens een logje over Jan Randel zijn Zeuvenhuuster dans geschreven heb, de echte Randel-kenner Geert deed wat ik over het stuk vertelde sterk denken aan een passage in het boek van meester Cornelis Reijntjes over Zevenhuizen.
Op Alle Groningers vond ik vervolgens aanwijzingen dat Vredewoldius het pseudoniem van meester Reijntjes was. Net als Vredewoldius kwam Cornelis Reijntjes uit Hoogkerk, waar zijn vader kastelein was, zoals blijkt uit de huwelijksacte van 1874, toen Reijntjes zelf al werkte als hoofdonderwijzer in Zevenhuizen. Daar in Zevenhuizen zou hij in het najaar van 1915 overlijden. Niet alleen komen Hoogkerk en de omgeving van Zevenhuizen vrij prominent voor in de Nieuwsblad-serie van Vredewoldius, ook wordt die serie vlak voor het overlijden van Reijntjes afgesloten.
Definitief uitsluitsel kreeg ik door dit bericht in het NvhN over Reijntjes’ overlijden:
“Uit Zevenhuizen bericht men ons, dat de heer C. Reijntjes, oud-hoofd der school aldaar, overleden is. Als mensch en ambtenaar herdenkt een zijner vrienden hem in dit blad; wij willen daaraan nog een enkel woord toevoegen en hem herdenken als een onzer oudste medewerkers. Niet alleen is hij jaren lang correspondent van ons blad geweest, maar ook verscheen van zijne hand een reeks van schetsen uit Vredewold. later uitgestrekt tot de omgeving, waarin hij niet alleen zijn groote kennis der lokale historie toonde, maar tevens de cultuurgeschiedenis dezer streek beschreef als iemand, die daarvan meer dan een halve eeuw getuige is geweest. Hij heeft aan den vooruitgang van het Zuidelijk deel van het Westerkwartier een zeer groot aandeel gehad, er voor gewerkt op velerlei wijzen, en niet het minst met de pen. Zijn nagedachtenis blijft.”
(De cursivering is van mij.) Het In memoriam door zijn vriend, dat ter sprake komt, meldt dat Reijntjes even voor zijn dood om zijn ontslag vroeg. “Hij streed voor betere wegen en vaarten”, zegt die vriend, en: “Hij leidde het landbouwbedrijf in nieuwe banen”. Inderdaad belangrijke onderwerpen in de serie door Vredewoldius!
Intussen heb ik nu 32 van de 56 stukken in diens serie gevonden. Eens kijken of er een becommentarieerde bronnenuitgave in zit. Sommige stukken zijn een beetje cliché, maar er zitten ook juweeltjes tussen, en dan doel ik vooral op de stukken waarin Vredewoldius/Reijntjes zijn eigen herinneringen heeft verwerkt.
Het Oude Gat, een moeras bij Hoogkerk
Geplaatst op: 2 mei 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Veldnamen 1 reactie
“Het dorp zelf was niet veel”, schrijft Vredewoldius anno 1915 over het Hoogkerk van ruim een halve eeuw eerder. De scribent, zelf waarschijnlijk uit Hoogkerk afkomstig, legt dan uit dat het dorp zich indertijd aan de oostkant uitstrekte “tot ongeveer aan den hoek, waar de weg naar Groningen ombuigt”. Die hoek ligt er in onze tijd nog steeds, het is de rare knik in het Hoendiep tussen de Boeiersingel aan de zuidzijde en UT Delfiaweg aan de noordkant. Volgens Vredewoldius heerste medio 19e eeuw bij deze knik een behoorlijk zompige toestand:
“Dicht bij dien hoek was toen — en ook nog in veel later tijd — een soort moeras, bekend onder den naam „Het oude Gat”, De bodem daarvan was zoo week en los, dat men er met gemak een lat van 24 voet tot het einde met de hand kon indrukken.”
Tot een diepte van maar liefst 7 meter was de grond hier dus onvast. Vredewoldius dacht dat hier ooit een dijkdoorbraak had plaatsgevonden, maar dat lijkt me onjuist. Kolken, ontstaan door dijkboorbraken, bleven gewoonlijk open water doordat de grond er met enorme kracht en relatief diep weggespoeld was.
Als plausibeler komt het me voor, dat dit moeras te maken had met de loop van het oude Eelderdiep. Jan van den Broek deed in zijn proefschrift de suggestie, dat de knik in het Hoendiep hier ligt op een stukje tracé van het oude Eelderdiep. Dat riviertje liep in de 13e eeuw waarschijnlijk nog langs de oostkant van Bangeweer, daar waar je nu een vijverpartij en de Ruskeveense plas hebt. Vanaf de Hoogkerker kant van de knik zette het zich waarschijnlijk al vrij vroeg voort in het Kliefdiep, dat dan als een kanalisering van het oude Eelderdiep is te beschouwen,
Dat het Eelderdiep ten zuidoosten van Hoogkerk totaal niet meer in het landschap herkenbaar is, komt in de eerste plaats door een ontwikkeling die enige jaren na 1313 plaatsvond. Pal op de grens van de Ommelanden en Drenthe werd toen de Avingesloot gegraven, waardoor het water van het oude Eelderdiep in westelijke richting werd omgebogen en afgeleid naar het Peizerdiep. Aan de ene kant ontlastte de Avingesloot het gebied ten zuidoosten van Hoogkerk van heel veel Eelderdieps water, aan de andere kant vergrootte ze ook het debiet van het Peizerdiep, waardoor de doorstroming daarvan verbeterde. Bij de Avingesloot vergaderden voortaan de Drentse en Ommelander kerspelen van het Aduarderzijlvest over waterstaatszaken. Dat gebeurde jaarlijks op de eerste zondag na Sint Walburg (1 mei).
Terug naar het Oude Gat. Van het verdwenen oude Eelderdiep ten oosten van Bangeweer laat zich de loop reconstrueren, door op de oudste kadasterkaarten van ca. 1825 allerlei kromme afwijkinkjes in de percelen te volgen (zie bovenstaand kaartje). In het zuidelijke deel van zijn stroomgebied hier, waaierde het Eelderdiepje waarschijnlijk breed uit, zich opsplitsend in meerdere kleine stroompjes, Naar het noorden toe, bij de latere knik in het Hoendiep, lijkt er echter sprake te zijn geweest van een versmalling en verdieping. Bij een groot aanbod van bovenwater, moet het riviertje bij deze trechter regelmatig buiten zijn oevers zijn getreden. Wellicht dat daar de drassige toestand van het Oude Gat mee te maken had. Door de overstromingen bleven er wellicht veel meegevoerde stukjes darg en veen op de lagere gronden liggen, wat dan op den duur tot dat moeras kan hebben geleid.
—
Litteratuur: Jan van den Broek, Een stad apart, hoofdstuk 2, en dan vooral pag. 242-249.

Recente reacties