Maai- en hooitijd in de Onlanden (1912)
Geplaatst op: 28 april 2012 Hoort bij: Drenthe vrogger, Hoogkerk, Onlanden 2 reacties
Een eeuw geleden stond de waarschijnlijk uit Hoogkerk afkomstige Vredewoldius uitvoerig stil bij de economie van de lage madelanden ten noorden van Roderwolde en Sandebuur die we tegenwoordig de Onlanden plegen te noemen. Hij deed dat in een aflevering uit zijn serie over het Vredewold en omgeving, die helaas nooit als boek is uitgegeven. Omdat het stuk zo buitengewoon informatief is, laat ik het vrijwel integraal volgen met een paar aanvullingen.
“De bodem bestaat hier voornamelijk uit laagveen van een aanzienlijke dikte, ten deele ook uit moerasveen en is week en moerassig. Sommige stukken land hebben nog zoogenaamde drijftillen. Op die plaatsen kan men niet met paard en wagen verkeeren zonder gevaar te loopen van in de diepte te verzinken met een uiterst geringe kans om ooit weer boven te komen, want de zode sluit zich van boven terstond weer aaneen. Die lage landen zijn natuurlijk onbewoond en dienen alleen voor het winnen van hooi, enkele ook voor weiland. Door er een laagje klei over te brengen heeft men de kwaliteit van het gras van vele stukken verbeterd; voor een kwart eeuw leverden deze landerijen alleen het zoogenaamde ‘blauwgras‘ wat voor veevoer niet aan te bevelen is zonder krachtvoeder, omdat wegens gebrek aan phosphorzure kalk in dat gras en hooi de dieren een ziekte krijgen, die beenverweeking heet. Voor ettelijke jaren bad men van deze ziekte, die zich vooral in het voorjaar tegen het kalven der koeien openbaarde, veel last, omdat de meeste landbouwers niet met de zaak op de hoogte waren. Tegenwoordig, nu er beter en oordeelkundiger gevoederd wordt en het hooi van de lage landen door dat overkleien verbeterd is, hoort men er niet zooveel meer van.
”De hooilanden van Roderwolde’ zijn in handen van verschillende eigenaars, die soms ver weg wonen en die ze vroeger meestal voor een appel of een ei hebben gekregen, maar die er thans ontzettende winsten mee maken. Ofwel ze behooren tot de kerkelijke goederen van de omliggende hervormde gemeenten. De eigenaars verkoopen het ‘topgras’ op publieke verkoopingen die te Roden en Roderwolde worden gehouden. Zoo’n topgrasverkooping is een gewichtige zaak voor de boeren uit den omtrek, omdat zij er zich van hooi moeten voorzien voor hun vee. Als een eigenaardigheid van de topgrasverkooping te Roderwolde, die de voornaamste is van alle verkoopingen van dien aard en die dan ook met den naam ‘groote’ wordt betiteld, moet vermeld worden, dat eenigen tijd voor het begin der veiling de torenklok wordt geluid om zoodoende aan de personen, die ergens in het hooiland omzwerven om de verschillende perceelen, waarop zij wel oog hebben, te bekijken, gelegenheid te geven om op tijd te komen.
Als het maai- en hooitijd is, wordt de anders eenzame vlakte plotseling een tooneel van groote bedrijvigheid en gezellige drukte. Van heinde en verre komen de maaiers en hooiers opdagen om hunne werkzaamheden te verrichten. Dan slaan ze hier en daar witte linnen tenten op; want ook des nachts blijven de mannen in het hooiland om toch vooral maar geen lijd verloren te laten gaan. Ze slapen in den korten zomernacht enkele uren onder die linnen tenten, ook kruipen ze soms in de reeds gereedstaande hooioppers. Maar al lang voor zonsopgang
Slaat de maaier al weer reede,
Om met zijn zeisen, scherp van snede,
Door ’t gras te gaan. ’t welk versch geveld,
Een rozengeur spreidt over ’t veld.Zoo’n rozengeur is dat nu eigenlijk niet, zooals de dichter ervan maakt, maar lekker ruikt het pasgemaaide gras toch wel. Maar daar moet men eigenlijk boer voor wezen! Natuurlijk wordt het benoodigde proviand voor al de dagen, die men in die ruime wereld moet doorbrengen, van huis meegenomen: stoet, eieren, pannekoeken en ‘soepenbrij’, het laatste vooral in ruime hoeveelheid omdal het niet zuur wordt, wijl het dit reeds is, en dus veel langer goed blijft dan de pannekoeken. die al gauw een zuur smaakje krijgen, vooral bij warm weder. Duurt hel werk langer dan men verwacht had, dan wordt de eetvoorraad door een afgezant weer aangevuld uit huis.
Indien het weer meewerkt, d.w.z. als de drie factoren warmte, zonneschijn en wind voldoende aanwezig zijn, is de geheele campagne in een 14 dagen afgeloopen. Van heinde en verre komen schippers om het hooi naar. de boerderijen te vervoeren, Daarna blijft de nu kale grasvlakte in treurige eenzaamheid achter, al haar tooi van gras en bloemen is verdwenen. Maar als het regent in den hooitijd, gebeurt er dagen soms niets. Dan zijn de boeren niet best te spreken, dat is gemakkelijk te begrijpen, want meermalen krijgen ze dan het dure hooi half bedorven te huis.”
Bron: Vredewoldius – Uit Vredewold en omgeving XXX, Nieuwsblad van het Noorden 23 november 1912.
Aantekeningen:
Uit een bericht over de topgrasverkopingen de dato 26 juni 1912 blijkt, dat de madelanden ook dan al steeds meer drooggelegd worden. Daardoor verschuift de hooitijd van juli naar juni. Ook worden gronden dichtbij vaarwater (Peizerdiep, Leekstermeer, Matsloot) vaak voorzien van een laag terpaarde, terwijl meer afgelegen stukken het moeten doen met kunstmest. Op die manier valt de opbrengst aan hooi steeds groter uit en kunnen de boeren meer vee aanhouden.
Een voorbeeld van het kamperen op of bij hooiland tijdens de hooitijd komt uit Zevenhuizen. De boer Lammert Slofstra die zijn bouwland omzette in weiland, maar toen te weinig voer had voor zijn groeiende veestapel, pachtte er “bij Hoogkerk”, op twintig kilometer vanaf zijn boerderij, hooiland bij:
“Bij Hoogkerk kampeert het hele gezin in juli dan twee weken in een tent op het land om te hooien. Ze nemen proviand en turf mee, koken in een eenvoudige pot en werken hard. Kinderen herinneren zich dat hooien als een feestelijk gebeuren”,
aldus een historisch stukje op een dorpswebsite van Zevenhuizen.
Verzamelbeurs Hoogkerk
Geplaatst op: 21 april 2012 Hoort bij: Hoogkerk 5 reactiesMet een bon uit de Westerkrant kon je gratis naar de Verzamelbeurs in de sporthal van Hoogkerk. Die staat hier vlakbij, tussen de buien door daar dus even naar toe.
Ik denk dat het aantal aanbieders en het aantal belangstellenden elkaar vrijwel in evenwicht hield:

De ansichtkaart met de olijke matroos die vertelde dat hij niet eerlijk aan zijn dikke sigaar gekomen was, kostte maar liefst 6 euro:

Bak met munten. Ongeveer in het midden een van de DDR, een mooi verzameldomein vanwege de eindigheid en daarmee het compleet kunnen krijgen:

Bij de kramen vooral wat oudere mannen:

Bankbiljet met Tito:

Postzegelalbum:

Op zoek naar die ene munt die nog in de collectie ontbreekt:

Bij een kraam met suikerzakjes sprak ik met een man uit Nieuwe Pekela die er naar eigen zeggen 60.000 heeft. Hij woonde als jongen in de stad Groningen en vertelde dat ze daar bij de Fries-Groningse suikerfabriek een eigen drukkerij hadden, waar de suikerzakjes in lange stroken van een drukpers rolden. De plaatjes werden verzorgd door tekenaars en grafisch ontwerpers uit de stad, de cliché’s ervan kwamen van de Noord-Nederlandse Clichéfabriek aan de Blekerstraat. Een horeca-bedrijf moest minimaal 1000 zakjes afnemen, speciale vertegenwoordigers gingen ermee de boer op. De Fries-Groningse had vooral klanten ten noorden van de IJssel, maar Van Oordt uit Rotterdam bewerkte het hele land:

Ben thuisgekomen met twee ansichtkaartjes van Havelte die ik nog niet had, waaronder een van voor de oorlog.
Een vogeldicht omhulsel
Geplaatst op: 15 april 2012 Hoort bij: Hoogkerk 7 reacties
Over de ingepakte bomen bij Het Aduarderdiep geen nieuws van de bedrijven die ik aanschreef. Een ouwe baas die er een scheepje aan de wal heeft liggen, vertelde me echter dat het tegen vogels is. De Suikerunie, eigenaar van het terrein, wil van de bomen af, maar als er vogels in gaan nestelen, kan het bedrijf de kapvergunning voorlopig wel vergeten.
Het draperen van dat gaas om de bomengroep heeft nogal wat moeite gekost. Eerst zijn vier man met twee hoogwerkers twee dagen lang daarmee doende geweest, vertelde de ouwe, maar toen zat er nog een gat in het omhulsel, waar een duif doorheen kwam. Deze duif ging weer weg. Een week later is er nog eens een kraan van de Hoogkerker bergingsfirma Poort bij geweest, en sindsdien is het omhulsel waarlijk vogeldicht.
Dotterbloem
Geplaatst op: 1 april 2012 Hoort bij: Hoogkerk 7 reactiesIn een veenweidesloot hier vlakbij, op de rand van het water, staan momenteel prachtige pollen dotterbloemen te bloeien:




Fratersloot, Fraterland; Simonssloot, Simonsvenne
Geplaatst op: 30 maart 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Veldnamen Een reactie plaatsen
Toen in 1800 de Zuiderwatermolen van Hoogkerk gebouwd en de bijbehorende polder ingericht werd, liet het polderbestuur, “ter bekoming van een waterloop naar de molen” een dam weggraven tussen de landerijen van de weduwe Jacob Bolt. Haar percelen lagen ten zuiden van het Hoendiep, bij “de zogenaamde Fratersloot”. In plaats van de dam liet de weduwe Bolt een “batterij of brugje” leggen, maar blijkbaar stak het haar dat ze op kosten gejaagd was, want tien jaar later, in 1810 dus, kreeg ze alsnog 50 gulden schadevergoeding van het polderbestuur. Het bestuur en de weduwe Bolt spraken daarbij af dat de weduwe het bruggetje voortaan helemaal zelf “in een goeden bruikbaren staat” zou onderhouden, zonder ooit nog eens aanspraak te maken op een vergoeding door het polderbestuur.
Wat in het stuk over de eenmalige schadevergoeding intrigeert, is de naam Fratersloot. Waar lag deze waterloop, waar moeten we de dam en de het bruggetje van de weduwe Bolt situeren en waar komt dat Frater uit de naam vandaan?
De eerste stap tot het antwoord op deze vragen is de verhuur bij opbod, namens de weduwe Bolt, van in totaal 130 grazen land, welke verpachting plaatsvond op 21 april 1812 in een herberg te Hoogkerk. Een deel van de te verhuren percelen wei- en hooiland lag volgens de krantenadvertenties “ten zuiden van het Hoendiep, onder Hoogkerk, en om en by de Drentsche Laan”.(= Peizerweg). Omdat notaris Abresch uit Zuidhorn de verpachting registreerde, kunnen we bij diens acte te rade gaan voor een nadere plaatsbepaling. Van de eerste zeven percelen die onder de hamer kwamen, heet het dat ze deel uitmaakten “van het (zogenaamd) Fraterland”. Deze percelen lagen volgens de opgegeven perceelgrenzen in een lange strook tussen het Hoendiep en de Drentse Laan en de nummers 1, 2, 3, 4 en 7, die in het verlengde van elkaar lagen, hadden allemaal als westzwet de Fratersloot.
Gewapend met deze kennis kunnen we het digitale kadaster (oftewel Hisgis) in om te bepalen waar dit land in 1832 ligt. Via de kaartlaag eigenaren in Hisgis blijkt dat een koud kunstje. De erven Bolt hebben dan namelijk nog steeds de percelen Fraterland tussen het het Hoendiep en de Drentse Laan. Op het onderstaande kaartje heb ik, naast enkele omringende toponiemen ter oriëntatie, de zeven perceelnummers van de veiling uit 1812 aangebracht. De Fratersloot voorzag ik van een heldere kleur blauw.

Inderdaad doorsneed de molentocht van de Zuidermolen de Fraterlanden van de familie Bolt, zoals op het volgende kaartje blijkt. De dam en het latere bruggetje zullen zich bevonden hebben op de plek waar de Molentocht licht versprong tussen enerzijds perceel 3 en anderzijds de percelen 4 en 5 (zie de pijl), midden in het land van de weduwe Bolt dus:

Kijken we nog weer eens naar de Fratersloot en omgeving op het eerste kaartje, dan blijkt deze watergang met de sloot langs de Wolvedijk de enige die in een rechte lijn van de Peizerweg naar het Hoendoep loopt. Bovendien valt op dat je aan de westkant van de Fratersloot een oostwest-georiënteerde Blockflur-verkaveling hebt, terwijl je aan de oostkant langwerpige, noordzuid-georiënteerde ontginningskavels aantreft. De laatste zijn over het algemeen een stuk jonger. Wellicht is een flink deel van die ontginningskavels tegelijkertijd in cultuur gebracht
Mogelijk gingen er meer percelen dan die van de familie Bolt door voor Fraterland, al durf ik niet gissen hoever dat land zich naar het oosten uitstrekte. De namen Fratersloot en Fraterland duiden erop, dat de grond hier ooit het bezit van het Frater- of Klerkenhuis is geweest. Dit was het onderkomen in de stad Groningen van de Broeders des Gemenen Levens, een geestelijke beweging ofwel semi-kloosterorde, die zich vooral bezighield met onderwijs. Het Fraterhuis in Groningen dateerde uit de jaren 1430. In 1517 kreeg het inderdaad 6 grazen land in Hoogkerk, terwijl het op dat moment al 6 belendende grazen bezat. Mogelijk bezat of kreeg het nog meer, gezien de hoeveelheid Fraterland van de familie Bolt, later. In de oorkonde uit 1517 wordt gezegd dat het geschonken land in de Simonsvenne ligt, en daarmee komen we ook op een alternatieve naam van de Fratersloot, want die heet op een kaart van het Westerstadshamrik uit de 18e eeuw de Simonssloot, een benaming welke we eveneens tegenkomen in het proefschrift van Jan van den Broek (255, 366) voor de waterstaatkundige grens tussen het Westerstadshamrik en de Schepperij van Hoogkerk.
Met de naamgever Simon voor sloot en land hebben we mogelijk een nog oudere eigenaar dan de Fraters te pakken, misschien zelfs de man die det land hier ontgon of liet ontginnen. Maar het zou ook maar zo kunnen zijn dat Simon zelf een Frater was, zodat beide benamingen slaan op een en dezelfde laat-middeleeuwse figuur.

Sinds de tijd van Simon en de Fraters is er veel veranderd in de omgeving. Zo kwamen er de vloeivelden van de Groninger suikerfabriek en ligt er nu de Johan Van Zweedenlaan, die veel verkeer om Hoogkerk heenleidt. Een gedeelte van de Fratersloot en enkele percelen Fraterland zijn echter nog steeds in het overhoop gehaalde landschap zichtbaar. Aan de noordkant van de Peizerweg ligt een onooglijk, bijna dichtgegroeid slootje tussen het meest westelijke huis en een gemeentelijk trapveldje. Dat is hem, de Frater- of Simonssloot. Hij loopt in noordelijke richting door naar de vloeivelden, die het grootste deel van het Fraterland of de Simonsvenne hebben opgeslokt.
Bronnen:
– Archiefbewaarplaats Noorderzijlvest, archief waterschap De Verbetering, inv. nr. 56.
– Advertenties in de Groninger Courant van 10 en 14 april 1812.
– RHC Groninger Archieven, toegang 99 inv.nr. 8, acte notaris Abresch Zuidhorn d.d. 21 april 1812 (nr. 69).
Het patent van watermulder Wierts
Geplaatst op: 16 maart 2012 Hoort bij: Geschiedenis, Hoogkerk 1 reactie
Nog zo’n archivalische zeldzaamheid: een patent voor het mogen uitoefenen van een beroep, in dit geval anno 1809 verstrekt door de rechter van het Westerkwartier, die hierbij optrad als plaatsvervanger van een (afwezig) gemeentebestuur.
Ik dacht altijd dat die patenten puur geld uit de zakklopperij waren van een overheid die permanent verlegen zat om geld voor haar vele oorlogen, maar uit de zinsneden a) dat er geen redenen waren om het patent niet te verlenen en b) dat de vergunninghouder zich aan de wet moest houden, kan je afleiden dat de verlening niet helemaal een routineuze formaliteit was. Afgaande op zulke passages kon een overheid immers ook een patent weigeren en iemand zo een beroepsverbod opleggen, een tamelijk geschikt middel om het gros van de mensen hun mond te laten houden.
Het afgebeelde patent werd uitgegeven aan Abel Wierts, ook wel geschreven als Wyrts, Wijrts en Wiertsema. Volgens het stuk was hij “houder van een watermolen” in Hoogkerk. Het ging om de Zuiderwatermolen en hoewel je zou kunnen denken dat Abel deze molen in eigendom had, was hij toch echt in loondienst. Dat blijkt ook wel uit het feit dat dit patent zich in het polderarchief bevindt: de door de ingelanden aangestelde volmachten betaalden kennelijk de 14 stuivers die het patent kostte voor hun molenaar.
Abel kwam in het najaar van 1807 bij hun in dienst voor een “maalloon” van een rijksdaalder per week, wat neerkwam op 140 gulden per jaar, Daar kon iemand van leven, al was het geen vetpot. Maar Abel woonde gratis in het huis bij de molen, en verdiende wat extra bij als er een molenmaker en diens werkvolk onderhoud pleegden aan de molen, want die logeerden dan meestal bij hem tegen een kostgeld dat de volmachten eveneens betaalden. Ik kan me voorstellen dat Abel ook wel eens anderen logies verschafte. Bovendien zal hij een moestuin op het erf hebben gehad, en mocht hij wellicht een visfuik in de molentochtsloot zetten, zodat hij al met al wat beter af was dan de armste arbeider.
—
Bronnen: Archiefbewaarplaats waterschap Noorderzijlvest, archief waterschap De Verbetering, inv. nrs. 40 (kwitanties Zuidermolenpolder), 37 (kasboek Zuidermolenpolder) en 1 (‘Prothocol der participanten van de watermolen tusschen de Onlanze dijk en het trekpad buiten der A poort’).
Wie het kleine niet acht, mist verhalen
Geplaatst op: 15 maart 2012 Hoort bij: Hoogkerk 2 reacties
Rekening van de zeilmaker J. Brands voor de volmachten van de watermolen “Bij heideweers”, ca. 1809.
Met dat Heideweers wordt bedoeld: Eiteweert, waar de Zuiderwatermolen van Hoogkerk tamelijk dichtbij stond. Stel nu dat we die echte naam Eiteweerd nooit overgeleverd hadden gekregen en alleen zouden weten van de verbastering Heideweers. Dan zag ook de verklaring van het toponiem er heel anders uit. Dan zou er gewezen worden op de heide, die hier in de buurt inderdaad aanwezig was, en ‘weer’ als strook land of als rijshouten visschutting. Op de herberg met overzet hier zou niemand komen.
Brands verstelde vier molenzeilen met negen el oud doek en drie el iets duurdere lapdoek. Ongetwijfeld was het effect dat de zeilen er ook opgelapt uitzagen. In onze tijd zie je zulke molenzeilen niet meer.
De eerste vier bedragen – voor doek, garen, lijn en naalden – waren in stuivers, het laatste, voor arbeidsloon, in guldens. Tel je nu die 47 stuivers van de eerste posten en de 6 gulden van de laatste op, dan kom je op 8 gulden en 7 stuivers in plaats van de 13 gulden en 11 stuivers als eindbedrag op de rekening. Kon de zeilmaker niet rekenen? Nee, dat was het niet zoals uit het controlesommetje door de boekhouder van de watermolen, linksonder op de nota, blijkt. Van de ellewaren schreef de zeilmaker de prijs per el op, niet de totaalbedragen. Wat zeker geen usance was in deze tijd. Brands had beslist niet lang doorgeleerd, maar dat blijkt ook wel uit zijn ‘langzame’ handschrift. Je ziet bijna hoe hij zijn best doet, ’s avonds bij wat spaarzaam kaarslicht, met het puntje van zijn tong buiten de mond.
En zo kan je dan allerlei bijzonderheden ontdekken aan een tamelijk onbeduidend stukje papier. Tegenwoordig wordt dit soort rekeningetjes bijna altijd weggegooid bij het verwerken van archieven. Dat is voorschrift. Begin jaren zeventig is dat zelfs eens bijna gebeurd met de bijlagen bij de Groninger stadsrekeningen uit de 17e en 18e eeuw. Dat zulke notaatjes bewaard zijn in het archief van waterschap ‘De Verbetering’, zoals dat berust bij het Noorderzijlvest, mag daarom een klein wonder heten en is een compliment aan de waterschapsarchivarissen waard.
De watermolens van Hoogkerk (1812)
Geplaatst op: 14 maart 2012 Hoort bij: Hoogkerk 8 reactiesHoogkerk telde in 1812 maar liefst 19 watermolens. De twee grootste waren collectieve die aanzienlijke gebieden ten noorden en ten zuiden van het Hoendiep drooghielden, elk ruim 2000 grazen groot (een gras is iets meer dan 0,4 hectare). Dan had je nog een kleinere collectieve van de Zwitsers-doopsgezinde familie Leutscher (200 grazen) en verder waren het allemaal particuliere molentjes die poldertjes van 10 tot 123 grazen bemaalden, waarschijnlijk steeds het land van een enkele boerderij. Omdat de originele lijst niet naar adres, maar in willekeurige volgorde lijkt te zijn opgemaakt, heb ik die hieronder maar even gesorteerd op de grastallen, dus de grootte van de bediende arealen:
10 – Gertrude (= Geertruid) Franke
24 – Albert Hindriks Klein
25 – erven Thys Martens
29 – Albert Gerrits Oosterling
30 – Thies Thiesen Veenhuizen
42 – wed. Jacob Jans Jager
44 – wed Barteld Harms Staal
50 – Jan Gerrits Anken
50 – Luitje Willems Dijkhuis
68 – wed. Jacob Duurts Diepinga
70 – Klaas Cornelis Geertsema
72 – Jan Matthies Veenhuizen
80 – Gerrit Klaasen Huisinga
89 – Hermannus Pieters
100 – Pieter Cristiaans Gerber
123 – Albert Hindriks Hoiting
200 – Jannes Izaacs Leutscher in comp.
2286 – Eigenaars ten zuiden van het Hoendiep (Zuiderwatermolen)
2471 – Eigenaars ten noorden van het Hoendiep (Noorderwatermolen of Oude Held)
Van beide grootste watermolens zijn de lokaties nog zichtbaar. Die van het Hoendiep noordzijde, doorgaans de Noorderwatermolen genaamd en later De Oude Held, stond aan de oostkant van het Aduarderdiep, daar waar je halverwege Vierverlaten en Nieuwbrug op de westoever van het Aduarderdiep, dus ertegenover, een bosje met een inrit en een parkeerplaats hebt. Vanaf de molenlokatie loopt de molentocht nog steeds naar het oosten. De molentocht van de Zuiderwatermolen, de zogenaamde Avondsloot, bestaat nog ten zuiden van de Gabriëlflat en verder naar het oosten bij het Hegepad. De lokatie van deze molen zelf is tegenwoordig aan de andere kant van de A7, temidden van de vloeivelden van de suikerfabriek nabij Eiteweert.
—
Bron: RHC Groninger Archieven, archief van de voormalige gemeente Hoogkerk (toegang 1493) inv. nr. 1527: Staat windmolens 1812 (in het Frans). Deze staat negeert de korenmolen(s), en noemt verder alleen een houtzaagmolen.
NB: Een jongere watermolen is De jonge Held.
Van Rode Weg tot Kikkerstreek
Geplaatst op: 7 maart 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Veldnamen Een reactie plaatsen“Voor een goede 60 jaar bestond de grintweg bijlangs het Hoendiep reeds. Deze weg is gelegd omstreeks 1847. Vóór dien tijd was de weg bepuind, vandaar de benaming „roode weg”. Op de scholen leerde men b.v. Het Westerkwartier heeft 10 gemeenten, daarvan liggen 4 ten zuiden en 6 ten noorden van den „rooden weg”.
Door het dorp Hoogkerk lag een straat van veldkeien. Toch reikte die straat niet geheel tot aan het kanaal, terzijde was nog zooveel ruimte, dat men op een eenigszins verhard gedeelte met paarden en wagen kon rijden, wal menigeen dan ook liever deed dan op de dikke steenen te hotsen. Evenwel — het was niet zonder gevaar; omdat men zoo dicht op den kant van het Hoendiep kwam.
Wij behoeven niet te zeggen, want het spreekt haast vanzelf, dat de Leegeweg, anders gezegd „de Kikkerstreek”, de weg over de klapbrug of de Zuiderweg, die verderop op de Drentsche Laan uitkwam, alsmede de weg bijlangs het Aduarderdiep bij herfst en winter gewoonweg grondelooze modderpoelen waren; zoodat dè toenmalige Herv. predikant van Hoogkerk, die te Leegkerk woonde, als hij des Zondags in eerstgenoemde plaats moest prediken, of er in den winter catechisatie moest houden, genoodzaakt was groote kaplaarzen aan te trekken en tochten had op de wijze als Van Koetsveld ons in „ de Pastorie van Mastland ‘ beschrijft.”
Bron: Vredewoldius, Uit Vredewold en omgeving LII, Een halve eeuw geleden IV, in: Nieuwsblad van het Noorden 6 juli 1915
NB: Een Kikkerstreek bestond ook op De Poffert. Deze werd gevormd door de laaggelegen huisjes, vanuit Groningen voorbij de brug richting Enumatil. In Zuidhorn had je bovendien een Kikkersteeg. Het gemeenschappelijke kenmerk van al deze woonplaatsen zal een relatief lage ligging ten opzichte van de omgeving zijn geweest. En waarschijnlijk ook een wat minder hoge status van de bewoners.
Het wapen van Hoogkerk als tattoo
Geplaatst op: 20 januari 2012 Hoort bij: Hoogkerk 3 reacties
Hij is nog niet helemaal af, het terras moet nog met sabel ingevuld, de rechts- en linksneigende krul-lelies moeten nog van goud en er komen nog wat juwelen aan de kroon, maar voor de rest ziet hij er toch al behoorlijk puikgaaf uit, deze tattoo van het Wapen van Hoogkerk. Hij vervult de drager, Ewoud, ook met trots. Ewoud heeft een aantal jaren in de stad gewoond, maar is nu weer gerepatrieerd naar het dorp waar hij opgroeide en om dat te vieren liet hij deze tattoo zetten door Willem in de Haddingestraat.
Toen ik later nog even over onze ontmoeting zat na te denken, viel me in hoe het wapen van Hoogkerk ook alweer ontstaan was. Dat verhaal staat te lezen in het stuk over Elmersma in Formsma’s onvolprezen werk over de Ommelander borgen en steenhuizen. Elmersma was een zeer vervallen borgje, toen er in 1752 een zeepziederij in kwam. Directeur van deze succesvolle onderneming was een Franke, wiens dochter Geertruida de zaak in 1803 erfde. Voor een burgermansdochter had zij het nogal hoog in de bol, want ze kocht zo’n beetje alle heerlijke rechten van Hoogkerk op. Daarna vroeg ze of haar eigen familiewapen het wapen van de Heerlijkheid Hoogkerk kon worden en aldus geschiedde bij Koninklijk Besluit van 26 november 1815. Alleen kwam er nog dat gouden klokje bij het wapen in. En omdat de gemeente verder geen wapen had en de Heerlijkheid samenviel met de gemeente werd het wapen van de familie Franke het wapen van de gemeente. Waaraan het feit dat de familie de eerste burgemeester leverde, ook wel niet vreemd zal zijn
Toen Ewoud me zijn tattoo liet zien, dacht ik helemaal niet aan deze historie. Maar de volgende keer ga ik het hem vertellen. Hij zal er vast wel van opkijken dat hij eigenlijk met het wapen van een zeepziedersfamilie op zijn pols rondloopt.
Jarenlang ooievaarsnest op school Hoogkerk
Geplaatst op: 14 januari 2012 Hoort bij: Hoogkerk 1 reactieNu Afanja de earste earrebarre fan it jier heeft zien rondscharrelen bij Earnewâld, mogen we toch ook wel even stilstaan bij een berichtje uit het Nieuws van den Dag van 12 mei 1881:
“Ook dit jaar hebben weer een paar ooievaars hun nest gebouwd op de openbare school te Hoogkerk. De woelige drukte van het schoolplein schijnt hen niet te hinderen of af te schrikken. De kinderen weten het genot, dat dit eiberpaar hun verschaft, goed op prijs te stellen, en helpen de ouden zooveel mogelijk in het zoeken van voedsel voor hunne jongen.”
De Hoogkerker kikkerpopulatie is destijds behoorlijk gedecimeerd, zowel voor als door deze earrebarre…
Huisnamen van Hoogkerk (II)
Geplaatst op: 13 januari 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Veldnamen 1 reactieOm verwarring met identieke patroniemen te voorkomen, gaven predikanten in hun doopboeken vaak een nadere aanduiding van de plaats waar een gedoopt kind woonde. In die van Hoogkerk en Leegkerk gaat het meestal om streek- of buurtnamen (zoals bij de Verlaten, bij de Klijve, op de Gaaikemadijk etc), maar de predikanten noemen toch ook nogal eens een huisnaam. In de doopboeken tussen 1666 en 1811 gaat het om 13 stuks, op hooguit een 100 en nog wat huizen in het kerspel. Toch een aardige score. Zeker als je weet je dat er ook nog enkele namen niet gevallen zijn.
Dit zijn ze:
- de Borg (Elmersma, aan de zuidoostkant van de brug over het Hoendiep);
- de Drystenborch (hutje halverwege stad aan het Hoendiep zz.);
- ’t Hoge Heem (achter Vierverlaten onder de klokslag van Roderwolde);
- ’t blaauwe Huysken;
- de Koninckpoort / Koningspoort (oostzijde Koningsdiep, nu terrein suikerfabriek;
- ’t Kostverloren (vanaf ca. 1740 herberg bij de Friesestraatweg);
- de Luysenborg (oude boerderijnaam);
- ’t (kleine) Moeshuis (boerderij op de Abbingewerf);
- ’t Kuisemhuys (waarschijnlijk het Kruisemahuis, een oude boerderij);
- de Pannekoek (kroegboerderijtje aan het Hoendiep, oostkant Zuidwending);
- de Slagtersplaats (bij de Slaperstil onder Leegkerk);
- ’t Vinckehuis (de kiem van Vinkhuizen);
- ’t Waschhuis (boerderij bij het Aduarderdiep, een paar honderd meter ten zuiden van Nieuweklap);
Vergelijking met het lijstje met 17 namen van de aloude edele heerden leert ons dat er een overlap van 3 is. Dat is erg weinig. In een paar eeuwen tijd kunnen de meest gangbare huisnamen nogal variëren.
De 17 edele heerden van Hoogkerk
Geplaatst op: 9 januari 2012 Hoort bij: Hoogkerk 5 reactiesOmmelander jonkers konden lokaal en regionaal veel macht verzamelen, door allerlei rechten op te kopen qua rechtspraak, waterstaat en keuze van kerkelijke functionarissen. Oorspronkelijk zaten die rechten vast aan de grond, maar ze waren er los van geraakt, apart verhandelbaar geworden en op die manier op te hopen. Aan dit proces van het losscheuren van rechten van grond maakte de bescheiden revolutie van 1748 een einde. Wat nog vast aan de grond zat, bleef daaraan vast, maar wat los van de grond was, bleef los. Om te voorkomen dat het losmakingsproces verder ging, werden al dit soort rechten geregistreerd.
Hoe sterk de macht van een jonker plaatselijk kon zijn, toont het lijstje aan, dat in 1754 is opgemaakt van de rechten in “de Grietenije van Hoogkerk”. Oorspronkelijk waren de rechten op het uitoefenen van rechtspraak hier verbonden aan 17 heerden – een term waarmee zowel boerderijen als lappen land werden aangeduid. – en konden de eigenaars van elk van die heerden eens in de 17 jaar recht spreken of een rechtspreker aanstellen op de rechtstoel van Hoogkerk. Anno 1754 waren echter 16 van de 17 redgerrechten in handen van de erven Lewe van Aduard, wier erflater Evert Joost, voor 1748 de machtigste man van de Ommelanden, ze voor het merendeel al voor 1715 verworven had. Naast de quasi-alleenheerschappij in de jurisdictie, bezat deze jonker ook nog een meerderheid van de ommegangen in de Schepperij van Hoogkerk en in de collatie van dit kerspel. Hij kon dus de waterstaat naar zijn hand zetten, de rechter aanstellen die de boeten voor hem oplegde en de wedman die bij wanbetaling beslag legde op goederen, en de dominee en schoolmeester benoemen die oud en jong tot gehoorzaamheid vermaanden.
Hoewel in Hoogkerk 15 van de 17 ommegangen in de grietenij los van de grond waren geraakt, worden de namen van de heerden waaraan deze rechten oorspronkelijk verbonden waren, wel genoemd op de lijst van 1754. Vaak gaat het om dan al lang vergeten huisnamen en toponiemen, die alleen nog voortleefden in akten van eigendomsoverdracht. Zo was het Cruisemahuis voor 1634 al gesloopt, toen de 110 grazen grote heerd van die naam, in dit geval dus het onderliggende areaal, gerechtelijk geveild werd. Van de Abbingewerff, de enige heerd waarvan het redgerrecht niet afgescheurd was, resteerden slechts de meldingen in de rekenboeken van het Groninger Heilige Geestgasthuis – de 17 gras, onder die naam verhuurd, raakten beklemd onder een boerderij met een heel wat minder voornaam klinkende naam: het Moeshuis, dat op de hoek van het Kliefdiep en de Kerklaan stond.
Van alle namen kwam slechts een minderheid bekend voor. De Popko Jongeringsstede op Bangeweer bestaat nog steeds, de boerderij daar heet nu Yankee Doodle. Elmersma was de vervallen borg ten zuidoosten bij de brug over het Hoendiep, sinds 1753 zat er een zeepfabriek. Waar de Luizenborg stond weet ik niet, maar die naam vind je meermalen in het doopboek van Hoogkerk. Ook dat betrof waarschijnlijk geen florissant vastgoed, tenzij je Luis op zijn Spaans lezen moet, maar dat zal wel niet.
Omdat er een Gronings veldnamenproject aankomt en de lijst met 17 edele heerden van Hoogkerk in dat kader wel eens relevant zou kunnen zijn, laat ik de namen hier in de oorspronkelijke, spatierijke spelling volgen, met een enkele opmerking.tussen haakjes:
- Eltekema stede
- Het Hol
- Cruissema huis (boer: Sjabbe Abbring?)
- Bennekema heem (ook wel Bennekemahuis)
- Stullinga heem (een heem is een erf)
- Abbinge werff (het woord werf duidt op een huiswierde)
- Siccama heert of Reutelweert (vergelijk 12)
- Uwerga Werff
- Elmersma (hiervan bezat Lewe eerst de ommegang, later kocht hij er de grond bij)
- Juwersma
- Hiddinga heem
- Siccama stede (vergelijk 7)
- Helema werff
- ’t huis ten Hamrik of Luisenborgh
- Gijsselma stede
- Ottema stede
- Popko Jongerings stede tot Bangeweer
Bron: Groninger Archieven, toegang 136: Hoge Justitiekamer, inv. nr. 2580.
Schouwbaar in het Westerhamrik (1754)
Geplaatst op: 7 januari 2012 Hoort bij: Hoogkerk, Stad toen, Veldnamen 4 reacties
Op zoek naar historische gegevens over de waterstaat van de Peizerweg-omgeving, die in de 20e eeuw meermalen overstroomde, vond ik een register, in 1754 vastgesteld op verzoek van de Prinses–Gouvernante. In het stuk staan alle dijken, wegen, tochten en maren (uitwateringssloten en -kanaaltjes), waarover de Scheppers van het Westerstadshamrik de schouw hadden. In dit stadsgebied ten westen van de stad Groningen, dat later ook deel uitmaakte van de gemeente Groningen, zagen deze waterschapshotemetoten dus toe op zulke werken, en konden zij boetes opleggen aan onderhoudsplichtigen die in gebreke bleven. Op hun beurt vielen de Scheppers weer onder het oppertoezicht van het Aduarderzijlvest, want het water van het Westerhamrik verdween uiteindelijk via de Aduarderzijl naar open zee. Daarom was die uitwateringssluis hier ook van groot strategisch belang. Wie de Aduarderzijl beheerste, kon dit stadsgebied drooghouden of onder water zetten en beheerste daarmee de toegang tot de stad vanuit het westen. Daarom zijn er rond 1600 ook honderden mensen in veldslagen om de Aduarderzijl gesneuveld.
Maar ik dwaal af. Ik laat hier een samenvatting van de lijst objecten uit 1754 volgen, als onderlegger voor volgende stukjes, eerst over de Peizerweg, en later over de Lingenhuizen, het buurtschapje aan het eind van de Peizerweg waar het Porrenhuis deel van uitmaakte.
Hoewel ik hierboven het meervoud wegen gebruikte, en dat pluralis ook een kopje in het register vormde, was de “Drentse Laan”, zoals de Peizerweg toen nog heette, de enige weg waarover de Scheppers van het Westerhamrik de (over)schouw hadden. Het begin en eind van die weg geven ze in het register aan als: “van de Hoornse Dijk tot aan de Lingenhuizen”. Ze bedoelden met die Hoornse Dijk de dijk, waar zich nu het eerste stukje van de Paterswoldseweg bevindt (tussen de Eendrachtsbrug en het spoor).
De dijken waarover de zeven Scheppers gezamenlijk het toezicht hadden, waren die aan de westkant van het Hoornse Diep tussen Paterswolde en de stadswal, en aan de westkant van het Reitdiep tussen de stadswal en het Hooihuis, wat een nog steeds bestaande boerderij aan de Frieestraatweg is. Bovendien inspecteerden twee jaarlijks door de ingelanden gekozen Dijkrechters de Ruige of Onlandse Dijk die van het voormalige klooster Den Hoorn naar de Lingenhuizen liep. Deze dijk vormde tevens de zuidwestelijke grens van het stadsgebied. De Scheppers hadden hier het recht van overschouw.
Dan de tochten, maren en uitwateringen van het Westerhamrik. Dat waren
- de tochtsloot langs de noordkant van de Drentse Laan,
- de beide tochten die van die sloot richting Hoendiep liepen (namelijk a. die langs de Wolvendijk, en b. de Simonsloot die tegenover de Lingenhuizen begon), en
- het Vinckemaar, dat rond het poldertje van de beide Vinkhuizen liep.
Via duikers onder het Hoendiep door, waterden 1 en 2, net als 3 zonder duiker, uit in het Klijfdiep onder Hoogkerk, dat via een klijve of zijltje uitwaterde in het Aduarderdiep. Daarom was dat Klijfdiep met het uitwateringssluisje ook in gezamenlijk onderhoud van de Westerhamriker en Hoogkerker Schepperijen, net als de Simonsloot die op de grens van de stedelijke en Hoogkerker waterschaspsterritoria lag. Een tocht van de Hoornsedijk (de latere Paterswoldseweg) in het zuidwesten van het stadsgebied voerend naar “het huis van Aite Weerd” vormde een uitzondering op deze lozingsrichting. Die tocht en de Wildsloot aan de westkant van de Onlandse dijk spuiden het water via een klijfje in het Peizerdiep, ver bovenstrooms van het punt waar al het andere water van het Westerhamrik terechtkwam. Begin 19e eeuw zou dit lozingspunt overigens worden vervangen door een iets noordelijker, op het Koningsdiep, uitkomende molentocht van een nieuwe watermolen voor de zuidelijke landen van Hoogkerk.
Naast deze algemene en collectieve uitwateringen waren ook alle particuliere die hierop uitkwamen aan schouw onderhevig. Het was niet de bedoeling dat ingezetenen hun water niet konden lozen, “omdat een ander versuimt sijne sloten te graven of behoorlijke pompen te leggen”.





Recente reacties