Het Porrenhuis met een vergezicht op stad

Het Rijksmuseum bezit deze tekening – zie haar vooral groot – door de Groninger landschapstekenaar en koopman Egbert van Marum (1746-1816), die nog een poos directeur zou zijn geweest van Academie Minerva. De titel luidt: “Het Porenhuis met in de verte de stad Groningen”.

Het Porrenhuis, zoals het bedoelde stuk vastgoed meestal genoemd wordt, zal rechts in beeld staan. Het betreft een eenvoudig huis, waarachter zich een dito achterhuis bevindt. Volgens Jan van den Broek (p. 362 noot 134) stond dit Porrenhuis op de westelijke rand van het stadsgebied, ten zuiden van de plaats waar nu de Peizerweg (voorheen de Drentse Laan onder Groningen) overgaat in de Zuiderweg (voorheen Hoogkerk). Als je er een huidig adres aan zou moeten geven, dan zou dat Peizerweg 178 zijn.

Ik kom daar elke dag wel een paar keer langs. Tot na 1980 had het pand op dit adres de functie van café en het lijkt er sterk op dat deze strategische lokatie bij de driesprong van de wegen naar stad, Hoogkerk en Peize eeuwenlang zo’n horeca-functie kende, want B. Lonsain schreef in 1925 dat ook het Porrenhuis al een herberg was. Op het uithangbord van deze herberg, dat helaas op de tekening ontbreekt, stond volgens hem een voorstelling met een aap, een kat en een molen, waaronder je dit rijmpje kon lezen:

Deze aap en kan niet luizen,
Deze kat en kan niet muizen,
Deze molen en kan niet malen,
Die hier komt drinken moet betalen
Anders mag hem de drommel halen.

De naam van het Porrenhuis zal ontleend zijn aan de familie Por, die hier midden 18e eeuw nog woonde. Helaas komt de huisnaam maar een paar keer in de bronnen voor. Afgaande op het ‘Kohier der Vaste Goederen’ van 1805 ging het indertijd om een behuizing met 106 gras (of ruim 50 hectare) land, wat rijkelijk veel was voor zo’n eenvoudige herberg. Maar wellicht zat daar nogal wat minderwaardige grond bij: drassig hooiland en woest liggend veenland. Een veiling van 30 gras topgras, 20 gras haver op de wortel en 30 wagenvoeren turf in 1803 doet dit ook vermoeden. Het land was twee jaar later het eigendom van de weduwe J. Bolt, terwijl Annegie Jacobs, de wed. Harm Boerma, het huis bezat waaronder het land beklemd zat. Zij was dus de beklemde meier van het land, dat via een zijltje aan de westkant afwaterde naar de Woldsloot, die op zijn beurt het water via een watermolen loosde op het Peizerdiep.

Als we nog even terugkeren naar de tekening van Van Marum, dan zien we aan de linkerkant een nogal winters aandoend vergezicht op de stad Groningen, waarvan Van Marum de torens iets te hoog voorstelde. Op de voorgrond bindt iemand zijn schaatsen onder, rechts zien we een paardenslee, verderop een schuifslee en diverse schaatsers. Er lijkt sprake van nogal wat ijs en dat wekt misschien verbazing , want er is hier geen kanaal of meer bekend. Maar de Drentse Laan (de latere Peizerweg), een landweg die tevens nog als weiland werd gebruikt,  lag met het omringende land  nogal laag. Zelfs in de twintigste eeuw zijn er nog diverse overstromingen geweest. Zo zag men eind 1915, begin 1916, komend vanuit de stad, voorbij de spoorwegovergang van de Peizerweg “een zee, ’n gezicht ver water en niets dan water”, een “eindelooze watervlakte die zich uitstrekt zoover het oog reikt”. Zelfs de Drachtster tram kon hier niet meer langs, zodat er een soort veerdienst georganiseerd moest worden.  “Als curiositeit” plaatste het Nieuwsblad er tien jaar later nog foto’s van. Dankzij een betere bemaling zou het niet meer zover hoeven komen, aldus de krant, die in 1928 en 1932 echter opnieuw foto’s (a, b, c), maaar dan actuele, kon plaatsen van de “bare zee” tussen de stad, Peize, Hoogkerk en Roderwolde.

Iets van zo’n watervlakte zien we ook op de tekening van Van Marum. Zij het dat die vlakte dan bevroren is, wat een vriendelijker aanblik geeft. In zijn tijd waren er nog geen stoomgemalen, en kon men het water alleen met watermolens wegwerken. Vooral bij hoog buitenwater schoot dat niet op en daarom waren er aan de westkant van de stad, als het vroor, vaak schaatsers te zien.


Naberplichten in Hoogkerk (1812)

Bij maire (= burgemeester) Franke van Hoogkerk kwamen in het voorjaar van 1812 klachten van ingezetenen binnen over “de gebrekkige regulering der buurtpligten bij sterfgevallen”. Daardoor konden die naberplichten niet worden afgedwongen bij sommige nalatigen. Reden voor de maire, om een reglementje op te stellen.

Zoals al het goede, bestond dit uit drie delen. De eerste afdeling regelde de indeling van de gemeente Hoogkerk in buurten, de tweede bepaalde wie tot wat verplicht was en welke sancties er stonden op nalatigheid, en in de derde stonden artikelen over het buurtbestuur, de inning en administratie van de boetes en de jaarlijkse potvertering.

De 113 huizen van de gemeente Hoogkerk werden verdeeld in zes buurten. Deze waren niet allemaal even groot, en waarschijnlijk speelden onderlinge afstanden tussen de huizen een grote rol bij de verdeling. De eerste drie buurten lagen in Hoogkerk zelf, en de vijfde in Leegkerk. Naast deze homogene buurten waren er twee heterogene: de vierde buurt strekte zich uit over Hoogkerk en Leegkerk, terwijl de zesde Dorkwerd omvatte, naast een drietal huizen in Leegkerk.

Bij ieder sterfgeval was de allernaaste naber verplicht om de drie verdere naaste buren in te schakelen voor het afleggen van de dode. Als iemand niet kon, moest de volgende buur invallen. Kon een huishouden niemand leveren, dan verbeurde dat 6 stuivers boete.

Een van de naaste buren moest de verste nabers van de buurt aanzeggen dat ze de dode moesten verluiden. Dit klokluiden gebeurde op de eerste ochtend na de sterfdag en duurde een half uur voor een kind tot twaalf jaar en een heel uur voor oudere mensen. Nabers die er niet aan meededen verbeurden 8 stuivers boete.

De allernaaste naber moest de doodskist bestellen bij een timmerman of kuiper. Als die de kist klaar had, haalden de zes naaste mannelijke buren het ding op. Als dit per paard en wagen gebeurde, dan diende de naaste buur met paard en wagen deze te leveren. Tegelijkertijd maakten de zes naaste buurvrouwen in het sterfhuis het doodshemd. Een dode man werd gekist door zijn buurmannen, een vrouw door haar buurvrouwen. Verzuim kwam in dit geval te staan op een boete van 10 stuivers.

Op de ochtend van de begrafenis lieten de acht naaste buren zich om 11 uur in het sterfhuis vinden om de dode naar de begraafplaats te brengen. Als dit per paard en wagen gebeurde, gold dezelfde regel als bij het halen van de kist. De vier buren die volgden op de acht naaste moesten het graf delven, en dat “in tijds gereed hebben”. Deze vier moesten gedurende de begrafenis ook de kerkklok luiden. Nalatigheid in dezen werd gestraft met een boete van 12 stuivers.

Drie van de vier naaste buuurmannen deden bovendien binnen drie dagen na het sterfgeval aangifte bij de maire, die tevens de ambtenaar van de burgerlijke stand was.

Bij al deze taken mochten de nabers vervangers sturen, dus kinderen of dienstboden, “mits een geschikt persoon zijnde”.

Weduwnaars hoefden alleen aan de mannelijke naberplichten te voldoen, terwijl weduwen alleen gehouden waren tot de vrouwelijke.

Alleen bloedverwanten tot in de vierde graad van de overledene waren vrijgesteld van deze naberplichten. Ook iemand die ziek was hoefde niet mee te doen of boete te betalen, maar dan moest de naaste naber wel op tijd van die ziekte op de hoogte worden gesteld, terwijl de ziekte ook “genoegzaam” moest blijken.

In elke buurt stelde de maire een buurtmeester en een opvolger voor de buurtmeester aan, die tot Hemelvaartsdag van het volgende jaar in functie zouden blijven. Op die dag trad de buurtmeester af en volgde de opvolger hem op. De buren kozen dan tevens een nieuwe opvolger uit de mannelijke gezinshoofden, met uitzondering van de “behoeftigen”.

De opvolger of bijzitter van de buurtmeester deed het zwaarste werk. Hij inde alle boetes en bracht die naar de buurtmeester, die er een administratie van bijhield.

De invordering van de boetes kon geschieden bij pandhaling. Als iemand dus niet kon of wilde betalen, dan werd er een stuk huisraad in beslag genomen, dat de debiteur dan tegen betaling van het verschuldigde bedrag weer kon inlossen.

Als de buurtmeester en zijn opvolger zelf niet bij een begrafenis konden zijn, dan moest een van de naaste buren van het sterfhuis aantekening van de verbeurde boetes houden en dat stuk naar de buurtmeester brengen.

Jaarlijks legde de buurtmeester op Hemelvaartsdag aan de hele buurt rekening en verantwoordiing af van de geïnde boetes. Dat mocht in zijn eigen huis, of anders in een “geschikt locaal”. Bij deze gelegenheid betaalden nieuwe buren ook hun 12 stuivers entreegeld – mensen die het wat breder hadden mochten meer betalen naar hun “genereusiteit”. Wat er dan in de pot zat aan boetes en entreegelden, konden de buren gezamenlijk en “in behoorlijke order” verteren.

Bij verschil van mening tussen de buren hakten de buurtmeester en zijn assistent de knoop door. Kwamen zij er niet uit, dan werd de kwestie voorgelegd aan de maire.

Binnen vier maanden was het zover en maakt de maire nog wat aanvullende artikelen.  Bij het afleggen kon het aantal opgeroepen naaste buren uitgebreid worden tot vijf. De boete op absentie bij het afleggen ging omhoog van 6 naar 12 stuivers. Kennelijk omdat de volgorde van de buren al eens discussie had gegeven, stelde de maire vast dat de nummers van de huizen hierin bepalend waren. Terwijl weduwnaars met meerderjarige dochters gehouden werden om deze in te zetten voor vrouwelijke naberplichten, en weduwen met zoons deze zoons moesten laten helpen bij mannelijke doden.

Bron: RHC Groninger Archieven toegang 1493 – Gemeente Hoogkerk, inv. nr. 1546:
Reglement op de “buurtpligten” (1812 ).


Rondje Leutingewolde

Shovel in de weer met bieten bij de suikerfabriek:

Boerenwagen met rotzooi bij Oostwold:

Eiken langs het fietspad tussen Leek en Roden:

Peinzend paard bij Leutingewolde:

Het voederen van de stier, Foxwolde:

Koe observeert kip, Roderwolde:

Laantje met slootje, westkant Peizermade:

Peizerdiep, even ten zuiden van Eiteweerd:

Morgen iets over de toestand, aangetroffen bij Nienoord.


Rondje Leegkerk

Deze slideshow vereist JavaScript.


Een nieuw ‘klokhuis’ te Leegkerk

Op 20 mei 1696 lieten de kerkvoogden van Leegkerk de timmerman Geert Roelefs van Peize naar Leegkerk komen, “om de toorn te verbeteren dat die niet schuddede in ’t luiden”. Met die toren, zo blijkt naderhand, werd een dakruiter bedoeld, die bovenop de kerk stond. Roelefs onderzocht deze, en bevond dat “het holt al in ’t vergaen was”. Geen wonder dus, dat deze toren schudde bij het klokluiden.

De kerkvoogden besloten, dat er aan de westgevel van de kerk “van nieu eijken holt een klockhuis ofte Toorn zou komen”, waar de klok naar toe moest verhuizen. De oude dakruiter zou dichtgetimmerd worden. Geert Roelefs nam het werk aan voor 65 gulden als de kerkvoogden het eikenhout uit een bos in Drenthe kochten. Maar als zij “besneden holt” uit de stad Groningen zouden laten halen, zou hij slechts 55 gulden krijgen. Dan hoefde hij immers niet meer die bomen te laten bewerken tot bruikbaar hout.

De aanbesteding vond plaats in een herberg bij de Nieuwe Brug, waar de kerkvoogden de verteringen betaalden. Deze liepen op tot een rijksdaalder.

De aanneemsom gold dus alleen de arbeidslonen – de materialen moesten de kerkvoogden zelf kopen. In juni kochten ze voor 56 gulden en tien stuivers vijf eiken in het bos van Peize. Hoewel deze eiken in augustus werden gekapt, zouden ze daar nog maandenlang blijven liggen, omdat ze “uit oorsake van langduirende regen en onbruikbaerheijdt van de wegen” niet naar Leegkerk konden worden vervoerd.

Dat transport gebeurde pas op 21 december 1696 door “de Caspeluiden van Peijse met sleeden over ijs”, waarvoor deze Peizenaren een hele ton kluin (Groninger bier) als beloning kregen

Uit een soortgelijke post voor “een halve tonne kluin tot richtelbier van de Toorn ofte Klockhuis”, waarvoor de Leegkerker schoolmeester op 8 mei 1697 de impost betaalde, blijkt dat toen ongeveer het balkenstel aan de gevel bevestigd zal zijn. In juli betaalden de kerkvoogden de timmerman voor zijn werk en de smid voor het gebruikte ijzerwerk en spijkers. Dat zal na de oplevering zijn geweest.

Al met al waren de kerkvoogden zo’n 166 gulden kwijt voor de nieuwe aanbouw.

Bron: RHC Groninger Archieven, toegang 547: familiearchief Lewe, inv. nr. 502: rekeningen kerkegoederen Leegkerk


Muggenwolk op ’t eind van oktober


Scheepswerf De Poffert

Deze slideshow vereist JavaScript.

Bijna honderd jaar geleden gesticht door een Apol uit Appingedam, een jongere broer uit de familie die model stond voor een roman van Thomas Roosenboom. Volgens de huidige eigenaar maakte Apol minder schepen als rondhout in de vorm van (hei-)palen voor beschoeiingen etc. Advertenties in oude leggers van het Nieuwsblad lijken deze stelling te ondersteunen.


Hoogkerk in de herfst

Vanochtend zag het er eerst zo uit.

– Zuiderweg Hoogkerk:

Suikerfabriek vanaf de Peizerweg:


Noord-en westkant Hoogkerk

Hooiers bij de Zijlvesterweg:

Paard in tegenlicht, bij de Aduarderdiepsterweg:

Dorpsgezicht Hoogkerk met luchtballon:

Leegstaande boerderij bij de Aduarderdiepsterweg:


Menu met kunst en vliegwerk

Ik vraag mij in gemoede af hoe die oudjes op hun dag ook maar één hap door de keel krijgen:


Ommetje stad

De ‘Hoogkerker’ toegang tot het terrein van de Groninger suikerfabriek stond weer open, zodat ik het stuk dat ik op Open Monumentendag niet zag, alsnog kon bekijken. De waterplassen waren groter dan ik dacht. Qua vogels alleen een reiger gezien.  Een wegggetje met gezicht op onder meer de DUO-flat in de verte:

Beschilderde bouwschutting aan de Kerklaan – lieve figuurtjes in een Hummerachtig vehikel:

Op visite in de Grouwelderij:

Loswal suikerfabriek Hoogkerk:


Zuiderweg 1919

Een leuke kant van de webstreepjelogellende bestaat uit de harten onder de riem die ik de laatste dagen mocht ontvangen. Waarvoor mijn grote dank!

Bert Visser liet zijn reactie gepaard gaan met deze ansichtkaart uit 1919, waarop je ongeveer hetzelfde stukje van de Zuiderweg in Hoogkerk ziet als op Boekito zijn oude meester, die trouwens wel eens een copie van een andere ansichtkaart kon zijn.  Alleen is het standpunt op Bert zijn ansicht wat noordelijker en gaat de blik nu richting zuidoosten. Links de huidige cafetaria, het pandje kan toen, net als het belendende, nog niet erg oud geweest zijn.


Schilderij blijkt Hoogkerk te tonen

Nu bijna vier jaar geleden kwam Hans Bauer, alias Boekito, met dit naieve en niet echt fraaie schilderij bij me langs: Hij wilde graag weten welke plaats het om ging. Ik zette het begin 2008 op Gelkinghe, maar dat bracht de oplossing niet. Onlangs stapte Hans met het schilderij naar het Dagblad van het Noorden, dat een zoekrubriek heeft. Van de twaalf reacties wezen er tien op de Zuiderweg te Hoogkerk! De lokatie waar ik nu vaak boodschappen doe bij de Appie. Links van de kerktoren zie je het vroegere gemeentehuis. Het Hoendiep en de brug zijn nauwelijks kenbaar. Ziehier de historische situatie op een oude ansicht in de Beeldbank Groningen. De maker van het schilderij, ene Moes, bleek hier in Hoogkerk huisschilder geweest te zijn. Hij zou het doek begin 20e eeuw hebben geschilderd.


"Kinder vissen"

“Kinder vissen”, kondigt het postertje op de deur van de buurtsuper aan.

Voor mijn geestesoog verschijnt een spartelende en tegenstribbelende vangst, zijnde geen snoekbaars of paling.

Maar nee, het betreft een viswedstrijd voor buurtkinderen. Ze moeten hun eigen “vis spul” meenemen. De lokatie is niet de vijver van de vorige keer. Maar waar het dan wel is, wordt niet gezegd.


Jonge zwanen bij Gravenburg geringd

In de tip tussen de Friesestraat- en de Zijlvesterweg bij Gravenburg zag ik een stel mensen in een afgelegen weiland gek doen met lange staken. Wat ze precies aan het uitvoeren waren kon ik niet zien. Eerst dacht ik dat ze polsstokken droegen en dat ze een fierljep-parcours aan het uitzetten waren, maar ze plaatsten nooit zo’n staak rechtop in een slootwal om er dan in te klimmen, zodat ik deze hypothese moest verwerpen. Thuis zag op mijn 30x zoom-foto’s dat ze jonge zwanen aan het ringen waren. Zes stuks. Met die staken hielden ze de twee volwassen zwanen in bedwang. Ook haalden ze met de staken, dus tevens vangstokken, jonge zwanen uit de groep. Het was nogal een enerverend karwei blijkbaar, want na afloop stonden de deelnemers met elkaar te high-fiven:

Geplaatst op 18 augustus 2011  a

Geplaatst op 18 augustus 2011  b

Geplaatst op 18 augustus 2011  c

Geplaatst op 18 augustus 2011  d

Geplaatst op 18 augustus 2011  e

Geplaatst op 18 augustus 2011  f

Geplaatst op 18 augustus 2011  g

Geplaatst op 18 augustus 2011  h

De foto’s zijn van gister, maar kon ze toen niet posten omdat Typepad, die fijne, gelukkig bijna oud-partner van Sanoma/Weblog, me de toegang tot mijn dashboard ontzegde.